48 uur in het spoor van de probleemjongeren van Yes We Can

In een oud pand in Tenneville, diep in de Ardennen, huist een bijzondere instelling. Bij Yes We Can Clinics verblijven iets meer dan tachtig jongeren met gedragsproblemen. De meesten zijn zwaar verslaafd aan drank, drugs, games of gokken. Sommigen werden misbruikt, gepest of mishandeld. Wat de reden voor hun verblijf ook is, bij alle jongens en meisjes zagen hun ouders, de huisarts of een jeugdrechter geen andere uitweg meer dan de vernieuwende behandeling van Yes We Can, opgericht door Jan Willem Poot. Na tien intense weken krijgen ze een nieuw leven. ‘Als ik hier niet was geweest, dan was ik allang dood.’

'Voor ik hier zat, heb ik vier jaar niet kunnen huilen'

Otto* is 17 en ziet eruit alsof hij op een muziekfestival had moeten staan, gezellig met een pintje in de hand en – wie weet – jointjes rokend met zijn beste vrienden. Maar zijn jeugd draaide anders uit.

Otto «We zijn nooit een gelukkig gezinnetje geweest. Toen ik 12 was, gingen mijn ouders uit elkaar – een vechtscheiding. Daarna raakte ik de weg kwijt. Op straat kwam ik in contact met drugs – eerst xtc, daarna cocaïne. Ik ging gebruiken. Steeds meer, en al snel veel, héél véél. Toen ik dat niet meer kon betalen, ging ik overvallen plegen. Ik heb mijn broertje en mijn zusje bedreigd. Mijn broer met een pistool, mijn zus met een mes. Onder invloed van drugs heb ik twee verkeersongelukken veroorzaakt. Twee keer ben ik na een overdosis in het ziekenhuis wakker geworden, maar ik wilde helemaal niet meer wakker worden. Ik had al meermaals dood moeten zijn. Een psycholoog heeft me toen Yes We Can Clinics voorgesteld.»

Otto vertelt zijn verhaal in een lokaaltje, samen met drie andere fellows – zo worden de jongeren bij Yes We Can Clinics genoemd. De hele tijd veegt hij het zweet van zijn voorhoofd, zijn voeten tikken als die van een drummer. ‘Ik had echt veel last van zucht tijdens dat interview,’ zo zal hij me twee uur later vertellen, wanneer hij op de binnenplaats van de kliniek een sigaret rookt. ‘Zucht’ betekent: naar drugs verlangen. Otto zit nochtans al negen weken in dit gebouw in Tenneville, tussen Marche-en-Famenne en Bastogne. Nog zeven dagen en hij mag naar huis. Clean.

Hij kijkt er níét naar uit, zegt hij.

Otto «Ik ben bang. Hier zit ik in een veilige omgeving, met veel liefde. Ik krijg voortdurend knuffels. Dat heb ik nooit eerder meegemaakt. Thuis zal alles anders zijn. Het eerste wat ik daar zie als ik de straat oploop, is een coffeeshop. En daarna een dealer.

»Ik heb mijn broertje verslaafd gemaakt. Hij gebruikt nu nog altijd, dus hij zal zeker drugs in zijn bezit hebben. Ik weet hoe ik daarmee moet omgaan. Ik wil hem helpen, maar ik moet in de eerste plaats voor mezelf kiezen. Ik moet mezélf helpen. Als ik herval, is het afgelopen en eindig ik onder de grond.»


Verbindingsdag

Otto is één van de 83 jongeren die op dit moment bij Yes We Can Clinics verblijven. Ze komen voor tien weken – als ze het volhouden. Elke woensdagochtend zwaaien er zo’n zes à negen jongeren af, na een intens afscheid de avond voordien, en elke woensdagmiddag komen er evenveel nieuwe jongeren toe. Mét zonnebril, de kap van hun sweater over het hoofd, hun neus vaak diezelfde ochtend nog vol drugs gepropt. For old times’ sake.

Bij Yes We Can Clinics staan geen televisies. Er is geen internet. Er zijn geen laptops, iPads of smartphones. Geen playstations. De fellows krijgen één pakje sigaretten per twee dagen. Er hangen nergens camera’s en er zijn geen hoge hekken. Aan de achterkant van het complex is er een poortje waar je makkelijk overheen wipt, maar dat gebeurt nauwelijks.

Halfweg, in hun vijfde week, hebben de jongeren een verbindingsdag. Dan worden ze een hele dag lang herenigd met hun ouders, die ondertussen ook verschillende sessies van het ouderprogramma hebben doorgemaakt. Niet alleen de jongeren worden bij Yes We Can Clinics behandeld, ook hun omgeving.

‘Je verandert niet veel als je enkel met de jongeren werkt, ook de rest van het gezin moet meedoen,’ vertelt Jan Willem Poot, de oprichter van Yes We Can Clinics.

Jan Willem Poot «Uiteindelijk moeten ze daar opnieuw naartoe. De fellows kampen met zware verslavingen en complexe gedragsproblemen, maar daarvóór waren er meestal ook al problemen. Vaak beseften hun ouders niet op tijd dat ze een kind hadden dat meer aandacht nodig had. Samen zijn ze verder gesukkeld, vaak met de beste bedoelingen. Ze dachten: hij groeit er wel uit. Maar dat gebeurde niet. En dan komt er een moment dat ze voelen: ‘Ik wil je niet meer in mijn huis.’ Ze kunnen hun kind niet meer de warmte en de liefde geven die het nodig heeft. Wat gaat die jongere dan doen? Van zijn ouders wegrennen. Nog meer drugs gebruiken, nog meer gamen of nog meer gokken. Nog dieper in de criminaliteit belanden, nog depressiever worden of zichzelf nog meer verminken.»

Veel fellows vertellen dat ze op de verbindingsdag herboren worden. Dan beseffen ze dat het misschien toch anders kan. ‘Ik heb nooit eerder mijn emoties kunnen tonen,’ zegt Otto.

Otto «Voor ik hier zat, had ik vier jaar niet kunnen huilen. Op de verbindingsdag zag ik mijn vader en hij begon te wenen. Ik snapte niet waarom. Mijn opa ligt al een tijdje op sterven, dus ik dacht dat hij dood was. Maar mijn pa zei: ‘Ik mis je.’ Door het ouderprogramma heeft hij geleerd hoe hij met mij moet omgaan. Ik heb hem toen alles verteld. Alles wat er fout was gegaan. Al mijn pijn en verdriet. Het was alsof de stop uit het bad werd getrokken en alle vuiligheid wegliep. Ik móést alles opbiechten.

»Nadat ik de eerste keer had geblowd, was mijn vader ontzettend boos geworden, dus terwijl ik mijn verhaal vertelde, zat ik klaar om zijn vuist te incasseren. Maar hij zei: ‘Dat is het verleden, we gaan een nieuwe start maken.’ Hij zei ook dat hij ondanks alles trots op me was. Dat had hij nog nooit eerder tegen me gezegd. Toen brak ik helemaal en moest ík huilen.»

De fellows leven volgens een strikt regime: opstaan om kwart voor zeven, daarna ochtendgymnastiek. Ontbijt om halfacht. Vervolgens een behandeling. Dat kan een één-op-ééngesprek met een psycholoog of een psychiater zijn. Bij Yes We Can Clinics krijgt elke behandelaar vier fellows toegewezen, wat in vergelijking met de traditionele zorgsector zeer weinig is. Daardoor kan er intens samengewerkt worden. Is er geen sessie onder vier ogen, dan hebben de fellows een groepsgesprek met hun counselor. Dat zijn ervaringsdeskundigen: volwassen mannen of vrouwen die zelf een zware tijd of verslaving achter de rug hebben, maar ondertussen al een paar jaar geen problemen meer hebben en clean zijn. Ze hebben ook de nodige opleidingen gevolgd om met jongeren om te gaan. Alle counselors krijgen een groep van dertien à vijftien fellows toegewezen, waarmee ze verschillende keren per week erg confronterende groeps-gesprekken voeren.

'Ik heb mijn broertje en mijn zusje bedreigd. Mijn broer met een pistool, mijn zus met een mes'

Daarnaast doen de fellows veel aan sport, samen met hun coaches. Die zijn altijd bij hen als ze niet bij een counselor of therapeut zitten: tijdens de sport- en avondactiviteiten, tijdens de maaltijden, tijdens de vrije momenten. De coaches zitten in de gang als de jongeren gaan slapen en ze maken hen ’s morgens weer wakker. Het zijn sportieve, jonge en hippe jongens en meisjes. Er zitten een fotomodel, een surfer, een breakdancer en een voormalige voetbalhooligan tussen. Sommigen hebben een zwaar verleden, sommigen zijn zelf afgekickt bij Yes We Can Clinics. Al snel worden ze de grote broer of zus van de fellows – een schouder om op te huilen, een boksbal om hun agressie op uit te werken.

Er is dus te allen tijde een volwassene – een behandelaar, een counselor of een coach – bij elke fellow. Gevolg: er zijn 90 personeelsleden voor 83 jongeren. ‘Wij werken niet verticaal,’ zegt Derek van Enk, de directeur van de kliniek in de Ardennen.

Derek van Enk «Onze medewerkers zeggen niet wat de jongeren moeten doen. Wij werken horizontaal en staan náást de jongere. Hij of zij wordt voortdurend omringd door mensen die er zijn om te hélpen. Uiteindelijk moeten de jongeren het zelf doen, maar ze hebben nooit het gevoel er alleen voor te staan.»


Respect, man!

Woensdagochtend, halftien. Na het afscheid van de vertrekkers en vóór de nieuwkomers arriveren, is er een community meeting. De hele groep zit samen in de grote zaal: 77 jongens en meisjes, tussen 13 en 21 jaar oud. Vandaag wordt de meeting geleid door Rogier Buningh, het hoofd van de counselors.

Rogier gaat in het midden van de groep staan.

Rogier Buningh «Mijn leven is bewogen geweest. Ik kom uit wat een warm, liefdevol nest leek. Maar toen is er iets gebeurd. (Wacht even) Seksueel misbruik. (Wacht opnieuw) Was het moeilijk om daarover te praten? Fuck, ja! Drugs gebruiken was makkelijker. En het hielp. Als ik high was, voelde ik de pijn niet.»

Rogier kijkt rond. ‘Zijn er mensen die dat herkennen, seksueel misbruik?’ Negen jongeren staan op. En coach Michel, ex-hooligan. Hij was ook een kooivechter en een beruchte cocaïnegebruiker en -dealer. Op zijn arm staat in grote letters getatoeëerd: ‘No Pride No Glory’. Michel kreeg zijn verslaving jaren geleden onder controle, ging speechen in de kliniek en mocht er een paar maanden later aan de slag als coach. Vandaag is hij 35 en heeft hij thuis een vrouw en een zoontje van 2. In de kliniek is hij ieders knuffelbeer, een voorbeeld van hoe mooi een mens kan zijn na zijn herstel.

Rogier vraagt wie er iets over zichzelf wil vertellen. Sammie staat recht. Zijn buurjongen gaat ook staan: een vast ritueel, zodat je meteen voelt dat je er niet alleen voor staat als je iets kwijt wilt. ‘Mijn vader is gestorven,’ zegt Sammie, een jongen die geen seconde kan stilzitten en van wie je dus meteen denkt: ‘ADHD’. Sammie is ook erg klein. Het gevolg van heel veel rilatine, zal ik later horen, vanaf zijn 6de al. ‘Jarenlang heeft mijn vader mijn moeder mishandeld,’ zegt hij tegen de groep. ‘Ik haat hem.’

‘Wie herkent dat?’ vraagt Rogier. Twintig jongeren staan op. Er volgen verhalen over vaders en stiefvaders die drankverslaafd waren. Drugsverslaafd. Seksverslaafd. Over in elkaar geslagen moeders en zussen. Ook Michel staat opnieuw recht: ‘Mijn vader heeft iedereen mishandeld die hij kon mishandelen. Daarom heb ik altijd naar een vader-figuur gezocht. Ik heb hem nooit gevonden. Maar je echte vader blijft altijd je vader, hoezeer je hem ook haat.’

Rogier «Herken je dat, Sammie?»

Sammie «Ja.»

Rogier «Hoe voelt dit?»

Sammie (veegt een traan weg) «Het lucht op.»

Rogier «Wie wil er nog iets vertellen?»

Matthias staat op. Zijn buurjongen ook. Matthias is een bedeesde, voorname jongen. Stijlvolle bril, leuk T-shirt, 15 jaar. Een kind nog, je zou hem meteen mee naar huis nemen om hem een beter leven te geven. Gisteren, toen hij me vriendelijk gedag kwam zeggen, vertelde hij dat hij gameverslaafd was en gedragsproblemen had. Matthias «Toen ik 3 jaar was, ben ik in een regenput gevallen. Mijn broer heeft me toen gered. Maar op z’n 13de is hij verschrikkelijk agressief geworden. Hij heeft me verschillende keren in elkaar geslagen, zonder reden. En nu ben ik doodsbang van de persoon die mijn leven heeft gered. Van mijn grote held. Ik durf niet meer met hem in hetzelfde huis te zijn. Dat is fucking lastig.»

Rogier vraagt of er nog fellows bang zijn van een familielid. Zeker dertig jongeren staan recht. Eén van hen begint te huilen. ‘Wat gebeurt er met jou?’ vraagt Rogier. ‘Ik ben misbruikt door mijn stiefvader,’ zegt het meisje. ‘Mijn vader heeft mijn moeder fysiek en seksueel mishandeld,’ zegt een jongen. ‘Mijn vader sloeg iedereen de hele tijd,’ zegt nog een andere jongen. ‘Ik ben zijn gedrag gaan overnemen, waardoor mijn zussen nu bang van mij zijn.’ Een meisje vertelt hoe ze vaak dagen aan een stuk door haar moeder in haar kamer werd opgesloten.

'Elke dag iets kunnen doen waar een ander beter van wordt: dat is het mooiste cadeau wat je als mens kunt krijgen.'

Laurens staat recht. Hij ziet eruit als de slimste jongen van de klas. Zijn haar opzij gekamd, zijn hemd dichtgeknoopt, 14 jaar. Doet geen vlieg kwaad, denk je. ‘Ik ben verslaafd aan xtc, MDMA, speed, cocaïne en alcohol,’ zei hij toen ik hem de vorige avond vroeg waarom hij in de kliniek was. ‘Mijn broer heeft me fysiek en mentaal mishandeld,’ zegt hij nu in de community meeting.

Laurens «Al zijn agressie liet hij op me los. Daardoor ben ik drugs gaan gebruiken. Dan dacht ik er niet meer aan. Dan voelde ik de pijn niet meer.»

‘Wie kent dat gevoel?’ vraagt Rogier. Lisa gaat staan. Een mooi meisje van 17. Lief snoetje, hip topje, strakke jeans, trendy sneakers. Lijkt zo van de Pukkelpopwei geplukt. Lisa stond ook al recht bij het vorige verhaal, én bij dat daarvoor, én dat daarvoor. Rogier kijkt naar Lisa en zegt: ‘Vertel maar.’

Lisa «Ik ben jarenlang gepest. Ik hoorde er niet bij. Als de rest van de klas ergens naartoe ging, dan vergaten ze me dat te vertellen. En als ik er wél bij was, werd ik geschopt en bespuwd. Om hoe ik eruitzag. Om hoe ik praatte. Omdat ik stotterde. Daardoor heb ik een laag zelfbeeld gekregen.»

Rogier «Wie kan daarvan meespreken, een laag zelfbeeld?»

Tien jongens en meisjes staan níét recht.

Rogier «Iederéén hier heeft een laag zelfbeeld. Dat is niet erg. Daar gaan we aan werken. Jullie zijn hier allemaal welkom.»

Een andere jongen staat op. Hij vertelt over de dood van een vriend. Ze gebruikten samen drugs, zijn vriend nam een overdosis. Hij voelt zich verantwoordelijk voor die dood. Daarna stierf zijn opa en pleegde zijn tante zelfmoord. Hij verloor veel mensen in korte tijd: ‘Ik voel me fucking eenzaam.’

Rogier «Je gebruikt een belangrijk woord: eenzaamheid. Wie van jullie voelt zich weleens eenzaam?»

Alle jongeren staan recht.

'Coach Michel tijdens een overlegmoment tussen coaches, behandelaren en counselors: 'Ik gebruikte, dealde, perste mensen af... You name it, ik deed het.'

Yannick neemt het woord. Hij wordt binnenkort 21, maar ziet er 17 uit. Zijn armen staan vol tatoeages.

Yannick «Ik dealde coke met twee andere jongens. Ze hebben het allebei niet overleefd. Ik trok me helemaal op mezelf terug, met bergen cocaïne. Ik durfde nergens meer naartoe te gaan. Zeker vijf keer heb ik langs de spoorlijn op een trein staan wachten. Maar ik durfde niet te springen.»

Twee meisjes vertellen dat ze heel bewust een overdosis namen. Iemand anders zegt dat hij een uur of twee boven op een appartementsblok heeft gestaan. Een jongen bekent dat hij zijn polsen heeft overgesneden. Een meisje zegt dat ze met een koord om haar hals op een stoel heeft gestaan. Ze durfde hem niet weg te trappen.

Rogier «Ik ben zo dankbaar dat jullie hier zijn. Veel mensen van jullie leeftijd halen het niet. Wij zullen jullie hier doorheen helpen. Geloof me, het leven wordt mooi. Dat kan Michel jullie vertellen. Michel, had jij nog geleefd als je niet in herstel was gegaan?»

Michel «Neen, ik had het echt niet gehaald. En nu ben ik zo blij dat ik nog leef.»

Rogier «Zijn jullie ook blij dat Michel nog leeft?»

Er wordt ja geroepen.

‘Respect, man!’ zegt Yannick.

'De ingrediënten van Yes We Can? De jongeren met veel warmte en liefde benaderen, maar ze tegelijk ook heel hard met hun gedrag confronteren'


Golf van liefde

Yes We Can Clinics ligt in de Belgische Ardennen, maar werd opgericht door de Nederlander Jan Willem Poot. De fellows zijn haast allemaal Nederlanders, omdat hun behandeling meestal door de ziekteverzekering of de gemeente wordt terugbetaald. Uitzonderlijk wordt er een Belgische jongere opgenomen, maar in dat geval moeten de ouders zelf de rekening betalen. Die bedraagt zo’n 40.000 euro, voor tien weken in de kliniek en drie maanden intensieve nazorg. ‘Die prijs hebben wij niet bepaald, maar de Nederlandse overheid,’ zegt Poot. ‘Een jaar in een ‘gewone’ instelling kost de staat zo’n 120.000 euro.’

Yes We Can Clinics is niet door mensen uit de zorgsector bedacht. De instelling zou niet bestaan, had Jan Willem Poot niet het leven geleid dat hij geleid heeft.

Jan Willem Poot «Op mijn 12de was ik heel verward. Ik was een populaire jongen, maar had vaak het gevoel nergens bij te horen. Ik was onzeker, wist niet welke kant ik op moest. Thuis was de situatie ook niet ideaal, en ik wist niet hoe ik met mijn gevoelens om moest gaan. Mijn oplossing was: op straat rondhangen, in Den Haag. Ik ontdekte de coffeeshops. Dat zorgde ervoor dat ik het eerste jaar van de middelbare school moest overdoen. Idem voor het tweede. In het derde jaar was ik geslaagd, met de hakken over de sloot. In het vijfde jaar had ik ’s morgens geen energie meer om nog naar school te gaan. Ik blowde dagelijks en gokte veel. Een vlucht uit het dagelijks leven. Op mijn 18de heb ik het ouderlijk huis verlaten en gingen alle remmen los. Binnen het jaar was ik verslaafd aan alcohol en cocaïne. Een halfjaar later moest ik al voor het eerst opgenomen worden.»

HUMO Raakte u gauw van de drugs af?

Poot «Nee, helemaal niet. Van de volgende negen jaar heb ik er bijna vier in klinieken doorgebracht. Ik heb in allerlei instellingen gezeten en tal van behandelingen ondergaan. Met zachte én harde hand. Maar niemand gaf me het antwoord op de vraag: ‘Wat is er eigenlijk met mij aan de hand?’ Niemand kon me van mijn pijn verlossen. Van het rotgevoel waar ik al vanaf mijn 12de mee rondliep.»

HUMO Hoe kwam dat?

Poot «De psychologen en behandelaars die ik heb gehad, in zes verschillende instellingen, waren allemaal warme en liefdevolle mensen. Maar zij kregen niet de ruimte om jongvolwassenen op de juiste manier te behandelen. Vaak werd hun opgedragen: ‘Hou voldoende afstand met je cliënt.’ Maar ik vóélde die afstand ook. Daarom vertelde ik niet wat er met mij aan de hand was, wat er mij was aangedaan of welke gedachten er door mijn hoofd spookten. Ondertussen werden mijn gedrag en mijn gebruik steeds erger. Ik herviel keer op keer. Het werd nooit minder, maar altijd meer.»

'In andere instellingen zijn continu drugs te krijgen, meisjes worden seksueel geïntimideerd, jongeren kunnen de hele nacht gaan fuiven'

HUMO Hoe komt het dan dat u het nog kunt navertellen?

Poot «Op mijn 27ste had ik nog twee mogelijkheden: of ik beroofde me van het leven – daar had ik talloze manieren voor bedacht – of ik zocht een ander soort hulpverlening. Als bij wonder kreeg ik een telefoonnummer van iemand die zei: ‘Misschien moet je deze mensen eens bellen.’ Ik heb dat nummer twee weken in mijn broekzak bewaard. Tot het weer eens heel erg was. Mijn familie wilde me niet meer zien – mijn vrienden wilden me al járen niet meer zien. Ik belde dat nummer en zei: ‘Ik ben Jan Willem. Ik ga dood. Help me!’

»Alle keren daarvoor kreeg ik dan iemand aan de lijn die zei: ‘Fijn dat u belt, maar we hebben een wachttijd. Mag ik alvast uw verzekeringsnummer? En kunt u uw huisarts laten bellen?’ Nu zei een vrouw aan de andere kant van de lijn: ‘Wat ontzettend knap dat u belt! Kom morgenochtend om negen uur langs en dan bekijken we wat we kunnen doen.’ De volgende ochtend zat ik in een wachtkamer. Een heel warme mevrouw kwam binnen. Ze keek naar me en zei: ‘Jij bent Jan Willem!’ Vervolgens zouden ze een uur lang niets van me vragen. Ik moest alleen maar luisteren. Iemand vertelde me haar verhaal. Ik voelde dezelfde pijn, dezelfde onzekerheid, hetzelfde schuldgevoel... Ik kon alleen maar ademloos luisteren, met tranen in mijn ogen. Er kwam een golf van warmte en liefde over me heen. Na een uur zei ik: ‘Vertel me wat ik moet doen.’ Voor het eerst kon ik vertellen dat ik al negen jaar dagelijks aan de cocaïne en de alcohol zat, dat ik me enorm eenzaam voelde, dat ik elke dag jankend in mijn bed lag, in de hoop dat ik doodging. Dat had ik nog nooit tegen iemand durven te vertellen.»

HUMO Wat gebeurde er toen?

Poot «Het zorgcentrum had een kliniek in Schotland. Daar mocht ik naartoe van mijn verzekering – het mooiste wat me ooit is overkomen. Zes maanden lang heb ik daar alle hulp gekregen om een goeie vent te worden, terwijl ik binnenkwam als een verwoeste jongeman die niet meer wist hoe hij zich moest gedragen.»

'Onze jongeren worden voortdurend omringd door mensen die er zijn om te hélpen. Ze hebben nooit het gevoel er alleen voor te staan.'

HUMO En toen begon u een vergelijkbare kliniek?

Poot «Nee, na nog een jaar nazorg in Nederland begon ik een sportbedrijf dat avonturenkampen voor scholen organiseerde. Mijn jeugd was me ontnomen, door wat andere mensen mij hadden aangedaan en door wat ik mezelf had aangedaan. Daarom wilde ik zo veel mogelijk tieners in het kwadraat teruggeven wat ik zelf gemist had.

»Met een klein beetje geld kon ik een oude boerderij huren. Het eerste jaar hadden we 500 jongeren, het tweede jaar hadden we er 2.000 en het derde jaar waren het er 10.000, met 40.000 overnachtingen. Het werd te druk om er zelf nog veel plezier aan te beleven.

»Maar steeds vaker kwamen er groepen jongeren met verslavings- of gedragsproblemen, die in een instelling geplaatst waren. Voor mij was dat één en al herkenning. Ik zag allemaal kleine Jan Willempjes de week van hun leven beleven. Maar ik hoorde ook hoe schrijnend hun verblijf in die instellingen vaak was. Er zijn continu drugs te krijgen, meisjes voelen zich onveilig en worden seksueel geïntimideerd, jongeren kunnen de hele nacht gaan fuiven en ’s morgens vroeg ongemerkt weer in hun bed kruipen. Daar werd ik heel kwaad van. Ik kon daar boos over blijven, of ik kon er iets aan doen. Met een aantal bevriende psychologen, ervaringsdeskundigen en coaches hebben we drie pilots met telkens tien jongeren gedraaid. Zo is Yes We Can gestart. De ingrediënten waren wat ik zelf in Schotland had meegemaakt: de jongeren met veel warmte en liefde benaderen, maar ze tegelijk ook heel hard met hun gedrag confronteren. De pilots werden een succes. In 2011 kreeg ik van de Nederlandse overheid de nodige erkenningen. Van toen af konden Nederlandse jongeren die te kampen hebben met een verslaving of een ernstige gedragsstoornis bij ons terecht, vergoed door de zorgverzekeraar en de gemeente.»

HUMO Hoe voelt het om dit te doen?

Poot «Voor mij is elke dag een cadeau. Ik heb elf jaar geleden een nieuw leven gekregen. Dat heb ik met beide handen gegrepen en ik laat het ook nooit meer los. Maar ik heb indertijd van mijn counselor geleerd: ‘Als je wil behouden wat je hebt gekregen, dan moet je het elke dag weggeven.’ Ik begreep dat toen niet zo goed, tot ik met Yes We Can begon. Wat ik doe helpt veel families naar een nieuw leven. Als mens is dat het mooiste cadeau: dat je elke dag iets kunt doen waar een ander beter van wordt. Geld, macht en rijkdom worden dan enorm relatief.»

De kliniek heeft een slaagpercentage van zeven op de tien, wat in de zorgsector erg veel is. Maar het betekent ook: drie op de tien haalt het niet. Zij worden vroegtijdig naar huis gestuurd of hervallen onmiddellijk. Op jaarbasis zijn dat honderd jongeren. ‘En dat zijn er honderd te veel,’ zegt Poot. ‘We moeten ons constant afvragen hoe we dat tot nul kunnen herleiden.’


Goed en slecht nieuws

Het is die woensdag niet de leukste ochtend voor de fellows. Zo dadelijk moeten ze afscheid nemen van de zes jongeren die na tien weken terug naar huis mogen. Allemaal zitten ze aan de ontbijttafel met hun eigen zorgen. Het meisje naast me wrijft bijzonder zenuwachtig over haar armen. ‘Ik heb vandaag verbindingsdag,’ zegt ze. ‘Ik ben nooit eerder zo nerveus geweest.’ De jongen aan mijn andere kant zegt niets, hij kijkt alleen maar boos in zijn kom cornflakes. ‘Hij is kwaad omdat zijn beste vriend uit de kliniek vliegt,’ zegt een andere jongen. ‘Die is gisteren Sammie naar de keel gevlogen.’

Straffen doen ze bij Yes We Can niet, maar verboden zijn, in het belang van ieders veiligheid: geweld, seks, drank en drugs. Zondig je daartegen, dan vlieg je er onverbiddelijk uit. Ik vraag hoelang die jongen al in de kliniek was. ‘Hij ging aan zijn negende week beginnen.’

'Ik heb altijd naar een vaderfiguur gezocht. Maar je echte vader blijft je vader, hoezeer je hem ook haat'

Als iedereen klaar is met eten staat coach Shem recht. Hij heeft triest nieuws. ‘Vier jaar geleden heb ik ook het Yes We Can-programma doorlopen’, vertelt. ‘Ik ben hier toen bevriend geraakt met een jongen die altijd één van mijn beste vrienden is gebleven, maar hij is hervallen. Gisterenavond heb ik telefoon gekregen. Hij heeft zelfmoord gepleegd. Vandaag kan ik afscheid van hem nemen. Mochten jullie zich dus afvragen waarom ik plots onverwacht weg ben...’

Iedereen ruimt zijn bord af en gaat Shem een knuffel geven. ‘Deelneming, man,’ zeggen ze. ‘Thanx, bro,’ antwoordt Shem.

Buiten, aan de pingpongtafel, kom ik Wout tegen. Een stoere jongen van een jaar of 17, met kleurrijke Nikes. Hij rookt zijn laatste sigaret in de Ardennen. Over een halfuur mag hij in een busje richting Eindhoven stappen. Wout heeft de tien weken doorstaan en kreeg daarvoor tijdens de afscheidsceremonie de vorige avond een zilveren halsketting, met daarop het symbool van Yes We Can. ‘Fuck, ik ben zenuwachtig,’ zegt hij. ‘Deze plek is zo bijzonder. De coaches zijn mijn broers en zussen geworden, heel veel fellows zijn nu mijn beste vrienden. Ik weet over hen veel meer dan over al mijn zogenaamde vrienden met wie ik jaren opgetrokken heb. Als ik het moeilijk krijg, zal ik hieraan denken.’ Wout toont de ketting onder zijn T-shirt. ‘Je kunt mij wel uit deze plek halen, maar deze plek nooit meer uit mij.’

* De namen van de jongeren zijn fictief.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234