The Cure (Robert Smith) Beeld DOCUMENTATION
The Cure (Robert Smith)Beeld DOCUMENTATION

luistertipRadio Willy

Humo-journalist Jeroen Maris over zijn liefde voor The Cure: ‘We zijn collega’s in de melancholie’

Vanavond, tussen zes en middernacht, draait Stijn Meuris bij radiostation Willy zes uur lang alleen maar muziek van The Cure - gewoon, omdat het mag, omdat het nodig is. Hij ontvangt ook drie gasten die al jaren een kerkstoel in de dom van Robert Smith bezetten. Daarbij ook Humo-journalist Jeroen Maris, al weken druk experimenterend met lipstick, eyeliner en haarlak. Maar eerst legt hij uit hoe hij in 2000 viel voor de roerige romantiek van The Cure.

Op 2 juli 2000 was er nog maar weinig dat ik wist over The Cure, zoals er over de meeste dingen nog maar weinig was dat ik wist. Ik was 15, en erg groen, maar toch vooral zwart. In Humo had ik een interview van Robert Smith met Serge Simonart gelezen, en met mijn zakgeld had ik ‘Bloodflowers’ gekocht, de plaat die The Cure dat jaar had uitgebracht. Er lag verdriet in te schimmelen, een doordringende vermoeidheid die in mijn pezen en spieren was gekropen, en me helemaal opvulde.

Ik was nieuwsgierig naar hoe The Cure zou klinken op een zondagavond, op een podium in Werchter. Want dáár was ik dat weekend voor het eerst - Rock Werchter 2000, mijn allereerste festival. Het werd het weekend waarin opwinding me beet.

Ik was een teruggetrokken scholier met mal de vivre verbijten als vrolijkste hobby, en ik vond alles zo ontgoochelend klein - mijn kamer, mijn dorp, mijn dagen. Maar daar in Werchter werd iets groots en veelbelovends uit het cadeaupapier geritseld. Over die dagen op kortgemaaid gras lag een onthutsende schittering, alles hintte naar vrijheid, er werd me een belofte gedaan.

Er was ook een schaduw. Op vrijdag had The Cure op het Roskilde Festival in Denemarken moeten spelen, maar daar was het noodlot spilziek geweest. Tijdens het concert van Pearl Jam stierven negen festivalgangers, verpletterd door een buikige massa die zich voor het podium verdrong. Het concert van Pearl Jam op Rock Werchter, twee dagen later, werd vanzelfsprekend geannuleerd. Ook over The Cure rolden het hele weekend geruchten over de weide van Werchter: de band was te aangeslagen, en zou niet komen.

The Cure kwam wél, maar in cerebraal zwart. Het verdriet van Roskilde had zich in de liedjes vanop ‘Bloodflowers’ gelegd, en Robert Smith dirigeerde een donkere, massieve, van alles wat mals en rond is ontdane set - licht noch lucht, alleen rouw. Het was simpelweg niet de dag voor meezingers, voor tipsy vrolijkheid, voor ‘The Lovecats’. ‘Nothing left to say,’ zong Smith in ‘The Loudest Sound’ - het gevoel uitgepraat te zijn, klaar, geen vet meer aan het boutje, is een terugkerend thema in zijn teksten. En ik knikte, want een 15-jarige denkt dat te begrijpen, een 15-jarige lok je makkelijk naar de gedachte dat alles voorbij is zonder dat het ooit echt begonnen is. Ik kreeg een klap voor m’n kop.

Levensveranderende concerten worden vaak als een blikseminslag beschreven, een gloedvol ingrijpen van God. Maar ik verijsde, stond aan de grond genageld, voelde alle melancholie samenklonteren, en besefte dat dat ene concert iets in me wakker kuste dat een leven lang bij me zou blijven.

Het persoonlijke verhaal is per definitie koppig en nukkig, en volgt vaak de grote geschiedenis niet. Hier zegt die grote geschiedenis: Rock Werchter 2000 was geen memorabele editie, het concert van The Cure was niet hun beste, en ‘Bloodflowers’ is slechts een bijzettafeltje in het oeuvre. Maar in mijn eigen kleine leven zijn het lieve monsters gebleven. Die twee dagen in Werchter hadden het membraan dat tussen mij en de wereld zat stukgeprikt. En dat concert van The Cure leerde dat ik collega’s in de melancholie had, dat elke kleine somberte in een groter verdriet past.

Het werd uiteindelijk een zonbespatte zomer, maar in mijn wintermantel van weemoed merkte ik daar nauwelijks wat van. Ik keek naar de Tour de France maar zag alleen schimmen op een fiets, ik probeerde te lezen maar kende het alfabet niet meer. Op mijn netvlies stond het rouwgebed van Robert Smith geëtst. Ik kon er niet vanaf komen, maar dat verlangde ik ook niet: ik heb nooit willen weten hoe je wat groots en overweldigend was kunt klasseren.

Die zomer dacht ik voortdurend terug aan de lange wandeling van de festivalweide naar het Pater Damiaanmuseum, waar mijn moeder me zou ophalen, om me vervolgens weer naar het kleine leven te brengen. Omdat tijdschema’s van moeders gerespecteerd dienen, was ik nog voor het einde van het concert moeten vertrekken. Een dichte, oude mist had zich met veel zelfvertrouwen aan de velden vastgeplakt, de lucht was stil en kil, en de hele tocht bleef de bisronde van The Cure, steeds verder achter me, helder hoorbaar. Zoals ik daar over het asfalt tussen Werchter en Tremelo liep, in een duffelcoat van nevel, verwarring en beduusd sentiment, zo heb ik later nooit meer ergens gelopen - het was één van die weinige dingen die je maar één keer in een leven kunt doen. Het is toen en daar dat ik mezelf beloofde: voortaan zou ik bij elk Belgisch concert van The Cure zijn.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234