40 jaar 'Ramones': Hey ho, let's go!

Op het podium waren ze een vier-eenheid. Nee: een familie. Alle vier in leren jack, versleten jeans, sneakers. Hetzelfde zwarte haar, dezelfde familienaam. De Ramones dachten hetzelfde, straalden dezelfde energie uit. Twintig jaar lang beukten ze erop los, maar pas toen ze ermee kapten, vond iedereen ze geweldig. En vandaag, veertig jaar na verschijnen, geldt hun debuutplaat ‘Ramones’ als een absolute klassieker.

'Pers, critici, radio- en tv-makers: iederéén haatte de Ramones'


Lees ook: Requiem voor de Ramones »

Ze stopten niet tussen de songs, zelfs niet wanneer bassist Dee Dee Ramone ‘One-two-three-four!’ blafte. Johnny Ramone op gitaar en Tommy Ramone op drums barstten tegelijk los en bliezen het publiek omver. Johnny en Dee Dee speelden wijdbeens: ‘Doe ons eens wat.’ Tussen hen in stond zanger Joey Ramone – slungelig, met zonnebril en warrig haar dat over zijn ogen viel, als bescherming tegen een wereld die hem iets te vaak vijandig was geweest. De teksten: over gebroken harten, vervreemding, alleen tegen de rest. Maar wanneer ze van het podium kwamen, viel de familie uit elkaar. Ze stapten elk in hun eigen busje en reden zwijgend naar hun hotel of naar de volgende show. Johnny en Joey spraken al járen niet meer tegen elkaar – een vrouwenkwestie.

De Ramones inspireerden meer bands dan om het even welke groep sinds The Beatles: de Sex Pistols, The Clash, Nirvana, Metallica, de Misfits, Green Day. Wat zij deden, kon jij thuis ook: strijdlust etaleren, basisakkoorden rammen en een pokkenherrie maken waarmee je de levenden kon omleggen en de doden tot leven wekken. Maar ze betaalden er een hoge tol voor.


Gitaar in kruis

De Ramones groeiden allemaal op in dezelfde voorstad van New York: Forest Hills, Queens, een Joodse middenklassebuurt waar de jeugd zich naar hartenlust te pletter kon vervelen. Ze waren iets jonger dan hun helden van de fifties en de sixties – Elvis Presley, The Beatles, The Rolling Stones – en ze konden dus grasduinen in meer genres: de bubbelgumpop, de vroege heavy metal, de surfmuziek. Belangrijker nog: de meeste Ramones-leden wisten wat een ellendig gezinsleven was, of hoe het voelde om de verkeerde persoon op de verkeerde plaats te zijn. ‘Als je je bij een band als de Ramones aansluit, kom je niet uit een stabiele omgeving,’ schreef Dee Dee later. ‘Punkrock wordt gemaakt door boze kids die creatief willen zijn.’

'De Ramones waren, en zíjn, een fucking geweldige band. Als ik een plaat opleg, klinken we fantástisch. En dat zal altijd zo zijn.' Joey

Drummer Tommy Ramone werd in januari 1949 in de Hongaarse hoofdstad Budapest geboren als Tamás Erdélyi. Zijn familie verhuisde halfweg de jaren 50 naar Brooklyn. In het eerste jaar aan Forest Hills High School kwam Thomas John Cummings tegen, later bekend als Johnny Ramone – hij zou de oudste van de groep worden, geboren op 8 oktober 1948. Johnny was zwartgallig, maar charismatisch: hij dwong vanzelf respect af. Tommy en Johnny stapten in een muziekgroepje, Tangerine Puppets, dat even berucht werd om hun muziek als om Johnny’s humeur. Toen ze tijdens een optreden ‘Satisfaction’ speelden, zag Johnny de klassenoudste in de coulissen staan. ‘John ging op hem af en ramde de nek van zijn gitaar in zijn kruis,’ zei een bandlid. ‘Zogezegd een ongelukje, maar we wisten allemaal dat hij die jongen haatte.’ Een andere keer raakte Cummings slaags met de zanger en moesten de anderen de twee uit elkaar halen. Tommy: ‘We mochten Johnny wel, die woede van hem was écht.’

Johnny was streng opgevoed. Van zijn vader, een zwaar drinkende bouwvakker, moest hij ooit een baseballwedstrijd spelen met een gebroken grote teen. Johnny werd even hard, of zoals hij in zijn autobiografie ‘Commando’ schreef: ‘Twee jaar lang zat ik in een trip van geweld, elke minuut van de dag.’ Hij sleepte afgedankte tv’s naar het dak van appartementsgebouwen en liet ze naast voorbijgangers neerploffen. Hij gooide bakstenen door ruiten, was baldadig tegen iedereen. ‘Tot ik plots een stem hoorde. Ik was 20, en iemand sprak tot mij – ik weet niet wie, God misschien: ‘Wat doe je toch met je leven?’ Het was een spiritueel ontwaken. En van de ene dag op de andere ben ik ermee gestopt.’

Niet lang daarna ontmoette hij Doug Colvin, de latere Dee Dee Ramone (°18 september 1951). Volgens zijn autobiografie ‘Lobotomy’ waren zijn jeugdjaren een hel. Zijn vader, een officier in het Amerikaanse leger, pendelde met het gezin tussen de VS en Duitsland. Zijn moeder was een ‘dronken, knettergek wijf, dat van de ene emotionele uitbarsting naar de andere zwalpte’. ‘Hun leven was één grote puinhoop, en het was allemaal mijn schuld.’ Dee Dee zat als jonge tiener al aan de drugs. ‘Ik zag geen toekomst voor me. Tot ik The Beatles hoorde. Meteen daarna had ik mijn eerste transistorradio, een Beatlekapsel en een Beatleoutfit. Rock-’n-roll gaf me iets wat op een identiteit leek.’ Toen hij 15 was, verhuisde zijn moeder naar Forest Hills, samen met hem en zijn zus. ‘Ik werd als vanzelf aangetrokken door Tommy, Joey en Johnny, de griezels van de buurt.’

'De New York Dolls waren vreselijk, maar gewéldig. Dat kon ik ook'

Tommy vond dat Johnny en Dee Dee zelf een muziekgroepje moesten beginnen; hij zou wel helpen met zijn ervaring als geluidstechnicus bij de Record Plant-studio: hij had gewerkt voor Jimi Hendrix en John McLaughlin. Johnny zag dat niet zitten: ‘Ik wil gewoon normaal zijn.’ Wat meer was: hij had al veel rock-’n-rollbands live gezien – The Beatles, The Stones, Hendrix, The Doors – en hij zat nu in zijn Led Zeppelin-periode. En ook: hij kon niet gitaarspelen zoals al die anderen. Tot hij de New York Dolls zag, met frontman David Johansen, en Johnny Thunders op gitaar. Ze voegden aan de glamrock van David Bowie een democratische toets toe: om het even wie kon zinvol lawaai maken. ‘Ze zijn vreselijk, maar gewéldig. Dat kan ik ook,’ dacht Johnny. Hij liet Tommy weten dat hij het toch wilde proberen en kocht voor 50 dollar een Mosrite, dezelfde gitaar waarop Fred ‘Sonic’ Smith van MC5 speelde. Dee Dee zou bas spelen, en een vriend ging achter de drums zitten: Jeffrey Hyman.


Paranoïde schizofreen

Hyman, later herdoopt tot Joey Ramone, had het al zijn hele leven lastig gehad. Hij was op 19 mei 1951 geboren met een zeldzame tumor zo groot als een baseball op zijn rug. Die werd een paar weken na de geboorte operatief verwijderd, maar hij zou met zijn gezondheid blijven sukkelen. Hij was nog jong toen zijn ouders de scheiding aanvroegen. Zijn vader, Noel Hyman, had een transportbedrijf, zijn moeder Charlotte een kunstgalerie. Noel was van het ruige type: bij een ruzie pakte hij Joey eens op en hij gooide hem tegen de muur aan de andere kant van de kamer. Door zijn slungelige uiterlijk en zijn verlegenheid was Joey ook een geliefd doelwit van pestkoppen. ‘Ik was een paria, een verstotene, een eenzaat,’ vertelde hij Everett True in ‘Hey Ho Let’s Go: The Story of the Ramones’. ‘De vetkuiven lagen altijd op de loer om mij te grazen te nemen. Ze probeerden je gewoon te vermoorden. Johnny was een tijdje ook zo’n vetkuif.’

Als tiener begon Joey zich vreemd te gedragen. Hij stapte herhaaldelijk in en uit bed voor hij kon slapen, controleerde eindeloos of deuren op slot waren, begon stemmen in zijn hoofd te horen, kon plots in woede uitbarsten. In 1972 liet hij zich opnemen in St. Vincent’s Hospital. Hij werd er een maand in observatie gehouden, waarna de diagnose luidde: paranoïde schizofrenie, en ‘minimale hersenschade’. Kort daarna verhuisde zijn moeder naar een kleiner appartement in hetzelfde gebouw. Zónder Joey: hij moest maar op de vloer in haar galerie slapen. Maar tegen die tijd had hij uitgevogeld hoe hij uit zijn uitzichtloze leven kon ontsnappen. ‘Rock-’n-roll was mijn redding,’ bekende hij in 1999. En een andere keer: ‘Ik herinner me dat ik helemaal wild werd van ‘Surfin’ U.S.A.’ van The Beach Boys. Maar The Beatles gaven de doorslag. Later had ik veel aan The Stooges – zij hielpen me in die zwarte periode om van mijn agressie af te raken.’ Joey huurde een hihat en tikte het ritme mee van songs van The Beatles en Gary Lewis & The Playboys. Later ontdekte hij hoe David Bowie grenzen oprekte. Joey werd leadzanger bij de glamrockband Sniper, hees zich in een handgemaakte, nauw aansluitende outfit en noemde zich Jeff Starship. Maar daar was hij alweer weg toen Dee Dee hem begin 1974 vroeg om hem en Johnny te vervoegen in hun nieuwe groepje. ‘O nee, een stonede hippie,’ dacht Johnny toen hij Joey voor het eerst zag. Ze begonnen te repeteren in de flat van Johnny, en ze spraken af dat ze bij elke bijeenkomst een nieuw nummer moesten hebben. Tijdens één van die repetities discussieerden ze over de groepsnaam. Tommy: ‘Dee Dee kwam aanzetten met de Ramones. Dat had hij van Paul McCartney, die zichzelf Paul Ramon noemde als hij incognito in een hotel wilde inchecken.’

'Joey was niet mijn idee van de ideale frontman. Ik wilde een knappe kerel vooraan'

Dee Dee vond het moeilijk om tegelijk te zingen en te spelen, en Joeys drumspel stelde niet veel voor. Tommy suggereerde dat Joey beter de zang voor zijn rekening zou nemen. Johnny: ‘Joey was niet mijn idee van de ideale frontman. Ik wilde een knappe kerel vooraan.’ Dee Dee zag dat anders: ‘Joey kon goed zingen en zag er echt bizar uit: geknipt voor de Ramones. Je bent toch beter af met iemand die er compleet gestoord uitziet dan met eentje die Mister Sex Symbol wil uithangen?’

Johnny wilde verder geen sound die te veel verwees naar de bands die hen hadden geïnspireerd, zoals de Stooges, MC5 en de New York Dolls. ‘We gooiden alles weg wat we niet leuk vonden aan rock-’n-roll en gingen met de rest aan de slag. Dus géén bluesinvloeden, géén lange gitaarsolo’s.’ Vonden ze alle vier wel leuk: doowop, meidengroepjes, bubbelgumpop – ze waren gek van de Bay City Rollers – en de surfrock van Brian Wilson en Jan and Dean.

Toen Tommy erbij kwam als drummer – niemand van de kandidaten op de audities kon zonder bombast of versieringen spelen – kreeg de Ramones-sound vorm. ‘Ik wilde een tandem vormen met de gitaar,’ vertelde hij in 2011 in Mojo. ‘Iedereen denkt dat de bas en de drums in elkaar moeten haken, maar ik stemde me af op Johnny, en Dee Dee was ons fundament.’ Het resultaat klonk primitief en avant-gardistisch tegelijk.

De Ramones traden voor het eerst op in augustus 1974 in de CBGB-club in New York – ze speelden in 17 minuten een half dozijn songs. De CBGB was een smalle, bedompte bar in Bowery, Manhattan – toen een ongure buurt met goedkope hotelletjes en dakloze alcoholverslaafden op de trottoirs – maar in geen tijd zou die het epicentrum van de vernieuwende muziek in New York worden. De eigenaar, Hilly Kristal, vond de Ramones eerst maar niks. ‘De rommeligste band die ik ooit had gehoord. De apparatuur deed het vaker wel dan niet, ze riepen de hele tijd naar de anderen. In een set van 40 minuten stonden ze elkaar 20 minuten af te zeiken.’ Maar de Ramones trokken volk, en Kristal zou ze de volgende jaren een paar dozijn keer programmeren. Begin 1975 hadden de Ramones flink geschaafd aan hun présence. Ze bleven gedisciplineerd één song per repetitie afwerken en hadden een stevig repertoire aan origineel materiaal. Op het podium stonden ze niet meer te klooien: geen gebrul, geen pauzes, geen gitaren die nog gestemd moesten worden. Lisa Robinson, een invloedrijke columniste, tipte platenbaas Danny Fields: ‘Die Ramones zul je graag horen.’ Fields, die eerder de Stooges en MC5 aan een platencontract had geholpen, ging kijken in de CBGB: ‘Ze waren verpletterend.’ Na de set stelde hij voor om hun manager te worden, en hij regelde een contract met Sire Records.


10.000 toiletten

De debuutplaat ‘Ramones’, met de iconische zwart-witfoto op de hoes, kwam uit in april 1976 en zette de standaard voor de punkrock. Alleen al opener ‘Blitzkrieg Bop’: lawaaierige gitaren, beukende ritmes, jachtige zanglijnen. De Ramones leken een vleesgeworden bedreiging met hun songs over jochies in elkaar rammen, over lijm snuiven, over een prostitué die een meid versiert om te bewijzen dat hij geen homo is. Johnny: ‘We wilden een bubbelgumgroepje zijn. Een tweede Bay City Rollers. Maar we waren zó vreemd. We zongen over een Vietnamveteraan die een hoer wordt en gaat moorden. Best normaal, vonden we.’ Nog een probleem: het geflirt met het nazisme. Zoals in een vroege versie van ‘Today Your Love, Tomorrow the World’: ‘I’m a shock trooper in a stupor, yes I am / I’m a Nazi schatze, y’know / I fight for Fatherland’. Seymour Stein, baas van Sire Records, schrok zich een beroerte: ‘Dat kunnen jullie niet maken! Ik ben Jood, net als de helft van de platenfirma!’ De Ramones bonden in, ook al omdat Joey en Tommy zelf Jood waren. Johnny: ‘We hadden er gewoon niet bij stilgestaan, naïef als we waren.’

Pers, critici, radio- en tv-makers: iederéén haatte de Ramones. Een dj liet live op de radio horen hoe hij de plaat door de studio keilde. Een recensent omschreef hun sound als ‘10.000 toiletten die tegelijk doorgespoeld worden’. Maar de Ramones gingen onverstoorbaar door.

Tommy bleef nog twee platen lang, voor ‘Leave Home’ en ‘Rocket to Russia’, allebei uit 1977. Een aantal songs gingen over geestesziekten: ‘Gimme Gimme Shock Treatment’ en ‘Teenage Lobotomy’ leken geïnspireerd door vroegere ervaringen van Joey en Dee Dee. Tommy: ‘We probeerden zo krankzinnig mogelijk te lijken.’ Ze tourden onophoudelijk, gemiddeld 150 shows per jaar, zaten op elkaars lip in het busje terwijl ze van stad naar stad reden, begonnen zich aan elkaar te ergeren en gingen geregeld op de vuist. Op een avond zat het er bovenarms op tussen Tommy en Johnny, die brulde: ‘Dit is mijn band, en ik ben de ster van de groep, niet jij!’ Tommy: ‘Ze waren zo paranoïde dat ze dachten dat ik de band wou overnemen.’ Hij speelde zijn laatste set met de Ramones in mei 1978 in CBGB. Hij producete wel nog de plaat ‘Road to Ruin’ (1978), samen met Ed Stasium. Tommy werd vervangen door Marc Bell, bekend van Richard Hell And The Voidoids, die zich Marky Ramone ging noemen. ‘Road to Ruin’ was een meesterwerk – het vierde op rij van een rockgroep die uit het niets was opgedoemd.

'Het was Johnny die in de Ramones met ijzeren hand regeerde. Hij deelde boetes uit als iemand te laat was, of te verward om te kunnen spelen. Hij tierde, hij sloeg.'

Begin jaren 80 kwamen er barsten in het verhaal. De Ramones hadden niet de massa bereikt waarop ze hadden gehoopt. Johnny: ‘Ik was niet wanhopig, maar ik wilde niet nog eens twee jaar wachten tot we echt groot zouden zijn.’ De verhoudingen in de groep waren gespannen. Velen zagen Joey als de frontman van de Ramones, maar het was Johnny die met ijzeren hand regeerde. Hij deelde boetes uit als iemand te laat was, of te verward om te kunnen spelen. Hij tierde, hij sloeg. ‘We hoorden Johnny vaak zijn vriendin Roxy afranselen in zijn hotelkamer,’ schreef Marky in zijn autobiografie ‘Punk Rock Blitzkrieg’. ‘We hoorden haar door de kamer stommelen, tegen de muur en dan op bed vallen, en almaar gillen.’


Sh*t, piss, f*ck!

Johnny vond snel zijn gelijke in producer Phil Spector. In 1978 mochten de Ramones in de musicalfilm ‘Rock & Roll High School’ spelen. De titelsong werd een hit, maar dat was niet voldoende voor Sire Records. Als de Ramones ooit echt succes wilden hebben, moesten ze wat aan hun sound doen, was de teneur. Het label bracht hen in contact met de legendarische Spector: hij zou ‘End of the Century’ producen, de volgende plaat van de Ramones. Maar de Phil Spector van 1979 was niet meer de producer uit zijn gloriejaren, wel een griezelige excentriekeling.

Hij nodigde hen uit op zijn landgoed om de violen te stemmen. Marky: ‘Overal stonden waarschuwingsbordjes. ‘Do not enter’. ‘Do not touch gate’. ‘Beware of attack dogs’. Ze zagen er amateuristisch uit, en daarom des te angstaanjagender.’ Spector droeg pistolen en was omringd door lijfwachten. De Ramones moesten de hele nacht blijven, en samen keken ze naar de psychologische horrorfilm ‘Magic’, met Anthony Hopkins in de hoofdrol. Toen Dee Dee ervandoor wilde gaan, trok Spector zijn pistool. ‘Bliksemsnel, zo’n echte shoot to kill-techniek.’

Tijdens de opnames kreeg Spector Johnny over de rand. Johnny moest telkens opnieuw het openingsakkoord van ‘Rock & Roll High School’ spelen. De geluidstechnicus speelde dan de opname af, waarop Spector telkens opnieuw stampvoetend door de studio liep: ‘Sh*t, piss, f*ck! Sh*t, piss, f*ck!’ Na meer dan een uur had Johnny het wel gehad. Hij legde zijn gitaar opzij en wilde opstappen, waarop Phil: ‘Jij gaat nergens heen.’ En Johnny: ‘Wat ga je doen, Phil? Mij neerschieten?’

Spector had hen bezworen dat ‘End of the Century’ hun beste plaat aller tijden zou worden. In werkelijkheid was het de plaat die hun momentum afbrak: muffe arrangementen in plaats van gitaarstormen. Ironisch genoeg bereikte ‘End of the Century’ de 44ste plaats in de Billboard 200, hun hoogste plaats tot dusver, maar Johnny had er spijt van dat ze ooit was gemaakt.

Toen de Ramones naar Los Angeles trokken om ‘End of the Century’ op te nemen, bracht Joey zijn vriendin Linda Danielle mee. Johnny had dan wel een vriendin, maar de anderen begonnen in de gaten te krijgen dat hij en Linda vrolijk aan het flirten sloegen. Toen Marky Joey aan het verstand probeerde te brengen dat Linda en Johnny iets hadden, wilde hij hem niet geloven. Maar niet veel later gingen de twee in het geniep samenwonen in een appartement in Manhattan – Johnny was als de dood dat Joey erachter zou komen en de band zou verlaten. ‘Ik heb nooit met hem kunnen opschieten, maar ik wilde hem ook niet kwetsen. Alleen: je kunt niet in een leugen blijven leven.’ In de zomer van 1982 verliet Linda Joey, en Johnny ging weg bij Roxy. Joey zou nooit over haar heen raken. Het drama klonk ook door in zijn nummers, zoals ‘The KKK Took My Baby Away’ – een weinig subtiele verwijzing naar rechtse Johnny. Op het eind van zijn leven vertelde hij in Mojo: ‘Johnny was te ver gegaan. Daar en toen heeft hij onze relatie en de band vernietigd.’ Joey begon zwaar te drinken en raakte verslaafd aan cocaïne, maar opstappen deed hij niet. ‘We zijn de enige echte rock-’n-rollband. Alle anderen hebben er de brui aan gegeven, dat gaan wij nooit doen.’ Avond na avond bleven ze optreden, nog veertien jaar lang. Maar tegen elkaar spreken was er niet meer bij.


Dee Dee King

Na ‘End of the Century’ bleef de muziek van de Ramones een probleem dat opgelost moest worden volgens Sire Records. Het label droeg producers aan voor vijf van de zes volgende platen: ‘Pleasant Dreams’ (1981), ‘Subterranean Jungle’ (1983), ‘Animal Boy’ (1986), ‘Halfway to Sanity’ (1987) en ‘Brain Drain’ (1989). Op sommige klonken de Ramones alsof ze tegen hun eigen schaduwen vochten. Ze speelden sneller en harder, alsof ze al die hardcoregroepen wilden inhalen die met hun formule van korte songs en snelle beats op de loop waren gegaan: Black Flag, Fear, Circle Jerks, Discharge, Crass, Suicidal Tendencies en andere. De enige plaat waarmee ze de beheksing konden verbreken, was ‘Too Tough to Die’ (1984), geproducet door Tommy Ramone en Ed Stasium.

Intussen werden Dee Dees problemen onbeheersbaar. Hij zat aan de harddrugs sinds zijn jeugd, kampte met een bipolaire stoornis en mengde cocaïne door zijn medicijnen. Johnny duldde het zolang de Ramones live konden optreden (‘Dee Dee kon zelfs met geelzucht prima spelen’). Maar Dee Dee raakte uitgekeken op de Ramones en het eeuwige geruzie. Op een dag verscheen hij met piekhaar en gouden kettingen: hij was bekeerd tot hiphop en wilde een rapplaat maken. Marky: ‘Hij zat eens achter in het busje te roepen: ‘Ik ben een neger, ik ben een neger!’ Johnny werd er knetter van: ‘Néé, dat ben je níét, je bent een f*cking blanke die níét kan rappen.’’

Dee Dee bracht in 1988 ‘Standing in the Spotlight’ uit als Dee Dee King: ‘één van de slechtste platen aller tijden’, volgens een recensent. Een jaar later verliet hij de Ramones. Hij werd vervangen door Christopher Joseph Ward, CJ Ramone, die bij de groep zou blijven tot de split in 1996. Dee Dee schreef wel nog songs voor de Ramones, onder andere voor ‘Mondo Bizarro’ (1992) en ¡Adios Amigos! (1995).


Kankerbende

Joey bleef kampen met zijn dwangneurose. Toen de band terugkeerde van een tournee in Engeland, stond hij erop dat ze zouden terugrijden naar de luchthaven, omdat hij er een voet verkeerd had neergezet. Hij was ook erg vatbaar voor infecties en moest geregeld opgenomen worden. Johnny had er maar weinig begrip voor. ‘Ik wist niet hoe die ziekte van hem heette. Het was duidelijk zo’n mentale stoornis die hem al die dingen deed doen, maar tegelijk had ik vaak het gevoel dat hij zich maar wat aanstelde. De helft van de tijd was het toch psychosomatisch: bijvoorbeeld vlak voor we op tournee moesten gaan, of als we een plaat moesten opnemen.’ Het onbegrip was wederzijds: toen Johnny een hersenoperatie moest ondergaan na een gevecht met de vriend van zijn ex Roxy, was Joey ‘in extase’, herinnert Marky zich.

Het was Johnny die besliste wanneer de Ramones ermee zouden ophouden: op 6 augustus 1996 in The Palace in Los Angeles. Vlak ervoor waren ze uitgenodigd voor een vetbetaald optreden in Argentinië, maar Joey voelde zich niet goed. Een paar maanden later zou het wel lukken, dacht hij. De anderen zagen het als een weigering, vooral Johnny, en namen het hem erg kwalijk. ‘Joey was áltijd ziek. Elke ziekte die hij kon krijgen, kreeg hij.’ Dus trok hij er een streep onder.

Tijdens dat optreden in The Palace waren de Ramones bij momenten op hun best, met een verschroeiende versie van ‘Blitzkrieg Bop’. Na het laatste nummer, ‘Anyway You Want It’ van Dave Clark, gingen ze naar hun kleedkamer, ze kleedden zich om, pakten hun instrumenten in en verlieten elk apart het gebouw. Johnny: ‘Ik heb de anderen niks meer gezegd, ik ben gewoon weggegaan – zo heb ik altijd geleefd. Ik voelde natuurlijk wel een gemis. Maar dat wilde ik niet toegeven.’

Joey had anders wel goede redenen om de trip naar Zuid-Amerika te willen uitstellen. In 1994 had hij te horen gekregen dat hij lymfeklierkanker had. Die was op tijd ontdekt: hij had niet meteen een zware behandeling nodig. Tourmanager Monte Melnick: ‘Zijn uithoudingsvermogen leed er wel onder. Joey was er ook de man niet naar om zijn problemen met de band te delen. En zéker niet met Johnny.’ In de herfst van 1998 ging hij snel achteruit en moest hij chemotherapie krijgen. De dagen dat hij er niet misselijk van was, werkte hij aan zijn soloplaat ‘Don’t Worry About Me’. Tegen Kerstmis 2000 dachten de dokters dat ze alles onder controle hadden, maar op oudejaar begon Joey stemmen in zijn hoofd te horen. Had hij de deur wel netjes gesloten bij zijn chiropractor? Hij verliet zijn appartement om dat te gaan controleren. Terug thuis begon hij opnieuw te piekeren, en wéér ging hij de deur uit. Ondertussen was het beginnen te sneeuwen, en de trottoirs lagen er glad bij. Joey viel en raakte niet meer overeind. Het duurde een tijd voor een agente hem vond. Hij had zijn heup gebroken, een ernstige complicatie: pas als de breuk genezen was, kon zijn kankerbehandeling voortgezet worden. De weken erna verbeterde zijn toestand niet. De enige Ramone die hem bezocht, was drummer Marky. Hij belde Johnny, die nu in L.A. woonde: ‘Je moet Joey bezoeken, het is bijna voorbij.’ Johnny: ‘Laat het voorbij zijn, hij is mijn vriend niet.’

Op 15 april 2001 verzamelden de familie en een paar vrienden rond zijn bed, en de dokters legden de beademingsapparatuur stil. Broer Mickey speelde ‘In a Little While’ van U2 af (‘In a little while / This hurt will hurt no more / I’ll be home, love’), een nummer waar Joey van hield. Voordat het liedje gedaan was, had hij zijn ogen gesloten. Hij was net geen 50 geworden.

'Dat we meteen opgenomen werden in de Hall of Fame, wilde toch zeggen dat we onszelf niets hadden wijsgemaakt'

En toen kregen de Ramones plots tóch erkenning. In 2002 werd de band opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame – het eerste jaar dat ze verkiesbaar waren: hun debuutplaat was net 25 jaar uit. Tommy: ‘Het betekende veel voor ons. Wij wisten wel dat we goed waren, maar we kregen nooit veel promotie en onze platen raakten amper in de winkels. Dat we meteen opgenomen werden in de Hall of Fame, wilde toch zeggen dat we onszelf niets hadden wijsgemaakt.’ Op de ceremonie dankte Johnny hun management en de platenfirma, en hij eindigde met: ‘God bless President Bush, and God bless America.’ Tommy zei: ‘Geloof het of niet, we zagen elkaar graag, ook al waren we niet altijd even netjes tegen elkaar. We waren echt broers.’ En Dee Dee: ‘Ik wil mezelf feliciteren, en mezelf bedanken, en mezelf een schouderklopje geven. Dank je, Dee Dee, je bent geweldig, ik hou van je.’ Niemand nam de trofee voor Joey mee. Elf weken later werd Dee Dee dood aangetroffen in zijn appartement, gestorven door een overdosis heroïne. Op zijn grafsteen staat: ‘O.K. … I GOTTA GO NOW’.

In 1997 kreeg Johnny problemen met het wateren. Een biopsie bracht uitsluitsel: prostaatkanker. Hij koos voor bestraling, ‘maar de kanker bleef fysiek en mentaal naar mij klauwen,’ schreef hij in ‘Commando’. Op 15 september 2004 stierf hij thuis in Los Angeles, in het bijzijn van zijn vrouw en enkele vrienden. Hij was 55 geworden. In januari werd een standbeeld van hem onthuld op de Hollywood Forever Cemetery, waar hij zelf voor had betaald.

Op 11 juli 2014 stierf Tommy Erdelyi op zijn 65ste thuis in Queens aan galblaaskanker. De laatste jaren leefde hij teruggetrokken met zijn vriendin Claudia Tiernan, met wie hij in de bluegrassband Uncle Monk speelde. Met hem verdween de laatste Ramone van de originele bezetting.

Joey en Johnny Ramone zijn er na het opdoeken van de groep altijd van overtuigd gebleven dat wat ze met de Ramones gedaan hadden, waardevol was. Joey in 1999, drie jaar na de split: ‘De Ramones waren, en zíjn, een f*cking geweldige band. Als ik een plaat opleg, klinken we fantástisch. En dat zal altijd zo zijn. Wanneer je een opkikker nodig hebt. Een shot.’

Johnny: ‘Ik had nog zelden contact met Joey na de split. Toen we in 1998 ‘The Anthology’ voorstelden op Broadway, vroeg ik hem hoe hij zich voelde. Ik had kort daarvoor gehoord dat hij kanker had. ‘Prima,’ zei hij. ‘Waarom?’ Toen heb ik het opgegeven.’

En toch bleven de twee hopen. Toen Marky Joey op het eind van zijn leven bezocht, vroeg die of er een reünie in zat. Kort voor zijn eigen dood gaf Johnny toe dat ook hij daarop had gehoopt. ‘In mijn hoofd was het nooit officieel voorbij. Tot Joey stierf. Hij was onvervangbaar, hoe onuitstaanbaar hij ook was. Hij was de moeilijkste mens met wie ik ooit te maken heb gehad. Maar ik wilde hem niet dood. Toen hij weg was, was dat echt het einde van de Ramones. Ik dacht dat ik er niet om zou geven en het kon me wél wat schelen. Ik denk dat ik hem plots toch miste.’

© 2016 Rolling Stone

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234