20 jaar na de Bende van Nijvel (2): de Pfaffs van de Belgische onderwereld

Dezer dagen is het op de kop af twintig jaar geleden dat de Bende van Nijvel zestien mensen doodschoot in de Delhaizes van Eigenbrakel, Overijse en Aalst. Anderhalf jaar na de feiten stelde de Dendermondse onderzoeksrechter Freddy Troch één man in staat van beschuldiging: Philippe 'Johnny' de Staerke, een beruchte Brusselse gangster.

'Johnny de Staerke is een wilde kat: wraakzuchtig, onbetrouwbaar en levensgevaarlijk'

Sint-Pieters-Leeuw is een lelijk dorp geworden. De ooit zo adembenemende vergezichten zijn met het bekende Belgische vakmanschap verknoeid. Toen de De Staerkes hier opgroeiden, moet de gemeente tussen Halle en Brussel een ware lusthof geweest zijn. Hier hebben de Daltons geravot in de straten, beemden en moerassen van Zuun en Negenmanneke, waar tuinders of berkuzen nog altijd prei, selder en sla telen voor de hoofdstad.

In de jaren ’70 en ’80 was Sint-Pieters-Leeuw erg in trek als pied-à-terre voor Belgische topgangsters. De blonde reus Patrick Haemers woonde er met Denise Tyack in een afgelegen villaatje. Even verderop verbleef ‘Dikke’ Marcel Castris, tot hij gearresteerd werd na een inbraak bij de politie van Dilbeek (hij was er aan de haal gegaan met de inhoud van de wapenkast). En de Brusselse afdeling van de bende van AlbertBruno’ Farcy - volgens rijkswachtrapporten uit die tijd de koning van de Belgisch-Franse onderwereld - werd ingerekend bij een prostituee die in de straat van vader Henri de Staerke woonde.

EEN POLITIEMAN «Begin jaren ‘80 was het hier de zoete inval. Henk Rommy (die momenteel voor een Amerikaanse juryrechtbank terechtstaat wegens drugssmokkel, red.) huurde hier een boerderij waar ooit 1,1 ton hasj in beslag genomen is. Die zaak heeft de Brusselse substituut Claude Leroy de kop gekost, want die had Rommy gerechtelijke informatie verkocht.

»Ik heb hier drugsdealer Vicky van Obbergh nog achternagezeten. Toen ik bij hem aanbelde, schoot zijn maltezertje tussen zijn benen door de straat op. Hij erachteraan, in een ultrakorte kamerjas, en ik op mijn beurt achter hém aan. Tja, de mensen hadden hier de televisie niet nodig voor hun vermaak.

»De meeste van die gangsters bleven maar tot ze werden ingerekend. Zeer kort dus. Alleen de De Staerkes waren vast meubilair. Tot Johnny verdacht werd van de Bendeaanslag in Aalst: toen zijn ze stilletjes weggetrokken. Maar de mensen zijn ze nog niet vergeten. Loop maar eens door het dorp.»

En dus trekken twee nabestaanden van Bendeslachtoffers en ik - drie dames op leeftijd - naar Sint-Pieters-Leeuw. In de kraaknette caravans van een paar zigeunerfamilies worden we ontvangen met een vriendelijkheid waar postmoderne cafés iets van kunnen leren. Op alle andere plaatsen worden we afgescheept met stoepgesprekken. We voelen ons haarlakverkopers als we langs de Bergense Steenweg lopen, waar stamvader Henri de Staerke een inmiddels afgebroken huurwoning betrok. Het huis lag achter de Ferme Bretonne, een bekende afspanning nabij de vroegere terminus van de tram. Nu is de Ferme verbouwd tot een goed draaiende trattoria waar families uit de buurt op zaterdagavond pizza en pasta komen eten.

Een tuinder uit de buurt herinnert zich vader De Staerke als een vriendelijk man.

TUINDER> «Hij leende me zijn gereedschap, en ik gaf hem selder of ajuinen voor in zijn soep.

»Zijn zonen, dat was andere koek, maar die woonden niet bij hem. Ze waren vriendelijk hoor, zolang je ze niet tegensprak. Op een keer waren ze in het veld koper aan het verbranden. Toen ik daar een opmerking over maakte, stonden ze meteen met een ijzeren staaf voor mijn neus. Toen heb ik de politie moeten inschakelen.»

Ook een buurvrouw herinnert zich de oude Henri met sympathie. En ook zij is heel wat minder te spreken over zijn zonen.

BUURVROUW «Rieke was de vriendelijkheid zelve. Hij had handen als kolenschoppen, met eelt zo dik als een dubbele boterham erop - hij kon met de blote vuist een gloeiende pook uit het vuur halen. Hij was een schroothandelaar, op zijn erf stonden zijn zonen auto’s te versnijden. Hij liep altijd met zijn kop in de grond: vond hij een spijker, dan stak hij 'm op zak. Sparen en werken, dat was zijn leven.

»Maar zijn jongens! Philippe was gedienstig zoals zijn vader, maar verder leek hij meer op zijn moeder, denk ik. Die was op een dag naar Parijs vertrokken: het geld pakte ze mee, de kinderen liet ze achter. Alleen Philippe, de jongste, nam ze mee (het kind was toen vier jaar oud, red.). Maar die is na een jaar of twee terug naar zijn vader gegaan.»

Was het voor de buren een verrassing toen Philippe verdacht werd van de Bendeoverval in Aalst? De buurvrouw lacht. We stellen de vraag nog eens.

BUURVROUW «Als je niet werkt, moet je het geld toch ergens vandaan halen? Vroeger stond de politie om de haverklap bij de De Staerkes aan de deur. Dan zagen wij die jongens langs achter uit het raam springen en het veld in schieten.»

HUMO Dat ging om diefstallen. Maar Aalst was een slachtpartij.

BUURVROUW «We zijn niet geschrokken toen Philippe daarvan beschuldigd werd. Je moest maar in zijn ogen kijken. Hij heeft geen ogen zoals andere mensen.»


Zigeunerbloed

Philippe had de ogen van zijn moeder, en die had zigeunerbloed - Sinti-bloed, om precies te zijn. De Sinti of Mànoesjen (de fantastische jazzgitarist Django Reinhardt was één van hen) wonen, anders dan de Roma-zigeuners, al eeuwen in België. ‘Je hebt een groep waar de vrouwen lange rokken dragen,' vertelde één van de De Staerkes ooit aan zijn ondervragers, 'en een groep waar de vrouwen kortere rokken hebben. Tot die groep behoort mijn familie.’

De broers De Staerke zijn maar halve Sinti: langs vaderskant is de familie volbloed Vlaams. Hun opa kwam uit Antwerpen, hun oma uit de Vlaanders. Bij Rieke thuis waren ze met zeventien of negentien kinderen, het aantal verschilt in de processen-verbaal. De familie is door huwelijken vertakt over heel Europa.

Kort na de oorlog stonden de De Staerkes met hun woonwagen in Neder-Over-Heembeek, waar ze handel dreven in paarden (en waar jongens en meisjes naar zigeunergebruik niet met elkaar mochten spelen). Na een tussenstop in Lot, waar de kinderen volgens Rieke naar school gingen in het kasteel van de zus van kardinaal Van Roey, verhuisden ze naar Sint-Pieters-Leeuw. Het dorp ligt in het arrondissement Halle, en de vroegere BOB’ers van die stad zouden de nieuwkomers héél goed leren kennen.

BOB’ER «Op een bepaald moment was de hele kanaalzone rond Sint-Pieters-Leeuw ingepalmd door zigeuners. Er stonden een paar honderd woonwagens. Daar woonden de De Staerkes, de Beckers (één van hen, Baloe, werd jarenlang beschuldigd van de Bendeovervallen op de zeilmakerij in Temse en op het juweliersechtpaar Szymusik, red.), de François, de Bogaertsen en nog een paar Hongaarse takken. Al die families waren door huwelijken met elkaar verweven, maar dat hield ze niet tegen om mekaar zo nu en dan naar het leven te staan.

»De Beckers zijn meer landlopers dan de De Staerkes: kleingebouwde, vieze mannekes met lange snorren.»

EEN COLLEGA «Ik herinner me dat ik Marie Becker eens kwam arresteren, voor de zoveelste keer. Ze kwam mij achterna met een slagersmes in de ene hand en een bijl in de andere. Ze had schoon genoeg van de gevangenis, zei ze, ze wilde niet mee. Haar man zei dat ze moest, en toen kwam ze.

»Dat koppel was neef en nicht en ze hadden zes kinderen. Vier zaten in instellingen en de twee andere woonden bij hen in. Eén van die twee, die 'le gros François’ werd genoemd, heeft nog vastgezeten voor de moord op een taxichauffeur.»

HUMO Vielen de De Staerkes op in dat milieu?

BOB’ER «Jazeker: ze waren veel beschaafder. Eigenlijk zijn het de meest beleefde mensen die je je kunt indenken. Je mocht ze de dag voordien in de gevangenis gestopt hebben, ze bleven vriendelijk. Overdreven vriendelijk zelfs.»


Rokkenjagers en snelheidsduivels

Henri de Staerke had zes kinderen, en ze hebben allemaal een bijnaam. Léon ‘Beloet’ is de oudste, hij scheelt twintig jaar met Philippe. Dan heb je achtereenvolgens Bertha ‘BB’, Charlot ‘Sacha’, Mieleke ‘le Poète’ en Julien ‘Garçon’. En Philippe 'Johnny', natuurlijk, de benjamin.

De jongens van De Staerke zijn perfect viertalig opgevoed. Thuis spraken ze Nederlands, Frans, Brussels en Sinti door elkaar. Ook Philippe drukt zich tamelijk goed uit in het Nederlands. 'Bij verhoren probeerde hij soms over te schakelen op het Frans,' aldus een BOB'er.

De broers staan bekend als rokkenjagers, die hun vriendinnetjes aan elkaar doorgeven. Er zijn meisjes die met drie van de broers een verhouding gehad hebben.

Léon, de oudste, had van 1979 tot eind 1984 een relatie met ene Claudine. Die had - handig bekeken van hem - een café, de Watergate, in de straat waar ook de Brusselse BOB gehuisvest was. Je vraagt je af welke rijkswachters hij daar heeft leren kennen.

Een andere vriendin beschrijft haar verhouding met Léon als volgt: ‘Hij kwam zich regelmatig bij mij ‘ledigen’: hij kwam zich wassen, hij nam schone kleren en hij was weer weg.’

Alleen Philippe was een buitenbeentje.

SPEURDER «Hem heb ik nooit met een meisje gezien. Hij liep altijd in z'n eentje door het dorp. Zijn moeder was het huis uit, en zijn vader Henri - wij noemden 'm Pajke - voedde zijn kinderen op onder het motto ‘ze moeten zelf maar uitzoeken hoe het leven in elkaar zit. Er was een nieuwe vrouw bij hem ingetrokken, en die zei alleen het hoogstnodige. En Pajke zelf moest ook een pint op hebben voor zijn tong loskwam.

»Philippe zat meer bij zijn tante, die in tapijten deed. Hij had wel een sterke band met zijn broer Julien, ‘Garçon’. Die kreeg zijn andere broers trouwens maar zelden op bezoek.»

Over de schoolprestaties van de Belgische Daltons is maar één ding bekend: hun school was de straat. Daar leerden ze alles - en ze leerden het goed.

BOB’ER «Philippe is bijvoorbeeld een supersnelle chauffeur. Ik heb hem zien oefenen op de terreinen rond het woonwagenkamp, toeren zien uithalen met wagens... En zo zijn ze allemaal. De De Staerkes kunnen vliegen met auto’s.

»Jaren later kwam ik op een avond met mijn vrouw en kinderen terug van familiebezoek. Op een bepaald ogenblik kwam er een donkere bestelwagen op twee millimeter afstand naast me rijden. Ik draaide mijn raam open en riep: 'Onnozelaar, wat probeer je te doen?' Hij draaide zijn raampje ook open, en toen zag ik dat het Philippe was. ‘Awel,’ riep hij, ‘waar wil je liggen?’ Ik was niet op mijn gemak, omdat mijn vrouw en kinderen in de auto waren, maar ik was een vranke, dus ik riep: ‘Pas maar op, of ik schiet een bal door uw kop.’ Hij gaf gas en reed door.

»Nadien heb ik hem daarover aangepakt, maar hij ontkende alles. ‘Allez,' zei hij, 'wat denkt u wel van mij? Dat ik zoiets zou doen? Met uw vrouw en uw kinderen erbij!’ - ‘Dat is het beste bewijs,’ zei ik, ‘hoe weet je dat mijn vrouw en kinderen erbij waren?’ - ‘Jamaar,’ zei hij, ‘op zondag zie ik u toch altijd rijden met uw vrouw en uw kinderen?’

»Dat is Philippe. Altijd op zijn poten vallen.»


Tussen de topcriminelen

De De Staerkes zijn begonnen als handelaars in vodden en oud ijzer. Rieke, BB en Garçon stonden met hun handel op de vlooienmarkt op het Brusselse Vossenplein - dertig jaar geleden was die markt haast helemaal in handen van de uitgebreide familie De Staerke, aldus een speurder.

EEN SPEURDER «Rieke was een foefelaar. Zijn generatie ging uit stelen, maar maakte zo weinig mogelijk kapot en liet de eigenaars met rust. Hij deed geen vlieg kwaad, maar als hij iets kon bijverdienen, zou hij het niet laten. En maar klagen dat het oud ijzer maar 40 centiem per kilo stond (lacht). Hij was een bedelaar met geld op zak.»

De familie De Staerke was al sinds de jaren ’50 nauw verweven met het Brusselse misdaadmilieu, maar begin jaren ’70 kwamen ze in contact met de zwaarste criminelen van België.

»Alles is veranderd met Beloet, de oudste. Ik zie hem geen mensen kapotmaken - dat doen de oudere De Staerkes alleen als ze zelf in gevaar zijn. Maar hij wilde de baas worden in Brussel.»

»Hij werd een echte gangster. Ik heb hem ooit moeten achtervolgen. Toen ik hem te pakken kreeg, zei hij: ‘Had ik een revolver, ik schoot u af.'»

»Beloet heeft zich ingewerkt in de hofhouding van de toenmalige peetvader van de Belgische onderwereld,Michel Dewit. Een specialleke, die man. In de jaren ‘70 is hij veroordeeld voor vervalsing en afpersing. Toen hij vrijkwam, is hij aan de Jacqmainlaan een taverne annex bordeel begonnen, de Fouquet’s. Ik weet niet of Beloet daar ook met z'n centen in zat, maar hij was er in ieder geval bij betrokken.

»Beloet heeft zijn broer Garçon bij de zaakjes van Dewit gehaald. Na Dewits dood is Garçon gaan samenwerken met diens weduwe Simone Menin - bijgenaamd de 'peetmoeder van Brussel'. Samen specialiseerden ze zich in het helen van gestolen cheques.

»De dochter van Menin was eerst de vriendin van Patrick Haemers, en is nadien getrouwd met één van de leden van diens bende, Axel Zeyen. Met andere woorden: de De Staerkes zaten tussen de zwaarste criminelen die er op dat moment in België rondliepen.»

Johnny de Staerke zou later tegenover de speurders van Dendermonde bevestigen dat er een bevoorrechte relatie bestond tussen Simone Menin en 'bepaalde leden van mijn familie'. Die band bestaat overigens nu nog. Marc, de zoon van Menin, rekent Beloet de Staerke nog altijd tot zijn beste vrienden. Humo wilde daar met hem over praten; hij hield ons eerst enkele maanden aan het lijntje, waarna hij ‘op aanraden van zijn advocaat’ besliste toch maar te zwijgen.


Portret van een familie

De Pfaffs van de Belgische onderwereld hadden elk hun eigen specialisatie. De enige zus, de naar verluidt beeldschone Bertha ‘BB’, doorkruiste met haar man Istvan 'Pinta' Farkas het hele land op zoek naar snuisterijen (zo staat in een opsporingsbericht uit oktober '89), die ze dan verkochten op de Brusselse vlooienmarkt. Tijdens hun ritjes keken ze uit naar verlaten woningen en huizen waarin oude mensen wonen: daar konden ze later komen inbreken.

Pinta werd in 1989 gearresteerd voor de moord op Fernand Ruelle in Chaumont-Gistoux. Het slachtoffer is 94, zijn ook al bejaarde zoon woont bij hem in. Vader en zoon leven zoals in de oude tijd: hun deur gaat nooit op slot. De daders zijn de woning binnengedrongen, hebben de telefoondraad doorgeknipt en de hoogbejaarde man in zijn slaapkamer verrast. De zoon had gekerm gehoord; hij was op het geluid afgegaan en had zijn vader stervend in bed gevonden, bont en blauw geslagen en aan handen en voeten gebonden. De daders hadden een envelop meegenomen waar zes- tot zevenduizend frank in zat, te verdelen onder hun vieren. In 1990 zou het Hof van Assisen Pinta voor die roofmoord veroordelen tot twintig jaar dwangarbeid.

Alle De Staerkes zijn leep, maar Charles ‘Sacha’ - na Beloet en BB nummer drie in de rij - is allicht de meest uitgekookte. Op 3 oktober 1989 diende zijn eigen broer Garçon een klacht tegen hem in. Sacha had een aantal caféklanten en criminelen, onder wie Garçon, zo ver gekregen samen te leggen en op de lotto te spelen. De pot bevatte in totaal twintigduizend euro. Toen bleek dat ze zes nummertjes juist hadden, nam Sacha mét het geld de wijk naar Frankrijk.

De vierde De Staerke, Mieleke ‘le chanteur’, is de braafste van de zes. Zijn strafblad is blanco. Hij is nog ooit charmezanger geweest, in Nederland zijn plaatjes van hem opgenomen.

Nummer vijf, Garçon, staat bekend als de bankier en de intellectueel van de familie, de man met de relaties ook. Zijn naam duikt op in een aantal gerechtelijke onderzoeken naar wapenhandel, onderzoeken die in Brussel in de doofpot beland zijn. Zijn interessantste contact hebben de speurders nooit hard kunnen maken: volgens tipgevers trok Garçon geregeld op met de voor corruptie veroordeelde Brusselse substituut Claude Leroy. Zelf sprak hij dat tegen, maar zeker is dat de magistraat herhaaldelijk vergaderd heeft in het kantoor van een intieme zakenpartner van Garçon, een wapenhandelaar.

Garçon is de slimste van de zes. Een vriend van Johnny vertelde de speurders hoe hij Garçon ooit een telefoonnummer bezorgde waarop Johnny hem kon bellen. Garçon codeerde het nummer onmiddellijk met zijn telmachientje.

«Garçon is slim, zeer slim. Hij heeft relaties in de zwaarste misdaadmilieus van Europa. De bende helers waarvan hij samen met Simone Menin de spil was, was tot in Zwitserland actief. De gestolen cheques liet hij verzilveren door hoertjes. Eén voorbeeld: twee prostituees uit de Noordwijk hebben onder hun tweeën een duizendtal chequeboekjes voor hem kunnen innen.»»Toen wij die bende oprolden, werden we bedreigd. Tijdens het verhoor gaven vrouwen uit dat circuit ons te verstaan dat ze wisten waar we woonden en waar onze kinderen naar school gingen. Gangsters die meewerkten met het onderzoek, werden in elkaar geslagen.»

«Aan de andere kant: Garçon was de buurman die iedereen zich zou wensen. Als hij ’s nachts op stap ging, duwde hij zijn bestelwagen altijd een paar meter vooruit; dan bolde hij rustig de helling af, en pas daarna zette hij de motor aan. Hij had er wat voor over om de mensen niet wakker te maken.»

Tijdens verhoren speelt Garçon de vermoorde onschuld. Hij houdt naar eigen zeggen niet van wapens en bezit alleen een speelgoedrevolver. Hij verdient eerlijk z'n brood door oude wagens op te kopen en naar de sloop te brengen. Een bankrekening heeft hij niet: in de brocante gebeurt alles cash. Hij verdient goed zijn brood - en nee, met zijn jongste broer heeft hij geen contact.


Don Juan

Die jongste broer, Philippe de Staerke dus, was pas dertien toen hij voor het eerst in aanraking kwam met het gerecht. In november 1970 plaatste de jeugdrechter hem in een instelling in Overijse vanwege een diefstal met geweld. Later zou hij opduiken in verschillende gerechtelijke dossiers, onder vele namen: ‘Le Manouche’, 'David', ‘Le gitan’, ‘Daniel Notarrigo’... In maart 1979 werd hij weggestuurd uit het leger.

Inmiddels was hij een bekend gezicht in het Brusselse uitgaansleven. Met zijn jeugdvrienden, onder wie de Griekse reus en bodybuilder Apostolos 'Stereo' Papodopoulos en de Siciliaan Rosario Pulci, de vriend van zijn nichtje Marisjka, zette hij de bloemetjes buiten. Ze gingen op jacht in de dancings van de benedenstad, in het travestiepaleis Marcelline Monsieur (waar ook Paul Latinus rondhing, de later 'gezelfmoorde' leider van het extreem-rechtse groepje Westland New Post), en in de goktenten rond de Beurs, zoals casino Las Vegas in de Van Praetstraat.

«Philippe was de schoonste jongen van de wereld, een echte Don Juan. Hij wond de vrouwen rond zijn vingers, vrank en knap als hij was.»

De BOB van Halle hield Philippe en zijn broers in de gaten, maar kreeg geen vat op ze. Dat verandert omstreeks 1980.

«Rond die tijd is er ruzie ontstaan in de uitgebreide familie De Staerke. Pajke had een neef, geloof ik, die een jaar of tien jonger was en die ook Henri de Staerke heette. Die twee hebben elkaar aangegeven bij het gerecht, en dat heeft geleid tot een vendetta die nog altijd voortduurt.»

«De twee Henri's dreigden ermee elkaar dood te schieten. Eén van hen is toen gevlucht en met zijn caravan helemaal alleen in het open veld gaan staan. Zo kon hij zien of er niemand aankwam. Hij nam ook twee hazewinden in huis, om zich te beschermen.

»De afstammelingen hebben de vete geërfd. Dat hebben wij kunnen uitspelen om bij de ene tak inlichtingen los te krijgen over de andere tak. Op een bepaald ogenblik - in 1979, denk ik - zijn we op basis van een tip bij Rieke binnengevallen. Het ging ons niet om hem, maar om de criminele activiteiten van zijn zoons, Beloet, Garçon en Philippe. We hebben daar een mooie vondst gedaan: een stempelmachine om identiteitskaarten en rijbewijzen af te stempelen, blanco identiteitskaarten en cheques... Dat ze zò link waren, dat verraste me toch.

»We verhoren Philippe. Vraag: 'Hoe kom je aan die stempelmachine?' Antwoord: 'Ha, dat zat tussen het oud ijzer, zeker?' Vraag: 'En die rijbewijzen en identiteitskaarten? En die cheques?' Antwoord: 'Die staken tussen de vodden. Wij kopen oud ijzer op, maar wij kunnen toch niet weten wat daar allemaal tussen zit?' Ik zeg: 'Manneke, die identiteitskaarten en die stempelmachine komen uit een gemeentehuis waar een inbraak is gepleegd.' Hij: 'Wat kunnen wij daaraan doen? Ga maar op zoek naar de dieven, in plaats van ons lastig te vallen.'

»Waar je ze ook van verdacht, ze hadden steevast een uitleg. Als je ze verhoorde over een diefstal van een paar jaar geleden, zeiden ze: ‘Die avond heb ik thuis tv zitten kijken.’ Trek het maar na, hè. Of anders was er wel een verre neef die hun een alibi kon geven. Zelfs als ze met de rug tegen de muur stonden, kreeg je er niks uit. We hebben ze ooit vierentwintig uur aan een stuk verhoord: ze lieten niks los.

»Voor die diefstallen in gemeentehuizen zijn ze wel veroordeeld tot twee jaar cel. Philippe en Garçon zijn toen een maand of acht uit de circulatie geweest.»


De inval in het kamp

Rond 1981 kregen we via via te horen dat de De Staerkes goud versjacherden - kilo's goud. We vinden een zak vol juwelen: armbanden, kettingen, ringen, noem maar op. Hun uitleg: ‘Gevonden in een zwarte kous.’ Met dat excuus kwamen ze altijd aanzetten. ‘Je weet toch dat oude mensen vaak geld en juwelen in een zwarte kous verstoppen. Dan gaan ze dood, hun familie weet niks van die kous en verkoopt de inboedel, wij kopen dat op en dan vinden we die spullen.'

»De De Staerkes hadden ons wél gezegd dat mensen uit het zigeunerkamp nabij het kanaal oud ijzer en vodden voor hen opkochten. De hint was: die juwelen zouden weleens via die opkopers bij hen beland kunnen zijn.

»Op een ochtend kort na zessen zijn we met een paar BOB’ers en rijkswachters naar dat kamp getrokken. De woonwagens stonden in een kring. Er was één opening in die kring, en daardoor reden we naar binnen. Nog voor we uit onze auto’s waren, was de kring dicht. We zaten opgesloten.

»Ik dacht: net doen alsof we niet bang zijn, dat is het beste. Twee man blijft bij de auto’s, zodat niemand die in brand kan steken, en de anderen controleren caravan na caravan.»

«We hebben daar ogen opengetrokken! De nacht voordien was er kennelijk een afrekening gebeurd, en heel wat woonwagens waren doorzeefd.»

«De bewoners leken alle talen te spreken, behalve Nederlands. Terwijl we de woonwagens doorzochten, liep iedereen in en uit, mannen in slip, zogende moeders, oude mensen, kinderen. Je wist niet meer wie je al gecontroleerd had, en intussen moesten wij processen-verbaal opstellen.

»De vreemdelingenpolitie is de hele dag in touw geweest. Niemand had een identiteitskaart, hun geboortedatum ‘wisten ze niet’, hun geboortedorp was 'Hongarije'. Meer dan duizend mensen hebben we moeten natrekken. De ambtenaar van de vreemdelingenpolitie zei na afloop: ‘Meneer, doe me dat nooit meer aan.'

»Op een bepaald moment trek ik een matras omhoog. Er ligt iemand onder. ‘Malade! Malade!’ - 'Wat scheelt eraan? Dokter geweest?' - 'Ah nee, geen dokter. Geen dokter!’

»Net op dat moment pakt een vrouw een peutermeisje op en duwt het kind ‘per ongeluk’ met haar been tegen een gloeiende kachel. Het kind was verschrikkelijk verbrand. Wij hebben met onze radioverbinding - zaktelefoons bestonden nog niet - de dokter opgeroepen. In de commotie heeft die 'zieke' man de benen genomen.»»Even later trek ik onder een woonwagen een plank weg. Zaten daar allemaal cheques op vastgeprikt, met punaises. 'Wat is dat hier?' Grote verbazing. ‘Dat weten we niet, meneer. Kom nu eens kijken wat de politie hier vindt! U hebt die cheques daar toch zelf niet gestoken, hè meneer?’

»We hebben die dag acht of negen mensen opgepakt die opgespoord werden. Maar de link met de De Staerkes is nooit boven water gekomen.»


Bommen en granaten

Begin jaren ’80 hebben de broers De Staerke in de vaderlandse onderwereld een stevige reputatie opgebouwd. Ze staan erom bekend dat je ze kunt inhuren voor allerlei klusjes. De familie heeft uitvalsbasissen in Rijsel, Marseille en Parijs, en ze hebben contacten met Corsicanen en met figuren uit de Siciliaanse maffiaclans Sanfilippo en Pulci. Maar speurders die in het milieu naar meer details hengelen, vissen achter het net. Commentaar over hen is of vrijblijvend, of anoniem.

‘Als je de De Staerkes buiten de gevangenis te spreken wil krijgen, moet je snel zijn, want ze vliegen er meteen weer in.’(Denis Marin, destijds uitbater van de Louis XIV, een beruchte bar aan de Vlaamse Steenweg waarvan de ene na de andere vennoot werd geliquideerd)

‘Na een inbraak of overval begraven ze de buit tot de kust veilig is. Waardeloze spullen gooien ze in het water.’(Anonieme bron)

‘Ik wens dat deze verklaring op geen enkel ogenblik in het dossier terechtkomt. De bende van De Staerke en hun entourage zijn niet de eersten de besten. Ik zou graag nog wat blijven leven.’(Idem)

En de gevaarlijkste van de De Staerkes - daar lijkt iedereen het over eens - is 'Johnny'. In zigeunerkringen wordt hij bestempeld als een ‘nerveuze jongen’, een ‘zot’.

«Hij is zo gevaarlijk als een wilde kat. Hij heeft speciale ogen, gitzwart en een beetje bol. Ik heb de gewoonte mensen recht in hun ogen te kijken, maar bij hem durfde ik dat niet. Ik kreeg koppijn als ik in zijn ogen keek.»

«Hij staat buiten de samenleving. Hij ziet die fles water hier op tafel en pakt ze. Zijn redenering is: ik heb dorst, en waarom zou ik die fles betalen als ik ze gewoon kan pakken?»

«Ik heb nooit met hem gediscussieerd. Tegen Philippe mocht je niet te veel zeggen, hij was onbetrouwbaar wraakzuchtig. En een mensenleven betekent niets voor hem - zéker niet het leven van een politieman. Veel later, toen de Bende van de Lada een agent had doodgeschoten, heeft hij tegen zijn medegevangenen gezegd: ‘Dat is nu eenmaal zijn beroepsrisico.’»

Volgens de politie zijn zelfs zijn eigen broers bang van hem. Het is geen toeval dat hij in gerechtsdocumenten haast altijd door anonieme bronnen getypeerd wordt.

‘Hij ziet overal politie.’

‘Het is iemand die bevelen geeft.’

‘Hij wil altijd gelijk hebben.’

‘Hij kon zo naar je kijken en glimlachen dat je er bang van werd.’

‘Als iemand twee keer kort na mekaar zijn handen ging wassen, zat het ertegen.’ (Een celgenoot)

De speurders vonden maar één getuige die géén hoge pet ophad van de gangsterkwaliteiten van Philippe de Staerke: kapper Constant Hormans, een dief uit de bende van Dikke Marcel. ‘Ik acht hem zeker niet in staat om mensen te doden,' zei Hormans, 'en nog minder om deel uit te maken van de Bende van Nijvel. In mijn ogen is hij een gewone dief, of hooguit een gast die hold-ups pleegt.’

Bij die hold-ups ging hij uitermate driest te werk. Volgens zijn neef en medeplichtige, Beloets zoon Robert de Staerke, bedient hij zijn riotgun met één hand, alsof het een pistool of een revolver is. Nonkel Johnny pocht dat hij twee jaar in het Vreemdelingenlegioen gezeten heeft en daar ontmijner is geweest, maar dat zou bluf zijn. Hij kan naar eigen zeggen makkelijk aan granaten en bazooka’s komen, en maakt bommen met een conservenblik. Robert beschrijft hoe zijn oom tijdens overvallen in Baasrode op 24 juni 1985 en in Rijmenam op 7 augustus 1985 met een zelfgemaakte bom tussen zijn voeten in de wagen zat: ‘Een soort conservenblik waar een lont aan hing.’ Als de politie tussenbeide zou komen, moest één van hen naar de wagen rennen, de lont aansteken en de bom naar de agenten gooien. Robert had het ding in z'n handen genomen, ermee geschud en ijzeren bolletjes horen rammelen: hij weigerde de bom te gebruiken.

.... Met Johnny de Staerke zou de politie nog heel wat te stellen krijgen, zoveel was duidelijk. Maar begin jaren ’80 verschoof alle aandacht naar Beloet, de oudste van de zes. Hij werd opgepakt, samen met zijn boezemvriend Pinta, de man van BB. Ze werden ervan verdacht drie Franse gangsters brutaal te hebben afgemaakt in een park in Sint-Genesius-Rode.

Volgende week: Het mes van de Voorzienigheid

Deze serie kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234