20 jaar na de Bende Van Nijvel (5): op verkenning in Aalst

Was Philippe ‘Johnny’ de Staerke betrokken bij de moordende Bende-overval op de Delhaize van Aalst, waar op 9 november 1985 - zijn woorden - ‘acht dode mussen’ vielen? De Dendermondse onderzoeksrechter Freddy Troch dacht van wel, en stelde de Brusselse gangster in 1987 in staat van beschuldiging. Drie jaar geleden werd De Staerke buiten vervolging gesteld, maar er blijven stevige aanwijzingen dat Troch en zijn Deltaspeurders wel degelijk op het goede spoor zaten.

Dat spoor begint nogal onwezenlijk met de arrestatie van Léopold ‘Popolino’ van Esbroeck en diens maat Dominique Salesse, een handelaar in tweedehandswagens. De twee lopen tegen de lamp nadat ze op 4 december 1985, een maand na de raid in Aalst, sigaretten en wijn hebben geroofd uit een Delhaize in Lokeren. Ze rijden in een gestolen BMW waarin een slordig, min of meer rechthoekig gat uit de achterbank gezaagd is, zodat je op je buik kunt liggen schieten op eventuele achtervolgers. De benedenrand van het gat is opvallend proper afgevijld, en dat doet bij de speurders een lichtje branden: de Golf GTI van de Bende van Nijvel, die twee dagen na de raid in Aalst uitgebrand was teruggevonden in het Bois de la Houssière nabij Ronquières, was op precies dezelfde manier geprepareerd.

Popolino beeft als een espenblad als hij wordt ingerekend. Als de speurders polsen naar zijn alibi voor Aalst - hij beweert dat hij die avond thuis moet hebben gezeten - begint hij spontaan over de BMW. Salesse, zegt hij, had die wagen gestolen in opdracht van een voortvluchtige misdadiger, een zekere Philippe de Staerke. De auto had moeten dienstdoen als wisselvoertuig bij 'een zeer zware hold-up'.

Inmiddels is de politie van Nijvel, die de GTI onderzoekt, erachter gekomen dat de wagen een week vóór de Bendeovervallen in Overijse en Eigenbrakel gestolen was op de parkeerterreinen van Volkswagen langs de spoorlijn in Erps-Kwerps. De omheining was doorgeknipt op de enige plaats waar de draad van de alarminstallatie onder de grond loopt, en daardoor niet functioneert. Zoiets was nog maar één keer eerder gebeurd, eind jaren ’70, en toen waren de daders opgepakt en veroordeeld. Die daders waren Dominique Salesse en één van zijn maten. De speurders van Dendermonde hebben dus wel een paar goeie redenen om Salesse aan de tand te voelen.

Als Salesse wordt geklist, ontkent dat hij de GTI in Erps-Kwerps gestolen heeft, maar ook hij begint spontaan over het gat in de BMW. Er zijn genoeg gangsters die weten hoe ze een gat in een auto moeten zagen, zegt hij: dat is dus geen reden om hém te verdenken van de Bende-overval in Aalst.


De man die niemand kent

Algauw raakt het Deltateam ervan overtuigd dat Salesse en Popolino deel uitmaken van een vrij uitgebreid, los-vast gangsternetwerk, dat ze de clan-De Staerke gaan noemen. De Staerke zelf is dan nog op vrije voeten, hoewel de politie een aantal mogelijke onderduikadressen langdurig in de gaten houdt. Uiteindelijk beslist Delta gelijktijdig binnen te vallen bij de hele clan. Op 18 februari 1986 doen BOB-ploegen uit Aalst, Dendermonde, Brussel en Oudenaarde huiszoekingen bij de uitgebreide familie De Staerke op zestien verschillende adressen in en om de hoofdstad.

De razzia maakt indruk. Johnny’s broer Garçon fingeert een hersenschudding - de wetsdokter stelt vast dat hij niks mankeert. Johnny zelf wordt niet gevonden, wel de BMW die de bende gebruikt heeft bij een overval in Baasrode. In de wagen ligt een filmrolletje. De speurders laten het ontwikkelen. Op één van de foto's slaat een opvallend lange man zijn arm om Johnny's schouder. Het blijkt te gaan om zijn boezemvriend Apostolos ‘Stereo’ Papadopoulos, een plafonneerder met Griekse roots. Toevallig is die een paar dagen vóór de Bende-raid in Aalst opgepakt wegens een overval op een postwagen in Wilsele, waarbij 13 miljoen frank gestolen is. Hij heeft dus een alibi voor Aalst.

De speurders van Dendermonde zoeken de Griekse reus op in de gevangenis. Hij heeft verwondingen aan zijn knie en zijn oog: opgelopen, zegt hij, toen hij bij zijn aanhouding probeerde te ontsnappen.

Onderzoeksrechter Troch toont hem de foto’s die in de BMW gevonden zijn.

(in het proces-verbaal van zijn verhoor) «Op de verschillende kleurenfoto’s die u mij voorlegt herken ik alleen mijn eigen. De andere personen die erop staan ken ik niet. Die staan daar maar op voor de foto. Ik weet niet waar die foto’s getrokken zijn. De foto’s werden genomen door iemand toevallig, die ik niet ken… (...) Niemand heeft mij gezegd dat ik niet mocht spreken. Ik wacht niet op Philippe de Staerke om te spreken. Ik heb van niemand schrik en ik ken in elk geval niemand met die naam. (...) Als u mij zegt dat de man op de foto naast mij Philippe de Staerke is, moet ik zeggen dat ik die man niet ken. Dat mijn arm rond de hals van die man ligt, is gewoon voor de pose op de foto. (...) Ik was in Frankrijk van juli tot half oktober 1985. (...) Salesse ken ik ook niet. (...) Mijn vader en moeder ken ik wel.»

‘Stereo is bikkelhard,’ noteert Willy Acke, de substituut die het onderzoek met hart en ziel leidt, ‘en drijft de spot met zijn ondervragers.’ Maar in vertrouwelijke gesprekken bevestigt Stereo dat hij Johnny de Staerke wel degelijk kent - maar als dat ooit in een proces-verbaal genoteerd wordt, ‘zouden zijn problemen nog maar pas beginnen’.


'Blijven zwijgen'

Op de zolder van de oude BOB-kazerne in Dendermonde worden de bij de razzia opgepakte kompanen van De Staerke inmiddels aan de lopende band verhoord. Dominique Salesse is de eerste die doorslaat. Hij bekent en bekent: autodiefstallen, inbraken, hij kan niet stoppen.

Ook Johnny’s neef Robert biecht op dat hij aan hold-ups heeft meegedaan: 'omdat ik zo gemakkelijk ja zeg'.

(ex-Deltaspeurder) « Robert wist dat hij zijn bek beter niet opendeed: in die kringen is dat niet goed voor de gezondheid. Maar hij is dom.»

(gepensioneerd Deltaspeurder) « Toen Robert jarig was, kocht ik een taart voor hem. Hij begreep er niks van. Een taart? Omdat je jarig bent? Doen mensen dat?

»Robert heeft me veel verteld. Op de muren van de gevangenis krasten clanleden met hun nagels in het Mànoesj, de zigeneurtaal: ‘Blijven zwijgen.’ Hij zei ook dat ze zich in zijn familie in de polsen snijden en hun bloed vermengen: wie de eed aflegt, moet eeuwig zwijgen.»

Af en toe heeft Robert het over ‘de onbekende en gevaarlijke persoon’ - een naam noemt hij niet.

‘Blijkbaar bestaat binnen de clan een absolute zwijgplicht over Johnny,’ stelt substituut Acke vast.


Inval in Laken

Delta was een uniek samenwerkingsverband tussen de gerechtelijke politie (GP) en de Bijzondere Opsporingsbrigades (BOB) van de rijkswacht, die elkaar anders voortdurend in de haren vlogen.

«Substituut Willy Acke was de ziel van het team. Een gedreven, getormenteerd man, kettingroker ook. Zijn kantoor hing vol posters van gedichten over ‘de onrust in mij’. Hij heeft zich ongelooflijk vastgebeten in het onderzoek.»

«Freddy Troch vulde hem perfect aan. Die kon verdachten uitknijpen als citroenen.»

«Naast hen stond rijkswachtkapitein Eric Sack, die tegen heel veel karren moest rijden om in Brussel iets gedaan te krijgen. Hij werkte bijzonder goed samen met de chef van de gerechtelijke politie, Fons van Rie, een man met een groot inlevingsvermogen.

»Elke dag hadden we twee briefings: ’s ochtends om de opdrachten te verdelen, ’s avonds om verslag uit te brengen. En als het weekend begon, werden er altijd een paar pinten gepakt in de kantine. Stoom aflaten - goed voor de teambuilding.»

«Dan was iedereen erbij. Acke, Troch, maar ook Arseen Pint, gebiedscommandant van de rijkswacht, 'de cowboy' zoals wij hem noemden. Hij peperde ons elke keer in dat we moesten doorgaan, 'want er waren kinderen afgeschoten'.

»We reden in overdrive, we werkten dag en nacht. De sfeer was: alles kan, zolang het ons dichter bij de oplossing brengt. En als het koninklijk huis ermee te maken heeft, dan vallen we binnen in Laken.»

«In die tijd deden er een hoop wilde verhalen over de Bende van Nijvel de ronde: zelfs Frank Swaelen en Wilfried Martens zouden er lid van zijn. Het verwonderde me hoe gretig die indianenverhalen geloofd werden.»

«Sommige speurders begonnen wel te flippen. Nadat een zieneres in een visioen een 'gebouw met gouden letters' ontwaard had, zijn we het zwembad van het Brusselse Sheratonhotel binnengestormd. We hebben ook ooit twee bejaarde mensen van hun bed gelicht en in hun blootje op de grond gegooid - en die man had het aan zijn hart. Die mensen hebben achteraf naar de hele regering een protestbrief gestuurd.»


Met de dood bedreigd

In die oververhitte sfeer weet het Deltateam eindelijk de hoofdverdachte te klissen. Na weken van observaties wordt Johnny de Staerke op 5 maart 1986 met zijn vriendin Yvette klemgereden in een parkeergarage. Voor hij uit de wagen gesleurd wordt en een jutezak over zijn kop krijgt, zegt hij tegen Yvette dat ze 'nooit mag spreken over Aalst' en dat ze moet volhouden dat hij op de avond van de raid bij haar is geweest. Hij is ongewapend en in het bezit van een valse identiteitskaart, en laat zich gewillig meevoeren.

Daags voordien had Yvette tegen de Deltaspeurders opgebiecht wat Johnny haar ooit verteld had: dat hij betrokken was geweest bij 'soortgelijke overvallen' als in Aalst.

«In Dendermonde kreeg ik hem als ‘klant’. We hebben hem non-stop ondervraagd, van negen tot vijf, met de boterhammen voor ’s middags naast me op tafel. Aanvankelijk zweeg hij. Misschien een geluk: het gaf me de tijd om een beeld van hem te krijgen én mijn zenuwen de baas te worden. Ik was bijzonder nerveus bij de gedachte dat hij zou ontsnappen.»

Johnny de Staerke verbaast de speurders met zijn onberekenbaarheid, die hij 'één van mijn ideologische principes' noemt. Zo legt hij aan Luc Boeve uit dat hij laarzen met hoge hakken draagt om zijn lengte te laten kloppen met wat er op zijn identiteitskaart staat - niet oninteressant in het licht van de getuigenissen over de 'reus' van de Bende. Hij pocht dat hij vooraf gewaarschuwd werd over de grootscheepse huiszoekingen van 18 februari, en neemt niet de moeite om alibi's op te dissen: dat zal hij wel doen voor de rechtbank.

Roger Romelart loste Luc Boeve al eens af.

«We hadden natuurlijk geen computer, dus tikten we onze verhoren in tweevoud uit op de schrijfmachine, met een blad carbonpapier ertussen. De Staerke vroeg eens of hij die doorslag mocht zien: hij pakte het blad en hield het tegen het licht om het te bestuderen. Toen dacht ik: ‘Hola jongens. We zijn hier niet op een simpele duif gevallen.’»

Tegenover zijn ondervragers stelt Johnny zich dreigend op.

«Tegen Luc heeft hij gezegd: ‘Ik kijk in uw ogen. Ik ben een zigeuner en ik zal u nooit vergeten. Hoe lang ik ook in de gevangenis zit, mijn beurt komt nog.’»

In zijn nooit verschenen 'memoires' schrijft De Staerke dat hij Boeve voor de rechtbank zou slepen en zijn carrière zou breken. En anders, voegde hij eraan toe, 'zal God daar wel voor zorgen, want ik geloof in God, en ik weet dat ik naar de hemel ga.’ Hij kent ook hogergeplaatste mensen, pocht hij. Boeve is niet onder de indruk: 'Dat zeggen zoveel verdachten.'

«Hij was wel de enige die mij ooit met de dood heeft bedreigd. Zo (steekt wijs- en middelvinger in zijn ogen). Onderzoeksrechter Troch heeft-ie trouwens ook bedreigd. Ach: klein grut neemt wraak, gangsters niet. En De Staerke is geen klein grut.

»Hij was niet intelligenter dan de rest van zijn bende, maar wel leper. En hij was er trots op dat hij niet klikte. ‘Maffiosi praten niet,’ zei hij. Op basis daarvan koos hij zijn vrienden. Salesse was zijn vriend niet, Van Esbroeck zeker niet. Dat waren mannen die hold-ups pleegden om te leven. Johnny deed het voor de kick.

»Het zit me dwars dat ik hem niet aan de praat gekregen heb. Als je iemand wil laten praten, moet je zijn gevoelige plek vinden. Iedereen heeft die: zijn ouders, zijn kinderen, zijn liefdes... Maar Philippe de Staerke heeft er géén. Ik heb nooit zo iemand voor mij zien zitten. Al mijn cursussen en beroepservaring schoten tekort.»

Wel vreemd dat zo'n man overal vriendinnetjes had. Ene Rosa kende hem amper twee maanden toen hij werd opgepakt, maar ze reed meer dan tachtig keer naar de gevangenis van Gent om hem te bezoeken.

«Dat hij zoveel vrouwen om zich heen had, kwam door zijn ogen. Ik zal zijn blik nooit vergeten: dwingend en indringend. Misschien hebben we ons te weinig toegelegd op die vriendinnen. Aan de andere kant: als we dat wel hadden gedaan, waren die dames nu allicht niet meer in leven.

»Na een poos wist hoe ik hem boos kon maken. Je polste naar een overval waar hij zeker bij was geweest: dan bleef hij kalm ontkennen. Maar als je hem een hold-up aanwreef waaraan hij onmogelijk deelgenomen kon hebben, werd hij woest. Dan timmerde hij kwaad met zijn wijsvinger op de rand van de tafel, ik zie het hem nog doen. ‘Ik speel met u zoals u met mij speelt,’ zei hij altijd. ‘We zullen zien wie de sterkste is.’

»(Zucht) Het was om gek te worden. ’s Avonds op de briefings moest ik vertellen hoe ver ik stond. ‘Nog altijd niks, Luc?’ De druk werd groter en groter.»

In zijn memoires schrijft hij dat u hem bedreigd hebt.

«Ach, hij probeerde me het bloed onder mijn nagels halen door tegen alles en iedereen een klacht in te dienen. Hij was bang dat hij zijn mond voorbij zou praten, en daarom probeerde hij mij op stang te jagen, zodat ìk als eerste in de fout zou gaan.

»En na drieënhalve maand verhoren, weekends incluis, ìs het fout gelopen. Bij een huiszoeking bij zijn vriendin had ik een witte substantie in beslag genomen. Van het lab kreeg ik te horen dat het om drugs ging. Toen Johnny dat vernam, werd hij razend. Onmogelijk! Die drugs hadden wij daar zelf verstopt, beweerde hij.

»Kort nadien liet het lab weten dat er een vergissing was gebeurd: met de witte substantie was niks mis. Het was een ramp. Ik stond voor schut tegenover De Staerke, ik was verbrand als ondervrager. Toen heb ik er een punt achter gezet. Nochtans zat er vooruitgang in de verhoren: na anderhalve maand werd hij af en toe loslippig. Hij gaf me details die goud waard waren - bijvoorbeeld over zijn contacten met Jean Bultot, de adjunct-directeur van de gevangenis van Sint-Gillis - maar ik heb er niks mee kunnen doen. Dat heb ik mezelf nooit vergeven.»


Make-up en pillen

Het is inmiddels april 1986, en de Deltaspeurders krijgen stilaan een beter beeld van De Staerkes handel en wandel. Johnny blijkt actief in vier verschillende bendes, die naast en met elkaar opereren en daarbij een wisselende mate van professionalisme aan de dag leggen. Alleen de ‘echte’ bende-De Staerke - met Popolino, Stereo en Salesse - blijkt professioneel te werk te gaan. Als ze een overval plannen, gaan ze de plek eerst verkennen. Dan stelen ze een snelle vluchtauto, die ze vervolgens ombouwen - ze breken bijvoorbeeld de achterbank uit. Ze zorgen ook voor een wisselvoertuig van een ander merk of type, om achtervolgers te misleiden. Bij de overvallen dragen ze bivakmutsen en 'anonieme' kleren, en schminken ze zich. Sommige clanleden peppen zich op voor ze in actie komen: in een gestolen BMW hebben de speurders ginsengpillen aangetroffen, en volgens een medeplichtige slikken de bendeleden weleens roze amfetaminepillen.

Diezelfde medeplichtige stuurt Delta naar een woning in Laken die de thuisbasis zou kunnen zijn van één van Johnny’s andere bendes: die met de Brusselse pooier en barman Alain Moussa. In het pand wordt indrukwekkend wapenarsenaal aangetroffen, waaronder een zelfgemaakte bom. De speurders komen ook te weten dat Moussa's vriendin de dag na de aanslag in Aalst geprobeerd heeft zelfmoord te plegen. Als ze de vrouw vragen of Moussa ‘Aalst heeft gedaan’, weet ze alleen uit te brengen dat haar vriend zich door Johnny 'op sleeptouw had laten nemen'.

De speurders vinden in het pand ook een gespikkelde grijze jas zoals één van de overvallers van Aalst er volgens getuigen eentje droeg (en zoals Johnny er volgens één van zijn maten eentje had). En er is nog meer goed nieuws: de gevonden wapens zijn van het type dat ook gebruikt is bij de Bende-raids. De speurders rijden euforisch terug naar het bureau: ze zijn ervan overtuigd dat ze de wapens van de Bende hebben. 'We leggen ze gewoon voor Johnny's neus en dan zien we wel,' denken ze.

Als Johnny de wapens ziet, ontsnapt hem een intrigerende opmerking die niet terug te vinden is in het proces-verbaal van het verhoor, maar die we toch kennen uit het getuigenis van Deltaspeurder Eric Sack, vele jaren later voor de tweede parlementaire Bendecommissie. ‘Het is met mij gedaan,' mompelt De Staerke. 'Ik ben gekozen op basis van mijn dossier.’ Bedoelt hij dat hij op basis van zijn 'profiel' geselecteerd was om mee te doen aan de Bende-overval in Aalst? En zo ja: wie had hem dan geselecteerd? We zullen het nooit weten, want De Staerke klapt meteen weer dicht.


Op verkenning in Aalst

Het spoor-Moussa loopt snel dood: ballistisch onderzoek wijst uit dat de wapens niet die van de Bende zijn. Dus gaan de speurders elders zoeken.

Op 6 en 7, 12 en 13 november 1986 duiken de Genietroepen van Burcht in de zwaaikom van het kanaal van Ronquières wapens, munitie, stukken kogelwerende vesten en andere rekwisieten van de Bende van Nijvel op. De zoektocht is het gevolg van eerdere getuigenissen. De Deltaspeurders hadden gehoopt dat er ook een antracietgrijze GTI boven water zou komen: vele getuigen hebben de gangsters in zo'n wagen uit Aalst zien wegstuiven, en bovendien zou Johnny er één gehad hebben. Helaas: geen Golf in het kanaal.

Na de vondst besluit het Deltateam - inmiddels aangegroeid tot zesentwintig medewerkers - Yvette aan de tand te voelen, De Staerkes ex-vriendin. Al die tijd had zij hem een alibi voor Aalst gegeven: volgens haar had hij die avond thuis zitten kaarten met de zoon van de huisbaas. Die sprak dat echter tegen, en onder druk van de speurders geeft Yvette nu toe dat ze het kaartverhaal heeft opgedist op verzoek van Johnny. Enfin, verzoek: als ze het niet deed, zou hij haar en haar dochter doodschieten.

En Yvette heeft nog meer interessante informatie - informatie die haar vriend op z'n minst in verband brengt met de moordende raid in Aalst. De laatste drie maanden van 1985, zegt ze, heeft ze met Johnny samengewoond nabij het Brusselse Flageyplein. Ze werkte als animeermeisje in bar Marion in Scherpenheuvel. De zaterdag van Aalst, even na de middag, stond ze klaar om naar haar werk te vertrekken toen Johnny zei dat ze hem ergens heen moest rijden. De bestemming vertelde hij niet. Haar dochtertje ging mee.

Die bestemming bleek Aalst te zijn. Meer bepaald: de Delhaize van Aalst. Daar hadden ze boodschappen gedaan - vreemd, want thuis in Brussel was er om de hoek ook een Delhaize. Daarna had Yvette haar dochtertje afgezet bij haar ouders in Lembeek, en toen had ze Johnny naar Robert 'Bob' Eckhart in Halle gereden, een lid van één van zijn minder professionele bendes. Ze moest hem daar om tien uur 's avonds weer komen oppikken, en dat had ze ook gedaan.

De volgende middag was Yvette met Johnny naar de broer van Stereo gereden. Daar had hij een Samsonitekoffer opgehaald, terwijl zij op de uitkijk moest staan. Diezelfde middag was Johnny het valies in een bos in Pepingen gaan begraven - opnieuw was Yvette de chauffeur.


Kleine geheugenstoornissen

Later zal Johnny toegeven dat hij inderdaad een Samsonite bezit. Hij geeft zelfs toe dat hij 'm begraven heeft, maar, zegt hij, dat was een hele poos vòòr Aalst. Hij hangt een warrig verhaal op: hij had de koffer pas eind december 1985 - twee maanden nà Aalst - opgegraven, schoongemaakt en naar zijn zus BB gebracht. Uiteraard kan niemand zijn versie bevestigen, BB nog het minst: die lijdt naar eigen zeggen aan 'kleine geheugenstoornissen'.

Onderzoeksrechter Troch besluit Yvette met Johnny te confronteren. Yvette herhaalt dat ze de middag voor de Delhaize-raid met Johnny naar Aalst is gereden. Niks van, zegt Johnny. Ze herhaalt dat hij de Samsonite de volgende dag is gaan begraven en een paar weken nadien weer is gaan opgraven. Niks van, zegt Johnny.

Yvette verandert haar versie van de feiten geregeld, maar de essentie van haar verhaal - de verkenning op zaterdagmiddag en het begraven van de Samsonite de dag nadien - wordt gestaafd door het gerechtelijk onderzoek. Haar dochter, toen een meisje van twaalf, werd later - apart van haar moeder - door de politie teruggebracht naar de Delhaize van Aalst: ze vertelde spontaan dat de strips op een andere plaats stonden (wat bij navraag bleek te kloppen), terwijl ze sindsdien nooit meer in de winkel geweest kon zijn. En de broer van Stereo vertelde de speurders, eveneens onafhankelijk van Yvette, dat Johnny die zaterdagavond om negen uur, anderhalf uur na het bloedbad in Aalst, bij hem een Samsonite was komen binnenbrengen. Op zondag was de broer naar zijn ouders gegaan; toen hij terugkwam, was de Samsonite weg.

«We weten dat Yvette een labiele vrouw is. Mensen zoals De Staerke omringen zich met allerlei vriendinnen en trawanten, zwakke figuren die bang voor hen zijn maar hopen dat er wat kruimels van tafel zullen vallen. Als ze in het nauw zitten, spuien ze mist. Maar: wat we aan Yvettes verhaal hebben kunnen controleren, is juist gebleken.»

Bob Eckhart is ook zo'n meeloper, zeggen de speurders. Ze hopen stilletjes dat hij zal doorslaan en zal opbiechten wat er bij hem thuis is gebeurd op de avond van Aalst, nadat Yvette Johnny bij hem thuis in Halle was komen afzetten.

«Midden in een verhoor vroeg Bob mij opeens: ‘Kan iedereen even buitengaan? Ik zou u alleen willen spreken.'

»Hij wil iets kwijt, dacht ik. We hebben een poos tegenover elkaar zitten zwijgen, en toen hield ik het niet meer uit. Ik zei: ‘Robert, je kunt het niet zeggen hé?’ ‘Nee Luc,’ zei hij, ‘ik krijg het niet gezegd.’

»Toen ben ik gaan hyperventileren. De dokter is gekomen, ik ben twee maanden thuisgebleven en nadien ben ik uit het onderzoek gestapt. Ik had gespeeld en verloren. Dat was in april 1987. Ik was er kapot van.»


De huilende rechter

Diezelfde maand speelt onderzoeksrechter Freddy Troch zijn laatste troefkaart uit. Op 7 april 1987 verschijnen twintig leden van de bende-De Staerke voor de correctionele rechtbank van Dendermonde. Ze moeten zich verantwoorden voor hun aandeel in 20 hold-ups, 79 diefstallen en 23 andere criminele feiten. Het publiek wordt gefouilleerd, de advocaten moeten langs de metaaldetector.

De jonge rechter, de ondertussen overleden Hugo Quintelier, wilde het dossier eigenlijk helemaal niet, zegt iemand die het proces gevolgd heeft.

«De clan zat hem in zijn gezicht uit te lachen. Hij is in tranen uitgebarsten en heeft de zaak op basis van een procedurekwestie doorgeschoven naar het Hof van Beroep in Gent.»

Daar komen de De Staerkes terecht bij een heel ander figuur: de ervaren rechter Norbert de Maesschalck, voor wie het één van zijn laatste dossiers is.

‘Stop maar met babbelen,’ zegt die als er bij de aanvang tumult uitbreekt: ‘jullie zullen nog jaren krijgen om tegen de muren te praten.’ En zo geschiedt: Philippe de Staerke, Leopold Van Esbroeck, Apostolos Papadopoulos en Dominique Salesse worden allevier veroordeeld tot twintig jaar cel. Het arrest is definitief. Het Hof gelast De Staerkes terbeschikkingstelling van de regering gedurende tien jaar: ook na zijn vrijlating zal hij speciaal gevolgd worden.

Nu wordt er niet meer gelachen. Johnny zit voor zich uit te kijken in een wit hemd met open kraag en een marineblauw vest - half macho, half nette burger.

Na de uitspraak wordt hij meteen naar onderzoeksrechter Troch in Dendermonde gebracht. Die stelt hem in staat van beschuldiging wegens de moordpartij in Aalst. Troch hoopt van De Staerkes verslagenheid te profiteren om iets uit hem los te krijgen, maar de verdachte zwijgt.

Diezelfde dag zouden de nog vrije leden van de clan-De Staerke volgens informanten een crisisvergadering hebben belegd bij Johnny’s zus BB. Vader Rieke is er, schoonbroer Pinta, BB’s dochter Marisjka, Garçon, Sacha, diens zoon Tsjieptsjiep en een paar vertrouwelingen uit de buurt van de Brusselse Vlooienmarkt. Rieke voert het woord: Johnny moet bevrijd worden. Tot in de lente van 1990 zullen soortgelijke geruchten de ronde blijven doen.


De kogel

Het Samsonite-verhaal krijgt nog een merkwaardig staartje. De koffer is kort voor het proces aangetroffen bij Rosa, Johnny’s nieuwe vriendin. Merkwaardig: er zit een kogel in. De koffer wordt voor onderzoek naar een forensisch lab aan de Leuvense universiteit gestuurd, en daarna nog eens naar Scotland Yard. Daar stellen deskundigen vast dat er wapens in de koffer gezeten hebben, en dat er met die wapens gevuurd is kort voor ze in de koffer opgeborgen werden. Ze kunnen niet bepalen wanneer dat precies gebeurd is.

Uiteraard ontkent Johnny alles. ‘Ik zie maar één uitleg: de kogel is er na de huiszoeking in gestopt. U moet maar uitzoeken door wie.’ Er hebben ook nooit wapens in de valies gezeten, zegt hij, alleen 'een halve kilo goud en vier paar valse documenten’. Hij wil ook zijn in beslag genomen achttienkaraats gouden horloge, achttienkaraats Cartier-ketting, achttienkaraats Cartier-armband en ring met briljant terug. Hij krijgt ze terug.

Johnny de Staerke is nooit met een aanvaardbare uitleg gekomen over de twee zeer belastende elementen die hem aan de Bende-aanslag in Aalst koppelen: de verkenning in de Delhaize op zaterdagmiddag, en de begraven koffer waarin volgens de forensische deskundigen pas gebruikte wapens zaten. Dat is des te merkwaardiger omdat hij, precies op basis van die twee elementen, vijftien jaar lang beschuldigd is van de bloedigste misdaad in de Belgische gerechtelijke geschiedenis.

Volgende week: De schaduw van extreem-rechts

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234