'Wanneer Bob Dylan zich even niet tot zijn aardse helden richt, gaat hij het – net als zijn idolen Elvis en, jawel, Little Richard – in hogere sferen zoeken en komt hij algauw bij de Allerhoogste terecht.' Beeld Contour by Getty Images
'Wanneer Bob Dylan zich even niet tot zijn aardse helden richt, gaat hij het – net als zijn idolen Elvis en, jawel, Little Richard – in hogere sferen zoeken en komt hij algauw bij de Allerhoogste terecht.'Beeld Contour by Getty Images

80 jaarBob Dylan

Bob Dylan wordt 80: ‘Balorigheid en zelfgekozen liederlijke levenslust bewonderde hij in stilte, en later in wijze woorden’

‘Tachtig is prachtig!’ Er was een tijd in mijn leven dat dat op allerhande deuren en hekken door talrijke dwazen en gekken geschreven werd en dus te lezen stond. Ik heb zowel aan het gelijknamige jaartal als aan de opkomende leeftijdsgrens nooit enig gevoel van blijdschap overgehouden. Had de piepjonge versie van de man over wie dit opstel zal gaan, ons niet al altijd vrolijk rappend gewaarschuwd: ‘He not busy being born is busy dying’?

Wanneer Bob Dylan volgende maandag wakker wordt, zal de wereldwijd gevierde folkzanger mogen vaststellen dat hij vanaf die ochtend zijn eenentachtigste levensjaar ingaat. Zullen ’s avonds de kurken knallen ten huize Zimmerman? Ik durf dat te betwijfelen. Ook al omdat er geen huize Zimmerman is. Bob woont samen met een stel gitaren en wat primaire opnameapparatuur, een vulpen en een paar blokken kladpapier sedert jaar en dag in een suite van het riante hotel Shutters on the Beach in Santa Monica. En knallende kurken: van een vriend van me die ook een vriend van Dylan is, weet ik dat hij een fris blik bier prefereert boven de in de showbizz blijkbaar obligate bubbels.

Bob Dylan – want over hem gaan we het vandaag nog eens uitgebreid en in zwarte inkt hebben, beste suf gezoomde studenten van het leven – is tijdens zijn best wel lange leven met vele bijnamen behangen, vaak geloofd en ruim verguisd, bewonderd en beschuldigd en middels een reclamecampagne voor Apple-computers door de befaamde muiskoning Steve Jobs vaak op één rij gezet met genieën als Picasso of Newton. Die laatste twee figuren zongen weliswaar niet door hun neus, maar ze hebben de mensheid, nog steeds volgens dezelfde Jobs, toch veel plezier gedaan door altijd maar te durven falen, en uit dat falen voortdurend verder te bouwen aan ander, groter, grootser werk. Over Jobs en Newton weet ik weinig, maar over Picasso al wat meer, en ik kan met een gerust hart en geweten stellen dat de ondertussen ook al wijlen Jobs een duidelijk punt had: zowel Pablo als Bob waren/zijn artiesten van het zoekende type, kunstenaars die voor inspiratie zowel in zichzelf gingen graven als in de grote boze wereld daarrond: Picasso’s ‘Vrouw in het blauw’ is Dylans ‘Tangled Up in Blue’ waard, zijn ‘Guernica’ is volgens mij een vroege en geniale voorloper van Bobs jeugdige meesterwerken ‘Masters of War’ of ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’. Beide grootmeesters beoefenden ook met brio de zalige deugd van het bewonderen. Picasso kende Spanje – het landschap daar, de verbale en de lichaamstaal – door en door. Hij herkende er het licht dat op veel plekken hetzelfde was als dat van de nabije Maghreblanden, het grandioze talent van de schilders en tekenaars die hem zijn voorafgegaan op het Iberische schiereiland. Door zijn lange verblijf in Parijs en zijn talloze museum- en galerijbezoeken aldaar leerde hij zowel het werk van Gauguin en Cézanne als Delacroix van dichtbij kennen. Hij maakte ook kennis met Van Gogh en de oude Hollandse en Vlaamse meesters, terwijl hij in de Parijse etnografische musea op zeer aanschouwelijke wijze werd geïntroduceerd in de wondere wereld van de Afrikaanse, Aziatische en Oceanische kunst.

Jaren later, en aan de andere kant van de wereld, in het koude, industriële niemandsland dat de United States nauwelijks onderscheidt van Canada en Alaska, was de toen nog gewoon Robert Zimmerman genaamde pafferige arbeiderszoon aan zijn eigen zoektocht begonnen. Musea waren daar niet, kunstboekhandels al evenmin, en de platenhandel gebeurde minimaal via de winkels die in keukengerief deden. Dylans verbinding met de wereld out there gebeurde via een draaiknopje aan het radiotoestel van zijn ouders, die het toch te druk hadden in hun goed draaiende ijzerhandel in Hibbing, Minnesota. Kleine Bob wist snel dat wat hem het meest beviel, uit de klankenbrij kwam die je met enig fingerspitzengefühl uit zo’n radio kon persen, en die vaak uit het zuiden des lands voortkwam, en op een goeie dag zelfs uit Mexico. Bluegrass, western swing, work songs, talking blues, hillbilly, mariachimuziek, vroege r&b (toen race music genoemd, tegen beter weten in), cowboydeuntjes en ja, zelfs wat primaire rock, het waaide vanuit de Sun Belt door het zwerk naar het koude noorden toe.

Het is ondertussen bekend dat de 18-jarige Robert Zimmerman in het jaarboek van de high school waar hij zijn middelbare studie beëindigde, als enige verdere levensambitie liet optekenen: ‘To join Little Richard.’

KUSSEN EN BIJTEN

In die laatste ambitie is hij zeker geslaagd. Hij heeft qua muzikaliteit, levensstijl, impact, ongebreidelde zangtechniek en uniciteit zijn voormalige idool Little Richard ruimschoots bijgebeend, en wellicht overtroffen. Vanaf zijn allereerste langspeelplaat ‘Bob Dylan’ (1962) tot zijn laatste, ‘Rough and Rowdy Ways’ (2020), blijft Dylan bezingen wie hij bewondert. Op die laatste plaat zijn dat bijzonder veel namen, maar toch valt een speciale hommage op aan de grootheid van bluesheld Jimmy Reed, die als geen ander het sacrale en het profane in de kluts kon gooien. Het is wat Dylan altijd zal blijven doen: zijn eigen sporen wissen door na een brok loodzware ernst een witz in te bouwen. Het over oorlog en vreten hebben, over kussen en bijten, over zalven en slaan. En vooral nooit doen of je iets hebt uitgevonden, maar altijd tonen dat wat je dicht of zingt, van ergens komt en later weer netjes doorgegeven moet worden aan wie na jou aan de beurt is.

‘Song to Woody’, een sleutelsong uit Dylans debuut, is daar een schoolvoorbeeld van. De song is omgeven door allerhande half ware verhalen, waarin werkelijkheid en verzinsel hand in hand een lange wandeling door het naoorlogse Amerika maken, vanuit het hoge noorden naar het diepe zuiden, en zo weer naar New York en New Jersey, waar de jonge bard zijn stervende held Woody Guthrie zou huldigen. De song gaat, fel ingekort, zo:

I’m out here, thousand miles from my home
Walkin’ a road other men have gone down
I’m seein’ your world of people and things
Your paupers and peasants and princes and kings
Hey, hey, Woody Guthrie, I wrote you a song
(…)
It looks like it’s a-dyin’ an’ it’s hardly been born
Hey, Woody Guthrie, but I know that you know
All the things that I’m a-sayin’ an’ a-many times more
I’m a-singin’ you this song, but I can’t sing enough…

Waarna de nederige leerling andere helden eert die hem de weg gewezen hebben: Lead Belly, Cisco Houston et les autres. Het is een vriendelijke schuldbekentenis van een beginnende ambitieuze artiest die opkijkt naar de berg die hij zal moeten beklimmen to join Little Richard. Om op de speelplaats van de grote jongens te mogen meedoen. Later zullen David Bowie (‘Song for Bob Dylan’), Syd Barrett (‘Bob Dylan Blues’), Loudon Wainwright III (‘Talking New Bob Dylan’) die oefening elk in hun eigen stijl en bewoordingen overdoen, vaak via de in de Angelsaksische landen befaamde tong-in-de-wangtechniek, die bij de alsmaar changin’ times gingen horen.

Zijn belijdenisverzen haalt hij maar zelden boven tijdens concerten. Hij heeft ‘Song to Woody’ slechts 53 keer live gespeeld, en dan nog vooral rond de laatste eeuwwisseling. Daarna vond hij wellicht dat hij zijn schuld had afbetaald en stonden er andere en nieuwere songs te dringen om de steeds maar wisselende setlist te halen van die illustere rondgang die The Never Ending Tour heet en die alleen stilgelegd kon worden door het wangedrag van een stelletje Chinese vleermuizen.

Maar Bob Dylan bleef in zijn repertoire altijd wel plaatsmaken voor helden van allerlei slag. De helden van de held waren, lang voor begrippen als Black Lives Matter of #MeToo nog maar aan een naam toe waren, niet zelden slachtoffers van de helaas ook in dat inspirerende en warme zuiden ziekelijk wijdverspreide filosofie van de white supremacy. Niet zelden geïmporteerd door spierwitte migranten uit Europa, die schaamteloos en met bloed aan de handen het beloofde land afnamen van de rooie inboorlingen en de zwarte slaven die er aan een moeilijk leven bouwden. Dylan ging van jongs af aan de kant van de zwakken staan. Aan die van de laffelijk vermoorde Hattie Carroll, aan die van de mensenrechtenactivist Medgar Evers, eveneens laffelijk vermoord. Aan die van Emmett Till, een 14-jarige zwarte winkelhulp uit Mississippi, die opgeknoopt werd omdat hij iets te vriendelijk was omgegaan met een oudere blanke en deftige dame die klant was in de groentewinkel waar hij zijn schamele loon verdiende. Dylan nam het later ook voor sportlui op, vaak boksers (‘Hurricane’, ‘George Jackson’), als hij vond dat hun kleur meespeelde als ze buiten de ring eens een al dan niet vermeende misstap zetten. Maar zijn song ‘Catfish’, voor de blanke baseballlegende James Hunter, is op niets anders dan pure adoratie gestoeld. En de bandieten en gangsters die hij bezong (‘John Wesley Harding’, ‘The Ballad of Frankie Lee and Judas Priest’ of ‘Joey’), hoefden ook niet noodzakelijk zwart te zijn – een scheut Iers of Italo-Amerikaans bloed was vaak voldoende. Om nog te zwijgen van de helemaal witte Jack Kerouacs en Lenny Bruces van deze wereld, wier balorigheid en zelfgekozen liederlijke levenslust hij in stilte, en later in wijze woorden, innig bewonderde.

BREEKIJZERS

In de vaak tergend traag gebrachte en langgerekte ballade ‘The Lonesome Death of Hattie Carroll’ laat Dylan vorm en inhoud volmaakt samenvallen, om zo op prangende wijze de tergend trage en langgerekte dood van de barmeid Hattie Carroll door de blanke dronkenlap William Zantzinger treffend te laten insijpelen bij al wie er kennis van neemt. Het is Dylan op zijn best, een verantwoordelijke kunstenaar die een zwarte pagina uit de geschiedenis van zijn land neerschrijft en voorleest aan al wie luisteren wil. Zelfs de moordenaar ontsnapte niet aan de zengende kracht, want tot op zijn sterfbed – hij leefde nog lang en wel, tot de dag waarop Barack Obama de eerste zwarte president van de VS werd – bleef hij Dylan vervloeken voor de song, waarin de zanger de naam van de moordenaar weliswaar lichtjes verkeerd spelt (Zantzinger wordt even Zanzinger). Hij vond het relaas der feiten na een ruime halve eeuw nog steeds één gore brok leugens. ‘Ik had Dylan toen in de bak moeten laten steken!’ brieste hij tegen Howard Sounes, één der betere Dylanbiografen.

Dat Dylans woorden vaak breekijzers konden zijn, voelde vooral de valselijk van medeplichtigheid aan een overval beschuldigde bokser Rubin ‘Hurricane’ Carter. Dylan zong hem, na twintig jaar opsluiting, werkelijk de gevangenis uit. Zijn veroordeling werd herbekeken en zijn naam werd gezuiverd. Hij is Dylan oneindig dankbaar geweest en heeft zich tot aan zijn dood in 2014 ingezet voor mensen, vooral laagopgeleide kleurlingen zoals hij, die onterecht achter de tralies waren beland.

Blind Willie McTell (foto), Rubin ‘Hurricane’ Carter , Woody Guthrie: Bob Dylan maakte in zijn repertoire altijd plaats voor helden van allerlei slag. Beeld Redferns
Blind Willie McTell (foto), Rubin ‘Hurricane’ Carter , Woody Guthrie: Bob Dylan maakte in zijn repertoire altijd plaats voor helden van allerlei slag.Beeld Redferns

Maar nog dierbaarder dan Dylan de bevrijdingsheld is mij de singer-songwriter die, met zoveel liefde als maar kan, lof betuigt aan de mensen van wie hij het singen en het songwriten heeft geleerd. Ik denk dan vooral aan mijn favoriete Bobsong ‘Blind Willie McTell’, eentje die samen met ‘To Ramona’, ‘Sign on the Window’, ‘Sara’ en ‘Forever Young’ altijd in mijn Dylan-top vijf blijft zoemen. Ik denk ook aan wat hij met songs van Elvis Presley en later in extenso met die van Frank Sinatra heeft gedaan.

HOGERE SFEREN

Van bij Bobs eerste pianoaanslag en enig subtiel en discreet door Mark Knopfler en/of Mick Taylor geleverd gitaarspel, en de allereerste noot die Dylan laat ontsnappen aan zijn vermaarde keel, weten zij die kunnen luisteren dat het bij ‘Blind Willie McTell’ zeer wellicht om een meesterwerk zal gaan. Hij zingt in een soort beheerste trance over welke grote invloed de blind geboren en voluit William Samuel McTier (1898-1959) geheten op hemzelf en vele andere bluesfanaten heeft gehad. Als straatmuzikant in Atlanta en andere steden in Georgia had Blind Willie al vroeg de aandacht van grammofoonplatenpioniers en volksmuziekarchivarissen getrokken. En één van zijn songs, ‘Statesboro Blues’, is onder andere door versies van The Allman Brothers Band en Taj Mahal tot het gemeengoed van de bluesrock gaan horen. Dylan bezingt zijn held vol eerbied. Laat weten dat ook de haveloze, ongeschoren, slechtziende man van de ‘verkeerde’ kleur dressed up like a squire kan zijn, een heer in het muzikale verkeer, met een gitaar in de ene hand en een fles zelfgestookte whisky in de andere. Om dan toch te besluiten: ‘But power and greed and corruptible seed seem to be all that there is’.

Het is één van de grote mysteries waarom Dylan één van zijn allerbeste songs ooit te elfder ure van zijn overigens onderschatte tweeëntwintigste studioplaat ‘Infidels’ heeft gekeild en ze slechts tien jaar later heeft vrijgegeven voor ‘The Bootleg Series Volumes 1-3’. Hoe dan ook, ‘Blind Willie McTell’ is één van de hoogtepunten uit Dylans omvangrijke catalogus. Gelukkig speelt hij het geregeld live. Alleen niet als ik er ben. En al zeker nu niet.

Wanneer hij zich even niet tot zijn aardse helden richt, gaat hij het – net als zijn idolen Elvis en, jawel, Little Richard – in hogere sferen zoeken en komt hij algauw bij de Allerhoogste terecht. Die heet dan gewoon God, maar af en toe ook The Lord, Jezus, Jehova of Jahweh. Er werd lang smalend gedaan over Dylans gospeljaren en de daarbij horende, in afzichtelijke hoezen gestoken religieuze lofliederen. Maar verlichte Dylanologen (ze bestaan en heten bijvoorbeeld Greil Marcus, Clinton Heylin en Paul Morley) lieten hun licht schijnen over vergeten of verguisde lp’s als ‘Slow Train Coming’, ‘Saved’ en ‘Shot of Love’, en zodoende zagen en hoorden ze veel goeds. Op een boxset als ‘Trouble No More’ (2017) kan men in zeer uitgebreide vorm horen in wat voor een bloedvorm Dylan en zijn uitstekende band wel staken tijdens die volgens velen verloren jaren. Ikzelf was in die dagen ook geen geweldige fan van al die Godsrock, moet ik bekennen. Ik kocht dat werk wel, uit hondstrouw, ik beluisterde het plichtsbewust en het ging dan het rek in, wachtend op ander en beter werk van de Meester. Maar tijdens een eerste citytrip naar Porto kwam ik in de plaatselijke Fnac een voor de Japanse markt bestemde en mij dus totaal onbekende livecompilatie uit 2001 tegen, ‘Bob Dylan Live 1961-2000 – Thirty-Nine Years of Great Concert Performances’. Meteen na beluistering via de walkman werd ik van mijn sokken geblazen door een zinderende versie van Carl Story’s bluegrass gospel classic ‘Somebody Touched Me’, en de steeds krachtiger gehanteerde slagzin ‘Must have been the hand of the Lord’. Dylan en zijn opzwepende band brengen het nummer alsof ze er al doende de duivel mee uit het feestlokaal in het Engelse Portsmouth joegen, waar zij die avond de mis opdroegen. Krachtig, en voor één keer is dat woord het ware rijm op prachtig.

WOORDMACHINE

Laten wij deze proeve van Dylans bewonderkunst afsluiten met een andere song van hem die bij mij na iedere beluistering altijd wel voor enige waterlanders zorgt. Het betreft zijn stille hommage aan iemand die even zijn tijdgenoot was, iemand die aansloot bij het Joodse kritische gedachtegoed van de Woody Allens en de Allen Ginsbergs van de naoorlogse en van jazz doordrenkte generatie. De FBI en vele andere weldenkende Amerikanen liepen niet zo hoog op met de ongewone stand-upcomedian Lenny Bruce, die op zijn podiumpje in de donkere clubs en later in veel grotere theaters geen gewone moppentapper bleek, maar een begenadigde en genadeloze woordmachine die er een duivels plezier in had de brave, witte, christelijke doorsnee-Amerikaan in zijn hemd en nog naakter te doen staan. Bruce is vereeuwigd in de biopic ‘Lenny’ van Bob Fosse en Dustin Hoffman. Zijn werk werd met een voortreffelijke zesdelige boxset, ‘Lenny Bruce – Let the Buyer Beware’, voor het nageslacht geboekstaafd. Maar Dylan had er toch de mooiste woorden voor over. Ik laat u een beetje meelezen.

Lenny Bruce is dead but his ghost lives on and on
Never did get any Golden Globe award, never made it to Synanon
He was an outlaw, that’s for sure
More of an outlaw than you ever were
Lenny Bruce is gone but his spirit’s livin’ on and on
Maybe he had some problems, maybe some things that he couldn’t work out
But he sure was funny and he sure told the truth and he knew what he was talkin’ about
Never robbed any churches nor cut off any babies’ heads.
(...)
Lenny Bruce was bad, he was the brother that you never had


The brother that you never had, net zoals Bob Dylan de afgelopen zes decennia was in de hoofden van vele jongens, en ook steeds meer meisjes, die het leven beter aankonden in zijn gezelschap dan zonder. Eentje van hen heet van zijn eigen Marc Didden.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234