Neil YoungBeeld Corbis via Getty Images

Tjingeltjangel (14)

‘Neil Young was een voorbeeldige interviewee. Hij had meer antwoorden klaar dan ik vragen’

Marc Didden gaat wandelen in zijn geheugen en serveert: een persoonlijke geschiedenis van zo goed als een eeuw rock-’n-roll. Vandaag deel 14: Cowboys zonder paarden!

Luister onderaan dit artikel naar onze handige Tjingeltjangel-playlist!

Voor de benaming van alle soorten muziekjes die zich op deze wereld aandienen, lag het bij het begin van de jaren 50 iets simpeler dan vandaag: muziek was toen ofwel ‘klassiek’, ofwel ‘licht’. Om het moeilijk te maken, spraken sommigen ook weleens over ‘licht klassiek’. Maar in het dagelijkse leven was de classificatie nog eenvoudiger: je had de muziek van je ouders of die van jezelf. Sommige ouders zweerden alleen maar bij Bach, maar in andere huishoudens waren Perry Como, Caterina Valente, Doris Day of Frank Sinatra welkome gasten. Warme stemmen vaak, met op de achtergrond ook weleens een roffel op de drums of een elektrische jazzgitaar die heel even ging janken. Wij, snotapen, hielden meer van de hardere stuff: ‘Tutti Frutti’, ‘Jailhouse Rock’, ‘Great Balls of Fire’, u kent ze ondertussen. Amerikaanse jongelui waren tijdens de hoog dagen van de rock maar mondjesmaat vertrouwd met hun bijna onmetelijke muzi kale erfgoed. Blues werd lang weggezet als iets voor folkloristen. Zwarte mensen als Lead Belly werden pas ontdekt nadat witte zangers door hem ontdekte folksongs als ‘C.C.Rider’ of ‘Goodnight, Irene’ gingen populariseren. Het songschrijverstalent van Woody Guthrie werd pas echt erkend toen de jonge Bob Dylan overal ging verkondigen dat hij alles wat hij kon, had geleerd van Guthrie. Tegen het midden van de jaren 60 waren alle pistes gebrouilleerd en ging iedere jonge Amerikaanse artiest inzien dat hij eigenlijk door alles en iedereen beïnvloed was. 

Vanwege de British Invasion (voor het eerst in de muziekgeschiedenis hadden Britse zangers, zangeressen en groepen massaal succes in de States) gingen zich rare dingen voordoen: groepjes uit Liverpool, Manchester of Newcastle, die fel onder de indruk waren van Amerikaanse r&b of vergeten blueslui, gingen plotseling de passie preken op de plekken waar die muziek vandaan kwam, en wat meer is: er werd ook intensief naar hen geluisterd. Yankee-knullen die eruitzagen als schooljongens, en dat vaak ook nog waren, lieten hun haar groeien à volonté, en vervingen hun strakke sport-T-shirts door slobbertruien. Ze speelden en zongen de Engelsen na die de Amerikanen nadeden. Onder namen als The Outsiders, The Shadows of Knight, We Five, The Chocolate Watchband, The 13th Floor Elevators, Count Five en The Beau Brummels ontstond er, vooral in Californië, een soort van beatscene die nu, vele jaren na de sixties, vooral vergeten is, maar toch wel genoeg goudklompjes opleverde om een verzamelplaat als ‘Nuggets: Original Artyfacts From the First Pschydelic Era 1965 - 1968’ nog steeds genietbaar te maken. Het gaat hier om Anglo-Amerikaanse pretmuziek van de hoogste horde.

COUNTRYROCK 

Ik denk dat ik de Amerikaanse hit ‘Laugh, Laugh’ (1965) van The Beau Brummels leerde kennen op een grauwe woensdagmiddag, toen dj Anthony (The Prince of Darkness!) de song via Omroep Oost-Vlaanderen mijn jongenskamer instuurde. Ik was er meteen voor gewonnen. Er zat wat San Francisco in en wat Londen. Wat rock, wat folk, wat country zelfs.

En een mondharmonica. ‘Aanstekelijk’ is het juiste woord voor wat ik toen dacht. Merci, Prince of Darkness aka Paul Verbrugghe. Aanstekelijk, dat was zeker ook de twaalfsnaren gitaarintro die Roger McGuinn bedacht als opening van de versie die hij met zijn groep The Byrds van Bob Dylans ‘Mr. Tambourine Man’ bedacht. Dat was een ingreep die vandaag de dag mensen nog altijd blij maakt telkens als die song op de radio passeert. Er wordt gezegd dat Dylan niet uitzonderlijk gek is van de Byrds-versie, maar ze maakte hem wel rijk en beroemd. The Byrds zelf danken er ook hun plaats aan in de Rock-’n-Roll encyclopedie, al hebben ze sindsdien véél en véél beter werk aan de wereld geschonken. ‘Tambourine’ was, behalve een mondiale hit, ook nog een ander ijkpunt: men gaat er algemeen van uit dat het subgenre genaamd ‘countryrock’ uit die versie van dat nummer ontstaan is. 

Natuurlijk waren er her en der in de canyons al wel hippies die een pedal-steelgitaar inschakelden bij één of ander nummer en brouwde Buck Owens wat verderop in Bakersfield, Californië, al lang een soort muziek die niet helemaal country was maar ook nog geen volkomen rock. Voormalig tieneridool Rick Nelson ging bij zijn latere optredens met The Stone Canyon Band ook weleens helemaal uit de bol, en als je zo’n hit als ‘Garden Party’ hoort, zit daarin zonder twijfel evenveel ‘stad’ als ‘de buiten’. 

Of het oorspronkelijk zo bedoeld was, weet ik niet, maar toen Roger McGuinn de genaamde Gram Parsons van de International Submarine Band bij The Byrds binnenhaalde, veranderde die band eigenlijk meteen in een country groep. Beste bewijs daarvan is de nu legendarisch geworden, maar eertijds onsuccesvolle lp ‘Sweetheart of the Rodeo’. Op die geweldige plaat gooien The Byrds alle folk- en psychedelica- elementen die hun eerdere werk typeerden radicaal overboord en gaan ze voor een soort van conceptalbum voor en over cowboys zonder paarden. Gram Parsons’ komst zorgde voor spanningen tussen de groepsleden: McGuinns status van bandleider werd door de talentvolle jonge blaag openlijk in vraag gesteld. Nog voor ‘Rodeo’ in de platenwinkels lag, was dezelfde Parsons dus alweer solo gaan varen. Hij liet een vertwijfelde band achter die nooit meer echt recht zou kruipen. De opvolger van de cowboyplaat heette ‘Dr. Byrds & Mr. Hyde’ en daar is weinig mis mee. Wat daarna kwam, leidde zachtjes tot de ontbinding van de band, en ook wel van de countryrock.

THE LONER 

Of Neil Young een cowboy is dan wel een indiaan, weet ik niet. Al had ik het wel zelf kunnen vragen toen ik diep in de zomer van 1987 met hem een gesprek voerde op een Romeins terras, bij espresso en taart. Ik was erg zenuwachtig voor dat interview omdat Youngs lp’s ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ (1969), ‘After the Goldrush’ (1970) en ‘Harvest’ (1972) een diepe indruk op mij hadden nagelaten in mijn jonge jaren en me écht gemarkeerd hebben. Er is zelfs een periode geweest dat ik ‘After the Goldrush’ bijna altijd speelde – van het moment dat ik opstond (rond de middag) tot ik weer ging slapen (tegen de ochtend van de dag erna) – en de woorden ‘I was lyin’ in a burned out basement / With the full moon in my eyes / I was ho pin’ for replacement / When the sun burst through the sky / There was a band playin’ in my head / And I felt like getting high / I was thinkin’ about what a friend had said / I was hopin’ it was a lie / Thinkin’ about what a friend had said / I was hopin’ it was a lie voortdurend door mijn hoofd dansten. Het was vooral die ‘band playing in my head’ die ik nog hoorde loeien toen ik aanschoof bij Youngs tafeltje. Ik kon niet geloven dat ik aan het praten was met de man die zoveel betekend had in die jaren toen angst, liefdesverdriet en onzekerheid mijn jonge leven stevig verknalden. Ik vatte maar niet dat het de stem van ‘Down By the River’, van ‘I Believe in You’, van ‘Heart of Gold’ was die mij vroeg of ik liever het beschikbare stukje citroentaart wilde dan wel de chocoladecake. 

Het gesprek ging goed. Neil Young was een voorbeeldige interviewee. Hij had meer antwoorden klaar dan ik vragen. Ik heb nog steeds de grootste bewondering voor hem en zijn werk, al moet ik toegeven dat ik de zondvloed van achterstallig materiaal die hij tegenwoordig in hoog tempo beschikbaar stelt niet meer helemaal kan volgen. Wel ben ik, door me weer eens in zijn werk te dompelen, opnieuw gevallen voor ‘Déjà Vu’, het meesterwerk dat hij samen met David Crosby, Stephen Stills en Graham Nash maakte in 1970. Een plaat die dat hele ‘California Dreamin’’-gevoel netjes samenvat in 35 minuten en 34 seconden.

VOLGENDE WEEK: ‘Clapton is God (en Jimi ook)’!

De playlist:

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234