50 jaar na de moord op Bobby Kennedy: op het spoor van de begrafenistrein

Op 5 juni 1968 werd hij neergeschoten en drie dagen later begraven, maar van die journaalbeelden herinner ik me niets meer. Maar in 1970 was er op tv een documentaire over het leven van Robert Francis Kennedy en één beeld heeft me nooit meer verlaten.

(Dit artikel verscheen in Humo 3535 op 3 juni 2008)

Na 1970 is Amerika nog lang veraf geweest. Tot ik er in 1988 voor het eerst verbleef. Het was een week New York, het woord wolkenkrabber was nog enigszins in gebruik, en ik keek mijn ogen uit. Ik kwam ook in Penn Station en daar las ik dat dat station de vertrekplaats was geweest van de RFK funeral train, en ook dat er langs het traject eindeloze mensenhagen te zien waren geweest. Tussen New York en de begraafplaats nabij Washington hadden naar schatting een miljoen Amerikanen een zomerse erehaag gevormd. Het was wárm, het was zaterdag en de sfeer van die memorabele middag is treffend beschreven in een relaas van de journalisten Warren Rogers en Joseph Roddy die mee aan boord waren en die later een serie publiceerden over de laatste dagen van RFK (in Humo verschenen in oktober 1968).

‘In Amerika is zaterdag de leegste dag van de week. Maar voor veel Amerikanen werd dit een betekenisvolle zaterdag. In Newark, New Brunswick en al die andere steden en kleine plaatsen leven nu mensen die die zaterdag nooit meer vergeten. (...) Buiten stonden de mensen op de daken van hun auto’s, ze klauterden in bomen en op elkaars schouders. Er waren zwarten en blanken bij, mensen met burgerrechten en anderen zonder. Ik wist niet dat er zoveel nonnen waren in Amerika, honderden kilometers lang heb ik ze in hun zwarte kleren zien staan bidden. Kleine jongens sprongen stram in de houding, meisjes knielden neer in de berm. (...) Mensen die lang moesten wachten, luisterden naar hun transistorradiootjes. Schoolkinderen begonnen te spelen, teenagers te flirten. Maar als de doodslocomotief met zijn trage sleep van eenentwintig rijtuigen uit de bocht kwam, stonden allen stil en keken strak voor zich uit.’ In hun relaas is kort sprake van ‘twee ongelukkige doden langs de route’, maar verder overheerst het beeld van dat roerloze respect dat zich honderden kilometers uitstrekte langs die dunne lijn van de spoorweg.

En ik weet niet wat het is, maar als ik die onafgebroken rouw langs die snerpende, knarsende trein voor de geest haal, dan ben ik aangegrepen en ontroerd. Nu nog altijd. Ik heb er geen passende verklaring voor. Tenzij... als je jong bent geweest in 1968, en als je ‘We Shall Overcome’ hebt staan zingen, zelfs al was dat in klasverband en met de armen op de rug en staande voor een leerkracht die te driftig de maat zwaaide, dan nog kan het gebeuren dat die woorden én dat jaartal iets in je binnenste zaaien dat nog moeilijk te ontwortelen is. We’ll walk hand in hand, some day, zoiets moet het geweest zijn op die zaterdag in juni ’68.


Lijkkist op stoelen

In 1998 schreef ik naar het Center for American Studies (in Brussel) of zij knipsels hadden over die treinreis, en die hadden ze. The New York Times uit 1968 werd bij hen op microfilm bewaard en ‘fotokopieën van de filmen kosten 10 frank per stuk indien U ze zelf ter plaatse komt maken’.

Het zijn twintig schrale A4-afdrukken van de zwarte microfilm, maar met geduld zijn die knipsels van 9 juni nog te lezen. De meeste aandacht gaat naar de uitvaart in St. Patrick’s Cathedral, maar er zijn ook enkele kolommen die de trein en de passagiers beschrijven: ‘De wagons zijn gewone passagiersrijtuigen, maar de laatste twee zijn zogenaamde private cars die heel luxueus zijn ingericht: met enkele slaapkamers, een salon, een keuken en een eetkamer. (...) De vrouw en kinderen van Robert Kennedy verblijven in dit sluitstuk van de trein samen met hun naaste familie (zoals moeder Rose, broer Edward ‘Ted’ Kennedy en Jackie Onassis, de weduwe van JFK, jh). De lijkkist staat midden in het salon en is op enkele stoelen gezet zodat ze zichtbaar is voor omstanders buiten de trein.’ Onder de elfhonderd (!) passagiers zijn naaste medewerkers, vrienden, politici, reporters en ook een aantal vips, zoals de weduwe van de pas vermoorde Martin Luther King en de actrice Shirley MacLaine.

En dan zijn er de alinea’s die de rouwende massa beschrijven. ‘Getrokken door twee zwarte elektrische locomotieven legt de begrafenistrein het traject af langs een bijna ononderbroken erehaag van volstaande perrons, rijen van toeschouwers bij kruispunten in de stad, en rijen van rouwenden in élke small town langs de route. In veel van die stadjes lijkt het alsof iedereen uit zijn huis gekomen is.

En zo rijdt de trein van het ene filmbeeld naar het andere: ‘Daar waar de stad overgaat in het platteland, staan ze in de berm, meisjes te paard en jongens schrijlings in de bomen. Je ziet een moeras zonder enig spoor van bewoning in de wijde omtrek, en ook daar knielt een man in de steenslag naast de rails. (...) Je ziet dichte bossen met maar één zandweg en één overweg en daar staan enkele gezinnen bij hun auto: ze wuiven naar de trein, ze houden de vlag in een groet of brengen een saluut met hun hand op het hart.’


Goud op de rails

Het was een collectief eerbetoon. Ook in New York hadden de straten zwart gezien van het volk, hadden winkels hun deuren gesloten, hadden chauffeurs van taxi’s en stadsbussen hun voertuig tot stilstand gebracht op kruispunten en waren ze met hun passagiers op de rijweg gaan staan om een glimp van de lijkstoet op te vangen (‘Het was onwezenlijk stil in dat grote New York. Toen de lijkwagen eraan kwam en het sst-sst-sst! van de menigte iedereen deed zwijgen, kon je het klapwieken van een duif tot honderd meter ver horen.’)

Die standstill van het enerverende Manhattan moet indrukwekkend zijn geweest, maar één van de meest markante beelden komt toch van het platteland en haalt een kleine kolom op pagina vijf: ‘Toen de trein in Washington DC aankwam, was het negen uur en zo goed als donker. De bestuurder van de trein zei dat ontelbare mensen onderweg een geldstuk op de rails hadden gelegd, om het daarna als souvenir te bewaren. ‘Ik denk dat er honderdduizenden munten op de sporen lagen,’ zei hij. He could feel the coins crunch as the train passed over them.’

Dat beeld van al die tienduizenden die een muntstuk op de rails offeren en dan al die geldstukken die onder de omwenteling van de wielen tot een glanzend aandenken worden gewalst, dat is van een aparte schoonheid. En daarvoor moet je ook een flink eind in de vorige eeuw geboren zijn, om nog te weten dat treinen een onuitwisbaar spoor kunnen maken.

Die achtste juni laat me niet meer los. Ik wil er meer van weten en directe ooggetuigen spreken. In de New York Times vind ik de namen van de crew members die toen in de stuurpost zaten van de trein: bestuurder John P. Flanagan, railroad supervisor Harry Brevort en fireman A.M. Boysa. Zouden ze zoveel jaar later nog in leven zijn?


Brother Hertoghs

En zo kwam ik langzaam langszij de trein. Met kleine en heel kleine stukjes verhaal. De trein die het stoffelijk overschot van Robert Kennedy naar zijn laatste rustplaats nabij Washington bracht, was eigendom van de Penn Central Railroad en werd getrokken door twee gekoppelde GG1-locomotieven. Hij was om 13.02 uur vertrokken in Penn Station en werd kort voor 17 uur op zijn eindbestemming verwacht. De afstand bedroeg 364 km, maar in plaats van vier uur duurde de rit ácht uur en zes minuten.

Al die details weet ik zo exact omdat Joe McCarthy ze mij heeft verteld. Joe is lid van de Brotherhood of Locomotive Engineers, een organisatie met een fantastische naam die ik als eerste had aangeschreven met de vraag of zij meer wisten over de crew die toen aan boord was. Joe was zelf ook zijdelings bij de begrafenis betrokken geweest, hij had in een protect engine gezeten, een loc die halverwege het traject op een zijspoor stond voor het geval de Kennedy-trein machinepech zou krijgen. Joe lanceerde mijn vraag gelijk op de list server van de Brotherhood, en aan ieder die het las vroeg hij om our foreign Brother Hertoghs te helpen en op de juiste tracks te zetten. Goeie gast, die gepensioneerde JMC uit Philadelphia, hij ondertekende zijn mails zelfs met een wereldomvattende groet: To Jan – fraternally across the globe!

Binnen twee weken kwam ik te weten dat AM Boysa nog zou werken in Penn Station en dat supervisor Brevort in Manahawkin, New Jersey zou wonen, maar dat bestuurder JP Flanagan gestorven was. Er zou ook nog een brakeman aan boord zijn geweest, ene Sterling McIntire. Intussen had Joe nog een andere vereniging ingeschakeld, de National Association of Retired & Veteran Railway Employees. Die hadden honderdzestig afdelingen over de hele VS, wat de zoektocht dan weer lichtjes bemoeilijkte: op een bepaald moment had ik wel négen namen. Bleek dat er met de begrafenis niet één maar vier of vijf treinen gemoeid waren. Voorop reed een pilot train met vier lege rijtuigen, die moest dienen als doelwit voor mogelijke terreuraanslagen. En na de eigenlijke begrafenistrein volgde nog een chase engine om achteropkomend spoorverkeer af te blokken, en dan waren er nog één of twee protect locomotives die op een zijspoor stonden voor een noodgeval.


De doodsklok

Joe McCarthy had de tv-documentaire uit 1970 nooit gezien, maar hij meende zich wel te herinneren dat de treinrit niet rechtstreeks was uitgezonden. Wel stonden er in de belangrijke stations en op een aantal spoorbruggen tv-camera’s en radioverslaggevers, ‘en die hadden de normale programma’s van die dag regelmatig onderbroken voor liveverslaggeving’. Wat veel indruk bleek te maken op de omstanders was de sonore slag van de engine bell op de frontlocomotief (de meeste passagierstreinen in de VS hebben nu nog een bronzen klok op de locomotief), ‘die had geklonken als een sombere doodsklok’.

Als ik Joe echter naar die massa’s van onderweg vroeg, dan ging hij daar amper op in. Meer nog, hij vond die hele treinrit ‘een groot fiasco. De Kennedy’s wilden aan iedereen tonen: zie eens wat je onze familie weer hebt aangedaan. Maar ze hebben zelf voor nieuwe tragedie en rouw gezorgd!’

En dan volgt het hele verhaal van de twee doden en zes gewonden in Elizabeth, New Jersey: ‘Dat ongeval gebeurde al binnen een halfuur na het vertrek uit New York.’ Er was die zaterdagmiddag een algemeen rijverbod op de hoofdlijn tussen New York en Washington en alle parallelsporen. Maar er was één uitzondering gemaakt voor exprestrein nummer 50, The Capital Limited, die een vaste dienst verzorgde tussen Chicago en New York en die uit de tegenovergestelde richting kwam. ‘Om één of andere duistere reden mocht die wel door van de dispatcher.’ Probleem was dat er ‘honderdduizenden mensen in de bermen stonden, maar dat er ook tienduizenden op de rails stonden om uit te kijken waar de trein bleef. De spoorwegen hadden die massa’s nooit verwacht en de politie stond overal machteloos.’

‘Wij stonden op het zijspoor, en wij konden de communicatie horen tussen de hoofdseinpost en de bestuurder van de ‘50’. Keer op keer zei die dat er volk op de rails stond, eerst waren het er honderden, dan duizenden, en wat hij in godsnaam moest doen? Rij maar door, was het antwoord. Hij zei dat hij zijn snelheid moest aanpassen omdat de menigte zo naar de rails drong, en nog spraken ze niet van stoppen. Eerst reed hij 80 mijl per uur, dan 70 en toen hij bijna in Elizabeth was, reed hij nog altijd 50 mijl per uur.’

Joe zei dat ze het ongeluk hóórden aankomen in hun stuurpost: ‘It was like having to sit through a bad movie. Trein 50 kwam Elizabeth binnen via een S-bocht en de bestuurder deed niet anders dan op zijn noodhoorn blazen en de klok luiden. Bij het uitkomen van de bocht moet hij het gezien hebben: die mensen op het spoor die zich nog uit de voeten probeerden te maken maar die niet op het perron raakten omdat dat overvol stond. Hij heeft een noodstop gemaakt maar is toch nog tegen een hoge snelheid tussen de wegvluchtenden geploegd. Eén man van 56 was op slag dood. Een vrouw van 56, een oma, had haar kleinkind van drie op de arm en heeft dat kind in extremis van zich weggegooid. De wand van de locomotief heeft dat kind nog geraakt en het is tollend op het perron gekwakt. Die vrouw was dood. Dat kind is gered.’ En, zegt Joe, ik twijfel of de Kennedy’s er iets van gehoord of gezien hebben, ‘zeker waren ze te veel met hun eigen rouw bezig.’

Toch hadden verschillende passagiers het bloedbad gezien. Sommige waren lijkbleek en misselijk, maar agenten van de FBI vroegen aan iedereen om het stil te houden en zo is de familie Kennedy pas na aankomst in Washington op de hoogte gebracht.

De bemanning van de begrafenistrein kreeg wel de opdracht trager te rijden om een nieuwe ‘mensenbotsing’ te vermijden. En, schreef Joe, dan ben je allicht ook de eerste journalist die dit te weten komt: ‘Die sombere klok op de locomotief, die bij zovele mensen is blijven nazinderen, en die ook nog járen is opgedoken in alle tv-archiefbeelden, die klok is niet meer. Ze werd nog diezelfde nacht gestolen uit het engine house in Philadelphia. De dief gebruikte een metaalzaag, en het staat vast dat het een collega was die zijn weg wist in dat rangeerstation.’


Verloren onschuld

Joes relaas was een domper. Ik had een ingetogen beeld van die uitvaarttrein en dit was de ontnuchtering. Zo is dat met geïdealiseerde voorstellingen, je mag ze niet nader bekijken of aanraken, want dan waaiert het gouden stof in alle richtingen. Verloren onschuld, once again.

En dus liet ik de zoektocht maar rusten. Tot in september 2000, toen mailde Tom Rinaldi. Hij was student Amerikaanse geschiedenis aan Georgetown University in Washington en hij ging een paper schrijven over ‘Robert Kennedy en het Amerika van de sixties’ en vol gens hem was het beeld van de rouwende massa langs de begrafenistrein one of the most poignant and vivid images of the 1960s. Hij was ook op zoek gegaan naar de crew, en tijdens zijn internetzoektocht was hij bij de Brotherhood aanbeland en die hadden hem naar Belgium verwezen. Ik gaf hem alle gegevens van alle mogelijke crew members en was benieuwd naar zijn bevindingen. Drie maanden later gaf hij een stand van zaken: Flanagan was inderdaad dood, Brevort bleek gestorven te zijn twee weken voor hij diens telefoonnummer vond, en brakeman McIntire was nergens te traceren. Bleef over: fireman Anthony Boysa. (Een fireman is de stoker van een stoomlocomotief, maar de term wordt nog steeds gebruikt in het moderne treinverkeer, het is de assistent-bestuurder.)

Nog eens drie maanden later stuurde hij een kopie van zijn paper. Hij had met de 61-jarige Boysa gesproken, en die vond die achtste juni ‘zijn allerslechtste werkdag’, want hij had het ongeval in Elizabeth zien aankomen: ‘Toen wij het station naderden zagen we hopen mensen op de sporen, ze drongen in de richting van onze trein, ze waren erop uit om bekende mensen te zien achter de ramen. Ik zat in de binnenbocht, de 50 kwam van de andere kant en ik dacht meteen: hij ziet dat volk niet, my God, hij rijdt ze allemaal dood! En twee seconden nadat ik zijn loc gekruist was, is hij op die mensen gebotst.’

Boysa en Flanagan kregen meteen het bevel om snelheid te minderen tot 45 km per uur. Maar niet veel verder gebeurde een tweede ongeval. In Trenton was een achttienjarige boven op een boxcar geklauterd om een beter uitzicht te hebben. Iets bracht de goederenwagon uit balans, de jongeman verloor zijn evenwicht, zocht houvast en pakte de stroomdraad vast. De 11.000 volt sloegen hem van de wagon en Boysa had ‘de jongen op de grond zien liggen’. Hij was zwaar verbrand maar ‘als bij mirakel overleefde hij die stroomstoot’.


Lincoln achterna

Het was me nu wel duidelijk, onder spoorweglui wordt met zeer gemengde gevoelens teruggekeken op die ‘vermaledijde trein’. En ook elders was er kritiek. Nog niet in 1968, maar wel zo’n dertig jaar later. De Kennedy’s – die dan al lang het aureool van de Heilige Familie verloren hadden – kregen het verwijt dat ze van de begrafenis een pr-stunt hadden willen maken. In juli 1999 schreef de krant USA Today: ‘De Kennedy’s begraven hun doden met stoïcijnse blik, verheven retoriek en een overweldigende symboliek. Een begrafenis is geen uitvaart, maar een statement. En elke nieuwe dode in de familie is een kans om de public relations te verstevigen: wij Kennedy’s lijden, maar wij versagen niet.’

De begrafenistrein zou ‘afgekeken’ zijn van de funeral train van Abraham Lincoln in 1865. Lincoln was de president die de slavernij afschafte. Hij werd van dichtbij neergeschoten tijdens een theateropvoering in de hoofdstad, en zijn begrafenistrein reed van Washington naar Springfield, Illinois. Een afstand van 2.700 km, die in veertien dagen werd afgelegd. De trein reed nergens harder dan veertig per uur en vertraagde in elk station tot amper tien per uur ‘zodat de omstanders een laatste groet konden bewijzen’. In grote steden werd de kist van de trein gehaald en in openbare gebouwen opgebaard voor lange rijen rouwenden. ‘Naar schatting vijf miljoen mensen, één vijfde van de totale bevolking van de VS in dat jaar, zag de begrafenisstoet.’

De naaste medewerkers van Robert Kennedy hebben altijd ontkend dat ze die link met Lincoln gezocht hebben: ‘Het was een kwestie van logistiek: er waren gewoon te veel genodigden om ze allemaal op vliegtuigen te zetten.’


Trein der traagheid

En zo gaat het wel vaker, je begraaft een onderwerp en dan komt het je zelf halen. In 2001, een jaar dat er op geen enkele wijze een verjaardag van 1968 gevierd kon worden, verschijnt er plots een fotoboek: ‘RFK Funeral Train’ van Paul Fusco. Ik bestel het via internet, scheur het inpakpapier los en geen tien foto’s later staan de tranen me weer in de ogen. Op geen enkele foto is de trein te zien, maar het ongeloof en het verdriet naast de sporen heeft Fusco als geen ander vastgelegd. Ik haal er de New York Times nog eens bij.

‘Brandweerlui en boyscouts stonden stram en in geef acht. Er waren bordjes met letters in zwarte verf: Goodbye Bobby! We’ll Miss You! Lokale baseballploegjes, jeugd en veteranen, hadden hun wedstrijd gestaakt en stonden bij de berm met hun cap of handschoen op het hart. Families waren aan het vissen op een meer: als één man kwamen ze in hun roeiboten overeind en staken hun hand op naar de traag rijdende trein.’

‘In Torresdale strooiden toeschouwers rozenblaadjes op de sporen. In Baltimore zongen ze Glory Glory Hallelujah.’

‘Sommige hadden uren staan wachten om de trein te zien. Anderen kwamen toevallig langs. De meeste wuifden, sommige weenden.’

‘Het was een dwarsdoorsnede van een typische zaterdagmiddag in Amerika. Duizenden vrouwen hadden hun krulijzers in omdat ze die avond uit gingen, de mannen stonden in onderhemd of bloot bovenlijf omdat het zo warm was. Die casual dress van de grote massa, dat easy goin’ beeld van een Amerika dat zijn lome zaterdag onderbroken had, leek de perfecte hommage aan de man die zelf nooit enige formaliteit had gekend in zijn omgang met mensen.’

‘En alle rassen en standen waren vertegenwoordigd, maar in de zwarte neighborhoods van Philadelphia waren de rijen het dikst: in het Noordstation stond zeker 25.000 man en de trein moest er zo traag rijden dat hij bijna tot stilstand leek te komen tussen de golven van rouwenden. Ethel Kennedy, Bobby’s weduwe, en haar schoonzus Jackie kwamen bij het raam staan, wuifden en de menigte brak los in applaus.’


Aan het raampje

Ik bel de nu 78-jarige fotograaf, die tijdens zijn lange carrière Magnumreporter was en onder andere werkte voor Look, Time en Newsweek. Paul Fusco spreekt met haperende en rasperige stem, maar de beelden van die dag is hij niet vergeten. Paul Fusco «Ik was toen achtendertig, een linkse Democraat en een aanhanger van Kennedy, maar dat ik op die trein belandde, was toeval. Ik werkte voor Look, een tegenhanger van Life, en omdat onze redactie niet ver van St Patrick’s Cathedral lag, liep ik die zaterdag langs met de vraag of ik íéts kon doen. Mijn editor zei kortweg: in Penn Station staat een trein, die rijdt met de kist naar Washington, get on it! Ik pakte m’n spullen, kocht genoeg pellicule, ging naar het station waar die trein nog leeg stond, liet mijn perskaart zien en die securityman heeft me naar een rijtuig gebracht en op een plaats gezet, sit there and don’t move!

»Twee uur later is die trein vertrokken en ik was nerveus, want m’n editor had niet gezegd wat ik moest fotograferen. Ik dacht, hij zal de begrafenis in Washington willen, en daarmee zat ik in mijn maag, hoe ga ik daar in die zee van fotografen een apárte foto kunnen maken?! De trein was intussen vertrokken, onder de Hudson door en bij het eerste station zag ik ze staan: dikke rijen op elk perron, ik was stomverbaasd, ook in de kranten had niks gestaan dat men zoveel volk verwachtte. Ik heb de knip losgemaakt, dat raam omlaaggeduwd en ik ben daar blijven staan voor de rest van die dag.

»Het was overrompelend: America came out to mourn! Je kon het kilometer na kilometer zien: hoe hard de mensen geraakt waren door zijn dood. Ik was zelf ook danig ontroerd. Soms zag ik niet meer scherp, dan moest ik de tranen uit m’n ogen vegen. Op die trein lag Kennedy dood, wat moest er nu van dit land worden, en buiten stond die brotherhood of men... Het deed pijn en het was wondermooi tegelijk.

»Van het ongeluk in Elizabeth heb ik niets gezien, dat gebeurde aan de andere kant. Maar die jongen op de boxcar zag ik wel. Ineens waren er die vonken en ik zag die gast met een smak van die wagon vallen. De mensen liepen naar hem toe, en terwijl we voorbijreden, riepen ze help us! naar ons, ik heb dat ook op foto’s, maar die laat ik niet afdrukken.

»Na de begrafenis heeft Look een special gemaakt over Kennedy’s leven, en daarin was geen plaats voor mijn foto’s. Jammer. Want van al de fotografen aan boord was ik de enige die die mensenrijen zo in detail heeft gedocumenteerd.

»Als ik de opnamen aan vrienden liet zien, zei iedereen: knap werk, waarom zoek je geen uitgever?! Bij de tiende, twintigste en vijfentwintigste verjaardag van zijn dood heb ik de foto’s her en der aangeboden, maar er was geen interesse. Het leek alsof die periode van de Kennedy’s en de sixties definitief was afgesloten. Pas bij de dertigste verjaardag zijn ze voor het eerst in een magazine verschenen en heeft Magnum Londen een expositie aan die trein gewijd, en daaruit is dan in 2001 dat fotoboek gevolgd.

»En ik zie nu wel dat er opnieuw belangstelling is voor de sixties, maar 1968 ligt toch nog moeilijk in de VS. Jullie hebben Parijs en die ideeënstorm van mei ’68 gehad, dat spreekt nog tot de verbeelding. Maar wij zitten met die twee politieke moorden in dat jaar, in april was Martin Luther King al vermoord, en dat is toch een pijnlijker omkijken.»


Vaarwel hoop

So-long Bobby stond er op het onhandig geschilderde spandoek. Het was een Amerika dat afscheid nam. Van zijn toekomstige president, maar ook van de belofte van minder armoede en minder racisme. Fusco «Bob Kennedy was de laatste presidentskandidaat die de underclasses nog hoop kon geven. Je zag dat op die zaterdag. Ze kwamen massaal naar de spoorweg, want ze wilden hem nog één keer zien: die man die hun een toekomst had willen geven. En die hoop verdween met die trein. All hope, all future, it was gone.»

Geschiedenisstudent Tom Rinaldi schrijft: ‘Op een moment dat het land verscheurd werd door rassengeweld bracht de begrafenistrein van Robert Kennedy – al was het maar voor enkele uren – honderdduizenden zwarten en blanken samen. Vandaar dat het beeld van die middag zo lang gekoesterd is en stilaan een icoon van de sixties is geworden.’

Sail on silvergirl. De trein is verdwenen in het trillen van de hitte en in de smaller wordende loop der jaren. En de muntstukken van onder de wielen, waar zijn ze nu, en zouden ze hun glans nog hebben.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234