null Beeld rv
Beeld rv

Open venster

‘Was de dood van Chovanec moord? Ja. Zullen de agenten gestraft worden? Nooit’

Toen ik mijn eerste psychotische episode meemaakte in 1999 had ik geluk: het gebeurde in de late namiddag in een drukke winkelstraat te Knokke, en de vier omstaanders die besloten om niet van krommenaas te gebaren en gedegouteerd met opgeheven wipneus, afkeurende wenkbrauwen en misprijzende mondhoeken voorbij te lopen met hun tassen vol polo’s van Tommy Hilfiger en Lacoste en flesjes reukwater van Dior en Guerlain, maar die hun heilige materialistische hobby even aan de kant schoven om zich over mij te ontfermen… wel, zij waren grootse weergaloze lankmoedige helden die zichzelf overtroffen en uitblonken in onverwachte zachtheid en diepe barmhartigheid.

De soundtrack: Chanson pour l’Auvergnat van Georges Brassens.

Bovendien was één van de vier omstaanders een serene minzame wijze stoïcijnse ergotherapeut die mijn psychotische episode als dusdanig herkende, en die mijn rare raaskallende onvoorspelbare spraak en motoriek bijgevolg niet afdeed als juveniele onuitstaanbaarheid, crimineel hooliganisme, post-puberale aanstellerij of schandelijk drugmisbruik dat ik mezelf had aangedaan.

Voor alle duidelijkheid: ik was jong en onuitstaanbaar, ik was een hooligan en een delinquent, ik was een aansteller met een stumperig EQ en geen noemenswaardige sociale vaardigheden, en er zaten drugs en alcohol in mijn bloedstroom. Maar ik was ook (en vooral) een psychisch lijdende mens, en ik was toen in die drukke winkelstraat te Knokke in de acute fase van mijn psychose terechtgekomen.

Zelf had ik toen nog geen naam voor mijn ellende, geen comfortabele psychiatrische terminologie voor het ziektebeeld dat ik meemaakte. Het enige wat ik wist was dat ik extreem angstig en ontredderd was. Panisch, weerloos, sukkelachtig en verward. Compleet gedesoriënteerd en uitgeput. Maar ik was ook woest en onvoorspelbaar en razend en achterdochtig en weerbarstig en onredelijk en schuimbekkend agressief.

Ik had de weken voordien bijna niet geslapen, ik had rondgezworven door de nachtelijke straten van Gent en mijn genitaliën kwistig uitgedeeld aan verweerde paardengokkers en pernicieuze kooivechters (en soms had ik mijn genitaliën niet willen uitdelen, maar was ik in gevaarlijke situaties verzeild geraakt waar mannen én vrouwen misbruik hadden gemaakt van mijn kwetsbare staat, toch vooral mannen).

De angst en de ontreddering die mij vrijwel constant plaagden (nee kwelden) had ik proberen te verlichten met drugs en alcohol (onsuccesvol). Ik was vuil en ik stonk, ik durfde niet meer in mijn douchecel te kruipen. Te besloten, te claustrofobisch. Eten vergaren en mezelf voederen lukte ook al een hele tijd niet meer, ik woog amper veertig kilo.

Ik was een wrak. Een uitgemergeld onrustig verwilderd panisch scharminkel met zelfverminkingswonden aan mijn armen en benen, een huiveringwekkende zelf geknipte pony, zonder schoenen en met feces op mijn broek. Geen zelfrespect, geen zelfredzaamheid, geen idee zelfs van het concept ‘zelf’ en ‘zelfzorg’.

Maar ik was geen beest en ik was geen object. Ik was een mens en ik zag af. Nooit voordien had ik meer afgezien. De paranoïde verwarring was nog het ergst. Van mijn redding herinner ik me weinig.

Achteraf op de dienst psychiatrie heeft men me verteld dat ik wild om me heen schopte, dat ik de jas van één van mijn redders heb verscheurd en dat ik toen de ambulance kwam me wild heb verweerd tegen het fixatiemateriaal en dat ik een ambulancier in het gezicht heb gebeten.

Ik kreeg een kalmeringsmiddel (oh zalige injectienaald, heerlijk bewustzijnsverlies, verkwikkende slaap), en de volgende dag werd ik in de watten gelegd door de verpleegsters Sonja en Nicole.

Twee fenomenale verrukkelijke ingoede vrouwen die veel meer deden dan wat op hun werkschema stond, die me koesterden en geduldig naast mijn bed zaten en me trachten te overtuigen om een snede rozijnenbrood te eten en een glas chocolademelk te drinken om aan te sterken.

De soundtrack: The Sisters of Mercy van Leonard Cohen.

Ik had dus, al met al, geluk gehad: ik kreeg vrij vlug de gepaste farmacologische behandeling en ik werd warm en menselijk bejegend. En ook al heb ik een ambulancier gebeten, ik werd niet als een beest of als een stuk uitschot in elkaar getrapt en afgerekend op mijn bizarre agressieve labiele gedrag.

Dat ik een kleine witte broze schriele vrouw van amper twintig lentes jong was zal ook wel in mijn voordeel hebben gespeeld. Dat ik er uitzag als een onschuldig ontwapenend vertederend veertienjarig schoorsteenvegerjongetje weggelopen van de set van Mary Poppins heeft zeker geholpen.

Maar mijn grootste geluk was misschien wel dat er geen politieagenten in de buurt waren toen ik ten prooi viel aan die afschuwelijke acute fase van mijn psychische worsteling en ontreddering, aan de gevolgen van mijn slaapgebrek, promiscuïteit, anorexia en drugmisbruik. En aan mijn aangeboren vatbaarheid voor psychosen. Daar in die winkelstraat te Knokke.

Jozef Chovanec had minder geluk.

Toen hij op 23 februari 2018 in de luchthaven van Charleroi de eerste tekenen van psychische agitatie en koortsige paniekerigheid vertoonde werd hij ploerterig en neerbuigend en bestraffend behandeld. Hij werd als een ordinaire vervelende onuitstaanbare herrieschopper opgesloten in een kleine cel. Wreed, wreed, wreed.

De soundtrack: The Beast in Me van Johnny Cash.
Nee: Behind Blue Eyes van The Who.
Nee…
Geen muziek, ijzige stilte.
Nee. Geen ijzige stilte.
Integendeel: hartverscheurende huiveringwekkende benauwende snerpende kreten die werden genegeerd.

Existentiële schizofrene paranoïde verschrikkingen die werden afgedaan als de verwende infantiele misdragingen van een storende gestoorde bespottelijke imbeciele Slavische lastpak. De ondraaglijke angst van Jozef Chovanec nam in die cel alleen maar toe, nam epische helse onbeheersbare proporties aan. Wanhopig trachtte hij te ontkomen. Daarbij beukte hij met zijn hoofd tegen de celdeur, tot bloedens toe. Dit wekte blijkbaar woede op bij de agenten van dienst.

Een gewonde Slowaakse ontredderde man wekte woede en afgrijzen en sadisme op? Hoe afgestompt en boosaardig is men dan geworden? Op geen enkel moment tijdens die noodlottige nacht van 23 op 24 februari 2018 werd enig teken van bezorgdheid, mededogen, medelijden, mildheid, genade, of zelfs maar een poging tot begrip bespeurd bij het politiekorps. Niemand heeft geprobeerd om zich in te leven in het acute lijden van Jozef Chovanec en om er op een menselijke nobele manier mee om te gaan. Nee, het lijden van Chovanec werkte net als een rode lap op een stier. Het politiekorps werd barbaars en razend, buiten zinnen.

Of werden ze baldadig en vrolijk? Bouwden ze een cynisch feestje met neonazistische inslag op de kap van een Oost-Europese pineut, een gemakkelijk slachtoffer? Het sadistische genot en harteloze jolijt van de agenten staat op de camerabeelden die we allemaal te zien hebben gekregen. Onuitwisbaar, op ons netvlies gebrand.

Er was een vrouwelijke agente die met zichzelf geen blijf wist. Op de camerabeelden spatten de extase en de vreugde van haar lijf. Met triomfantelijke gebalde vuisten in de lucht danst ze, stampvoet ze ter plekke. Eindelijk zichzelf, eindelijk vrij. Ze brengt een ondubbelzinnige Hitlergroet. Met beruchte snor gesimuleerd door twee vingers.

Ze beweerde achteraf dat ze de zware situatie wilde ontmijnen met een grapje, met humor. In welk universum is de Hitlergroet brengen naast een bloedende Slowaakse man die brutaal en genadeloos gelyncht en versmacht wordt door je kompanen in een kleine politiecel een vorm van humor? Het lijkt eerder op gebarentaal, op de vertaling of de samenvatting van hetgeen zich daar aan het ontplooien was.

Was het moord? Ja.
Speelde er een racistisch motief? Allicht.
Gaan de agenten gestraft worden? Nooit.

Zal Jan Jambon die destijds minister van Binnenlandse Zaken was slaap laten om de afwikkeling en de lekken in het proces Jozef Chovanec? Dat weet ik niet.

Dat ik geen oog heb dichtgedaan de afgelopen nacht heeft geen belang. Mijn hart bloedt voor de familie van Jozef Chovanec. Maar overmorgen heb ik een voordracht in Middelburg en vermoedelijk zal mijn ego in de nopjes zijn en zal ik Jozef Chovanec tijdelijk vergeten. En nog een beetje later zal ik onbekommerd en/of lamlendig de liefde bedrijven met de voormalige vrachtwagenchauffeur, en daarna zullen we rivierkreeftensalade eten en een afgeprijsde slagroomtaart soldaat maken en kijken naar The Devil’s Own. Opnieuw: zonder veel gekwelde gedachten betreffende het hemeltergende levenseinde van Jozef Chovanec.

Niettemin wil ik vandaag zo vaak mogelijk in beslag worden genomen door de machteloosheid en de verontwaardiging die de moord op Jozef Chovanec bij me hebben losgemaakt.

De soundtrack: Killing in the Name van Rage Against The Machine.

En na die initiële golf van machteloosheid en verontwaardiging hoop ik dat vooral de verontwaardiging zal zegevieren. En ik beloof u, ondankbare tegendraadse hardleerse Humo lezer, dat ik mijn volstrekt ongewenste BV-schap zal blijven gebruiken om dit soort wantoestanden aan te klagen. Zonder sentimentaliteit.

Moralistisch? Misschien.

Delphine Lecompte, Brugge.

Hebt u ook een brief in de pen zitten? Mail naar openvenster@humo.be of vul onderstaand formulier in:

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234