Raymond van het Groenewoud & Marc Didden op de première van Diddens film 'Brussels by Night'Beeld Humo

Uit het Humo-archief

De 5 beste platen van Raymond van het Groenewoud volgens Mortier, Didden en Vandendaele

Ter ere van Raymond van het Groenewouds zeventigste verjaardag doken we ons archief in, om weer boven te komen met de mooiste recensies van zijn allermooiste platen. Guy Mortier, Rudy Vandendaele en Marc Didden zijn de auteurs van dienst. ‘Er is nooit een lp van eigen kweek geweest die zó geklonken heeft, die zò uitblinkt door inventieve arrangementen, sterke nummers, magistrale muzikale techniek’.

‘Nooit meer drinken’ (1977)

Recensie door Guy Mortier

De laatste jaren is er in Vlaanderen heelwat gebeurd. Niet alleen stortte de brug van Pulle op vrij spektakulaire wijze in (weliswaar een eenmalig optreden), maar lieden als Verminnen en Big Bill brachten voldoende leven in de brouwerij om van een Vlaamse Sien te kunnen spreken en kunstmatige droedels als Joe Harris, Jaak Raymond en Nicole & Hugo voorgoed naar het mecenaat van Bob Boon te kunnen verwijzen. De tijden leken rijp voor de grote sprong voorwaarts, maar die kunnen we terugblikkend wel op onze buik schrijven lijkt het. De Nederlandstalige pop is ingedommeld. Konfektie viert weer hoogtij. Bij je kraag word je zelden nog gegrepen.

Eigenlijk houden we maar één origineel talent over, maar dat mag er dan ook zijn: Raymond van het Groenewoud. ‘Ik doe niet mee’, ‘Dedeemelee’, ‘Zij houdt van vrijen’ en ‘Meisjes’ zijn lichtpunten in ons rockrepertoire; zijn twee elpees waren telkens opkikkers, maar de eerste (‘Je moest eens weten hoe gelukkig ik was) leed onder de dwingende hand van Roland Klüger de tweede (‘Ik doe niet mee’) moest de muzikale visie van Hans van Hemart konkretiseren, en nu is de derde, ‘Nooit meer drinken’, die hij naar eigen smaak en inzicht en volledig vrij mocht maken, en Raymond komt er blinkend uit tevoorschijn.

‘Nooit meer drinken’ is namelijk een zeer sterke elpee geworden, met zoveel lichtpunten dat je er een volwassen luster mee kan uitsparen. Ruig geweld en beheerste emotie wisselen elkaar af als Russen in een estafette, en je waadt door korenvelden van kwaliteit. ‘Meisjes’ opent de feestelijkheden, maar dan zeer verstandig, ontdaan van de kabareteske franje die de single een weinig afzwakten; alleen het koor (dat overgedaan moest worden : het was per ongeluk van de band geveegd) is slapper dan op de single, maar kom, daar is track twee al en die heet ‘Bij Elkaar’, wat een mooie peinzer is dat, met stukke stembanden gezongen, erg simpel en sober en met een mandoline erin waarvan je zegt : hè, een mandoline; en dan is er ‘Crazy Pub’, een woeste stoter met een uitstekend stel blazers, en als kleine schoonheidsvlek alleen het hier en daar wat slordig tot platte taalgebruik dat ook in het ‘Lido Shuffle’-iaanse ‘Feest’, toch een stoot van belang, de kop opsteekt, in naam van de vlotte-jongens-sfeer. Ook hier blazen de saxen hun longen weer bol en duwt het koper de beat vooruit, tot je op ‘Winterochtend’, zeer à la Lou Reed, weer in de stilte stapt die je overvalt als je de deur van een dancing achter je sluit en op straat is het ochtend: vijf uur. Zeer mooi.

Op kant twee ontgoochelt alleen ‘White Lady’ (de enige zwakke track van de elpee), maar ‘Nooit meer drinken’ is dan weer een parel: aan akkoestische gitaar, de tweede stem van Jean Blaute, en Raymonds reikende, bijna begevende stem. Op ‘Danielle’ zit die ook, al herinnert de muziek daar bijwijlen wel erg sterk aan die hit van de Moody Blues, hoe héétte die ook weer.

‘Italianen’ is een superbe semi-parodie, een formidabel gezongen zomerhit die er (omwille van de iets te weinig duidelijke ironie van de tekst) geen zal worden, maar wèl met een andere tekst. ‘Zjoske’, tenslotte, swingt als de pest, biedt een mirakels mooi arrangement, wordt schitterend gespeeld, en zoals de hele plaat, akelig goed geproduced (door Jean Blaute).

Veel zware lof, kortom. Maar ‘Nooit meer drinken’ is bijwijlen ook zo mooi dat je ervan naar de fles zou grijpen. En de kleine vlekjes die hier en daar aan kleven zijn niet eens zo negatief: ze bewijzen alleen maar dat Raymond nòg beter kan, en dat is een erg mooie gedachte.

‘Ethisch reveil’ (1979)

Recensie door Guy Mortier

Hervé waar staan de remmen want ik sla te pletter op de muur van epitheta die voor mijn oog opdoemt. ‘Etisch Reveil’ van Raymond van het Groenewoud en de Centimeters is namelijk een elpee die als een trein over je heengaat, en mee ga je, zo verdomd sterk en mooi is dit nagenoeg allemaal. Overdrijvelings? Luister zelf !

(Hier fluit ik verrassend vaardig track 1, kant a.) ‘Aalst’ is dat, een enòrm nummer, met prachtige cajunharmonika van Jean Blaute en een geweldig slaande piano, en de verende beat van Stoy Stoffelen en die sterke bas van Mich Verbelen en een van het Groenewoud die zo plat zingt als ie maar proleet kan zijn, en bovendien mooi weer voor de tijd van het jaar!

Bovendien past zowat elke net gebezigde superlatief, gerecycleerd, op de rest van kant A: ‘Zij is mijn prinses’ (op muziek van Blaute) bijvoorbeeld, dat wéér zo’n perfekte, te gek goed geprodjoeste song is, met waanzinnig knap spelende Centimeters, en...

Ja, ik weet het: teveel lof is als look in een brakke maag: hij stinkt. Maar er is dan ook nooit een lp van eigen kweek geweest die zó geklonken heeft, die zò uitblinkt door inventieve arrangementen, sterke nummers, magistrale muzikale techniek als deze ‘Ethisch Reveil’. Neem nu ‘Nonkel Frans’. Komaan, neem ‘Nonkel Frans’! Een felle, schelle mondharmonika, als een bolide boort die beat zich door de groeven, en alles is net zo het hoort : heelgoed. Of ‘Trek het je niet aan’ — meer een voortreffelijke lp-track dan een single, en precies waar ie moet staan: daar, vlak voor ‘Jaloers’, dat de A-kant afsluit, en dat Raymonds Lou Reed impersonation is — hij heeft het in zich, die stem; één druk op de imaginaire knop en daar siddert morbied Lou Reed naar buiten. Raymond speelt Reeds ‘We’re gonna have a real good time together’ live trouwens stukken beter dan Reed zelf: die laat het op de plaat verknoeien door teveel technische foefjes en bibbertjes en echo — en dat is nu ook net waar ‘Jaloers’ aan ten gronde gaat. Live een zeer goeie song; hier, wellicht door de overdaad aan technische mogelijkheden in de Londense Eden studio’s, verdronken in echo en overlappinkjes etcetera.

Ook ‘Moeder’, even voordien, lijdt daar in het middenstuk aan: ook dat zwelgt in echo, tevéél —een gevoel van ‘er stond nu eenmaal kaviaar — dus we aten er’; en dat is jammer, want verder heeft ‘Moeder’ een paar erg leuke ideetjes, en een prima sfeer.

Dat was kant-A ; en je duizelt, want zo’n enorme nieuwe stap vooruit na de toch voortreffelijke ‘Nooit meer drinken’ en ‘Kamiel in België’ had je niet verwacht. En met die goodwill spiets je de naald in kant-B, al had je daar toch al een kleine inwendige frons bij genoteerd toen je zag dat daar drie nummers van respektievelijk 4'25’, 4'56’ en 6'11’ op staan: zo lang, voor een rocker?

Maar kant-B is heel nieuw — een heel andere van het Groenewoud, met heel andere muziek, heel andere konstrukties, een ander soort songs. Als een schilder die met zijn mes impressionistische strepen verf trekt op zijn doek, laat Raymond hier in ‘Brussels by night’ op een peinzend orgel en trillende bas en alle instrumenten ‘be-prodjoest’ in een Amanda Lear-sfeer, een stad bij avond oprijzen: gewaagd maar geslaagd, al is de tekst die hier naar voor springt, niet altijd even krachtig. Daarna volgt ‘Ys’, een lééuw van een nummer, ongelooflijk gezongen, gegild, door Raymond, op voortreffelijke drums die het frame bouwen waarin de ritmesektie een geweldige beat ontwikkelt —naar klapstuk ‘Markies De Sade’ toe. Een ambitieus projekt in zowat vijf bewegingen: via de introduktie in (A) met bevend orgel en gemijmerde zang naar (B), Angst er Schaamte, via (C) het in reggae verpakte titelthema: Ethisch Reveil, over (D) crescendo naar de kreet ‘Schijnheiligheid!’, met saxen waar je zondermeer gèk van wordt, en weer terug naar (E): beschouwend orgel, en terug naar A (f).

En nergens heb je het gevoel dat hier de Vlaamse tak van Yes opereert, of bezoek uit de Kosmos: het is sterk, en waar het even wankelt blijft de aardse 1-kant onhoorbaar nabij als tegenwicht.

‘Ethisch Reveil’ – nou, de epitheta zijn op. Alleen nog vermelden dat het bijgevoegde singletje de trap ‘Wij zijn de centimeters’ bevat, plus een epoestoeflante uitvoering van ‘Middenstand blues’, een overschotje van de ‘Kamiel in België’-tapes. O weelde!

‘Ontevreden’ (1986)

Recensie door Rudy Vandendaele

Simone de Beauvoir dood, Jean Genet dood, Chris Schraepen sukkelt met z’n opmerkingsgave, en in een zandverstuiving aan de Middellandse Zee spelen een hysterische kameeldrijver en een kindse cowboy met vuur. Het moest er toch ééns van komen, van die Derde Wereldoorlog. Mijn ouders hebben ‘m lang genoeg over mij afgesmeekt. Liet ik bijvoorbeeld de helft van mijn bord kreeftesoep staan, of één enkele oester liggen, dan klonk het steevast : ‘Jongen, wacht maar tot het oorlog wordt, dan zul je anders piepen!’ Piepen zal ik in elk geval, of kermen, of reutelen, want al die geluiden horen thuis in de herkenningsmelodie van het armageddon. Het werk van een muziekrecensent houdt nooit op, zelfs niet aan het front.

Nu ik me, aan de radio gekluisterd, angstig voorbereid op de volgende fase van Het Einde en in gedachten de wereldbrand al kan voelen, zie ik in een helverlicht moment het volslagen frivole van mijn werkzaamheden in: plaatjes draaien en over die plaatjes een mening hebben die dan openbaar wordt gemaakt; peilen naar de zieleroerselen van jongens en meisjes die te jong zijn om zich een ziel te kunnen permitteren en het oor lenen aan elke scheet die in de totaal verzonnen wereld der showbusiness wordt gelaten. Op een grauwe blinde muur in de stad wil ik, nu ik weet dat ik in kritieke omstandigheden geen troost put uit muziek, het Franse woord ‘Dégonté’ kalken. Tijdens het avondmaal zal ik straks, omringd door mijn beminde huisgenoten, een pleidooi houden voor het gebruik van cyaankali en mijn vrouw zal bedachtzaam replikeren met : ‘Laten we toch nog maar even wachten’. Bloemen noch kransen en vooral geen muziek, tenzij die van ‘Ontevreden’, de nieuwe, geestige, gevoelige, aangrijpende en ondanks alles blijmakende elpee van Raymond van hét Groenewoud.

Het is een minder avontuurlijke plaat dan ‘Habba!’ (‘84), waarop RvhG enkele nieuwe genres betrad en zich aardig thuis bleek te voelen in westerse reggae en Princelijke funk. Op ‘Ontevreden’ rock & rolt hij huiswaarts, terug naar de bron, naar de ongecompliceerde grondslag van dansmuziek die al een kwarteeuw aanstekelijk is. ‘Sire, rock en roll’ verschaft tekst en uitleg aan onze vorst en is tegelijkertijd een hartstochtelijke demonstratie van het onderwerp : gitaren peppen elkaar op en de zanger zichzelf : ik denk dat men ten paleize een paar weinig protocolaire danspassen zal wagen. Een schitterende song en een ironische liefdesverklaring aan de rock en z’n zogenaamde wereld zonder wetten. Een bezeten, vette boogie is ‘Mane Chou’: een laaiende ode aan het Lekker Stuk Zijner Dromen, waarin de sax van Bertus Borgers ronduit genitaal klinkt. Een soufflé van een boogie is ‘Ik ben alleen’, met RvhG in de rol van schlemiel: aandoenlijk, maar vóór je een traan van meelij kunt laten, ben je al lang aan het dansen: zo werkt ironie. ‘Het spek is aangebrand’ klinkt als iets van de jonge Ray Davies: een combinatie van cynisme en vrolijkheid, onderstreept door de sax van Gerbrand Westveen. Pop met een weerhaakje.

Wat geen zich in het Nederlands uitdrukkende zanger kan, kan RvhG: zingen over gevoelens die niet voor de hand liggen in een liedje, lucht geven aan subtielere emoties dan de eeuwige boerelullenverliefdheid. Neem ‘Wachten op de wagen in de nacht’ : een pijnlijk getrouwe weergave van eenzaamheid en jaloezie, waarbij Rik Aerts (briljant op de hele plaat) beendroog aan z’n gitaar plukt en RvhG ongenadig aan z’n ziel. Deze song gaat amusement te boven en wordt kunst, net als de opgekropte orkaan van emoties ‘Wijd en zijd’, een hevig liefdeslied, met alleen een piano die van de geheimste geheimen op de hoogte is. ‘Niet te vertrouwen’, uit majestatische synthesizers voortgesproten, heeft de kracht van woede en afkeer en schroeit passioneel gaten in mijn gevoelswereld. Helemaal (op chirurgische wijze weliswaar) uit mijn hart gegrepen is de titelsong ‘Ontevreden’, een prachtig lied over het ingeboren innerlijke geknaag waartegen niets opgewassen is, met een misleidend idyllische mandoline die aan ‘Maggie May’ van Rod Stewart doet denken.

Misleidend is ook het vrolijke orgeltje van een cent (in feite een Yamaha DX7 in een bui van bescheidenheid) in ‘Dommer kan het niet’, een schijnbaar zeer opgeruimd nummer dat aanknoping zoekt met Doug Sahm, maar eigenlijk over alles op losse schroeven zettende Twijfel gaat.

‘Wat een fijne dag’, uit stille gitaren opbloeiende tristesse, is even gespannen als de nachtelijke parel ‘Brussels by night’. En Raymond kan niet verbergen wat hij is: een intelligente hypochonder, een begenadigde mopperkont, en gelukkig ook een overvalst artiest.

RvhG heeft zichzelf weer eens opengereten ten behoeve van de jonge luisteraartjes. Ooit zullen ze hem dankbaar zijn. Ik ben het nu al. En zeer tevreden met ‘Ontevreden’ om het eens met een soortement jeu de mots te zeggen.

‘Intiem’ (1988)

Recensie door Rudy Vandendaele

Belgische rock is een schaduwspel; ‘t is ook een kwestie van vreemde talen spreken: wie de vreemde taal het best nabootst, is het meest geloofwaardig, maar écht echt is hij nooit. Als je aan een meander van de Schelde geboren bent, moet je al heel erg je best doen om staande te kunnen houden dat je roots in een Londense volksbuurt woekeren. Belgische rock is dus in hoofdzaak een illusionistische bedrijvigheid. Aangezien ik steeds meer in de werkelijkheid ben geïnteresseerd, me steeds meer vastklamp aan vlees en bloed, breek ik mijn hoofd niet meer over de Belgische schaduw van het buitenland. Alleen aan originals wil ik, als de wind me tenminste meezit, nog enkele gedachten wijden. En dan kom ik bij Raymond van het Groenewoud terecht. Dat treft : er is een nieuwe elpee & CD & MC van hem uit. Hij heet ‘Intiem’, wat in de loop van een beluistering herhaaldelijk blijkt.

Raymond van het Groenewoud weet wat rock is, maar hij kent ook log talloze andere muziekjes, en precies dié afwijkingen op de regel maken hem authentiek. De stampij van het gemiddelde Vlaamse bal is nooit veraf; soms roept hij een druilerig orkestje in een slecht beklant Slavisch restaurant op, en een andere keer weer een bleke muziekstudent die, verrekkend van onbestemde verliefdheden, sonatines instudeert. Raymond is een verzameling getalenteerde jongens. ‘Mijnheer de postbode’ is terug op de A-kant van ‘Intiem’: het oude wijsje van verlangen, nu met strijkers op de achtergrond; ‘Niets heeft nog zin (zonder jou)’ is het mooiste liefdeslied van het jaar, fantastisch opgebouwd en delicaat bijgekleurd met een tintje van Ray Davies; ‘In mijn huis’ is loomte — iemand heeft een tropenzon in de nok gehesen — en gemis, en ‘Zo graag dicht bij je zijn’ verloopt in dezelfde bedrukte fluistersfeer, terwijl één vinger over de synthesizer hipt en het simplisme van Laurie Anderson veroorzaakt.

‘Omdat ik van je hou’ is een breed gebaar tussen de tango en de zcardas in, passie in een ironisch hulsje, maar pakkend als destijds de pokken. ‘M’n Leven Lang’ is een heerlijk hotsebotsend, grillig liedje van levensbeschouwelijke strekking: er zit een elektronisch bewerkt mannenkoor in. Méér mannenkoren zouden elektronisch moeten worden bewerkt.

Raymond neemt de jubel van Ray Charles in de mond en ‘Hallelujah, ze is van mij’ swingt ongehinderd zijns weegs en toevallig de juiste kant uit.

Gelieve mij nu te volgen naar de kinderafdeling: ‘In de gracht’, ooit verloren gelegd op een kinderplaat, is een meesterwerkje, een van de ontroerendste brokjes wrok tegen scholen en schoolmeesters dat ooit te plaat werd gesteld. In ‘Mama en papa’, een muziekdoos die een splinterbom bevat, droomt een boosaardig kind, zoals je ze wel eens tegenkomt in de boeken van de Britse schrijver Saki, zijn ouders enige rampspoed toe. Hoogst vermakelijk, wat ik net niet vind van ‘Intimiteit’, reggae voor kinderen verklaard, een kabbeling van verlossende nonsens misschien, maar als je dit nummer iets te vaak hebt gehoord, staat er toch een fors paard in de gang. ‘Toujours l’Amour’ is opnieuw reggae met een om airplay vragend refrein, maar ook dit nummer doet me te weinig. In tegenstelling tot het woeste ‘Bostella’, een song over dingen waar Raymond niet tegen kan: er gulpt bier uit, de beat wordt ingegeven door het wallebakken. Een genrestukje uit Vlaanderen, met de juiste dosis haat onder de voet gelopen.

‘Geen Boodschap’ tenslotte is door razernij aangedreven ska. Tenslotte? Dan had ik even buiten de extra nummers op de cd gerekend: ‘Oorlog’ en ‘Onverschilligheid is wat mij tart’ zijn uit de kale piano gestreelde melancholiedjes van het beste soort, en ‘De Lotgevallen van Engelbert Humperdinck’ is bijzonder scabreuze Texmex voor het hele gezin. ‘Weg met Boudewijn (Leve Fabiola)’ en ‘Ik wil je hier bij mij’, bekend van live, leggen Raymonds vertrekpunt nog eens duidelijk uit: rock ‘n’ roll.

‘Intiem’ is mijn plaat. Ze gaat over mijn wereld. De rest is bij¬zaak.

‘Tot Morgen’ (1998)

Recensie door Marc Didden

De duizelingwekkende diversiteit van het hedendaagse muziekaanbod en de daar onvermijdelijk bij horende overproductie zorgen er wel eens voor dat echt belangrijke cd’s soms verloren gaan in de maalstroom van middelmaat die door ‘the industry of human happiness’ weekin, weekuit over onze hoofden wordt uitgestort. Het zou uitgesproken erg zijn als zo’n lot ‘Tot Morgen’, de nieuwste cd van Raymond van het Groenewoud, beschoren zou zijn.

Want helemaal in de lijn van zijn eerder werk uit dit decennium - de cd’s ‘Sensatie’ en ‘Ik Ben God Niet’, en de ‘Minister’-theaterprogramma’s - toont deze artiest, één van de weinigen overigens uit ons muziekgebeuren die dat epitheton met recht mag dragen, dat hij ook ver van de hitlijsten uitzonderlijk rijp en soms ook rauw werk kan leveren.

‘Tot Morgen’ is op het eerste gehoor een plaat waarin het weerzien een sleutelrol speelt. Het weerzien van Raymond met Jean Blaute, zijn roadmakker uit de eerste gouden periode, tegen het eind van de jaren ‘70 aan. Het weerzien ook met Jean-Marie Aerts, ooit nog gitarist in Raymonds felle backing groep Bien Servi, daarna via Arno’s TC Matic de wijde wereld in gekatapulteerd, en nu dus weer rustig op een kruk in een Lakense studio met een akoestische gitaar in de pollen.

Het weerzien ook met Roland Van Campenhout, met Rik Aerts, en met het wonderlijke strijkkwartet (Mark Karel Steylaerts, Gunther Van Rompaey, Erwin Foubert) dat hem op tijd en stond begeleidt. Het weerzien met zichzelf ook, en met die stem die woont in dat tengere lijf waarin ooit, per ongeluk, ook wat neuronen van Randy Newman, Otis Redding, Bob Dylan, Lou Reed, Nico Gomez en Winnie The Pooh terechtgekomen zijn.

Gesteund door dit kleine leger talentrijke vrienden en omringd door krachtige saxstoten van Bertus Borgers, inventieve baslijnen van Vincent Pierins en steeds subtieler worend drum- en percussiewerk van Cesar Janssens, worden ons hier niet minder dan vijftien nieuwe songs en een schitterende cover aangeboden, waarbij anderhalf handvol zeker tot de beste behoren die RvhG ooit schreef, zong of speelde.

Vooreerst is er die tenminste-radiohit ‘Een Beetje Tederheid’, waarin Raymond gelukkig niet probeert het Otis Redding-origineel (‘Try a little tenderness’) te imiteren maar zijn hele innerlijke hebben en houden investeert om de gevoelens die de dode neger al in die song legde in elke betekenis van het woord te vertalen naar een luisteraar van hier en nu.

Zeker evenveel klasse blinkt in de ballad ‘Bij Jou Te Zijn’ (denk aan The Beatles, strekking ‘Norwegian Wood’ of zelfs ‘Blue Jay Way’, en daarna aan iemand die u graag ziet), in stukjes ontplugde blues als ‘Geen Ontkomen Aan’ of ‘Boom’ (waar één van Raymonds zoontjes, Leander, zijn platendebuut maakt op tweede stem, en heel geloofwaardig meedeelt dat gelukkig zijn neerkomt op ‘Een rustig huis, een stille stoep/ Vanbinnen, vanbuiten, een loom gevoel/ en verder niets, geen onderzoek/ Geen af-spraken, geen moeilijk boek/ Los van de schedel tot de onderbroek), en in onze persoonlijke favoriet ‘In Mijn Hoofd’, introspectie op noten gezet.

Maar ook de haatsongs die Raymonds brein al wel eens op de wereld wil loslaten ontbreken niet: ‘Ik Geloof U Niet’ is een strijdlied tegen de hypocrieten, bij ‘Harde Porno’ (dat wonderwel blijkt te rijmen op Adorno en zinsneden telt als ‘Hier zit ik met m’n fluit in mijn vuist voor de TV’ krijgen de intello’s er van langs, op ‘Help De Rijken’ wordt in koor gelachen om de meest bedeelden en bij ‘Foei, Foei, Foei’ wordt een vervolg verschaft op ‘Nooit Meer Drinken’, want hoe vreselijk zijn toch die katers die een liederlijk mens zijn ‘s anderendaagsen zo vaak verknallen.

Als u al het voorgaande bijeentelt, zou u van gelijk wie al een aardige cd in handen hebben. Zeker als u ook nog de slotzinionetta ‘Tot Morgen’ tot u genomen hebt. Zes minuten en 22 seconden pure schoonheid, die onder geen andere noemer te brengen zijn dan grandeur. Maar Raymond mag dan in Brugge wonen, hij leeft ook in deze tijd en in dezelfde wereld als u en ik en zijn kinderen. Daarom verdient zijn iele, door techno beïnvloede filosofische outburst ‘Alles Vergeten’ ook uw welwillende aandacht. En daarom is ‘Formulieren’ wèl een bloedstollende les Kafka voor beginners en bijvoorbeeld gelukkig geen kleinkunst. Vanaf eind deze week ligt deze voortreffelijke ‘Tot Morgen’ in de kleinhandel. Bevrijd hem uit die enge rekken!

Lees hier ons verjaardagsinterview met Raymond van het Groenewoud.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234