200 jaar na de slag: Slachthuis Waterloo

Het is tweehonderd jaar geleden dat Wellington de Slag bij Waterloo won en Napoleon verloor. Hoog tijd voor een rondleiding door Slachthuis Waterloo met als gidsen Bart Van Loo en Johan Op de Beeck.

‘Wat is Waterloo?’ vraagt schrijver en conferencier Bart Van Loo (42) in zijn woonkamer met zicht op de West-Vlaamse vlakte. Goed op tijd voor het herdenkingsjaar verscheen van hem ‘Napoleon. De schaduw van de revolutie’. Hij geeft zelf het antwoord: ‘Op een paar vierkante kilometer meer dan 150.000 soldaten bij elkaar: dát is Waterloo. Nooit eerder was er zo’n klein slagveld in een napoleontische oorlog.’

‘Maarschalk Ney vocht twaalf keer aan de zijde van Napoleon en noemde Waterloo de verschrikkelijkste slag van alle,’ vult Johan Op de Beeck (58) aan in zijn woonkamer met zicht op de Brabantse glooiingen, ‘en dat had alles met die compactheid van het terrein te maken.’ Ex-journalist Op de Beeck schreef het boek ‘Waterloo’ en recent nog een tweedelige Napoleonbiografie.

Johan Op de Beeck «Op 18 juni 1815 liggen bij Mont-Saint-Jean niet alleen twee legers op een kilometer van elkaar, ook talloze burgers troepen er samen, marketentsters, vrouwen en kinderen van soldaten... Het is er één grote modderbrij, want die nacht heeft het abnormaal veel geregend. De meeste soldaten hebben buiten geslapen op de grond, of wat voor grond doorgaat. Vergeet de vijftienduizend paarden niet, die daar allemaal hun gevoeg doen.»

De hertog van Wellington heeft voor dit kleine slagveld gekozen, hij wil Napoleon zo weinig mogelijk manoeuvreerruimte geven. Zijn troepen zullen zich opstellen achter de heuvelkam van Mont-Saint-Jean, grotendeels uit het oog van de vijand. Britse troepen, worden ze vaak genoemd, maar voor driekwart zijn het Duitsers, Belgen en Nederlanders. Napoleon, nog maar een maand of drie teruggekeerd van zijn ballingsoord Elba, voert dit keer een leger van uitsluitend Fransen aan.

Die ochtend bij het ontwaken zijn de troepen in de twee kampen door dezelfde regen doorweekt – ‘Ze zagen er blauw en verkouden uit en hingen onder de modder,’ aldus een ooggetuige. De Fransen zijn bovendien afgepeigerd door de campagne van de afgelopen dagen. Op 16 juni hebben ze in Ligny 16.000 Pruisische soldaten afgeslacht, daarna gingen ze meteen op weg richting Waterloo.

Op de Beeck «Charleroi-Brussel, zelfs vandaag duurt dat even met de auto. Die mannen deden dat te voet in twee dagen tijd, bij zware onweders. Cavalerie en artillerie over de steenweg, de rest liep in de velden. De meesten hadden wel ergens een wonde of een kneuzing. Niet altijd hadden ze schoenen aan: veel soldaten hebben de Slag van Waterloo blootsvoets uitgevochten. Het is me een raadsel hoe ze dat allemaal aankonden, ze hadden een andere constitutie.»

Bart Van Loo «Ze marcheerden 40 kilometer per dag, met een zak van minstens 30 kilo op de rug en een geweer van een kilo of 4: oorlog voeren onder Napoleon is topsport. Vaak zijn het boeren, die heel andere omstandigheden dan die van vandaag gewend zijn: geen elektriciteit, geen verwarming, keihard werken.»

Napoleon neemt het ontbijt met keizerlijk servies in hoeve Le Caillou. Dat is de troepen niet gegund, maar wel iets anders: tonnen brandewijn.

Op de Beeck «In alle legers werd serieus gedronken, wat dacht je? Geen enkel mens zou bij nuchter verstand op een rij schietende kanonnen afstappen, ook tweehonderd jaar geleden niet.»

Van Loo «Sterkedrank werkte als een soort doping, net als de gezangen. En de Fransen hadden nog een ander militair afrodisiacum: de aanwezigheid van Napoleon. Hij werd mateloos bewonderd.»

Op de Beeck «De bevelhebbers moesten op het terrein zijn: dit soort oorlog had niks te maken met een drone op 3000 kilometer afstand met een joystick doen ontploffen. Maar Napoleon had helaas zijn dag niet: hij had last van aambeien en kon nauwelijks op zijn paard zitten. Hij heeft het grootste deel van de slag vanop een stoel gevolgd. Wellington daarentegen is vanaf zes uur ’s morgens niet meer uit het zadel gekomen; hij is álles gaan bekijken, met gevaar voor zijn leven. Ordonnansen naast hem werden neergeschoten. ‘It was a most troublesome business!’ zei hij achteraf.»


Één uur ’s middags: De Grote Batterij

‘Iets voor één uur ’s middags,’ zo vertelt Johan Op de Beeck in ‘Waterloo’, ‘voelden mens en dier in de wijde omgeving de aarde beven.’ Een eerste Franse infanterieaanval op de hoeve van Hougoumont is vastgelopen en nu lossen tachtig zware Franse kanonnen een oorverdovend salvo; zo’n 3.600 kanonskogels zoeven in de richting van Mont-Saint-Jean.

Op de Beeck «Het heeft wel een uur of drie geduurd eer de beruchte Grote Batterij van de Fransen klaarstond, want in die modderpap daar was dat een geweldige logistieke operatie. Voor elk kanon zijn gemiddeld 26 manschappen nodig en minstens acht paarden.»

'In alle legers werd serieus gedronken. Geen enkel mens zou bij nuchter verstand op een rij schietende kanonnen afstappen, ook tweehonderd jaar geleden niet' Johan Op de Beeck

Te weinig zicht, te veel lawaai: daar komen de omstandigheden op het slagveld op neer, eens het vechten begonnen is.

Van Loo «In het panorama dat vandaag in Waterloo te zien is, lijkt de slag een glashelder gebeuren, met slechts hier en daar een rookpluimpje. In werkelijkheid kunnen de soldaten maar een paar meter ver zien van zodra de kanonnen bulderen en er met musketten geschoten wordt. Elke veldslag is een sóép. Stel je er rook bij voor, modder, en vooral: een enorm kabaal.»

Op de Beeck «Het lawaai is dominant. Aan de geur van kruitdamp geraak je nog gewend, maar niet aan het geschreeuw van de gewonden, het gehinnik van de paarden, het gesis van de kanonskogels en het gekletter van wapens, het gebrul bij de charges, en – wat in de memoires ook altijd weer vermeld wordt – het breken van botten.

»Geen re-enactment kan dat allemaal evoceren. Daarom ga ik er ook niet naartoe dit weekend. Het heeft toch iets van 6-jarige jongetjes die met tinnen soldaatjes spelen en aan die soldaatjes zit geen bloed. Het echte doodsgereutel hoor je daar niet, scènes die je doen kokhalzen van afschuw maak je niet mee – mensen die een minuut eerder nog naast je stonden en door een kanonskogel compleet weggeblazen werden.»

Op het slagveld ten tijde van Napoleon maken de kanonnen gewoonlijk het meeste slachtoffers.

Van Loo «De kanonskogels wegen 9 tot 12 pond. Ziet een soldaat een kogel aankomen, dan is het te laat. Hij kan onthoofd worden, zijn makkers zien dan een stroom bloed uit zijn nek opwellen op het ritme van het nog kloppende hart. Raakt de kogel zijn romp, dan worden zijn ribben verbrijzeld, zijn ingewanden losgerukt. Het fortuinlijkst is hij nog als hem een ledemaat wordt afgeschoten: je kan overleven zonder ledematen, maar niet zonder kop of romp. Er is een geval bekend van een soldaat die twee benen en een arm verloor, en het toch haalde.

»Het stalen borstharnas van de ruiters bood geen bescherming tegen kanonskogels, dat zie je duidelijk aan het bewaarde harnas van de Franse ruiter Antoine Fauveau. Een Britse kanonskogel heeft er een groot gat in geslagen: een beeld dat meer zegt dan honderd woorden.»

Op de Beeck «De Grote Batterij staat erom bekend dat ze veel slachtoffers maakt en gelijk ook het moreel van de tegenstander vermorzelt: de kogels stuiteren door de rangen van de tegenstander en vellen hele rijen mensen. Maar in Waterloo waren er minder doden dan verwacht, omdat de kogels meteen in de modder bleven steken. Poef! Gedaan.»

Om halftwee stuurt generaal Drouet d’Erlon zo’n 16.000 infanteristen van het Tweede Franse Corps het manshoge koren in. Bedoeling is dat ze op de heuveltop door het centrum van de geallieerde linies breken.

Op de Beeck «Vier voetbalvelden die de heuvel optrekken, daar lijkt het op. De Fransen denken dat de kanonnade gelukt is, weten niet dat achter de heuvelrug duizenden geallieerden in dekking liggen. De infanterieregimenten worden bergop geschreeuwd, terwijl ze door kanonnen aan weerszijden flink beschoten worden.»

Van Loo «Het geroffel van de tamboers drijft hen vooruit. Er is het verhaal van een tamboer van wie een arm wordt weggeschoten, maar de man trommelt verder met één hand, tot hij door bloedverlies het bewustzijn verliest.

»De geallieerden zitten perfect achter hun hagen opgesteld om de Franse infanteristen neer te maaien. Aan Franse kant is het codewoord: ‘Serrez les rangs!’ Valt er één dood, hop, een ander vult het gat in.»

Op de Beeck «Daar worden ze op getraind. Er is geen alternatief. Een linie die aarzelt of achteruitdeinst, maakt zichzelf tot gefundenes Fressen voor de vijandelijke cavalerie. Er is maar één weg mogelijk: naar boven!»

Wanneer de infanteristen de geallieerde linies bereiken komt het – hoewel deze minder voorkomen dan in de andere napoleontische oorlogen – tot lijf-aan-lijfgevechten, bajonet tegen bajonet.

Van Loo «De kunst is om het geweer van de vijand opzij te manoeuvreren met een soort van schermbeweging en vervolgens krachtig de bajonet in de romp van de tegenstander te planten. De ribben begeven het dan met een geweldige krak. Bij het terugtrekken gutst het bloed uit de wond. Wijken de steekwapens af, dan verdwijnen ze in een oogholte, een arm of de hals.»

Wie gewond raakt, blijft in de regel liggen op het veld.

Van Loo «Napoleon heeft vanaf 1805 verboden gewonden tijdens de veldslag te vervoeren. In het beste geval namen collega’s je mee.»

Op de Beeck «Ook voor Wellington zijn de gewonden the least of his concerns: hij heeft zijn officieren het bevel gegeven de gewonden te laten liggen, want de soldaten zouden te lang wegblijven om ze naar het hospitaal te brengen.»

De Franse infanteristen worden sterk uitgedund. Tegen half drie hebben ze geen antwoord meer op een plotse charge van de geallieerde ruiterij.

Van Loo «De cavaleristen van Lord Uxbridge stuiven op hen af, en ze gaan gewoon lopen.»

Op de Beeck «Het gaat er dan aan toe zoals je het in ridderfilms ziet: lansiers vlammen vooruit en spietsen mensen met 3 meter lange lansen die ze in de laatste meters van hun ren laten zakken, zodat de kop een meter voor hun paard uitsteekt. Kurassiers te paard hakken met grote sabels in op de infanteristen.»

Enthousiast trekt de geallieerde ruiterij diep de Franse rangen in – ‘To Paris!’ hoort men iemand roepen.

Op de Beeck «Ze zijn té enthousiast. Veel onervaren Poolse lansiers worden in de pan gehakt.»


Vier uur: De zon over waterloo

Om vier uur zwijgen de Franse kanonnen en in een akelige stilte zien de geallieerden op de tegenoverliggende heuvel plots duizenden ruiters verschijnen, met blinkende helmen, kurassen en wuivende pluimen – 34 eskadrons.

Van Loo «Maarschalk Ney die z’n cavalerie het veld instuurt: een episch-filmisch moment was dat, de militaire stunt van de eeuw! De Britten kijken ernaar met open mond: de zon schijnt inmiddels, ze glinstert op de borstharnassen, waardoor het lijkt of ze ter aarde is neergedaald en over de velden van Waterloo rolt.»

Op de Beeck «Het is het meest besproken, maar niet het belangrijkste moment van de strijd. Het is bewust een heel theatraal moment, want het moet angst inboezemen.»

Van Loo «Die cavaleristen met al hun pluimen en epauletten dragen dat soort opvallende kostuums om de vijand te overdonderen, zoals in de natuur mannetjesdieren daar vaak speciaal voor uitgerust zijn, maar vooral ook om tijdens het gevecht door hun eigen rangen herkend te worden.»

Op de Beeck «Twee uur lang heb je dan ruiters die, golf na golf, hun paard 500 à 600 meter naar boven jagen. Een charge duurt telkens een minuut of 10. Draf, gestrekte draf, galop – althans in theorie, want in Waterloo is er van wervelende charges geen sprake. In de smalle doorgang die Wellington de Franse ruiters gelaten heeft, stapelen zich steeds meer hindernissen op: achtergelaten kanonnen, verpletterd koren, lijken, kadavers van paarden. Men rijdt gewoon over gewonde soldaten, er is geen tijd om ze opzij te leggen. Een mensenleven, een menselijk lichaam, het lijkt hier allemaal van elke waarde ontdaan.»

Van Loo «Met kreten als ‘Kom zien hoe een Franse maarschalk sterft!’ brult, briest en spuugt Ney zijn manschappen vooruit. Maar tegen dat de Franse ruiters boven aankomen, zijn ze bekaf, en dan moeten ze nog voorbij een holle weg sukkelen. Crazy dat ze maar blijven galopperen.»

Op de Beeck «Waarom die charges maar blijven aanhouden is één van de mysteries van Waterloo. Zeker speelt mee dat de Franse ruiters op voorhand niet weten waar ze zullen terechtkomen. Achter de glooiing staan duizenden geallieerde soldaten in carrés opgesteld, eerste rij op de knieën, de tweede en derde rij rechtstaand, geweer in de aanslag. Op de hoeken van een carré staat een kanon – niet anders dan het principe van de Guldensporenslag, toen de Vlaamse stadsmilities streden tegen ridders te paard. Zo’n carré is ondoordringbaar voor een cavalerie, voor de paarden en ruiters wordt dit gegarandeerd een slachthuis.»

Over de paarden is geschreven dat ze oog in oog met de geallieerde carrés onder het schuim zaten en beefden.

Van Loo «Met al dat blinkende staal dat vooruitsteekt, durven de paarden niet dicht bij de carrés komen, ook al zijn ze daarop getraind. Vergeet niet dat ze intussen ook beschoten worden.»

Op de Beeck «Er wordt op de paarden gemikt. Op de paarden en de officieren, en als het even kan op allebei. Die dag worden vijf paarden onder maarschalk Ney uit geschoten. Ik heb wel met die dieren te doen, zij hebben hier niet om gevraagd.»

Over de sfeer in de carrés onder vuur heeft geallieerd grenadier Rees Howell Gronow later verslag uitgebracht: ‘Binnen in de carré werden we haast verstikt door de rook en de stank van de opgebrande cartouches. We konden geen halve meter bewegen zonder op een gewonde kameraad te trappen of op een dood lichaam. De geluiden die de gewonden en de stervenden maakten, waren gruwelijk. Rond vier uur was onze carré binnenin al een perfect hospitaal, zo vol lag het er met doden, stervenden en verminkte soldaten.’

Van Loo «Na de cavaleriecharge is er een stilte. Aan beide kanten zijn er enorm veel doden, iedereen is kapot. Ook Wellington zit op z’n tandvlees. Het kan nog alle kanten uit.»

Door de aankomst van de Pruisische troepen, aangevoerd door Gebhard von Blücher, kantelt het overwicht naar de geallieerde zijde.

Van Loo «De Fransen zien dat er vreemde troepen bijkomen. En dan doet Napoleon wat hij zijn hele leven gedaan heeft: liegen zo hard hij kan, opdat de werkelijkheid zou veranderen. Hij laat rondstrooien dat het de Franse troepen van maarschalk Grouchy zijn die arriveren. En hij gooit de Keizerlijke Garde in de strijd.»


Halfacht: de garde op de vlucht

Dan is het bijna halfacht ’s avonds. Vijf gardebataljons rukken op, met mobiele kanonnen.

Op de Beeck «Reactie van de Britten: ‘Het is gedaan! Daar komen de beste soldaten van de wereld aan!’ Ze zullen het later beschrijven als een grandioos gezicht, die bataljons van Napoleons elitesoldaten, met hun berenmutsen en musketten, begeleid door de fanfare – ‘La victoire est à nous.’

»Een kwartier later is het afgelopen: alles is gebeurd tussen twintig voor acht en vijf voor acht. De Garde trekt de heuvel op. Ze doet dat in carré, begrijpelijk gezien wat er die middag met de infanteristen gebeurd is, maar daardoor beschikken de gardisten wel maar over een kwart van hun vuurkracht: slechts enkele rijen kunnen schieten. En dan gebeurt het onwaarschijnlijke: de carré van de gardisten wordt overhoopgeschoten. La Garde recule! Ze vluchten!»

'De Britten stellen het graag anders voor, maar het waren Belgische en Nederlandse soldaten die deden wat nog nooit in de geschiedenis gebeurd was: de Keizerlijke Garde verslaan' Johan Op de Beeck

Geallieerd soldaat Edward Macready van het 30ste linieregiment bevindt zich op het slagveld vlakbij de plek waar vandaag de Leeuw van Waterloo staat, en drukt later zijn ongeloof als volgt uit: ‘Ik kan met geen pen beschrijven hoe verrast wij waren toen we door de optrekkende kruitdampen heen de ruggen zagen van de vluchtende gardesoldaten. Sommige van onze kanonnen die hogerop stonden, schoten nog wat schroothagel in de vluchtende massa en richtten daar een echte ravage aan. Nooit heb ik zo veel opeengestapelde lijken bij elkaar gezien.’

En hier is grenadier Gronow weer aan het woord: ‘We renden met onze bajonetten voorwaarts met een hartelijk ‘hoera’, wat eigenlijk vreemd was voor Britse soldaten. De onstuimigheid van onze mannen leek de vijand te verlammen; ik zag verscheidene leden van de Keizerlijke Garde doorboord worden, zonder dat zij weerstand boden. Ik zag een grote Welshman van bijna twee meter lang, met zijn bajonet door de gardisten heen rennen en met de kolf van zijn geweer zeker een dozijn van zijn tegenstanders neerslaan.’

Op de Beeck «De Britten stellen het graag anders voor, maar doorslaggevend is het Nederlandse leger, dat Wellington pas in dit late stadium ter hulp laat schieten. Het zijn Belgische en Nederlandse soldaten die doen wat nog nooit in de geschiedenis gebeurd is: de Keizerlijke Garde verslaan.»

Van Loo «Napoleon is nu pas op het slagveld verschenen, hij bevindt zich in het midden van het laatste resterende carré van zijn garde. Het lijkt wel een zelfmoordcommando, even lijkt het erop dat hij wil sterven in Waterloo. Maar dan, midden in een driftbui, springt hij op zijn paard en vlucht.»

De Keizerlijke Garde wordt voor driekwart uitgemoord. Dat heeft alles te maken met de hardnekkigheid van de Pruisen, voor Wellington hoefde het niet.

'Per seconde werd hier anderhalf menselijk leven vernield'

Op de Beeck «De Pruisen achtervolgen de Fransen over de lijken en gewonden heen. Want ze hebben een rekening te vereffenen: sinds 1805 zijn ze keer op keer verslagen, en die middag nog hebben de Fransen in Plancenoit in een halfuur tijd met de bajonet duizenden Pruisen gedood. Het is pure haat aan beide kanten. Tot diep in de nacht slachten zingende Pruisen gewapende en ongewapende Fransen af. Krijgsgevangenen maken ze niet: ‘Afmaken!’ Nabij Genappes wordt het een echt bloedbad, de SS waardig.»

Op de Beeck legt een tabel voor waarin, verdeeld over de twee kampen, ruim 50.000 doden en gewonden figureren.

Op de Beeck «Dat wil zeggen: elke minuut van de slag negentig doden of gewonden. Per seconde werd anderhalf menselijk leven vernield. Wat je ook in perspectief moet plaatsen: de industriële schaal van de slachting tijdens de Eerste Wereldoorlog is daarmee nog niet bereikt. Waterloo is nog een ambachtelijk slachthuis.»


De nacht valt: Beter dood dan gewond

De nacht erna. Artilleriekapitein Cavalié Mercer, officier bij de Royal Horse Artillery, struikelt over de lijken wanneer hij over het slagveld dwaalt. ‘Soms trof ik iemand aan die plots oprees en dan weer neerplofte.’ Hij ontmoet gewonden op zoek naar hulp en water. ‘Mijn blik kwam niet los van die mensen. Ik keek ze na tot ze in het duister verdwenen. Velen zag ik enkele meters verder dan toch neerstorten, om nooit meer op te staan.’ De paarden vallen hem op. ‘Ze vroegen ons medelijden – geduldig, verdragend, mild. Sommige lagen op de grond terwijl hun ingewanden uit hun buik puilden. Toch leefden ze nog. Een bepaald dier trok mijn aandacht op een gruwelijke wijze. Ik denk dat het beide achterbenen verloren had en het zat op zijn staart, alsof het wachtte op iemands hulp terwijl af en toe een pijnlijke kreun ontsnapte uit zijn bek. Ik besefte dat ik het dier meteen moest afmaken, maar ik had er de moed niet meer voor.’

'Slechts 10 procent van de doden viel op het slagveld zelf. Het was gevaarlijker in het hospitaal' Bart Van Loo


Op het slagveld bleven ook veel naakte lichamen achter – het resultaat van plunderingen.

Op de Beeck «De boeren uit de omgeving hebben massaal wandaden begaan. Plunderaars haalden de uniformen en ringen van de lijken. Er zijn ook verhalen dat nog levende soldaten door het hoofd geschoten werden: dan boden ze minder verzet terwijl ze werden bestolen. Er viel veel te roven: soldaten droegen alles wat ze bezaten op zich, soms hadden ze zelf links en rechts geplunderd.»

Copenhagen, het paard van Wellington, zou later met militaire eer begraven worden. Dat was de duizenden dode soldaten niet gegund, die kregen niet eens een eigen graf.

Van Loo «Boeren werden met de bajonet gedwongen putten te graven voor enorme massagraven.»

Op de Beeck «Tien, vijftien jaar later werden die graven geopend, en de beenderen werden vermaald tot beendermeel. Daarom vinden we op het slagveld van Waterloo relatief weinig skeletten.»

En de gewonden? In veel gevallen was je beter dood dan gewond.

Van Loo «Slachtoffers die stierven aan de gevolgen van hun verwondingen: dat was de belangrijkste doodsoorzaak. Het was gevaarlijker in het hospitaal dan op het slagveld: slechts 10 procent van de doden viel op het slagveld zelf. Men besefte toen nauwelijks het belang van hygiëne, het bestaan van bacteriën en microben was nog niet bekend. Verbanden gingen van de ene soldaat over op de andere, operaties werden uitgevoerd met vuile handen.»

Op de Beeck «Er was geen antibiotica, geen penicilline, de kennis van de chirurgie was rudimentair. Wilde men gangreen of infecties vermijden, dan moest men onmiddellijk beslissen: amputeren of niet? De slachtoffers werden op tafels gelegd, tijdens het zagen en snijden vastgehouden door de helpers van de chirurgen. Benen, handen en armen werden op een stapel gegooid, en dan was het aan de volgende.»

Van Loo «Amputatie was de zekerste vorm van ontsmetting... Een minuut zagen voor een arm, twee minuten voor een been. Verdoving bestond nauwelijks: alcohol en een stukje leer tussen de tanden. ‘De armen links op de hoop, de benen rechts,’ riepen de verplegers.»

Op de Beeck «De Belgische legerdokter Kluyskens beweerde in de nacht na de slag persoonlijk driehonderd amputaties te hebben verricht. Voor velen waren de afschuwelijke pijnen vergeefs: één op de drie stierf op de snijtafel. De inquisitie was barmhartiger dan dat.»

Van Loo «Gewonden die nog konden lopen, trokken vaak naar Brussel, waar ze op allerlei plekken werden ondergebracht: het moet een mankende meute geweest zijn die daar aankwam. Intussen was er een enorme caritasbeweging op gang gekomen: allerlei dokters en zusters boden zich daar aan.»

'Napoleon is gestrand als veldheer, maar heeft gewonnen als schrijver. Hij heeft het collectieve geheugen in zijn binnenzak gestoken' Bart Van Loo

Op de Beeck «Franse gewonden waar men in Brussel geen blijf mee wist, werden op platbodems over het kanaal van Willebroek naar Antwerpen gebracht, met hun gebroken botten en schotwonden hadden ze niet eens stro om op te liggen. Duizenden slachtoffers crepeerden op die boten, terwijl niemand naar hem omkeek. Het is een zwarte bladzijde uit de geschiedenis van Antwerpen. Dokter Vrancken, hoofdchirurg van het Sint-Elisabethgasthuis, nam dan zonder medewerking van de autoriteiten het initiatief een noodhospitaal in te richten in een touwslagerij op het Kiel. Die Vrancken is één van de vergeten helden van Waterloo.»


200 jaar later: de schrijver wint

De gevallen held van Waterloo, Napoleon, staat tweehonderd jaar later weer stevig overeind als één van de grootste figuren uit de geschiedenis. Terecht?

Van Loo «Napoleon is gestrand als veldheer, maar heeft gewonnen als schrijver. Als koning van de propaganda heeft hij het collectieve geheugen in zijn binnenzak gestoken. ‘Elke dag verdampt de herinnering aan mijn tirannie een beetje meer,’ liet hij op Sint-Helena optekenen, en zo is het gebeurd. Zijn gedicteerde memoires werden meteen een bestseller en in de jaren daarna hebben de beste Franse pennen het blazoen van Napoleon helpen oppoetsen.

»Waterloo is voor alle schrijvers die Napoleon bewonderen één van die vele mooie verhalen: de regen, de aambeien, de Grote Batterij... Maar waartoe diende het, waarom zijn zo veel mensen gestorven? Zelfs als hij Wellington verslagen had, hadden de Russen of de Oostenrijkers of nog anderen Napoleon toch wel tegengehouden. Voor hem was het al over and out. Waterloo is de meest zinloze slag uit de geschiedenis.

»Valt de naam Robespierre, dan horen we meteen het mes van de guillotine vallen. Zou de naam van Napoleon niet ijselijker moeten klinken? Met de guillotine zijn enkele tienduizenden mensen gedood, Napoleon is indirect verantwoordelijk voor 3.250.000 doden, als je de burgers meetelt.»

Op de Beeck «Men moet er geen zwart-witverhaal van maken. Napoleon is zeker niet als enige verantwoordelijk voor al die oorlogen, vrede is alleen mogelijk als alle partijen dat willen. Men noemt Napoleon al te gemakkelijk een bloeddorstig dictator. Vanaf het begin van de Franse Revolutie is er geprobeerd Frankrijk klein te krijgen. Austerlitz, Jena, Friedland, Wagram... al die veldtochten zijn begonnen door Oostenrijk, Rusland of Pruisen, of alle drie samen, en werden aangewakkerd of gefinancierd door de Engelsen. Pas toen Napoleon zelf het initiatief nam, in Rusland, begon het voor hem paradoxaal fout te lopen.

»Ik heb lang gewerkt aan de epiloog van mijn biografie, waarin ik een genuanceerde balans opmaak. Daar schrijf ik dat Napoleon het slachtoffer geworden is van zijn militaire prestaties. Die overschaduwen de essentie van zijn bewind, dat veel meer op maatschappelijke vernieuwing dan op oorlog gericht was, en de ongelijkheid van het ancien régime uit de wereld hielp.»

Van Loo «Was Napoleon gestorven in 1804, dan had je hem de redder des vaderlands kunnen noemen, maar hij is nadien uitgegroeid tot een imperialistische rover. Hij had als verlicht despoot van Frankrijk een modelland kunnen maken, maar dat interesseerde hem na zijn keizerskroning niet meer, hij wou altijd meer. In zijn leger, en dat vat het allemaal samen, was de Marseillaise vanaf 1804 verboden, want dat lied keerde zich tegen de tirannie – ‘Contre nous de la tyrannie l’étendard sanglant est levé’. Nu Napoleon zelf een tiran geworden was, kon dat echt niet meer.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234