'Hij plaagde me met fake high fives en deed alsof hij me van het podium zou jagen’

tv-tip'Prince: Let's Go Crazy - A Grammy Salute'

‘Toewijding. Passie. Precisie. Professionalisme. Voor Prince waren het geen holle woorden’

Dearly beloved, we are gathered here to get through this thing called in memoriam. Vorige week liet, dertig jaar te vroeg, Prince Rogers Nelson het leven, beter bekend onder z’n artiestennaam Prince. Geniaal componist, gitarist, danser, zanger en producer. Geen muzikant, maar een orkest.

(Verschenen in Humo op 25 april 2016)

Standing on the shoulders of giants: dat was wat de jonge Prince deed. Cab Calloway, Duke Ellington, James Brown, Jimi Hendrix, Carlos Santana, Sly Stone, Marvin Gaye, Graham Central Station, The Commodores, Ohio Players, Tower Of Power, Parliament, Funkadelic, Earth, Wind & Fire… Hij had het allemaal opgeslorpt, gekopieerd en zich eigen gemaakt. Zodra het talent van al die grote voorgangers tot zijn DNA behoorde, begon Prince erop te bouwen.

Prince was een ouderwetse totaalartiest. Een volbloed artíést ook, niet iemand die door managers of A&R-mensen van een platenfirma werd bedacht en klaargestoomd. ‘Composed, performed, arranged and produced by Prince’ (en varianten als ‘Conceived, bathed and circumcised@Paisley Park’) was geen bluf. Waar Madonna en andere vampiers een team van soms een paar dozijn experts rond zich verzamelden om hun allesbehalve toonvast geneuzel en hun halfbakken ideetjes trendy te doen klinken, klopte Prince lange uren om zijn ideeën te finetunen. Prince was geen muzikant, maar een orkest. Hij kon alles wat Jimi Hendrix kon, en ook nog dansen en producen. Hij kon alles wat Michael Jackson kon, maar ook nog componeren en gitaar spelen. Hij kon alles wat Mick Jagger kan, maar hij was funkier.

Jagger was fan van Prince. Hij was het die Prince in 1980 vroeg om op hun Amerikaanse stadiontournee het voorprogramma van The Rolling Stones te spelen. Maar de Stones-fans bleken rigide en onverdraagzaam: Prince werd uitgejouwd en er vlogen flessen naar z’n hoofd. De Amerikaanse rockers vonden Prince een faggot: te raar, niet rock genoeg, te verwijfd.


Passie. Precisie. Professionalisme

Toen hij jong was, werd Prince door zijn vader geslagen. Vorig jaar zag ik in Paisley Park in de studio een ingelijste foto van pa Nelson (‘The fabulous Prince Rogers!’) naast de mixtafel staan. Toen hij jong was, werd Prince ook uitgelachen, omdat hij klein en schuchter was en, in de ogen en naar de normen van de doorsnee baseball jock, een mietje.

Hij heeft toen een dikke olifantenhuid gekweekt. Waar David Bowie heel open was en vol zelfrelativering zat, bleef bij Prince ondanks zijn humor en jovialiteit toch altijd een deur dicht. Hij had een groot ego, was zich te allen tijde bewust van zijn status en reputatie. Hij zei me ooit dat hij ‘veel parallellen’ zag tussen zijn leven en dat van Mozart. Ik geloof niet dat iemand hem ooit heeft gezien zonder dat elk geföhnd haartje in de plooi lag en elk kreukje uit z’n áltijd op maat gemaakte kleren was gestreken. Prince stond altijd op ‘on’. Bowie kleedde zich op pad in Manhattan opzettelijk als een kleurloze nerd om op te gaan in de massa. Dat deed Prince nooit. Heel af en toe vermomde hij zich, maar dan ook zo totaal, met valse baard, pruik, hoed en bril, zodat hij zeker was dat níémand hem zou herkennen.

Hij was zeker een controlefreak. Hij vond dat geen scheldwoord, maar een compliment. ‘It means you care,’ zei hij me. En: ‘It has to be right or not at all.’ Toewijding. Passie. Precisie. Professionalisme. Voor hem waren dat geen holle woorden. De dingen moesten kloppen in Prince’ universum. Hij was een estheet en een sensualist. In Paisley Park rook het altijd zo lekker. En ook die geurkaarsen in de vorm van een gouden piramide met het Prince-symbool erin gegraveerd (ik heb er, kan ik nu wel bekennen, ooit eentje gejat) waren op maat gemaakt.

In Paisley Park was álles op maat gemaakt, en dus peperduur. Ik weet dat boekhouders hem jarenlang wezen op de gigantische sommen geld die door verscheidene bodemloze vaten wegvloeiden. Geluidstechnici moesten ’s nachts paraat staan en werden doorbetaald, ook al was Prince op dat moment elders. Muziekinstrumenten waren nooit zomaar instrumenten. Een vleugelpiano móést uitgevoerd worden in glimmend gelakt purper en werd dus meteen een uniek én peperduur exemplaar. Versterkers moesten worden bekleed met witte pels. Plectrums waren custom made, net zoals de serviettes met het Prince-symbool in goudopdruk. En het gigantische dat in de marmeren vloer van de hal was verwerkt. Ook zijn zwembad in zijn villa in Spanje móést een vloer hebben ingelegd met een mozaïek in de -vorm. Backstage was het alsof je een harem of een boudoir betrad. Vaak weerklonk in zijn kleedkamer Joni Mitchell. Ook daar geurde het naar lavendel of monoi.

Gsm’s afgeven

Prince was een gentleman. Een perfecte gastheer. Altijd vriendelijk, galant, joviaal. Hij was een goede basketter, ondanks zijn (gebrek aan) lengte. Hij speelde geweldig goed tafeltennis. Hij praatte vaak monkelend, tongue in cheek. Je voelde wel dat er een grens was die je niet mocht overschrijden. Ik bewonderde hem en heb dus nooit de behoefte gevoeld om kritiek te uiten, maar ik ben zeker dat zijn ego dat ook niet getolereerd zou hebben. Al zei hij eens tegen me: ‘Miles used to critique my stuff with humour and love, so yes I can take constructive criticism’ – hij bedoelde: van een gelijke als Miles Davis (die overigens ooit poedelnaakt de deur opende toen Prince aanbelde – dat beeld!).

'Sinds hij het licht zag en getuige van Jehova werd, was Prince veranderd. In 2007 bood hij strippers van een stripclub double money als ze hun kleren zouden áántrekken'

Hij was ook gul tegenover vreemden, heeft miljoenen gegeven aan goede doelen, onder andere via zijn love4oneanother-stichting. Ik herinner me een concert voor tweehonderd mensen in de Roseland Ballroom in New York in 1997, toen hij pas getrouwd was met Mayte. Naast me in de rij stonden Peter Gabriel, Lou Reed, Robert De Niro, Mickey Rourke en Lenny Kravitz letterlijk met open mond toe te kijken. De opbrengst van het concert ging, zoals wel vaker, integraal naar een goed doel.

Sinds hij door toedoen van surrogaatvader Larry Graham het licht zag en getuige van Jehova werd, was Prince veranderd. Hij werd nog liever, guller en opener. Was het niet ongelofelijk dat uitgerekend hij, de man die de hele jaren 80 in de media werd neergezet als een mensenschuwe kluizenaar, geregeld fans op het podium liet dansen?

Getuige van Jehova zijn had natuurlijk ook minder fraaie neveneffecten. Hij stemde niet. ‘I have no dog running in that race,’ zei hij over de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Geen gebruik maken van je stemrecht is dom. En ook de beslissing om al z’n songs waarin ‘swear words’ of ‘profane language’ voorkwamen niet meer te spelen, was op z’n minst contraproductief en een tikje kinderachtig. Hij meende het wel: ‘Darling Nikki’, ‘Sexy MF’, ‘Head’, ‘Pussy Control’ en vele andere songs bleven in de la. In 2007 bood hij strippers van een stripclub double money als ze hun kleren zouden áántrekken.

Hij was ook vaak inconsequent, en gaf nooit commentaar op mislukkingen. En die waren er. Zijn websites met (ook vaak inconsequente) voordelen voor leden en een paar gênante pseudo-interactieve evenementen via satelliet waren geen succes. Hij vocht vaak een op voorhand verloren strijd. Er volgde in 2000 net geen revolutie toen hij eiste dat we op een privéfeest in Londen al onze gsm’s aan de ingang afgaven… waarop ze samen in grote kartonnen dozen werden gedeponeerd (ook die van de talrijk aanwezige sterren – met de paparazzi op de loer!). Aan het eind van de avond zag je sterren in de doos graaien op zoek naar hun telefoon. De absurde eis van een controlefreak.

Het probleem van workaholics die ook controlefreaks zijn, is dat ze verwachten dat de rest van de mensheid zich aan hun hoge normen aanpast. ‘Zijn verwachtingen zijn onredelijk hoog en daarom is het onvermijdelijk dat medewerkers hem vroeg of laat teleurstellen,’ vertelde een technicus me. ‘He uses them up and then replaces them without batting an eyelid.’

Ik herinner me de Prince-winkels in Londen en Minneapolis die met veel bombarie werden geopend en waarbij in de vloer een capsule werd ingemetseld met zogenaamd een vracht songs die pas over honderd jaar geopenbaard mochten worden. Maar na enkele jaren sloten de winkels in alle stilte wegens gebrek aan belangstelling. Wees nooit onder de indruk als iemand je een ‘Access all areas’-pasje van Prince toont, want die werden daar en masse verkocht. Net zoals ‘Head’-lolly’s (grappig, het onderwerp van die song in acht genomen), ‘Insatiable’-shampoo en citroengele symboolgitaren met pick-ups uit massief goud (voor een langere sustain). Ik was bij de opening in Londen, waar Prince urenlang aarzelend backstage bleef en toen toch maar besloot om zich niet te tonen, wat zijn toenmalige pr-man tot wanhoop dreef, want die had tientallen journalisten en duizenden fans opgetrommeld.

Zoals veel zwarte muzikanten had Prince a chip on his shoulder als het op geld aankwam. De voormalige ‘slave’ bleef regelmatig ‘When Will We B Paid?’ zingen, ook al was hij veelvoudig miljonair. In Vorst verbasterde hij de tekst van ‘Proud Mary’ ooit tot: ‘I left a good job in the city / working for a creep of a record company / earning a living on a nigga’s black back…’ Veelzeggend was ook deze, zoals steeds achteloos maar messcherp geformuleerde uitspraak: ‘There was a time when a record company could buy Little Richard for a shiny car and a bucket of chicken wings. But we don’t roll like that anymore.’

Prince was dan weer gul tegenover zijn muzikanten, op voorwaarde dat ze hem trouw bleven en met geen woord repten over zijn privéleven. Trouw waren ze zeker niet allemaal. Minstens twee geluidstechnici verkochten stiekem soundboard tapes aan bootleggers. Enkele voormalige medewerkers en ex-lieven bitchten over hem en elkaar op obscure websites en forums. Het maakte Prince niet minder paranoïde.

De opbrengst van zijn aftershows verdeelde hij vaak cash onder zijn muzikanten, zelf hield hij niets. Hij was heel competitief maar ook vaak genereus tegenover collega’s, op voorwaarde dat het échte artiesten waren. ‘Know your instrument!’ zuchtte hij met rollende ogen, als weer eens een ster die met hem wilde jammen eigenlijk maar een middelmatige muzikant bleek. Maar op andere momenten was hij merkwaardig terughoudend, zoals toen Michael Jackson stierf en hij enkel zei: ‘We are always sad when we lose someone we love.’ Hij weigerde mee te spelen in Jacksons ‘Bad’. Reden: ‘Die song begint met de zin ‘Your butt is mine’…’ – waarop hij knikte van uh-huh – geen denken aan.

Prince kon ook, terecht, z’n geduld verliezen met aanstellers, op het botte af, zoals de keer toen hij Kim Kardashian van het podium liet verwijderen omdat ze volgens hem niet genoeg bijdroeg. Ik herinner me de aftershow in Bagley’s Warehouse in Londen, waar een vracht sterren in een piepkleine backstage, ingericht als Egyptische faraokamer, onwennig wachtte op de purperen legende. Ik had zelf m’n stoel afgestaan aan George Michael, maar die werd even later op zijn beurt verwijderd, ‘want Prince wil daar zitten’.

Wat is een Mayte?

In 1998 interviewde ik hem voor de tweede keer. Ik had ’m al een paar keer kort gesproken, eerst in Paisley Park op het feest van de release van ‘Emancipation’, en later backstage bij aftershows, dankzij de bemiddeling van Alan Edwards en Chris Poole, die ik kende van bij Bowie. Het interview vond plaats in New York, maar kende een valse start omdat hij niet wilde dat ik iets opnam. ‘People have sold my speaking voice.’ Oké, maar hoe kon ik dan bewijzen dat ik met hem had gesproken? Iemand van de entourage had het onzinnige idee het interview te laten optekenen door een stenografe van de rechtbank, die ons gesprek constant onderbrak met ridicule vragen – ‘What the hell’s a Mayte?’ Prince stuurde haar weg en we moesten erom lachen. Hij krabbelde tekeningetjes in mijn notitieboekje. Het was een lang, goed gesprek. Ik was euforisch. En toen volgde de koude douche.

Ik verkocht toen al geregeld interviews aan buitenlandse bladen en kreeg verschillende aanbiedingen, onder andere van Q. Maar ik gaf het interview gratis aan het Britse blad The Big Issue. Ik dacht dat Prince dat zou goedkeuren, want dat tijdschrift werd gemaakt door daklozen, en de winst ging ook naar hen – by the homeless, for the homeless. Bovendien had George Michael net een exclusief interview aan The Big Issue gegeven, en ik dacht: ‘George is een controlefreak, en die twee kennen elkaar, dus Prince zal blij zijn.’ Enkele weken later gingen mijn vriendin en ik in Londen op zoek naar daklozen om enkele exemplaren van het tijdschrift met het interview te kopen. Ik was apetrots. Tot ik het blad opensloeg en moest vaststellen dat de eindredacteur van The Big Issue mijn interview had doorspekt met extra anekdotes die verzonnen waren (‘De hond van Prince moet een symbool dragen’) en die – nog veel erger – verwezen naar de baby van Prince en Mayte, die na één week was overleden aan een zeldzame schedelafwijking. In de originele versie had ik daar met geen woord over gerept. Ik zonk door de grond.

Twee dagen later ging de telefoon. Typerend om vier uur ’s nachts. Het was Prince, die ‘zeer teleurgesteld’ was. Ik probeerde hem van mijn nobele bedoelingen te overtuigen en vertelde hem dat het de hypocriete zeikerds van The Big Issue waren die het interview hadden gekaapt en verkracht. Na een pleidooi van een kwartier zei hij: ‘For what it’s worth, I believe you.’ Eén week later kreeg ik een laffe, schijnheilige fax van de hoofdredacteur van The Big Issue, die zijn spijt uitdrukte over wat er ‘tijdens zijn afwezigheid’ met mijn stuk was gebeurd. Niettemin dacht ik toen: dit is een nachtmerrie, en Prince wil me vast nooit meer zien.

Maar een paar jaar later werd ik ontboden, alweer via Alan Edwards, na een aftershow. En nog een paar jaar later zag ik ’m in de O2, na één van z’n aftershows. En nóg een paar jaar later mocht ik mee dansen en zingen in Viage en in het Sportpaleis, waar hij me plaagde met fake high fives en deed alsof hij me van het podium zou jagen omdat ik een plectrum opraapte en het naar een fan op de eerste rij wierp. Mocht u weer denken dat ik het verzin, er bestaat een filmpje van.

'In Paisley Park was álles op maat gemaakt, en dus peperduur' Serge Simonart op audiëntie bij zijn held, zoals getweet door Paisley Park

Zijn dode zoon bleef overigens een blok aan zijn been. Ik vond Prince een heel aimabele, gulle man, maar hij zag zich wel als een soort superman. En supermannen verwekken geen kinderen met een afwijking. Het onderwerp was taboe. En Mayte werd zonder veel omhaal ingeruild voor een jonger exemplaar, dat hem niet aan die zwarte periode deed denken. En hij wist dat hij, want zo vergaat het supersterren, met die dode baby wereldwijd gezichtsverlies had geleden. Terwijl hij iemand was die zich geen zwakheden wilde veroorloven.

Ik schrijf dit op donderdagnacht en gok dat zijn plotse dood aan een hartstilstand te wijten is, mede veroorzaakt door dertig jaar geaccumuleerd slaaptekort. Hij vertelde me ooit: ‘Inspiratie is een zegen én een vloek. Dat raast maar door, ik kan het niet uitzetten. Mayte has me in studio rehab, om af te kicken.’ Het was ook dagelijks kiezen tussen rust en geld. Hij zei me ooit, hálf lachend: ‘Let’s see, what will I do tonight? Sleep? Or earn half a million dollars?’ Maar hij was ook het type dat nooit wilde toegeven dat hij ziek was, en bijgelovig dacht dat doktoren je konden besmetten. Die reflex – zorg vragen is toegeven dat je faalt – werd nog versterkt toen hij toetrad tot de getuigen van Jehova, die in sommige gevallen zorg weigeren.

Er was nog een reden waarom ik niet blij was toen Prince zich tot Jehova bekeerde. Het gevolg was namelijk dat wie in zijn buurt wilde komen, ging slijmen bij Larry Graham, die een tijdlang de sleutel leek te beheren die toegang bood tot een audiëntie met Prince. En, zoals iedereen die in de showbusiness werkt weet: access is everything.

Vlucht op hoge hakken

Prince was vaak grappig. Lisa (van Wendy & Lisa) vertelde me ooit hoe ze tijdens soundchecks ‘een countryversie van Madonna’s ‘Like a Virgin’ en een polkaversie van Springsteens ‘Born in the USA’’ speelden. Ik zag ’m ooit de slappe lach krijgen toen één van z’n assistenten kwam melden dat iemand de tekst van ‘When Doves Cry’ fout had gehoord als: ‘Dig if you will a picture, of me, Marvin Gaye and the kids.’ Toen Maceo Parker hem publiekelijk ‘een genie’ noemde, repliceerde Prince kurkdroog: ‘The pay’s the same, Maceo.’ Toen ik ’m vroeg of hij écht het personage was dat in ‘Fargo’, dat zich afspeelt in Minnesota, in de rug wordt geschoten (‘Victim in snow: ’, vermeldde de generiek), grinnikte hij: ‘Denk je nu echt dat ik veertig takes in de sneeuw ga vallen?’ Hij kon feilloos stemmen imiteren en citeerde oneliners uit tv-series en films, van ‘Cheers’ tot ‘The Big Lebowski’. In Londen hoorde ik hem in de lobby van het hotel monkelend tegen z’n drummer zeggen: ‘Shall I go out through the front door?’ Die antwoordde grijnzend: ‘Yeah, boss, freak ’m out!’ Een andere keer rende Prince – op hoge hakken – voor z’n leven toen hij halverwege de deur van de backstage en de tourbus werd klemgelopen door drie prachtige meisjes. Alleen Prince gaat op de loop voor prachtige meisjes. Een pyjamaparty voor fans in Paisley Park? Ik zie het Springsteen, Bono of Beyoncé niet doen. Dríé aftershows op één avond zoals in de Botanique? Dat doen die andere sterren evenmin.

Er zijn zoveel herinneringen waarbij we Prince ademden. De nachten in Glam Slam, zijn discotheek in North Fifth Street waar ik met resident psychic Ruth Lordan en Prince de tarot legde. Later, als getuige van Jehova, zou hij dergelijk newagegezwam afwijzen als ‘uitwassen van valse profeten’. Sonny T. zei me: ‘Prince can play a gorgeous French girl’s measurements on the bass and make you see them’. Het hoofdstuk Prince en de vrouwen kunnen we samenvatten met z’n eigen alweer onbescheiden, maar ongetwijfeld ware uitspraak: ‘Brothers call me Prince. Sisters call me Electric Man. Cause when I plug in your socket, baby, I charge you like nobody can.’ In Londen en Monaco zag ik hoe hij vanop het balkon discreet aanwees welke dames zijn assistent uit de dansende meute mocht plukken voor een nadere kennismaking.

Ik heb Prince een keer of acht gesproken – soms heel kort, drie keer lang. Maar zijn meest revelerende uitspraken zijn te horen op bootlegs van repetities of privéconcertjes in Paisley Park. Een bloemlezing: ‘How many of you have kids? Don’t abuse them or they’ll turn out like me!’ ‘I was epileptic until the age of 7.’ ‘Play with yourself. Take off your clothes, get it good and wet, let your fingers do the walking in and out.’ ‘I have a mean side from my father, but I control it.’ ‘I know there is a heaven, I know there is a hell, and I know God is alive.’

Prince werd waardig oud, en was waardig tout court. Geen gelekte sekstapes bij Prince. Geen publieke vetes met andere muzikanten. Geen ridicule misstappen of gênante foto’s. Geen aanvaringen met de politie. Niets van dat alles. Focussen – ‘Keep your eye on the ball’ – was één van z’n grote talenten.

Hij was ook verdraagzaam en had van meet af aan een interraciale groep: ‘All colours, all sexes.’ Al zou hij later – alweer de slechte invloed van de getuigen van Jehova – een misplaatste opmerking maken over de seksuele geaardheid van z’n voormalige rechterhand Wendy Melvoin.

Ja-nee-ja-nee

De échte, beste Prince was de liveperformer. ‘This is real music, by real musicians! No loops on this stage!’ De nóg betere Prince was de funkateer die loosging tijdens aftershows. Ik vergeet nooit de versie van ‘God’ die hij live in Paisley Park zong. De aftershow in de Mirano waar Brusselse cokeheads riepen: ‘We want techno!’ Of de uitvoeringen van ‘Cream’ en ‘Forever in My Life’ met de speciaal ingevlogen orkaanstem Bonnie Boyer (ook al dood) en The Steeles (onder wie Jevetta Steele van ‘Calling You’), in Bagley’s Warehouse. Het supersexy ‘Shhhh’ in Parijs en Montreux. Of de briljante cover van ‘Baby Love’, van de onterecht vergeten, sublieme rockfunkgroep Mother’s Finest, die hij op één van de aftershows in de Londense IndigO2 speelde. Toen zag ik ’m ook de beste gitaarsolo aller tijden spelen, vijf minuten lang, met één hand, vlak voor m’n neus, en met een blik die zei: ‘Dat kun jij niet, hè, sukkel?’

Prince zou in mei en juni op Europese tournee komen, nadat die in november was uitgesteld na de aanslagen in Parijs. Misschien zou hij ook naar België komen, volgens promotor Pascal Vandevelde van Greenhouse Talent was het met Prince ‘al maandenlang ja-nee-ja-nee’. Ik had me door Prince’ rechterhand Trevor al op de guestlist in Londen laten zetten, en heb mijn laatste interview met hem gedaan voor een Belgisch concert dat niet doorgaat. Het voelt onwerkelijk.

‘There’ll never B another like me,’ zong Prince, zonder ironie of zelfrelativering. Niet bescheiden, maar wel waar. Nothing compares to him. Zijn oeuvre zal de komende jaren gerecycleerd worden, en ongetwijfeld zullen honderden briljante songs uit The Vault (de legendarische kluis in Paisley Park) eindelijk officieel worden uitgebracht. Maar hij zal postuum meer controle hebben over zijn oeuvre dan mindere goden. Ik vroeg hem ooit wat hij vond van de virtuele ‘concerten’ waarbij videobeelden van de zingende Elvis Presley werden gemixt met een live spelende groep. ‘Een demonisch idee,’ vond Prince. ‘Dat zal mij nooit gebeuren’. Ook wat ze John Lennon hadden gelapt op ‘Free As a Bird’ vond hij ‘afschuwelijk’.

In Minneapolis was de brug naar St. Paul vannacht purper verlicht als eerbetoon. In Paisley Park verzamelden fans in stilte. This is what it sounds like when doves cry.

Nu ga ik op YouTube die fenomenale clip herbekijken waarop Prince in the Rock and Roll Hall of Fame tijdens ‘While My Guitar Gently Weeps’ alle andere sterren van het podium blaast. En daarna loeihard ‘Another Lonely Christmas’ spelen, en daarna ‘Head’ (de liveversie van 12 minuten) en ‘Something in the Water Does Not Compute’ – da’s wel het minste wat je kan zeggen als God weer ’ns de verkeerde laat sterven.

Serge Simonart

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234