Daniel Johnston (1961-2019): ' Slaap zacht, gekke, briljante Daniel. En doe John Lennon de groeten'

© Tim Broddin

, door (jub)

159

Toonvast zingen was niet zijn ding, gitaar spelen lukte hem nauwelijks, en als hij aan de keyboards ging zitten, gebruikte hij zelden meer dan drie toetsen. Beperkte middelen die hem niet beletten om aan de lopende band platen uit te brengen waarop zijn ware talent geëtaleerd werd: songschrijven. ‘True Love Will Find You in the End’, ‘Life in Vain’, ‘Don’t Let the Sun Go Down on Your Grievances’, ‘Try to Love’, ‘Speeding Motorcycle’, ‘Love Enchanted’, ‘Don’t Play Cards With Satan’, ‘Casper the Friendly Ghost’, ‘Lennon Song’… Ik kan eindeloos doorgaan met het opnoemen van prachtsongs die, ook al zong hij ze vals, recht door hart en ziel snijden. ‘Lennon Song’: Johnston was grote fan. Hij schreef ook een song die ‘The Beatles’ heette, en het artwork van zijn platen maakte hij zelf. Iedereen kent de foto van Kurt Cobain in het t-shirt van de hoes van ‘Hi, How Are You’.

Johnston had een bipolaire stoornis, nam in zijn jeugd een LSD-trip die hem zijn hele verdere leven zou blijven achtervolgen, en was niet gelukkig op deze wereld.

 

In 2008 deed ik in de Effenaar in Eindhoven een poging om hem te interviewen, maar daar kwam weinig van. Een jaar later, op 15 december 2009, had ik het genoegen om hem voor Humo een halve dag te mogen volgen, en ook dat was me wat. Wat precies leest u hieronder. Slaap zacht, gekke, briljante Daniel. En doe John Lennon de groeten.

(Verschenen in Humo 3615 op15 december 2009)

Een avond op een andere planeet: op stap met Daniel Johnston 

Een maand geleden verscheen van Daniel Johnston ‘Is and Always Was’, dankzij de strakke hand van producer Jason Falkner en goed sessievolk als drummer Joey Waronker veruit zijn meest gestroomlijnde en toegankelijke plaat tot nu toe. Johnston bracht jarenlang alleen maar cassettes uit, waarop hij zijn mooie, eenvoudige en breekbare songs begeleidde met nu eens een speelgoedkeyboard, dan weer een kapotte en ontstemde gitaar, en soms gewoon met helemaal niks. Het waren de songs en de stem van Johnston – fragiel, doordrongen van een overdosis medeleven en balancerend op de rand van de waanzin – die Kurt Cobain ooit de uitspraak ontlokten: ‘Daniel Johnston is the greatest living songwriter’. 

Dat citaat prijkt ook op de affiche van het concert in de W2 in Den Bosch. Een net verschenen en lovend ontvangen plaat ten spijt, zal Johnston hier vanavond geen nieuwe songs spelen. Op uitnodiging van Muzieklab Brabant kruipt hij op het podium met BEAM, een elfkoppig klassiek ensemble dat zijn songs een nieuwe dimensie zou moeten geven. Vindt Daniel het experiment geslaagd, dan kan er een vervolg op komen. Mij is gevraagd of ik zin heb in een interview met Johnston. Niet overdreven, eigenlijk. Ik heb ’m vorig jaar al eens geïnterviewd in de Effenaar in Eindhoven, en hoewel Johnstons toestand tegenwoordig relatief stabiel is, bleek een gesprek met de man nog steeds een verwarrende gebeurtenis te zijn. 

Sinds een foute lsd-trip in zijn tienerjaren is hij manisch-depressief en tot een paar jaar geleden leed hij aan plotse en hevige hallucinaties. Maar journalisten aanvallen met een loden buis (echt gebeurd – olé!) doet hij niet meer. Vorig jaar in Eindhoven hing hij er als een met een versleten joggingpak overtrokken zak aardappelen bij en keek hij mij slechts twee keer, per ongeluk, in de ogen. De antwoorden op mijn vragen waren stereotiep, onsamenhangend en kende ik al uit andere interviews met hem. Zijn broer Dick, manager en altijd aan zijn zijde, nam het van hem over als het te concreet werd. Zeventien minuten ver in het interview was het plots gedaan en was Daniel weg. Naar The Beatles luisteren. Of strips lezen. Zijn twee grote passies. Nee, liever geen nieuw interview. 

Maar als we Daniel eens meenemen naar een comic store? Stripwinkel Sylvester in Den Bosch staat in binnen en buitenland hoog aangeschreven. 

Amper twintig minuten nadat ik de mail met het voorstel heb verstuurd, krijg ik een reply: ‘Daniel is very excited about the idea!’ 

Levende paaltjes 

W2, Den Bosch, 16.30 u., de dag van het concert. Ik sta voor de deur te wachten op Daniel en zijn broer Dick, en praat met iemand die de repetities van de afgelopen dagen heeft gezien. ‘Het waren uiteraard geen gewone repetities,’ zegt hij. ‘Klassieke muzikanten zijn strakke structuren en onwrikbare ritmes gewoon, en daar is bij Daniel Johnston geen sprake van. Het is een risico, hè. Maar het klonk wel goed. Aanvankelijk speelden de muzikanten de songs exact zoals ze die kenden vanop de cd’s, maar dat ging helemaal de mist in. Tot Dick, Daniels broer zei: ‘Verwacht vooral niet dat hij jullie gaat volgen, volg hem!’ 

Plots staat hij voor me in de deuropening, in hetzelfde joggingpak als vorig jaar! Hij staart naar de grond en zegt: ‘Ben jij de gast die me gaat meenemen naar de stripwinkel?’ Zijn broer Dick besluit hier te blijven en vertrouwt Daniel volledig aan mij toe. Tourmanager René en een Oostenrijkse cameraman vergezellen ons. Ik rij met mijn eigen wagen, Daniel en de Oostenrijker nemen plaats op achterbank, René op de passagierszetel. Eerst moeten we langs het hotel van Daniel om spullen op te halen. Het is spitsuur, en tergend langzaam rijden we door Den Bosch. Elk verkeerslicht wordt drie keer groen voor het onze beurt is. Op de achterbank wordt er eentje zenuwachtig. ‘Take me to the comic store!’  We doen ons best, Daniel. ‘Gaan we er op tijd geraken?’ Hopelijk. ‘Hoe heet de winkel?’ Sylvester. Van René wil hij alvast zijn kamersleutel. Om mee te frunniken en zijn zenuwen te kanaliseren. ‘Sinds hij weet dat we naar een stripwinkel gaan, is hij geen seconde meer bezig geweest met de show van vanavond,’ zegt René. En dan stuurt mijn gps me een doodlopende straat in. Drie paaltjes in het midden van de straat schuiven braaf de grond in als een passerende lijnbus dichterbij komt, maar blijven koppig staan als wij hetzelfde proberen. Daniel lijkt heel even het doel van onze reis te vergeten en moet onbedaarlijk lachen: levende paaltjes, dát had hij nog nooit gezien. Samen met René gaat hij de laatste tweehonderd meter te voet naar zijn hotel, twintig minuten later zijn ze terug. ‘Hoe heet de winkel waar we naartoe gaan?’ Sylvester. ‘Have you got the money?’ Money? René schiet te hulp: ‘Ik heb van je broer honderd euro gekregen, die mag je helemaal spenderen, Daniel.’ Oké. ‘Hoe heet de winkel ook alweer?’ 

En dan loopt het weer fout. Mijn gps stuurt me een doodlopend achterafstraatje in en zegt doodleuk: ‘Bestemming bereikt.’ Geen Sylvester te zien. Daniel stapt meteen uit de wagen en duikt een mansbreed steegje in, de rest volgt noodgedwongen. Hier zit ik dan, chauffeur van de not so rich and very unstable, en geen parkeerplaats in zicht. Ik besef dat de kans klein is dat ik het gezelschap in de binnenstad van Den Bosch nog zal terugzien. Een contactnummer ben ik vergeten te vragen en intussen heb ik ook geen flauw idee meer van waar ik me bevind. 

Na een parkeerplaats te hebben gevonden, en veel foute instructies en evenveel foute paadjes te hebben gevolgd, beland ik een halfuur later te voet bij Sylvester, waarvan – halleluja! – Daniel zowaar de naam bleek te hebben onthouden. 

De eigenaar glimlacht, ‘Wat een toeloop zo laat op de dag.’ Daniel staat in een hoekje met zijn neus in een stapeltje Amerikaanse Marvel Comics, zijn absolute favoriet. Over zijn schouder kijk ik mee, vragen stellen is volstrekt zinloos. ‘Al iets gevonden Daniel?’ Gromgrom, snuifsnuif, bladerblader. Het is duidelijk dat hij in een andere wereld zit, een wereld waar niets hem kan raken, een wereld vol vrienden: Spiderman, Batman en Robin, Captain America, Wonder Woman, Daredevil, The Punisher, The Incredibles. Hier, tussen de cartoons en uitvergrotingen, figuren die net als hij van hun afwijking hun beroep hebben gemaakt, voelt hij zich thuis. Ik stel nog een paar vragen, zonder resultaat. ‘Hoeveel is één euro?’ is het enige wat hij zegt. Ik maak het hem gemakkelijk: ongeveer één dollar. 

Korting? Drie kwartier en een forse stapel strips later zegt René dat we dringend terugmoeten naar de W2. Daniel schrikt, hij was duidelijk vergeten dat hij vanavond nog een concert moet spelen. Schoorvoetend en hier en daar nog een strip meegraaiend begeeft hij zich naar de kassa. ‘I like your music,’ zegt de eigenaar achter de toonbank. Daniel is verrast: ‘Dus jij weet wie ik ben? Zou dat kunnen betekenen dat ik een korting krijg?’ Iedereen lacht. ‘Hij doet dat altijd en overal,’ zegt René. ‘Zelfs in Zwitserland, waar ik woon en waar niemand ooit zou durven overwegen om een korting te vragen. Maar hij kreeg ze wel, ik was stomverbaasd.’ Twee ‘Terminator’-omnibussen, deel één en twee, een halve meter Marvels en ‘Zon, Zand en Zorilla’s’, een in het Nederlands uitgegeven strip van Dupuis, moeten samen honderdvijftien euro kosten. De eigenaar rondt af op honderd. ‘Ik wou dat ik duizend euro had,’ zegt Daniel, ‘dan kocht ik je halve winkel leeg. Prachtige winkel trouwens.’ 

Bikini 

Terug in de auto op weg naar de concertzaal vraag ik hem naar zijn vreemdste aankoop: ‘Zon, Zand en Zorilla’s’. Of hij dan Nederlands begrijpt? ‘Ik had het boek al eens eerder gezien,’ zegt hij, ‘en ik vond vooral de cover heel fascinerend. Prachtige tekeningen ook. Ik begrijp geen Nederlands, nee, maar aan de tekeningen heb ik genoeg. Het duurt vaak jaren voor ik een strip ook werkelijk begin te lezen. Mij gaat het altijd in de eerste plaats om de tekeningen.’ Of ik de titel toch even voor hem wil vertalen. Euh, ‘Sun, Sand and Zorillas’. Hij lacht. Het eerste wat hij tegen zijn broer zegt als we terug in de W2 aankomen: ‘They gave me a discount.’ Hij zal het vanavond nog een tiental keer herhalen. Voor het concert heeft hij nog een paar interviews die ik van op gehoorsafstand kan gadeslaan. Hij begint er goedgemutst aan. Ik hoor hem herhaaldelijk zeggen dat hij ‘a discount’ heeft gekregen in ‘a store named Sylvester’ en dat hij niet van groene thee houdt (geen idee wat de vraag was), en dan doet zich hetzelfde fenomeen voor als vorig jaar in Eindhoven. Daniel verliest zijn focus, wordt ongeduldig, vraagt waar zijn broer Dick is, zegt dat hij een cola gaat halen en komt niet meer terug. Interviews gedaan. Een uur later is het eindelijk tijd voor datgene waarvoor Daniel en zijn gevolg helemaal naar Nederland zijn gekomen maar wat hij allang uit het oog was verloren: het concert met BEAM. 

Daniel Johnston stapt alleen het podium op met die vreemde gitaar van hem (meer een stuk boomstam met snaren op), wenst het publiek welkom en speelt ‘Life in Vain’. Zijn gebroken stem grijpt zoals gewoonlijk meteen naar je nekvel, maar zijn gitaar staat vals – iets wat Daniel pas in de gaten krijgt als broer Dick het hem na de song komt influisteren. Hij haalt schaapachtig de schouders op en maakt een verrassend gevat grapje: ‘Een erg moeilijk te stemmen gitaar. De man die het normaal doet, is onlangs overleden.’ Ook René moet lachen. ‘Daniel kan heel onverwacht erg grappig zijn,’ zegt hij. ‘De mensen weten vaak niet hoe ze daarop moeten reageren. Toen hij eergisteren voor het eerst met de groep ging repeteren, zei hij tegen de meisjes: ‘Ik dacht dat jullie in bikini gingen spelen.’ (lacht) Het concert is erg wisselvallig. De stukken waar het orkest Johnston en zijn songs volgt en bijkleurt, zijn het experiment meer dan waard, maar de lange instrumentale intermezzo’s dragen nergens toe bij, lijken zich af te spelen in een ander universum en hebben als enige functie het kunnen van het orkest extra in de verf te zetten. Dat Daniel er de hele tijd werkloos op een stoel blijft bijzitten, komt bij momenten zelfs respectloos over. Af en toe lijkt hij in te dommelen, ogen dicht, kin rustend op de borstkas, met boven zijn hoofd een tekstballon: ‘ZZZZZzzzzzz...’, in gedachten al helemaal bij zijn vrienden, de Zorilla’s. Maar hey, they gave him a discount! (jub) 

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: