Tentoonstelling: 'My name is Prince' in Amsterdam

, door (vc)

96

Info en tickets »

Volg 'My Name Is Prince' via Instagram »

Sinds zijn jammerlijke dood aan een overdosis pijnmedicatie is de legacy van Prince zowaar een stuk toegankelijker geworden voor ons normale stervelingen: je vindt zijn muziek weer op de streamingservices, er wordt niet langer op leven en dood gestreden met allerhande platen- en filmmaatschappijen. Én er is dus de rondreizende expo My name is Prince, die na Londen nu Amsterdam aandoet. De fraaie Beurs van Berlage, op een steenworp van Amsterdam Centraal, is de plaats van afspraak.

Terwijl ik naar de Beurs loop schijnt het zonnetje. Ik draai Prince op mijn iPhone en de wereld wordt er pardoes een stuk meer funky van. Als ik eenmaal binnen ben realiseer ik me dat ik – onbewust! – een purper denim shirt draag. Om maar te zeggen: mijn gemoed staat positief, ik heb zin om me onder te dompelen in het genie van de man uit Minneapolis. Dat blijkt helaas flink tegen te vallen.

De bezoeker krijgt een tentoonstelling voor de kiezen waar vooral fotowerk en kostuums te zien zijn. Plus wat obligate citaten (van Prince zelf, van Barack Obama) en talloze Ascap-awards; dat zijn een soort oorkondes die roeptoeren hoe ont-zag-wek-kend veel exemplaren er wel niet verkocht zijn van ’s mans werk. Om meteen een beetje te gaan zeuren: het fotowerk is niet heel fraai uitgevoerd. Het is gedrukt op vrij doordeweeks perspex, de hoekjes zijn gerafeld: deze hebben met andere woorden al maanden in Londen dienstgedaan. De expo is vormgegeven in veel purper (duh) en oogt een beetje als een hippe kledingwinkel uit de nineties; veel neon, veel tapijt, veel lichtbakken. Het doet allemaal wat plat en gemakzuchtig aan. Misschien is in het dit licht relevant om te vermelden dat Tyka dit gedeelte van de nalatenschap in handen heeft gegeven van de mensen die ook Graceland uitbaten. We gaan frank zijn: ze heeft er haar broer niet echt een dienst mee bewezen. En we zeggen dat met pijn in het hart, want als er een icoon was voor wie vormgeving en imago bepalend waren, nou: dan was het toch Prince Rogers Nelson wel. En waar is de muziek!? Auditief is Prince afwezig. Ah, daar is de verklaring al. Het is een audio-expo, je kunt niet anders dan hem met koptelefoon bezoeken. Dat voelt toch een beetje al te afstandelijk. Prince ging toch om vrij zijn? Dansen! Flirten! Je laten gaan!

Dit zou allemaal niet zo problematisch zijn als de expositie niet veel meer zou beloven. Een titel als My name is Prince doet vermoeden dat we de mens achter het icoon gaan leren kennen. Niks daarvan: het is opgebouwd aan de hand van platen, en dan ook nog louter de succesvolle. We zien niks van zijn worsteling in de mid-nineties, we worden niks wijzer over de oudere Prince. Is er dan niets gewoon leuk of boeiend? Nou, natuurlijk valt er ook wat te rapen. De unieke, en eerlijk gezegd spuuglelijke, Batdance-basgitaar ligt uitgestald. Er zijn veel kostuums: allemaal vintage, allemaal rechtstreeks uit Paisley Park. We zien een gifgroen kostuum met pauwenverenmotief, het pak dat hij droeg bij de Oscars toen hij voor Purple Rain werd bekroond, en mode die hij droeg tijdens de opnames van die film. De pasvorm is petit: god, wat was hij klein, en god, wat was hij tegelijk larger than life. Dat blijft indrukwekkend. Toch blijf je ook op memorabilia-front wel wat op je honger zitten. Er zijn gitaren en bijzondere outfits, maar niet de motor uit Purple Rain, niet de ‘symbol’-gitaar, niet de Telecaster met het luipaardmotief. Er is een MTV Award, maar geen Grammy, laat staan zijn Oscar. En dat zijn toch wel dingen die je wilt zien. Zeker als de toegangsprijs een goede 17 euro bedraagt. Daarvoor kun je ook naar het een paar kilometer verderop gelegen Rijksmuseum.

Het loont zoals altijd om goed te kijken. De handgeschreven tekstvellen in de vitrine ontroeren me: je ziet hoe hij sommige woorden heeft weggegumd en hoe hij zomaar lukraak DREAMS krast op de kaft. Een tekstvel van Lucky You, gemaakt tijdens de studiosessies, voorspelt alvast hoe het publiek later zal gaan reageren: ‘SOUL CLAP’, ‘APPLAUSE’. Vertederend én megalomaan. Hiervoor ga ik naar een Prince-expo. Mijn favoriete stuk erfgoed vind je helemaal aan het begin: een Telecaster-replica van het relatief goedkope merk Hohner. Oftewel: ook genieën beginnen op hun kamertje met een instapmodel. Het is een van de weinige zaken op deze tentoonstelling die Prince menselijk maken. Al is er niks met een diepte die verder reikt dan een Wikipedia-lemma.

Als ik de Beurs verlaat – uiteraard thru the gift shop - valt mijn oog nog net op een ander vertrek, net buiten de expositie. Dit blijkt een verlengstuk, een heuse VIP-ruimte. De toegang hiervoor bedraagt liefst 50 euro, en veel meer dan een paar kledingrekken en een videowall (daar is die nineties-kledingzaak weer) zie je er niet. Dit gedeelte riekt niet alleen naar flessentrekkerij: dit is gewoon gebakken lucht.

My name is Prince bevat net genoeg spulletjes om het diehardfans naar de zin te maken. Bovengemiddeld geïnteresseerden komen misschien ook nog aan hun trekken. Voor al de rest is dit geen aanrader. We snappen dat Bowie en de zijnen met David Bowie IS een standaard hebben gezet op dit vlak die bijna niet te evenaren is. Maar, lieve Tyka en beste Graceland-mensen: het had toch wel iets meer mogen zijn?

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: