Neil Young - 'Time Fades Away'Beeld Reprise Records

Concerten in coronatijden

Alsof u er zelf bij bent: Humo’s 10 beste liveplaten

Moord en brand in concertland!  Een geniepig virus heeft onze mooie vertierzalen lamgelegd. U had een ticket voor een show van uw favoriete artiest, recente Spotify-ontdekking of The Script? Pech, het zal voor een andere keer zijn.  Maar niet getreurd: Humo reikt de verstokte concertganger een tijdelijke oplossing aan. We stoften onze cd-kast af en stootten op een stapeltje liveplaten die toevallig de 10 beste aller tijden bleken te zijn. Plof neer in uw zetel, sluit de ogen en geniet! Niet hetzelfde als een echt concert, zegt u? Klopt: het bier is koud, u heeft zoveel plek als nodig én u kan naar hartenlust tabak en andere middelen consumeren. Wat wilt een mens nog meer? 

10. Kraftwerk - ‘Minimum-Maximum’ (2005)

De eerste officiële liveopname van Kraftwerk kwam er meer dan 35 jaar nadat de groep voor het eerst een podium had betreden. ‘Minimum-Maximum’ klinkt als één organisch geheel, maar is in werkelijkheid een perfectionistisch bij elkaar gepuzzeld amalgaam van concertfragmenten uit onder meer Berlijn, Londen, San Francisco, Warschau, Tokio en Boedapest. In 1975 al praatte Kraftbaas Ralf Hütter met journalist Lester Bangs over zijn visie op livemuziek: ‘Onlangs werd ons voor een tv-optreden niet toegestaan muziek op tape te gebruiken: de muzikantenvakbond vond dat in strijd met de rechten van zijn leden. Ik denk dat het omgekeerde waar is: met betere machines kunnen muzikanten ook beter werk afleveren, hun tijd en energie op een hoger niveau brengen.’ In 2005 was het personeelsbestand van Kraftwerk al vaak gewijzigd, maar de machines waren duidelijk beter dan ooit. Alle bekende nummers staan op ‘Minimum-Maximum’ – van ‘The Robots’ en ‘Autobahn’ tot ‘Music Non Stop’ en ‘Computer World’ – maar het geheel is veel méér dan een spannende best of: het is ook de veruitwendiging van een visie, een opvallend funky trip én een waanzinnige inleiding tot het oeuvre van Die Mensch-Maschine.


9. John Coltrane - ‘Live at the Village Vanguard’ (1962)

Jazzproducer Bob Thiele, vers op de payroll van het Impulse!-label, wist niet waar hij het had toen hij in november 1961 van op de eerste rij in de Village Vanguard zag hoe saxofoongod John Coltrane zich, geruggensteund door de latere vaste leden van zijn kwartet (pianist McCoy Tyner, bassist Jimmy Garrison en drummer Elvin Jones) en een stel gehuurde toppers (onder wie Eric Dolphy), ontpopte tot een komeet van de avant-garde. Coltranes zorgvuldig gecaste troupe speelde in totaal negen nummers, waarvan er slechts drie op de plaat zouden belanden (de hele zwik kwam in 1997 uit op de heerlijke verzamelbox ‘The Complete 1961 Village Vanguard Recordings’): ‘Spiritual’, de standard ‘Softly, As in a Morning Sunrise’ en de woeste, met vulkanische saxofoonuitbarstingen gelardeerde bluestrack ‘Chasin’ the Trane’, een nummer dat Thiele later ‘een muzikale aardverschuiving’ zou noemen. Ook de jonge avant-gardist Archie Shepp, die het nummer voor het eerst hoorde toen een buurman het door zijn New Yorkse loft liet schallen, was behoorlijk van zijn melk: ‘Er zat geen duidelijke structuur in, hij speelde gewoon met klanken: geschifte noten, boventonen, noem maar op. ’t Was even choquerend als ‘Le sacre du printemps’ van Stravinsky in zijn tijd moet zijn geweest.’ Afgaande op het applaus zat er ongeveer twaalf man in de jazzkelder van de Vanguard, maar hoeveel toeschouwers zijn er zoal nodig om aanspraak te kunnen maken op het etiket ‘muziekgeschiedenis’?


8. MC5 - ‘Kick Out the Jams’ (1969)

Detroit Grande Ballroom. Geef toe: zelfs als er niemand zou spelen, dan nog wil je ernaartoe. Op 30 en 31 oktober 1968 speelde er niet zomaar iemand: MC5, in de volksmond dan al respectvol The MC5 genoemd, kwam er met voorbedachten rade zijn debuutplaat opnemen. Lokale helden die in korte tijd een dusdanige livereputatie hadden opgebouwd, dat de studio als een kooi zou hebben aangevoeld. Vanaf de introductie van spiritueel adviseur Brother J.C. Crawford is dit een wervelwind – een spiritueel adviseur hebben en geen hippies zijn, maar punkrock spelen lang voor de tijdgeest er klaar voor was: daarmee alleen al joeg je in ’68 iedereen de stuipen op het lijf.

‘And right now… Right now… Right now it’s time to… Kick out the jams, motherfuckers!’ Waarop de gitaren van Wayne Kramer en Fred ‘Sonic’ Smith (de latere meneer Patti Smith) zich als een stel vechtende panters om de nek vliegen, om pas 36 minuten later weer los te laten. De oorspronkelijke shows duurden uiteraard langer, maar dit is een spetterend relaas van waar rock-’n-roll toe in staat was, tien jaar nadat Elvis door de U.S. Army was opgeëist. Ook de nasleep was punk volgens het nog te schrijven boekje. De ‘Kick out the jams, motherfuckers’ uit de introductie werd door de platenpiefen vervangen door ‘Kick out the jams, brothers and sisters’, maar dan nog weigerde de grote winkelketen Hudson’s de plaat in de rekken te leggen. Waarop de groep een paginagrote advertentie nam in een aantal magazines en een foto publiceerde van zanger Rob Tyner, met de korte maar krachtige boodschap: ‘Fuck Hudson’s.’ ‘Kick Out the Jams’: verplichte kost, brothers and sisters.

'And right now… Right now… Right now it's time to… Kick out the jams, motherfuckers!’


7. Bob Marley & The Wailers - ‘Live!’ (1975)

Strijdliederen, zondoorstoofd en gemarineerd in hoop, en vervolgens verpakt in hoogst meezingbare popsongs: alleen Bob Marley kon zo elegant een brug slaan tussen de sufferahs in Kingston en het blanke publiek in Londan. Het is 1975, en reggae is eindelijk van de ondergrond naar de mainstream verhuisd – met dank aan Eric Clapton, die het jaar voordien een monsterhit scoorde met Marleys ‘I Shot the Sheriff’. The Lyceum is dan ook voor de helft gevuld met da white man als Marley en z’n Wailers (waaronder de superstrakke ritmesectietandem Carlton en Aston Barrett, voorheen bij The Upsetters van Lee ‘Scratch’ Perry) zich door de ronduit fantastische setlist skanken. ’t Begint met ‘Trenchtown Rock’, een reddingsboei waarop de onsterfelijke woorden ‘One good thing about music / When it hits you feel no pain / So hit me with music’ gedrukt staan. In ‘Get Up, Stand Up’, ‘Burnin’ and Lootin’’ en ‘I Shot the Sheriff’ woedt het vuur van de revolutie, in die legendarische versie van ‘No Woman, No Cry’ laait de hoop dan weer hoog op.


6. Jerry Lee Lewis - ‘Live At the Star Club’ (1964)

Twee jaar nadat The Beatles er hadden huisgehouden, landde Jerry Lee Lewis in de Star Club in Hamburg. Lewis bevond zich in zijn zogenaamde wilderness years. Midden jaren 50 had hij met Elvis, Chuck Berry en Little Richard tot de pioniers van de rock-’n-roll behoord, maar sinds hij in 1958 met zijn 13-jarige nichtje was getrouwd, bleef er in de publieke opinie niet veel meer van hem over. In Hamburg kwam The Killer orde op zaken stellen. De nog altijd maar 28-jarige Lewis liet zich begeleiden door de nog jongere jonkies van The Nashville Teens, een Britse popgroep die in het zog van The Fab Four in Hamburg was beland, en vanaf het moment dat Jerry Lee de vingers op het ivoor laat neerdaveren niet weet wat hen overkomt. ‘Ladies and gentlemen, Jerry Zee Luwies!’ roept de aankondiger, waarop Lewis als door de duivel bezeten uit de startblokken schiet en de groep hoorbaar alle zeilen moet bijzetten om de meester bij te kunnen houden. ‘Mean Woman Blues’, ‘Great Balls Of Fire’, ‘Good Golly, Miss Molly’, zelfs de countryklassieker ‘Your Cheatin’ Heart’ van Hank Williams wordt het hellevuur ingejaagd. Volgens Brian Setzer van Stray Cats, die Lewis een paar keer van dichtbij mocht meemaken, liep de motor van The Killer die avond op speed en andere amfetamines. Hoe het ook zij: daadkrachtiger heeft rock-’n-roll nooit geklonken.


5. Neil Young - ‘Time Fades Away’ (1973)

De allereerste liveplaat van Neil Young, opgenomen met The Stray Gators, de groep waarmee hij een jaar eerder het fenomenale ‘Harvest’ had ingeblikt. Sindsdien was het met Young en zijn entourage echter steil bergaf gegaan. Crazy Horse-gitarist Danny Whitten zou, in een poging om zijn door heroïne aangetaste bestaan weer op de rails te krijgen, mee op tournee gaan, maar werd nog voor de repetities goed en wel begonnen waren, onbekwaam geacht een substantiële bijdrage te leveren en weer naar huis gestuurd. Hij overleed op 18 november 1972 aan een dodelijke dosis valium en alcohol. Toen de tour enkele maanden later alsnog van start ging, had tequila in breed stromende sloten zijn intrede gedaan, en bevond het moraal van de groep zich ver onder nul. Neil Young was zo ontevreden over de opnames dat hij zichzelf onder een schuilnaam op de hoes zette: Joe Yankee. De tour wás een zootje. Drummer Kenny Buttrey stapte halverwege op en werd vervangen door Johnny Barbata, pedal steel-gitarist Ben Keith kampte met geheugenverlies, en om de zaak wat op te krikken en alsnog wat standing te geven werden David Crosby en Graham Nash er in de laatste rechte lijn nog bij gehaald. Maar wonderful stuff happens tussen het puin en de ellende. Samen met ‘Tonight’s the Night’ is dit Neil Young op zijn breekbaarst. ‘Time Fades Away’ werd nooit op cd uitgebracht – in 2014 was er ter gelegenheid van Record Store Day wel nog een vinylheruitgave – en is in digitale vorm sinds kort enkel verkrijgbaar via slimme Neils hoogstpersoonlijke en peperdure Pono-platform.


4. Portishead - ‘Roseland NYC Live’ (1998)

‘Roseland NYC Live’ klinkt zo kraakhelder, zo meticuleus opgenomen dat je, tussen het applaus door, nauwelijks gelooft dat het een liveplaat is. Maar als klinische perfectionisten als Geoff Barrow, Beth Gibbons en Adrian Utley een plaat uitbrengen, dan is enkel het hoogst haalbare goed genoeg. ‘Roseland NYC Live’ is meer dan het beste uit ‘Dummy’ (hier vertegenwoordigd met vijf songs) en ‘Portishead’ (zes) met toegevoegd livegejoel. De groep trok naar de Roseland Ballroom in Manhattan, bracht er zo al fantastische songs als ‘Only You’, ‘Mysterons’ en ‘Roads’ – met de hulp van een symfonisch orkest – naar een compleet andere dimensie, één die de sfeer van de studioplaten op bijna elk vlak overstijgt. Gibbons is live steeds outstanding, maar hier is ze in wel héél uitzonderlijke doen. En de allerbelangrijkste troef van ‘Roseland NYC Live’: het wonderbaarlijke contrast tussen het koude, in de originele versie bewust afstandelijke geluid van tracks als ‘Cowboys’, ‘Half Day Closing’ en ‘Sour Times’, en de warme gloed waarmee het orkest hen omzwachtelt. ‘Roseland NYC Live’ is de perfecte blend van fluweel (de sfeer van de rokerige jazzclubs), hout (de hobo’s, klarinetten en cello’s) en metaal (hun retrofuturistische triphop). En een schoolvoorbeeld van wat een goede liveplaat móét doen: songs naar spannende nieuwe terreinen begeleiden.


3. AC/DC - ‘If You Want Blood You’ve Got It’ (1978)

Wij kennen mensen die AC/DC nog met Bon Scott aan het werk hebben gezien. Als medicijn tegen onze jaloezie kunnen wij maar één ding doen: ‘If You Want Blood You’ve Got It’ opzetten, de eerste en enige liveplaat van AC/DC waarop de soulvolste aller hardrockzangers zijn in een strakke jeans gestoken ballen tegen het microfoonstatief schuurt. ‘Any virgins in Glasgow?’ hoor je ’m zeggen, en de toon in zijn stem verklapt that he wasn’t just making conversation. Scott was die 30ste april 1978 in Glasgow in grote doen, en AC/DC was op het hoogtepunt van zijn compositorische kunnen: de groep had net ‘Powerage’ uitgebracht en maakte zich op om ‘Highway to Hell’ in te blikken. Voor de bisnummers verscheen de groep in de outfit van de Schotse nationale voetbalploeg op het podium en ging het dak eraf. Het concert in Glasgow werd ook gefilmd, maar nooit integraal uitgebracht. Stukjes en beetjes verschenen later verspreid op dvd’s, met ‘Riff Raff’ en ‘Fling Thing/Rocker’ op het aanbevelenswaardige ‘Family Jewels’.


2. James Brown - ‘Live At The Apollo’ (1963)

24 oktober 1962. The Beatles wonen in Hamburg en The Apollo Theater bevindt zich op 253 West 125th Street in Harlem. James Brown, die al vanaf 1956 indrukwekkend singletje na indrukwekkend singletje kan laten inkaderen, creëert en beleeft hét scharniermoment uit zijn carrière. De funk is kaal, de blues is rauw, de zeer kort geknipte koperblazers zijn zeer scherp. Brown zelf heerst werkelijk over de 1.500 mensen die naar Harlem zijn afgezakt. Zeer impressionant allemaal. Niemand in de industrie wilde van een liveplaat weten, dus moest Brown zelf de Apollo, de smokings en de opnameapparatuur huren.

De eerste dagen wordt er niks opgenomen en staat er avond na avond een vrouw vooraan ‘Sing it to me, motherfucker’ te roepen. De vrouw wordt op de opnamedag als een soort ceremoniemeester gebruikt om de fans nog meer op te peppen, maar tegelijk wordt er geen microfoon bij haar in de buurt opgesteld. Bien joué.

Als ‘Live at the Apollo’ uitkomt, wordt het in z’n geheel op de radio gedraaid, met commercials tussen de A- en de B-kant, en hij verkoopt enorm goed. Brown kan het zwarte Chitlin’ Circuit voorgoed vaarwel zeggen: de stadions lonken, evenals de recepties met de president erbij, de optredens in Vietnam (voor de troepen) en in Kinshasa (een paar dagen voor de legendarische kamp van Ali tegen Foreman).

Essentiële livebom uit 1962: het 10 minuten durende ‘Lost Someone’, een fantastisch op en neer van emoties. In de schreeuwdialoog tussen publiek en artiest zet iedereen overal perfect z’n leestekens. Beste stuk tekst: ‘Don’t just say ‘Aaw!’, say ‘Aaaaaaww!’’, dat bijna even straf is als de schreeuw na ‘I feel just like I wanna scream’. Waarna ‘Please Please Please’ nóg sprakelozer maakt. Een grote hadronenbotser bouwen en jezelf met een polsstok over een 6,16 meter hoog gelegde lat hefbomen, tot daar aan toe. Maar hoe doe je in godsnaam wat The Godfather hier doet?


1. Ramones - ‘It’s Alive’ (1979)

De mooiste oudejaarsavond aller tijden vond plaats in 1977, toen de Ramones als een stormram door het Londense Rainbow Theatre raasden. Het was het jaar dat de punk was losgebarsten, en de Ramones, die in New York al een jaar eerder het spel op de wagen hadden gezet, kwamen voor hun Britse volgelingen nog even aantonen hoe het spelletje echt in elkaar zat. The Clash stond erbij en keek er met open mond naar. Achteraf zou gitarist Johnny Ramone tegen een stomverbaasde Joe Strummer zeggen dat hun set intussen al bijna tien minuten sneller was dan aan het begin van de tour.

Bij de Ramones draaide alles om efficiëntie: geen poses, geen gitaarsolo’s, geen grote boodschappen, maar poepsimpele rock-’n-rollsongs in formule 1-verpakking. ‘Hey, we’re the Ramones and this one’s called ‘Rockaway Beach’ – one-two-three-four…’. 28 songs in minder dan 55 minuten. Ennio Morricone was er op het intromuziekje nog niet bij, maar in plaats daarvan krijgen we de originele bezetting met Tommy op drums, DeeDee op bas, Johnny op gitaar en Joey als een soort lang opgeschoten, scheefgegroeide hagedis aan de microfoon. Het was de enige versie van de Ramones waarin de groep geen groep was, maar een natuurkracht. Niemand die die avond op het podium stond, is vandaag nog in leven. En toch: ‘It’s Alive’.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234