Klinkende munt: Johnny Cash kijkt terug op zijn leven

, door (anthony decurtis)

26

‘In deze kamer,’ zegt Cash, terwijl hij rondkijkt in de ovaalvormige, met donkere lambrisering beklede werkkamer waarin we ons bevinden, ‘heb ik me in 1968 opgesloten om af te kicken. Ontwenningsklinieken bestonden nog niet. Dertig dagen lang heb ik met mijn hoofd tegen de muur gebonkt. Elke middag om vijf uur kwam de dokter me opzoeken. In het begin bleef ik nog stevig gebruiken. Overal had ik hier amfetaminepillen verstopt. Ik wou wel afkicken, maar eigenlijk ook weer niet. Na een dag of vier keek de dokter me recht in de ogen en vroeg: 'Hoe gaat het met je?' 'Heel goed,' zei ik. 'Bullshit,' zei hij. 'Het gaat helemaal niet goed met je. Wanneer denk je die rotzooi te dumpen?' Waarop ik mijn hele voorraad te voorschijn haalde en we het spul samen door de wc spoelden. Vanaf dat moment heb ik het ontwenningsprogramma gevolgd dat de dokter voor me had uitgewerkt. Toen ik hier een maand later naar buiten liep, voelde ik me de koning te rijk.’

De ziekte zonder naam

Toen Cash zich in oktober 1997 tijdens een concert in Michigan bukte om een plectrum op te rapen, werd hij duizelig en viel hij bijna. Tegen het publiek zei hij dat hij de ziekte van Parkinson had, maar kort daarna stelden de dokters vast dat hij aan het syndroom van Shy-Drager leed, een kruipende, op Parkinson lijkende aandoening van het zenuwstelsel die vooralsnog ongeneeslijk is, en op termijn altijd fataal. Cash besloot de overblijvende concerten van zijn tournee af te gelasten. Sindsdien is hij een paar keer in het ziekenhuis opgenomen met een longontsteking, en heeft hij te kampen gehad met de zware bijwerkingen van de behandeling. Maar Cash gaat zijn ziekte met zoveel wilskracht te lijf dat de artsen zich afvragen of hun diagnose wel correct is.

Tijdens ons gesprek haalt Cash regelmatig herinneringen op aan zijn gevecht tegen de drugsverslaving dat hij, een paar uitschuivers niet te na gesproken, uiteindelijk heeft gewonnen. Maar over Shy-Drager wil hij het niet hebben. ‘Ik heb besloten de naam van die ziekte zo snel mogelijk te vergeten,’ zei hij begin 1999 in een interview met USA Today: ‘Ik gun ze niet de minste ruimte in mijn leven. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat ik na verloop van tijd bedlegerig en hulpbehoevend zou worden.’

JUNE CARTER (zijn vrouw) «Toen de diagnose was gesteld, zei ik: we stoppen voor een jaar met werken, dan zien we wel weer. En als het moet, stoppen we gewoon nog een jaar, en nog één. Waarom zouden we blijven werken? We hebben veranda's genoeg om op uit te rusten.»

Ondanks - of misschien dankzij - zijn ziekte heeft de belangstelling voor de muziek van Cash een nooit gezien hoogtepunt bereikt. In mei vorig jaar bracht Columbia 'Love God and Murder' uit, een box met drie cd’s die zijn 46-jarige carrière omspannen. En sinds een paar maanden is er ook een nieuwe cd met alleen maar covers: het verbluffende 'American III: Solitary Man', waarop Cash afscheid neemt van het leven. Het is een plaat die alleen hij zou kunnen maken, en hij is er trots op. Er is maar één ding waar hij spijt van heeft: dat hij er niet meer mee op tournee kan gaan.

DOCHTER ROSANNE CASH «Hij haat het dat hij niet meer kan touren. Hij is het niet gewend thuis te zitten. Veertig jaar lang is hij on the road geweest, en nu is het afgelopen. Dat valt hem zwaar.»

Van God los

Zoals veel rock-’n-rollgroten is Johnny Cash een vat vol tegenstrijdigheden. Zijn leven lang hebben decadente zaterdagavonden om zijn ziel gevochten met het onwrikbare geloof dat hem op zondag naar de vroegmis lokte. Cash is de Man in Black, de eerlijke outlaw, de gestrenge figuur met het Mount Rushmore-gezicht en de priemende zwarte ogen die halverwege de jaren vijftig met 'I Walk the Line' en 'Big River' bewees wat country en zijn bastaardzoon rock-’n-roll in hun mars hadden. Hij smeedde een sound die tot op het bot gaat: kaal, rauw, en zonder één noot te veel.

KEITH RICHARDS «Ik was als tiener al een echte Johnny Cash-freak. Zijn gitarist, Luther Perkins, vond ik fantastisch, en Johnny’s manier van zingen was al even fenomenaal. Ze hebben me geleerd hoe belangrijk stilte is in muziek: je moet een song niet onder allerlei klanklagen bedelven, maar alleen het hoogstnodige spelen. Doe je dat fout, dan is het pijnlijk eentonig, maar als het werkt, wordt een song ongelooflijk intens, precies zoals die eerste songs van Johnny Cash. Als ik maar van één artiest alle platen in huis mocht hebben, dan was het van hem. Chuck Berry is ook belangrijk, maar Cash is de grootste.»

Ook Kris Kristofferson begon zijn carrière onder de vleugels van Cash.

KRIS KRISTOFFERSON «Ik heb hem voor het eerst ontmoet in 1965, backstage in de Grand Ole Opry in Nashville. Johnny leefde gevaarlijk in die tijd, en er hing altijd wel elektriciteit in de lucht. Je wist nooit van tevoren wat hij zou doen. Hij was een enfant terrible, iemand die opkwam voor de minderbedeelden ook, en op het podium spatte de energie eraf.»

Die duistere zijde heeft Cash steeds weer nieuwe fans opgeleverd, terwijl veel van zijn leeftijdgenoten allang uit de gratie zijn gevallen. Decennia voor de gangsta rap zong hij in 'Folsom Prison': ‘I shot a man in Reno/ Just to watch him die’, en terwijl Keith Moon nog in korte broek liep, sloopte Cash hotelkamers en trapte hij de lichtspots van de Grand Ole Opry aan stukken. 

JOHNNY CASH «Ach, de ene mens is gewoon wat gewelddadiger dan de andere. Maar ik ben een entertainer: ik heb helemaal niemand neergeschoten in Reno, dat was pure fantasie. En Delia heb ik ook al niet gemold (Cash verwijst naar een song op de cd 'American Recordings', red.). In de country heb je nu eenmaal een traditie van moordballades. Zelfs de Carter Family heeft een paar van die bloedige nummers opgenomen, zoals 'The Banks of the Ohio': 'stuck a knife in her breast and watched her as she went down under the water, and the bubbles came up out of her mouth, and the water turned red.' Of neem Jimmie Rodgers: 'I’m gonna buy me a shotgun/ Just as long as I’m tall/ And I’m gonna shoot poor Thelma/ Just to see her jump and fall.' Die teksten werden gewoon gezongen; 't is niet de bedoeling dat de mensen schietlessen gaan volgen.»

- Geloof is erg belangrijk voor u. Bono heeft ooit verteld hoe hij u samen met Adam Clayton thuis een bezoek bracht. 'We bogen ons hoofd,' zei hij, 'en John zei een prachtig dankgebed, wat ons allemaal ontroerde. Maar na het gebed keek hij op en zei: 'En toch mis ik de drugs.''

CASH «Ik ben diepgelovig, maar ik ben de eerste om toe te geven dat ik de grootste zondaar van allemaal ben. Ik gebruikte drugs om te ontsnappen. En toen ik jonger was, lukte dat nog ook, maar fysiek, emotioneel en spiritueel ging ik eronderdoor. Vooral dat laatste viel me zwaar. Ik had mezelf zo verlaagd dat ik geen contact met God meer had. Ik heb me nooit eenzamer gevoeld. Ik was letterlijk van God los, ik probeerde niet eens meer met Hem te spreken. Ik wist dat alle lijnen waren doorgesneden, maar Hij kwam terug en ik kwam terug.»

Zo zot als een deur

Johnny Cash leerde zijn vrouw, countryzangeres June Carter, kennen toen hij haar begin jaren zestig met de Carter Family zag optreden in de Grand Ole Opry. Zes jaar later ging hij haar backstage opzoeken en zei: ‘Op een dag trouwen wij nog eens.’ June lachte en zei dat ze nauwelijks kon wachten. Er was maar één probleem: ze waren allebei met een ander getrouwd. Er gebeurde niks tot in 1962, het jaar waarin zij in Cash’ roadshow ging spelen. Cash was toen al stevig verslaafd. ‘Ik vond zijn manier van leven beangstigend,’ zegt June. 'Ik had Hank Williams zien sterven - ik ben de meter van zijn zoon, moet je weten - en ik dacht: 'Ik kan het me niet permitteren verliefd te worden op die man.''

CASH «Toen we eenmaal een koppel waren, beschouwde June het als haar verantwoordelijkheid mij in leven te houden. Zelf besefte ik niet dat ik mezelf aan het kapotmaken was. Van amfetamines en alcohol word je zo zot als een deur, man! Telkens als June mijn drugs door het toilet spoelde, kregen we ruzie en kocht ik nieuw spul, wat dan weer prompt gedumpt werd. Ik liet haar beloven dat ze dat niet meer zou doen, maar daar hield ze geen rekening mee. Ze verstopte mijn geld, ze deed alles wat ze kon.»

Toen June en Johnny in 1968 trouwden, had Cash’ carrière net een nieuw hoogtepunt bereikt: de liveplaat 'At Folsom Prison' verkocht uitstekend, en in 1969 scoorde hij zijn grootste hit met 'A Boy Named Sue', een song van Shel Silverstein. Cash kreeg ook zijn eigen tv-show, The Johnny Cash Show, waarin artiesten van diverse pluimage - Bob Dylan, Louis Armstrong, Pete Seeger, Linda Ronstadt, Carl Perkins - hun opwachting maakten.

Een hutje in de bossen

Maar in de jaren zeventig begon zijn ster te tanen - Cash had niks met disco, en zijn affiniteit met punk zou pas later duidelijk worden. Toch maakte hij in die periode een paar goeie platen, en live bleef hij veel volk trekken. In 1985 vormde hij samen met Willie Nelson, Waylon Jennings en Kris Kristofferson de Highwaymen, een gelegenheidsband die zou standhouden tot Cash ziek werd. Toen hij in de jaren negentig ging samenwerken met producer Rick Rubin kreeg ook zijn eigen werk weer uitstraling. Rubin had naam gemaakt als producer van LL Cool J, Public Enemy en de Beastie Boys, en Cash begreep niet wat hij in hem zag. Toch zouden ze samen drie cd’s maken: 'American Recordings' (1994), 'Unchained' (1996) en nu dus 'Solitary Man', een staalkaart van de muziek die ‘s mans ziel heeft gevormd. Er staat een song op van Bert Williams uit 1905 ('Nobody'), maar ook nummers van U2 ('One'), Nick Cave ('The Mercy Seat'), Tom Petty ('I Won’t Back Down') en Neil Diamond (de titelsong). 

CASH «Toen ik ziek werd, heb ik meer dan een jaar lang geen noot meer op papier gezet. Tot ik er weer eens voor ging zitten, toen kwamen de ideeën als vanzelf.

»We hebben die cd opgenomen in een blokhut in de bossen: één kamer, een keuken, een buiten-wc en een hoop hoogtechnologische apparatuur. Buiten liep het vol geiten, herten, pauwen en kraaien. Soms moesten we stoppen met opnemen omdat de geiten op de veranda waren geklommen en te hard mekkerden.» 

RICK RUBIN, PRODUCER «Het enige verschil met vroeger, voor zijn ziekte, is dat John kritischer naar zijn eigen stem luisterde. Dan vond hij dat het beter moest, terwijl iedereen het zo al verbluffend vond wat hij neerzette. Op een bepaald moment zei hij tegen mij: 'Weet je, ik denk dat dit de beste plaat wordt die ik ooit heb gemaakt.' En dat voor een man met tweehonderd platen! Ik vond het fenomenaal dat ik mocht samenwerken met iemand die al zo’n gigantisch oeuvre heeft en dan nog zijn beste plaat wilde maken.»

- Meneer Cash, de mensen met wie u het gezicht van de rock-’n-roll hebt bepaald, zijn bijna allemaal dood. 

CASH «Carl Perkins en zijn broers, Bill Black, Elvis en Roy Orbison, die niet alleen mijn beste vriend was, maar ook twintig jaar lang mijn buurman... Ik praat nog weleens met Marshall Grant, die lange tijd mijn bassist was, maar voor de rest zie ik weinig mensen sinds ik ziek ben.

»Gelukkig is de liefde tussen mij en June (die intussen 71 is, red.) onvoorwaardelijk. Zoiets hoor je wel vaker zeggen, maar bij ons is het ook zo. Ondanks alles houdt ze van mij. Ze heeft meer dan eens mijn leven gered, ze stond altijd voor me klaar en ze heeft me lange tijd de pijn doen vergeten. 's Avonds, als iedereen naar huis is en de lichten gaan uit, blijven alleen June en ik over.

»Alles wat ik in mijn leven heb meegemaakt, heeft me gemaakt tot wat ik nu ben. Ik zeg dikwijls dat ik nergens spijt van heb, en zo is het ook: het is mooi geweest.»

© Rolling Stone

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: