25 jaar internet in België (en hoe Humo 30.000 Belgen online hielp): 'Als we u moeten geloven, gaan de leerlingen hun huiswerk nog opsturen met de computer, zeker? Haha!'

1993 was de prehistorie. Vandaag is het internet overal, als water uit de kraan, toen was het slechts weggelegd voor enkele honderden.

'Zes weken lang worden telkens vijfduizend Humo-lezers op het Internet toegelaten. Die spreiding is nodig om de infrastructuur niet té veel te belasten'


Lees ook het Humo-stuk 'Internet: The Computer Connection' uit 1993 en het stuk 'Met Humo op het internet' over de aankondiging van The Wild Site uit 1996

Het artikel had de titel ‘Internet: The Computer Connection’ en de inleiding was er pal op: ‘Als kind kon je je oor tegen een telefoonpaal leggen en hoorde je de draden zingen van de duizenden die met elkaar praatten. Dit verhaal gaat over de nieuwe wereld die de oude wereld te wachten staat op een ogenblik dat computers de draden in elkaar slaan en een web rond de aardbol weven, een web waarbinnen miljoenen gebruikers met elkaar kunnen communiceren via het scherm van hun pc.’

Profetische woorden, en in die stijl ging het verder: ‘Bedrijven zullen grondig van uitzicht veranderen, scholen zullen hun fabrieksmuren mogen afbreken en relaties tussen individuen zullen nieuwe wendingen nemen. En dat allemaal omdat de computer bij ons bestaan zal gaan horen zoals de zakdoek bij onze broekzak.’ Dat is al niet meer profetisch, maar lichtjes helderziend.

Ik heb m’n knipselmappen van toen erbij genomen. Beduimeld oud papier, maar in die teksten klinkt vooruitgangsoptimisme. Het Internet (toen nog met hoofdletter) werd vaak op hetzelfde revolutionaire niveau geplaatst als de ontdekking van de boekdrukkunst.

Dat Humo die digitale trein van de 20ste eeuw niet heeft gemist, is te danken aan Michel Bauwens, toen ‘cybrarian’ (cyber-librarian) op de studiedienst van BP Nutrition. Ik kende hem al langer als bevlogen bibliothecaris van de American Library in Brussel. De Belg Bauwens is een verlichte geest. In 2012 rekende het Post Growth Institute hem bij de ‘honderd meest inspirerende persoonlijkheden ter wereld’. Bauwens staat in het gezelschap van Gandhi, Thoreau, Martin Luther King en de dalai lama.

In zijn bureau liet hij me zien hoe e-mail werkte én we stapten binnen in een internetforum in Californië. Een ervaring die dicht in de buurt kwam van de maanlanding van 1969, want met een paar klikken van dat toetsenbord arriveerde ik aan de Amerikaanse westkust en zag ik in een ‘venster’ hoe wildvreemden met mekaar ‘praatten’!

Terwijl ik in 1993 aan m’n Humo-stuk werkte, kwam het Amerikaanse Newsweek met een coverstory van acht bladzijden over ‘het Internet’. Volgens Newsweek zouden al twaalf miljoen Amerikanen en acht miljoen niet-Amerikanen ‘online’ zijn, ‘mensen die over de culturen en continenten heen verbonden zijn via hun telefoonlijn en hun computer’. Newsweek noemde het ‘één van de goedkoopste en mogelijk veiligste verslavingen van het eind van de 20ste eeuw’.

In m’n herinnering had Time toen ook een coverstuk, maar dat vind ik niet meer. Dat is nu het internet, dat ik in een oogwenk in die Time-archieven kan, en dat ik de korte inhoud van alle magazines van 1993 en vele andere jaren kan raadplegen. Als dat in 1993 had gekund, had er iets als de teletijdmachine van Professor Barabas op mijn bureau gestaan. Pure toverij.

Time had in 1993 al stukken over de cyberpunks en over de fenomenale groei van sekspagina’s op de information highway, maar een groot internet-coverstuk hebben ze pas in juli 1994 (‘The Strange New World of the Internet’). Wat de journalisten toen fascineerde, was het voorbeeld van Afrikaanse dokters die de laatste researchdata over aids kunnen opvragen bij universiteiten, ‘eerder dan in lokale bibliotheken door achterhaalde lectuur te gaan bladeren’. Ook verbaast Newsweek zich over de ‘honderden online forums waar over álles gediscussieerd kan worden, gaande van bier tot afstompend werk’. The Whole Earth Review, een blad van de counterculture, vond zelfs een forum waar je je ervaringen kon delen over ‘kakken in het bos’.


Presidentiële mail

Internet lijkt dan nog vooral een goedkope manier om te chatten en ervaringen te delen. Zoals ouders die een onlinedagboek bijhielden over de leukemie van hun zoontje ‘en daarbij maandenlang gesteund werden door hun computervrienden’. Die elektronische steun van onbekenden, daar keek men toen geweldig van op. In dat jaar 1993 is zelfs sprake van een ‘eerste Internet-koppel’. Datingsites bestonden nog niet, de twee hadden mekaar online leren kennen ‘al corresponderend binnen hun computer-kennissenkring’. De vrouw werd met enige verbazing beschreven als ‘woonachtig in de maïsvelden van Delaware’, en toch kan ze praten met artiesten, politici ‘en zelfs Parijzenaars’. Het internet heeft mijn wereld geopend, zegt ze.

Newsweek schrijft dat men zich het ‘leven online’ moet voorstellen als ‘het binnengaan van een shoppingcenter’, maar in plaats van pizza en sushi kun je hier ‘alles bestellen, gaande van binnenlandse politiek tot pornoplaatjes’.

Seks was één van de eerste koopwaren online. Zo verspreidt ene Jim Maxey (Oregon) oorspronkelijk foto’s van ruimtevaart en sterrekunde, maar ‘op vraag van zijn abonnees’ begint hij ook bloot te distribueren; Maxey scant die foto’s uit de klassieke pornobladen. Tot Playboy hem voor het gerecht daagt en een enorme schadevergoeding eist. Playboy had geld geroken en ging toen zelf online.

'In 1993 werd al gewaarschuwd: wie de macht heeft om informatie te verspreiden, heeft ook de macht om valse informatie de wereld in te sturen'

Ook de Amerikaanse regering is helemaal mee met de nieuwe evolutie. President Bill Clinton heeft al een e-mailadres (president@whitehouse.gov) waar per dag ‘meer dan vijfhonderd mails’ binnenkomen. Clinton had daarvoor zelfs een topambtenaar met de prestigieuze titel Director of Presidential E-mail (toen ook nog met hoofdletter!). Vijfhonderd e-mails was natuurlijk niets vergeleken met de ‘meer dan tienduizend brieven’ die Clinton per dag kreeg, maar die brievenpost wordt toch al smalend snail mail genoemd, slakkenpost.

Om uit te leggen hoe ‘het Internet’ werkt, heeft Newsweek een hele pagina nodig, met stippellijnen, pijlen en pictogrammen die nu kinderachtig aandoen. Het blad voegt ook ‘nieuwe woordenschat’ toe: ‘BTW’ (in hoofdletters) is ‘by the way’ en ‘FAQ’ zijn ‘frequently asked questions’.

In september 1993 waren wereldwijd twintig miljoen mensen online, maar in België waren het er hoogstens een paar honderd. Enkele grote banken, internationale onderzoeksinstellingen, hoogtechnologische bedrijven als IBM, mondiale ngo’s zoals Greenpeace, enkele tientallen technofreaks en voor de rest uitsluitend academici aan de universiteiten. Dat was de incrowd die wist wat e-mail en internet was, de rest van België was nog volop bezig met brieven schrijven, faxen en telefoneren.

In Humo schreef ik dat ‘Internet geen merk of commerciële naam is, maar een begrip zoals Het Spoorwegennet en het Autowegennet, in dit geval een net van gelinkte computers’. Eenvoudige schrijftaal, maar de werkelijkheid was complex. ‘Op het Internet gaan’ was een wérkwoord, je moest er inspanningen voor doen. Dat netwerk lag niet voor het instappen, het was een dure en technische procedure waar een leek niet aan begon. Zo gaf Michel Bauwens me een beginners guide van een Amerikaanse universiteit (‘Zen and the Art of the Internet’), maar zestig van die zeventig bladzijden waren Chinees voor een niet-computerhobbyist.

Particulieren die toch op de elektronische snelweg wilden, vond je toen op FidoNet. Die voorloper van het internet was ook een communicatienetwerk van gelinkte computers en bestond al sinds 1985. FidoNet werkte via de klassieke telefoonlijn, en via (inter-)nationale knooppunten kon je op prikbordsystemen (bulletin board systems of BBS) raken die allerhande thema’s aanboden. Dat ging van Keukenrecepten tot Apartheid, van Hondenverzorging tot Intifada, en van Bijbelstudie tot Toerisme Thailand. Naar zo’n thema-platform kon je per e-mail vragen sturen en antwoorden krijgen, soms aangevuld met lange teksten samengebald in files. Die bulletin boards waren de websites van later.

Met dat FidoNet kon je wereldwijd gaan, maar inbellen op populaire bulletin boards kon duur uitvallen qua telefoonrekening, omdat sommige alleen maar via een buitenlands nummer te bereiken waren. Met het internet verdwenen die kosten, want zodra je lokaal had ‘ingebeld’, reisde je verder met glasvezel- en satellietverbindingen. Via het internet raakte je ook rechtstreeks binnen in professionele databanken of in academische bibliotheekcatalogi, waarvoor FidoNet geen toegang had. Kortom, FidoNet was de trein en internet het vliegtuig.


Gedumpt

Dat Humo-stuk van september 1993 maakte indruk, getuige de talrijke brieven en faxen die op de redactie arriveerden. Een VUB-assistent zette het stuk zelfs op de literatuurlijst van de ‘ongeveer honderd studenten communicatiewetenschap’. In het studiepakket van het eerste masterjaar was immers in ‘een verplichte kennismaking met het Internet’ voorzien. Die VUB-assistent was Roland Siebelink, toen 23.

Roland Siebelink «Ik herinner me dat Humo-artikel. Ik vond het een prima populair-wetenschappelijke introductie voor mijn studenten. Voordien had de communicatiewetenschap zich vooral beziggehouden met de ‘oude’ massamedia: kranten, radio en televisie. Ik onderzocht de zogenoemde ‘nieuwe media’ en zo vroegen ze mij om assistent te worden voor het vak Online Raadplegen van Digitale Databanken. Daarover had ik een cursus geschreven en gaf ik les. In oktober 1992 stuurde ik mijn allereerste e-mail, en in diezelfde maand leerde ik dat al aan de studenten.»

HUMO Op de VUB kregen alle studenten toegang tot het internet.

Siebelink «Dat kreeg je automatisch, dus achtduizend VUB-studenten hadden toen een e-mailadres, maar het merendeel was zich daar niet van bewust. Ik denk dat hoogstens honderd studenten daarvan gebruikmaakten. Niemand had thuis internet. Je had internettoegang via de computers in de computerzaal van de VUB, die was 24 uur per dag open. Of daar toezicht was, betwijfel ik, over veiligheidsmaatregelen werd toen nog niet zo nagedacht als nu (lacht).»

Ook de studenten van de KU Leuven en de Rijksuniversiteit Gent hadden toegang, maar er was een verschil. VUB-studenten konden automatisch op het wereldwijde internet, de Leuvense en Gentse studenten moesten voor het internet van buiten de universiteit een speciale toelating vragen.

'In 1993 kreeg Jeff Bezos, de latere baas van Amazon, het idee om boeken online te verkopen: 'Ik moest de investeerders eerst uitleggen wat het internet was'

Siebelink «Wat de studenten het meest interesseerde, was de chatfunctie. Ik herinner me een meisje dat zo contact hield met haar lief, een Erasmusstudent die in Duitsland zat. En ineens werd die relatie ook uitgemaakt via het internet. Zij zat daar met huilende ogen in de computerzaal, en daar stond ik dan als expert nieuwe media: hoe moest ik daarmee om?»

Roland Siebelink woont intussen in San Francisco en begeleidt scale-ups. Dat zijn start-ups die een product hebben waarvoor er een markt is en die een plotse snelle groei doormaken. Dat proces van de rollende sneeuwbal begeleidt Siebelink nu in Amerika, Europa, Australië en Latijns-Amerika.


Happy few

Dát is het brede internet anno 2018, maar in 1993 had je nog een internet van de happy few. Dat bleek op 4 november 1993 in een tweede Humo-stuk over het ‘Internet(je)’ in ons land. Daarbij moest ik vaststellen dat hier nauwelijks ‘rechtstreekse Internet-opritten’ waren, tenzij bij de universiteiten, en dus voorbehouden voor studenten en academisch personeel.

Siebelink «De Belgische regering en vele andere regeringen wilden internet aanvankelijk strikt academisch houden omdat zij het gebruik aan de universiteit subsidieerden, en omdat ze geen nut zagen in een bredere verspreiding.»

Die strikt academische beperking had rare gevolgen: ook de Belgische Senaat en het Europees Parlement moesten voor hun e-mailadres en internettoegang een aanvraag indienen bij een universiteit.

Ik heb in 1993 naar internetadepten buiten de universiteit gezocht, maar dat was ongemeen lastig. Bellend met computerfreaks kreeg je antwoorden als: ‘Naar het schijnt is er in het cultureel centrum van Turnhout iemand met internet.’ Zo zeldzaam was het toen. 25 jaar later ontdek ik dat het centrum geen internet had, maar dat één personeelslid een internetcursus had gevolgd.

Kris Derboven (vormingsmedewerker CC Turnhout) «Die cursus werd gegeven bij KnoopPunt (een Gents progressief bulletin board, red.) en daar hoorde ik voor het eerst over het internet. Toen ons cultureel centrum uiteindelijk een e-mailadres had, was dat nog heel experimenteel. Wij gingen om de drie uur ‘nieuws ophalen’ bij een aantal bulletin boards. Dan sloot ik de computer aan op de telefoonlijn, die berichten kwamen binnen en daarna logde ik uit, want telefoneren kostte geld.»

Siebelink «Het woord surfen bestond niet, want je had nog geen websites. Ja, er was een informatiesnelweg met informatiebronnen die je per telefoon of satelliet kon bereiken. Maar de meeste bronnen waren absoluut niet gebruiksvriendelijk, laat staan dat je via links zou kunnen doorklikken van de ene bron naar de andere. Dat bevond zich nog in een beginfase.»

Derboven «Elke dag was een ontdekkingsreis. Soms raakte je via via op een bulletin board in, zeg maar, Arizona. Dat was zowat een mirakel, maar ik hoor mijn bureauchef nog schamperen: ‘Hebt ge weer in Amerika gezeten, jong?’»

Voor de gewone Belgische consument was het internet zo goed als ontoegankelijk in 1993. Er was slechts één provider (EUnet) die internet access aanbood aan niet-academici. Maar die toegang was dúúr: jaarlijks betaalde je een access-lidmaatschap (3.500 Belgische frank, bijna 90 euro), en daarna betaalde je om e-mails te versturen én om ze te ontvangen. Ook files opvragen was betalend: per byte of per minuut! Een bladzijde tekst ontvangen duurde een minuut, met een foto erbij kon dat oplopen tot drie minuten en meer. Voor dat primitieve surfen werd 240 frank of 6 euro per uur aangerekend. Iemand die elke dag twee uur online was, zat met een maandafrekening van 15.000 frank, nu bijna 400 euro. Geen wonder dat EUnet in 1993 amper een honderdtal klanten had.

Internet was een investering en alles kostte geld: de computer, de modem (150 à 200 euro), extra software, dat ‘instaplidgeld’ én de gebruikskosten. De Morgen sprak in december 1993 zelfs over 5.000 euro opstartkosten. Er werd ook onverbloemd gezegd dat het doelpubliek er één was van economisten, ingenieurs, geofysici, medische specialisten en juristen met internationale vakgebieden. Redelijk exclusief dus, en mannelijk: 90 procent van de internetgebruikers was toen een man.

In Amerika drong het al in 1993 door dat je met het internet geld kon verdienen. De Whole Earth Review gaf een simpel voorbeeld. ‘Stel: je bent een crack in het schrijven van obscene limericks. Verzameld in een boekje verkoop je er misschien honderd aan vrienden en kennissen, maar als je ze op het Internet verkoopt tegen 10 dollarcent per stuk, dan vind je tussen de twintig miljoen onlinegebruikers allicht tienduizend volgelingen die 30 dollar willen betalen voor een jaarabonnement van 365 limericks. Voor je het weet, ben je miljonair en kun je de rest van je leven gaan skiën!’ Zeggen dat de sky the limit was, was toen heel gewoon.

Elders meldden technoforums dat het in de toekomst allicht mogelijk zou zijn om via dat nieuwe internet ook radio, muziek en film aan te bieden. Aan de westkust van Californië kreeg je toen de eerste internetcafés, en ook dienstencentra van de Amerikaanse overheid begonnen goedkope internettoegang te verstrekken.

'September 1996: 30.000 lezers van Humo krijgen de kans om 'gratis op het Internet' te gaan. De analoge burelen worden 'overstelpt met aanvragen''

Maar het was nog de beginfase: grote bedrijven als Reuters en Pizza Hut begonnen pas eind 1993 met een ‘Internet-dienst’. Ook een grote krant als The Boston Globe was toen pas per internet bereikbaar. Met enige trots werd gezegd dat sommige van hun redacteuren ‘tot twee dozijn E-mails per dag kregen’.

In dat Amerika van ’93 had een zekere Jeff Bezos het idee om boeken online te verkopen. De 29-jarige was een jaar bezig om een startkapitaal van 1 miljoen dollar bijeen te krijgen: ‘Ik moest al die mensen eerst uitleggen wat het internet was, nog voor ik kon vertellen hoe dat ging, boeken bestellen met een muisklik.’ De zestig investeerders die toen in zijn verhaal geloofden, mogen zich vandaag Amazon-miljonair noemen.


Prehistorie

In 1993 was het internet in elk geval booming in Amerika met 45.000 bulletin boards, tegenover 220 in België. Zelf zag ik ook een stralende internettoekomst voor Humo weggelegd. Maar mij ontbrak het aan de technische kennis om het helder uiteen te zetten, laat staan zelf een bulletin board op te starten. Wel heb ik Guy Mortier voorgehouden dat het een goudklomp kon zijn als Humo de cartoons van Kamagurka per e-mail zou verkopen. Ja, beste vrienden, ik was een start-up avant la lettre, ik was een pionier van de e-commerce!

Maar 1993 was nog een andere tijd. Je had toen nog de telefax! Een bakbeest van een telefoontoestel waarmee je teksten kon versturen en ontvangen. Eerst rinkelde de telefoon, dan klonk in de hoorn een sputterend signaal en daarna begon dat meubel lange papierrollen met tekst te spuwen. Er werden in die tijd ook amper gsm’s gebruikt, die zouden pas midden jaren 90 doorbreken in ons land.

Wie op een bureau werkte, hoorde op de radio Kim Wilde, UB 40, Madonna, Nirvana, Prince, Billy Joel en The Scabs en zag met die artiesten ook de eerste computers en informatica arriveren.

Derboven «Dat wij als cultureel centrum tienduizend postadressen in een databank konden opslaan, was toen nieuw. Voordien stonden die adressen op een stapel A4-bladen die je bij elke postverzending opnieuw moest kopiëren op zelfklevers. Stuurde iemand een adreswijziging, dan moest je dat adres manueel wijzigen op het A4’tje.»

1993 was wel een belangrijk politiek jaar. België kreeg gewesten en gemeenschappen, de Europese Unie trad in werking na het verdrag van Maastricht, en koning Boudewijn ging dood. Er was ook een kantelmoment bij de televisie. Na vier jaar commerciële tv (VTM) stonden er in de kijkcijfertop 20 van die ‘Internet-Humo’ áchttien VTM-programma’s, waaronder ‘Jambers’, ‘Familie’ en ‘Tien om te zien’. Those were the days.

Ik heb nog faxen van lezers uit 1993. Dat thermisch papier is intussen verbleekt en bijna onleesbaar, maar de terugkerende vraag is: ‘Ik heb een pc en een modem, maar hoe raak ik op het Internet?’ Sommigen vroegen zelfs of Humo voor die internetaansluiting kon zorgen. En nu komt het! Kris Derboven meent dat hij van Humo ‘gratis Internet’ heeft gekregen! In 1996 of 1997! Ik kon me die geste niet herinneren, maar onze onvolprezen documentaliste wees me op het Humo-nummer van 4 oktober 1996. De hele cover is als een webpage vormgegeven en de slagzin is: ‘Gratis op het Internet – 68 miljoen frank cadeau’. Ik wist dat Humo in die jaren royaal met geld kon smijten, zeker richting zijn lezers, maar 68 miljóén frank, dat is véél, dat is nog altijd 1,7 miljoen euro.

De aanhef van het vijf bladzijden lange artikel luidt dat de kandidaat-surfers géén technische voorkennis en dus geen drempelvrees moeten hebben: alleen een modem is nodig en ‘verder hoef je alleen maar een computer te kunnen aan- en uitzetten en met een muis te klikken’. Met die vaardigheid kun je ‘brieven en foto’s mailen naar Japan en Los Angeles’, kun je binnen in het Louvre en ‘op ontelbaar vele fansites van rockgroepen’.

Na de ‘Verklarende Internet-woordenlijst’ (over e-mail, provider, browser, enzovoort) en met de disclaimer (‘Zodra je e-mail gewend bent, kun je niet meer zonder’) klinkt het bazuingeschal. Humo heeft per 30 september 1996 zijn eigen website: The Wild Site. Met radio- en tv-tips, online concertbesprekingen, online-Uitlaat én een rubriekje ‘Trein’, waar smoorverliefden een berichtje kunnen achterlaten, stijl: ‘Verlegen jongeman zoekt de wondermooie blonde van de intercity Essen-Antwerpen (8.13 uur).’

Met de melding dat al zeventig miljoen aardbewoners online zijn en dat België achterop hinkt ‘met dertigduizend particuliere Internet-aansluitingen’, krijgen dertigduizend Humo-lezers de kans om op ‘het Internet’ te gaan: ‘Zes weken lang worden telkens vijfduizend lezers op het Internet toegelaten.’ Die spreiding is nodig om ‘de infrastructuur niet té veel te belasten’. Elke inschrijver krijgt ‘een gratis Internet-startpakket’ van de provider Ping, waarmee hij tien uur gratis kan surfen, weliswaar buiten de kantooruren. Al wat de Humo-lezer dan nog moest doen, was ‘de bijgevoegde bon schriftelijk invullen en samen met een briefje van 100 frank opsturen naar HUMO-Promotie’. Dat klinkt als een boerenkar die de elektronische snelweg opgaat, maar vanaf dag één werden onze analoge burelen ‘overstelpt met aanvragen’.


Circustent

Die Humo-actie was in oktober 1996, en een rechtstreeks gevolg van het ontstaan van de browsers in 1995.

Siebelink «Rondzwerven op het net, dat deed niemand. Er was een World Wide Web, maar dat was een rudimentair ding voor wetenschappers, met alleen maar tekstbestanden en enkele spaarzame hyperlinks. Er waren geen beelden, geen geluid, niks. Dat veranderde met de browsers: zij konden computerdata omzetten in woord én beeld én geluid. En van dan af kreeg het internet een consumentvriendelijke grafische vormgeving die het toegankelijk maakte voor een breed publiek (Internet Explorer zat in 1995 bij het pc-besturingsprogramma Windows 95, red.). 1995 was ook het jaar waarin de bedrijven op de bandwaggon sprongen: ik heb toen de eerste website in België helpen bouwen.

»Nog een fundamentele doorbraak was de komst van het breedbandinternet in 1996, 1997. Ik werkte toen bij Telenet en volgens onze visie zou internet een massaproduct worden. Daarvoor hebben wij de breedbandkabel geïntroduceerd, eerst in pilootgemeenten en daarna in het hele land. We trokken rond met een feestelijke circustent die een weekend in een gemeente bleef staan, en waar alle inwoners konden kennismaken met die kabel waarmee televisie, telefoon en internet in huis kwam. En dat sloeg aan. Tot dan toe zat de zoon op zijn kamer te internetten en hield hij de telefoonlijn langdurig bezet, waardoor de andere gezinsleden de vaste telefoon niet konden gebruiken. Met de kabel was dat voorbij.»

Kris Derboven hád een internetaansluiting vanaf 1996, maar hij botste nog op ongeloof in die toekomst.

Derboven «Kennissen in het onderwijs, dertigers zoals ik, lachten als ik zei dat dat veel zou veranderen: ‘Als we u moeten geloven, gaan de leerlingen hun huiswerk nog opsturen met de computer, zeker? Hahaha!’»

Intussen lachen we met die naïviteit en zijn we geneigd te denken dat álles al jaren bestaat, maar dat is schijn. De zoekmachine Google begon pas in 1997 en slechts na drie, vier jaar kachelen en het kopiëren van een tool die advertenties naast hun zoekresultaten plakte, werd Google een raket.

Zelf kan ik mij geen dag zonder Wikipedia voorstellen, maar die bron is er pas sinds 2001. Ook Facebook en Twitter lijken een eeuwigheid te bestaan, maar die zijn nog jonger, amper 14 en 12 jaar.

Nog zo’n perceptie. Het lijkt alsof het internet bulkt van de informatie, maar het is hoegenaamd geen allesomvattend archief. Ik had dit stuk niet kunnen schrijven zonder de krantenknipsels die ik zelf heb bewaard. Veel papieren artikels van vóór 1997 zijn niet of nog niet gedigitaliseerd, of zijn onherroepelijk vernietigd. Ook Humo’s papieren archief is onder de vorige uitgever in de versnipperaar verdwenen.

In die krantenknipsels lees ik ook de aarzeling: is het écht een ommekeer, of slechts een zeepbel? Zo vroeg De Morgen zich in 1999 nog af of ‘het fenomeen e-commerce met virtuele bedrijven als Amazon.com de economie zou kunnen dooreenschudden’.

Tot voor de eeuwwisseling had je die aarzeling. Neem de Van Dale. Het woord ‘internet’ stond nog niet in de editie van 1996. Dat zegt iets over die trage start. Intussen telt de Nederlandse taal meer dan 250 woorden die beginnen met ‘internet-’, waaronder: internetbankieren, internetdate, internetfraude, internetgoeroe, internethype, internetjournalistiek, internetspelletjes, internetzeepbel, enzovoort.


Geestverwanten

Wat je al wel had in 1993, waren kritische stemmen die op de gevaren en de nadelen wezen. Er was al sprake van bugs, virussen, hackers en encryptie om financiële fraude tegen te gaan. En een Amerikaanse prof deed ook al onderzoek naar ‘seksuele intimidatie op het Internet’.

In 1993 werd het internet door velen nog onthaald als een weg naar meer openheid, diversiteit en democratie. Enkel een kleine groep ‘technopessimisten’ vreesde in 1993 dat het ‘in handen zou komen van grote mogols die de inhoud gaan bepalen’. Zij vreesden ook voor de privacy ‘omdat in die digitale wereld alles gelezen kan worden, wat inhoudt dat ook alles gemeten en gecontroleerd kan worden’. En nu is het 2018 en drukt ook de historicus Yuval Noah Harari zijn vrees uit voor ‘digitale dictaturen’.

De alternatieve Whole Earth Review maakte in 1993 een opvallend voorbehoud: ‘Dit nieuwe medium kan van elk bureau een drukpers en een tv-station maken. Elke burger kan een getuige en dus een verslaggever worden. Maar wie de macht heeft om informatie te verspreiden, heeft ook de macht om valse informatie de wereld in te sturen.’

Ik vraag aan Roland Siebelink wat hij een onverwachte ontwikkeling vindt. Hij ziet hoe extreme groepen een grote spreekbuis hebben gekregen.

'Newsweek noemde het internet 'één van de goedkoopste en mogelijk veiligste verslavingen van het eind van de 20ste eeuw''

Siebelink «Met internet kon je wereldwijd geestverwanten vinden, dat werd als een groot pluspunt gezien. Maar nu zie je dat politiek extreme visies óók makkelijker gelijkgezinden kunnen vinden. En omdat die extreme drukkingsgroepen Google en de sociale media internationaal heel goed kunnen bespelen, vormen zij een machtsmiddel, of geven ze in elk geval de indruk dat ze heel grote groepen vertegenwoordigen binnen de samenleving.»


Behangpapier

Ook Michel Bauwens, die we ondanks vele pogingen niet konden bereiken, had al reserves in 1993. Hij zag ‘heel veel noise en overbodige informatie’ op de mensheid afkomen. De wereld wordt niet ons dorp, zei hij, de wereld zal alleen maar groter en onoverzichtelijker worden, waardoor mensen zich noodgedwongen moeten specialiseren in een klein aantal interessegebieden. Eén ding is zeker: het internet heeft sommige evidenties op zijn kop gezet.

Siebelink «Als je 25 jaar geleden een lief zocht, moest je iemand rechtstreeks aanspreken. Nu blijkt uit statistieken dat online daten via Tinder en dergelijke in Amerika voor iedereen de meest gebruikte manier is om een partner te zoeken. Lange tijd werd gedacht dat online daten vooral populair was bij holebi’s en andere minderheidsgroepen die elkaar moeilijker kunnen vinden, maar nu is het populair bij iederéén. Dat geldt voor Amerika, maar dat geldt binnenkort voor alle westerse landen.

»Neem privacy. Vroeger was privacy een obsessie. Je had een vaste telefoonlijn en meer en meer mensen vroegen een geheim nummer, nog meer privacy. Dat is omgeslagen, nu zitten we met een jonge generatie die haar hele privéleven wil delen. Tegelijk is daardoor een soort marketing ontstaan via Facebook en Instagram: hoe profileer ik mij online, hoe zet ik mij in de markt, welk beeld wil ik dat anderen van mij hebben?»

De Amerikaanse sciencefictionauteur Bruce Sterling voorspelde al in mei 1993 dat het nieuwe internet ook een oude condition humaine zou hebben: ‘Cyberspace wordt de spiegel van onze maatschappij. Je kunt er fantastisch veel ontdekken en geweldige mensen ontmoeten. Maar evengoed is het een plek waar je bestolen, bedrogen en ontgoocheld kunt worden.’

Sterling voorzag ook een revolutie naar de vorm: ‘Al wat nu cutting edge is, zal weldra achterhaald zijn. (…) Lompe computerbakken worden flatscreens. En wat nu nog een meubel is, zul je onder je arm, in je koffer en in de rugzak van je kind kunnen stoppen.’

Waardoor hij besluit met de prachtige zin: ‘Wat wij nu als een wonder beschouwen, zal behangpapier zijn voor onze kinderen.’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234