null Beeld Humo
Beeld Humo

ColumnHerman Brusselmans

‘Wie niet eenzaam is, weet niet wat de zin van het leven is’

Herman Brusselmans gaat iedere week op zoek naar het verhaal achter een opvallende kop in de krant of op een nieuwssite. Deze week: ‘Drie op de vier studenten zijn eenzaam’ uit De Morgen.

Van m’n 3de tot m’n 6de ging ik naar de kleuterschool in de Weverstraat in Hamme. De lagere school volgde ik ten dele in de Molenhoekschool, ten dele in het Heilig Hart-Instituut in de Slangstraat. In al die jaren was ik al erg eenzaam. Ik had geen vriendjes, iedereen vond mij een weirdo en liet mij links liggen. Toen ik in het tweede studiejaar zat, zei juffrouw Brijs tegen m’n ouders: ‘Die kleine spoort niet. Je kunt hem beter laten opsluiten in een gesticht.’ M’n vader zei: ‘Dank u voor de goede raad, juffrouw Brijs’, en twijfelde of hij me zou laten opsluiten in het gesticht in Moerzeke of dat in Grembergen. Maar m’n moeder, de enige persoon die veel van me hield, stak een stokje voor m’n opsluiting. ‘Met die kleine is niks aan de hand,’ zei ze, ‘het is de rest van de wereld die hem niet begrijpt.’ Dat klopte, de rest van de wereld begrijpt nooit iets of iemand. Ik haalde het diploma van de middelbare school met vrucht, en m’n vader oordeelde dat ik nu klaar was om in z’n zaak te stappen, de door mij zo gevreesde veehandel. Alweer kwam m’n moeder ter hulp, en ze zei: ‘Hij gaat naar de universiteit, hij is er slim genoeg voor.’ M’n vader had altijd de grote bek, maar het was m’n moeder die de beslissingen nam.

Ik schreef me in aan de Rijksuniversiteit Gent, richting Germaanse filologie. Toen al was ik zinnens om ooit schrijver te worden, wat ik tegen niemand zei, want dan zou nagenoeg iedereen redeneren, allicht op m’n moeder na: ‘Die gast is nog zotter dan we al dachten.’ In oktober van 1975 begon ik aan m’n universitaire carrière. Ik liep in het donker van ons huis op Theet 77 naar de dichtstbijzijnde bushalte, waar een paar andere mensen stonden die ik negeerde, en zij negeerden mij. Ik voelde mij al enorm eenzaam, en de bus was er nog niet eens. Toen die er wel was, en ik erin zat, voelde ik mij nog eenzamer. Alle andere busreizigers leken op de stoute mannen onder m’n bed. In Dendermonde stapte ik op de trein. Alle andere treinreizigers leken op de witte mannen met uitpuilende ogen en verwrongen smoelen, die ik op tv in Congo kleine negertjes had zien doodschieten. Ik was erg eenzaam en bang in de trein. In Gent stapte ik zo snel mogelijk uit, en ik zocht m’n weg naar de Blandijnberg, waar de colleges Nederlands en Engels gegeven werden. Ik liep door het Citadelpark. Het was er koud en nat. Onderweg dacht ik: zal ik terugkeren naar Theet 77, en vragen aan m’n moeder om mij onder te stoppen en een kommetje warme soep te brengen? Maar ik beet door, en wist de Blandijnberg te bereiken. Ik stapte het universitaire gebouw binnen, en wat nu? Er stond een houten bank, en ik ging zitten. Ik stak een sigaret op, je mocht nog overal roken als een schoorsteen. En een schoorsteen was ik. Ik rookte me te pletter, en ik bleef op die bank zitten. Om drie uur ’s middags zat ik nog steeds op die bank, zonder eten of drinken, ik alleen met m’n sigaretten. Af en toe ging iemand anders ook op die bank zitten, maar nooit was het een prachtig meisje dat ik zou willen vereeuwigen in het mooiste gedicht ooit door een mensenhand geschreven. Degenen die wel naast mij op de bank kwamen zitten, die vreesde ik, het waren herauten uit een dichtbijzijnd sterrenstelsel vol angst, pijn, en afkeer. Ze plantten hun nagels in m’n nek, ze ademden hun vieze adem in m’n gezicht, ze grepen naar hun dolken om mij door het hart te steken. Op die bank, in de Blandijn, in 1975, was ik nooit eerder zo bang en eenzaam geweest, en als ik terugkijk naar die tijd, lijkt het wel alsof de angst en de eenzaamheid daarna nog jaren en jaren geduurd hebben.

Ik bedoel maar, vele studenten zijn altijd eenzaam geweest, ook toen er geen corona was, ook toen er geen psychologische bijstand was, ook toen er geen mogelijkheden waren om je te laten behandelen door duizend specialisten. Drie op de vier studenten zijn eenzaam? Ik zou in elke eeuw ook, op welke plaats ook, in welke omstandigheid ook, één van die drie zijn. En ik zou de vierde, die niet eenzaam was, bekeken hebben vol medelijden, want wie niet eenzaam is, weet niet wat de zin van het leven is. De zin van het leven is alleen zijn, alleen blijven, en alleen verdwijnen. Tot ineens het prachtige meisje alsnog opduikt, en je schrijft over haar het ultieme gedicht, en pas later zou blijken dat ze slechts een uitdovende schim was.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234