null Beeld

70 jaar na de Slag om de Ardennen

De Slag om de Ardennen was het grootste Duitse offensief in West-Europa sinds de blitzkrieg van mei 1940. Hitler wilde in december 1944 in zeven dagen naar Antwerpen om er de (aanvoer)haven te heroveren. De Duitsers raakten echter niet weg uit de Ardennen. De slag duurde zes weken en er sneuvelden 1.900 mensen per dag. Eddy Monfort (44), een magazijnier in een doe-het-zelfzaak, is al dertig jaar gefascineerd door de Slag, interviewde na zijn dagtaak honderden getuigen en schreef zo drie naslagwerken bijeen. Het verhaal van een kleine man én een Siberisch koude oorlog.

Eddy Monfort «Mijn interesse is ontstaan op de middelbare school in Manhay. Een leerkracht hield veertig jaar na de Slag een tentoonstelling, en had voor z’n expo hulp nodig van de leerlingen houtbewerking. Zo heb ik voor het eerst foto’s gezien van m’n dorp, geteisterd door die gevechten.»

De 14-jarige Eddy begon in eigen familie en omgeving verhalen te verzamelen en boeken te lezen, en werd lid van het Centre de Recherches et d’Informations sur la Bataille des Ardennes, een groepering die historisch onderzoek doet en rondleidingen voor oorlogsveteranen organiseert: ‘Die veteranen hadden allerlei vragen, waardoor ik mij nog meer in de materie ging verdiepen, en zo verzamel ik al dertig jaar getuigenissen. In die tijd heb ik een paar honderd mensen van de streek en een paar honderd Amerikaanse veteranen geïnterviewd, plus enkele Duitsers.’

Eddy begon te schrijven in een tijd zonder computer, zonder internet: ‘Ik heb zeker tien jaar brieven geschreven met pen en schrijfmachine.’ Zijn kasten staan vol classeurs, de ringen knellen ontelbare Amerikaanse brieven. Had hij dan Engels geleerd op school? ‘Nee. Ik ben speciaal avondschool Engels gaan volgen om buitenlandse boeken te kunnen lezen en met die veteranen te kunnen corresponderen.’

Boerengeschut

De Slag om de Ardennen begon midden december 1944. Het was het grootste Duitse offensief in West-Europa sinds de blitzkrieg van mei 1940. Meer dan 1 miljoen manschappen werden ingezet. Hitler wilde in zeven dagen doorstoten naar Antwerpen, om er dé aanvoerhaven van de geallieerde invasie te heroveren. De westerse inlichtingendiensten waren compleet verrast, maar toch raakten de Duitsers niet weg uit de Ardennen. Ze beten hun tanden stuk op de Amerikaanse artillerie en op de winter, die één van de koudste was van de vorige eeuw. De Slag duurde zes weken en er sneuvelden 1.900 mensen per dag: in totaal verloren 33.000 Duitsers, 40.000 Amerikanen en 3.000 burgers het leven.

Eddy zal me enkele plaatsen tonen waar de Slag z’n sporen heeft nagelaten. Vanuit z’n living heb ik de heuvelrug boven Malempré kunnen zien: daar is zwaar gevochten. Hij wijst naar de wei waar negen uitgebrande Sherman-tanks stonden: ‘De Amerikaanse bevrijdingstroepen die hier in deze ‘kalme streek’ gestationeerd waren, kwamen vaak recht uit de VS; ze waren bleu en hadden nul oorlogservaring. In december stonden ze ineens tegenover geharde Duitse tankcommando’s met víér jaar ondervinding. Vandaar hun grote verliezen.’

We gaan het bos in. Takken kraken onder onze stappen. Eddy wijst ons op de grotere putten ‘van explosies’ en de vierkante putten met een bult rondom, ‘de schuttersputjes’. De tijd heeft ze met zand, mos en houtpulp gevuld, maar ze zijn nog goed te onderscheiden. Hier kwam hij als gamin naar kogels, granaatscherven en drinkbussen speuren. ‘Je kon alleen nog dat kleine spul vinden. De ijzerhandelaars waren met de pantsers en de voertuigen weg. De rest hebben de boeren ingepikt. Die gebruikten de korte loop van mortierkanonnen als weipalen en de lange loop van tanks om een bouwvallige schuur te stutten.’ Ook lege munitiekisten waren gewild, ‘om gereedschap in op te bergen.’

Schuilplaatsen

Boven het dorp Ottré ligt de oude leisteengroeve. We passeren een bord ‘Privéterrein’, struikelen naar beneden langs een helling met losse stenen, en dan is daar – verdoken tussen de varens en de vermolmde boomstammen – een zwart gat, de ingang van wat toen een uitgegraven galerij was. ‘Hier hebben dertig inwoners een week geschuild voor de bombardementen. Mannen, vrouwen, kinderen en bejaarden, met enkel wat dekens.’ Het was januari en steenkoud, de bommen vielen vlakbij en boven hun hoofd denderden de tanks: de ‘galerij’ liep immers onder de grote weg. Toen ze terug naar huis konden, bleek de helft van de huizen verwoest.

In de Ardennen hebben tienduizenden mensen hun toevlucht moeten zoeken in tunnels, kelders en andere onderaardse beschuttingen. ‘We leefden als mollen,’ zei een getuige. In de kelder van het pensionaat van Bastogne was zó weinig plaats dat de negentig kinderen in rijen op stoelen werden gezet. Door dat gebrek aan beweging en bloedcirculatie ‘zwollen hun benen op en scheurde de huid open’.

In Sankt Vith heeft een grote groep burgers vijf weken in een oude spoorwegtunnel geschuild; in Rochefort verstopte de bevolking zich in grotten en was het enige drinkbare water ‘de druppels die van de stalactieten vielen’. Het werd in flessen en bekers opgevangen en ‘men verdrong zich om elke bron’. Op veel plaatsen was er watergebrek omdat de waterleiding stuk was. In kerken dronk men wijwater uit de doopvont, in kapotte huizen ging men water uit de stortbak van het toilet halen. Een jonge moeder die in de bossen was gevlucht, nam sneeuw in haar mond tot het warm smeltwater was en gaf het haar zuigeling te drinken. Elders had een moeder een bokaal appelazijn mee naar de schuilkelder kunnen nemen, en haar kinderen herinneren zich dat ze elke dag een paar druppels kregen met een druppelteller: ‘Het smaakte beter dan de beste champagne ter wereld.’

Veteranen

En zo heeft elk Ardeens dorp zijn schuilplaatsverhalen. Eddy leerde de schuilplek in de steengroeve kennen toen een Amerikaanse veteraan Ottré bezocht. ‘De soldaat wou het dorp zien waar hij gevochten had, en de inwoners lieten hem zien waar zij zich heel die tijd verstopt hadden.’

Niet alle veteranen hebben zulke nauwkeurige herinneringen.

Monfort «Je hebt er die niks herkennen. De oorlog is weg, de dorpen zijn veel groter, de wegen ook, ze kunnen zich niet oriënteren. Maar je hebt er ook die feilloos het huis en het raam kunnen aanwijzen van waaruit ze geschoten hebben. Ik klop dan aan, want voor die veteranen gaat elke deur hier open, en zo’n man mag dan met die bewoners de trap op naar de slaapkamer. Je staat bij dat raam, een doodgewoon raam, maar alle aanwezigen zitten ineens terug in die oorlog, en dat is emotioneel. Alle ellende – de kou, de honger en de uitgestane doodsangst – komt dan weer naar boven.

»Zo kwam ik met een zeventiger bij een bos dat hij herkende. Hij stapte resoluut tussen die bomen en bleef ineens staan. Aan zijn rug zag ik dat hij snikte: hij had drie kameraden verloren op die plek. We zijn dan naar het American Cemetery in Aken gereden om hun graf te zoeken, en ook daar is hij op z’n knieën gezakt. Die drie jongens lagen naast elkaar.»

Eddy sprak ook Amerikaanse veteranen die via het internet Duitse soldaten hadden leren kennen, en die samen de plekken gingen bezoeken waar ze ooit tegenover mekaar stonden. ‘Duitsers zoeken wel minder contact met de bevolking. Die zijn onzeker over de reacties.’

In de jaren 80 kwamen soms nog vijfhonderd veteranen naar de jaarlijkse reünies, nu zijn het nog amper een handvol: ‘Ik heb nu vooral contact met de kinderen van veteranen.’

Mijn zusjes in België

Zo komt het soms tot een heel laat ‘weerzien’.

Monfort «Ooit hebben de kinderen van een gestorven veteraan uit Californië contact met me opgenomen. In zijn documenten hadden ze een fotootje gevonden ‘van de Ardennen’ met vijf meisjes erop, en het bijschrift: ‘Mijn zusjes in België’. Of ik in de Ardennen soms een familie met vijf dochters kende? Ik wist bijna direct om wie het ging, want in mijn getuigenissen van het dorp Regné zat een gezin met meerdere meisjes die zich al heel hun leven afvroegen wat er van ‘hun’ Amerikaan geworden was! Zij dachten dat hij dood was, omdat hij zo zwaargewond was. Dat gezin had die gewonde soldaat verzorgd, maar toen de Duitsers te dicht kwamen, moest hij op de loop. Hij had dan gezien dat de Gestapo dat huis was binnengevallen, en hij dacht dat iedereen vermoord was. Uit schuldbesef had hij nooit naar België durven te schrijven. Die twee families heb ik bijeen kunnen brengen. De weduwe van die veteraan is met de kinderen naar België gekomen, en in Regné hebben ze een feest en een formidabele ontvangst gekregen. Het dorp heeft later zelfs een monument geplaatst om die hereniging te herdenken.»

Als ik hem vraag waarom hij driekwart van zijn leven aan zes weken oorlog heeft besteed, dan zal hij ook die veteranen noemen: ‘Ik doe het uit dankbaarheid voor hen. Zij hebben hun leven gewaagd voor mijn kleine dorp in de bossen. Voor hen heb ik die boeken geschreven; hún geschiedenis heb ik op papier willen zetten.’

Nog een motief is dat zijn streek amper genoemd wordt in de literatuur: ‘Veel buitenstaanders denken dat het zich allemaal rond Bastogne heeft afgespeeld. Bastogne houdt dat imago zélf ook in stand, maar de realiteit is heel anders. Er zijn veel dorpen waar zwaar gevochten is en waarvan de geschiedenis nog onbekend is.’

Spelen tussen de gesneuvelden

De kasteelhoeve Caprasse in Sterpigny heeft nog altijd haar statige allure van zomerverblijf voor de welstellende burgerij. In 1944 was hier een veldkeuken en een veldhospitaal. De man die brandhout klieft, verwijst ons naar Yvette Wilmotte. Haar ouders betrokken de boerderij die een annex van het landhuis was.

Yvette was 9 in 1944, ze mocht van de Amerikanen ‘met een soldatengamel mee aanschuiven voor warme chocola’. In december barstte het Duitse offensief los en werd er met lakens een wit kruis op het kasteeldak gelegd, om aan te geven dat er een lazaret was: ‘Eén keer is er toch een obus door ons raam gevlogen, rakelings langs de wieg van m’n pasgeboren broertje.’

De kinderen zagen de oorlog van dichtbij.

Yvette Wilmotte «De brancardiers konden via ons huis ook in het kasteel, dus als die kasteelvestibule vol brancards stond, dan kwamen ze met hun gewonden langs onze keukentafel. Alle verdiepingen en gangen van het kasteel lagen vol gekwetsten, en zo’n jonge jongens! En kermen en roepen, dag en nacht! De doden zagen we ook, want die begroeven ze in onze voortuin.»

In ‘La Bataille des Ardennes’, een boek dat in 1985 is uitgegeven door de RTBf, getuigen nog andere burgers over de ellende in Caprasse: ‘Op het erf en bij de stallen liggen kadavers van vee en in de keuken liggen stervenden die om hun moeder schreeuwen. Het is op dat erf dat ik honden en varkens aan lijken en kadavers zag bijten. Een zeug liep weg met een mannenhoofd tussen haar kaken.’

De man van Yvette heeft tot nu toe gezwegen. Hij zal het gesprek over een andere boeg gooien: ‘Na de oorlog, toen viel er wat te beleven!’ Maurice Therer was 14 en elke dag trok hij met z’n broer naar de restanten van het slagveld.

Maurice Therer «Overal lagen geweren, pistolen en kogelriemen. Wij kropen in alle tanks, soms zat de verkoolde bemanning er nog in. Dat deed ons niks, wij waren nieuwsgierig, wij wilden alles zien. Als we granaten vonden, haalden we de ontsteking eruit, dat hadden we van de ontmijners geleerd. Thuis zetten we die granaten dan op de schouw.»

Zo’n lange blinkende rij dat er stond, hij moet er nog geweldig om lachen.

Hun ouders zegden voortdurend dat ze daar weg moesten blijven, dat het hun dood zou worden. ‘Maar wij sloegen die raad in de wind, we waren toch geen broekschijters, zeker!’ Op een dag ging een mausergeweer plots af: de kogel drong van dichtbij in de aarde en joeg bevroren bosgrond in het oog van Maurice: ‘Ik heb tien dagen in de kliniek gelegen, ze dachten dat ik m’n oog kwijt was.’ Na het ongeval kwam de huisarts de ouders de les lezen: er waren in de streek al genoeg dode kinderen door dat onverantwoorde spel. Maar Maurice en zijn vrienden waren er niet weg te slaan. Hij herhaalt nog eens hoe gerust zij daar speelden: ‘Zelfs de bevroren lijken die wij nog weken hebben zien liggen, boezemden ons geen angst in. Wij waren die gewoon, die hoorden toen bij het landschap.’ Zijn enige wrange herinnering was de kerstavond ‘dat de Duitsers het huis hadden opgeëist; boven onze kop hoorden we hen zingen en heildronken uitbrengen, en wij moesten in de steenkoude kelder op de aardappelen slapen.’

Siberisch

IJskoude kelders, bevroren lijken die nog weken bleven liggen: het is allerminst een overdrijving. Het KMI kan bevestigen dat het een zeer uitzonderlijke winter was. De kou begon rond kerst 1944 en werd genadeloos in januari 1945. Op de Ardeense hoogtes waren er die maand maar twee dagen dat het overdag niet vroor. Negen dagen lang was het ’s middags min 5 of kouder. ’s Nachts was het gemiddeld min 10, met uitschieters tot min 20. Het sneeuwde ook achttien dagen, en door de stormachtige wind waren er blizzards. De sneeuwlaag varieerde tussen 15 en 70 centimeter en is nog wekenlang blijven liggen.

De kou maakte zelfs meer slachtoffers dan de gevechten, zegt Eddy: ‘Ernstig gewond zijn kon fataal zijn. Die soldaten verloren bloed, hun lichaamstemperatuur zakte dramatisch, en als een brancardier hen niet gelijk kwam halen, stierven ze van onderkoeling.’ Brancardiers vinden lijken die ‘opgekruld’ zijn door de kou, ‘de armen gekromd, de vuisten gebald alsof ze willen gaan boksen.’ Tegen de barre nachten hebben de soldaten amper een verweer. Als er geen huizen zijn, moeten ze een ‘slaapkuil’ graven in de sneeuw: ‘Om toch maar enige warmte te hebben omstrengelden ze mekaar als man en vrouw.’

Duizenden niet-gewonde soldaten moeten afgevoerd worden met bevroren ogen en ledematen. In de veldhospitalen zijn de gevallen van trench foot niet meer te tellen: de voet en het onderbeen zijn door de kou en de doorweekte schoenen zo gaan rotten dat ze geamputeerd moeten worden.

De hel van Bovigny

Bovigny heeft een robuuste kerk met een angstige geschiedenis tussen de muren. Vlak voor de Duitsers uit het dorp wegtrokken, hadden ze de nog aanwezige inwoners uit hun schuilkelders gehaald en vierentwintig uur in de kerk opgesloten: ‘De Amerikanen naderden, er vielen alsmaar meer bommen op het dorp. Eigenlijk wilde de SS dat er een bom op de kerk zou vallen, dan konden ze bij wijze van propaganda zeggen dat de Amerikanen op burgers schoten die in de kerk aan het bidden waren.’ Uiteindelijk werden de negentig gijzelaars toch vrijgelaten, maar de inwoners hebben doodsangsten uitgestaan, een priester was zelfs de laatste zegen komen geven.

Een oudere vrouw komt de verdroogde chrysanten van een graf weghalen. Zij was niet in de kerk, maar ze weet van de gijzelaars en van de bom die door het kapotte dak viel en vlak voor het altaar van Onze-Lieve-Vrouw neerkwam. ‘Zonder te ontploffen, dat was een mirakel!’

In de stenen vensterbanken van de nabije pastorie zitten nog schrapnelgaten. Het huis was een veldhospitaal van de Duitsers. Cécile Gérard was een verpleegkundige die in dat lazaret de binnengebrachte burgers verzorgde. Eddy vond haar dagboek, waarin ze schreef over het ‘slachthuis’ waar ze werkte. Er was geen plaats voor de gesneuvelden, de aangevoerde en vaak verminkte lijken werden tegen een muur van het kerkhof gegooid, ‘als betrof het zakkengoed’. Boven op de stapel lag ‘een man zonder hoofd; een obus had zijn lichaam stukgereten alsof een slager hem had uitgebeend’. Boven de lijken en tegen de kerkhofmuur hing een groot kruisbeeld (‘Wat moet God wel denken over de dwaasheid van de mens?!’) Datzelfde crucifix hangt er nu nog. Met naast het hoofd met doornenkroon nog altijd de twee woorden: ‘Paradis --- Enfer’. Het staat er als een keuze. Terwijl de apocalyps al aan de gang was. Terwijl het al een hel was, daar op aarde.

Amerikaanse archieven

In zijn boeken wisselt Eddy de burgergetuigenissen af met het relaas van soldaten. Die militaire passages zijn soms taai om lezen: uitputtende beschrijvingen van wie waar en wanneer op welke tank geschoten heeft. Hij houdt van die details, ‘zo kunnen mijn lezers het voor hun ogen zien gebeuren’. Mij lijkt het de stijl van een gemankeerde militair die erbij had willen zijn, maar dat ontkent Eddy. Het is de perfectionist in hem, de minutieuze meubelmaker die niks over het hoofd wil zien.

Vandaar dat hij ook zeven keer naar de VS is gereisd om reünies van veteranen te bezoeken en in archieven te speuren.

Monfort «C’était le bazar: er liggen daar stapels dozen en bergen rapporten en niks verwijst naar België of de Ardennen. Je moet weten welke eenheden in je streek gevochten hebben, pas dan kun je een spoor volgen en de verslagen krijgen waar álles in staat: alle doden en gekwetsten, alle aanvallen en tegenaanvallen, soms zelfs het exacte aantal obussen dat verschoten is. Elke eenheid had zijn vaste ‘schrijvers’ en die rapporten werden elke dag, soms uur na uur, opgemaakt.»

Hij beschrijft de erbarmelijke staat van die paperassen: beduimelde en gescheurde vellen, vage grijze letters van het carbonpapier in de schrijfmachine. En toch heeft hij ‘honderden en honderden’ van die bladzijden zitten lezen.

Eddy’s eerste boek ‘L’Offensive des Ardennes’ (1994) kwam uit in eigen beheer en verkocht meteen duizend exemplaren. Hoewel hij over hooguit een handvol dorpen schreef, ‘in een straal van 8 kilometer rond m’n huis’, raakte het boek een snaar: het was voortreffelijke lokale geschiedenis en iedereen wou het lezen. In 2004 kwam een tweede boek, ‘La Bataille des Carrefours’ en nu is er een derde: ‘De la neige et du sang’, een naslagwerk van 300 bladzijden. Ook nu is hij niet verder dan 15 kilometer van huis geweest, maar binnen die afstand zijn vijfentwintig dorpen en gehuchten, ‘en dus verhalen genoeg’.

In Lomré rijden we voorbij het huis van de familie Englebert. ‘Voor díé gevel is een Duitser aangehouden.’ Hij heeft de foto in zijn boek staan, een jonge blonde soldaat die bang afwachtend zijn handen omhoog houdt. Nu kan hij dat huis niet meer zien zonder aan die foto te denken. Hele dorpen, hele landschappen zijn op die manier veranderd voor Eddy, door de foto’s en door de verhalen. En zo wordt die oorlog ook voor hem onuitwisbaar.

Dooi

Eind januari 1945 is de Slag om de Ardennen voorbij. De balans is zwaar. 3.000 doden op een burgerbevolking van 89.000, de veestapel gedecimeerd, tweehonderd dorpen en gehuchten geheel of gedeeltelijk verwoest en kilometers weg herleid tot kraters. In sommige plaatsen staat werkelijk niks meer overeind – ‘zelfs de kleinste appelbomen zijn er aan splinters geschoten’.

Monfort beschrijft de thuiskomst van de ontredderde burgers: ‘Als hun huis niet afgebrand of vernield was, waren alle kamers leeg. De Amerikanen smeten alle bedden uit het raam om hun eigen veldbedden te kunnen installeren. De raamkozijnen, deuren en meubelen stookten ze op om zich te verwarmen.’

En wie wél nog meubels of deuren zag, aarzelde om binnen te gaan. ‘Toen de Duitsers zich terugtrokken lieten ze overal boobytraps achter. Zo zijn er ook burgers gedood bij hun terugkeer. Ze trokken thuis een kast open en alles ging de lucht in.’

Veel bewoners bewaren ook nare herinneringen aan de lente: ‘De sneeuw dooide, alle lijken en kadavers kwamen boven en gingen aan het rotten. Overal hing een lijkengeur.’ De Amerikanen die de lijken moesten bergen, gingen behoedzaam te werk: ‘Ze haalden de lichamen weg met een jeep en een lange kabel, omdat ze beducht waren voor boobytraps. De Duitsers verstopten mijnen in en onder lijken van Amerikaanse gesneuvelden.’

Van inwoners heeft Eddy ook veel foto’s van na de oorlog. Het is zomer en de mensen poseren naast en boven op tanks die zijn achtergebleven. Mannen, jonge koppels en hele gezinnen. ‘Het waren mensen van het dorp, maar vaak ook bezoekers uit Luik en Namen. Ramptoeristen had je toen ook al.’ Het zal de euforie van de bevrijding zijn geweest, maar het is ook het willen poseren bij een groot beest. Een zwijgende tank is een even grote anomalie als een dode walvis op het strand.

Hugo Boss

In Grandménil staat een Duitse Panther-tank, de loop op een rotonde gericht. Ze is hier gestrand met een stukgeschoten rupsketting en is als vanzelf een monument geworden met een bord erbij. Eddy wijst op gestolen onderdelen: de spatborden en een boordmitrailleur zijn weg, ‘meegenomen door verzamelaars’. Elk tankonderdeel is geld waard: voor een simpele rupsschakel vragen ze op het internet 50 à 100 euro. ‘Een hele tank is 300.000 à 400.000 euro waard, dat is meer dan een huis.’ Eddy heeft de gemeente al vaak ingelicht over de diefstallen, ‘maar zij vinden het vreemd om zo’n tank te moeten beschermen, zo’n spel is toch solide genoeg?!’

Het zegt veel over de onafgebroken militaria-interesse voor de Tweede Oorlog. Eddy ziet ook het re-enacten toenemen: in het weekend wordt er met voertuigen en in uniform samengekomen om een stukje bataille na te spelen in een bos. ‘Niet alle gemeentes laten dat toe, en áls ze het toelaten is het op voorwaarde dat er geen ‘Duitsers’ naar het dorp afzakken.’

Eddy zegt dat het ‘vooral Fransen en Belgen’ zijn die Duitser willen spelen. Ze vallen op de ‘mooie snit’ van de Duitse uniformen. Hij noemt Hugo Boss, die de confectie heeft gedaan in de jaren 30 en 40. Ik wist niet dat die moderne naam aan het Derde Rijk leverde. Boss is er na de oorlog met een aantal geldboetes van afgekomen. Hij kleedde zowel de SS, de SA, de Wehrmacht als de Hitlerjugend.

Verdwaalde kogel

In Cherain stoppen we bij Jules Lamboray. De krasse 89-jarige is net z’n plafond aan het schilderen. In 1944 was hij met z’n broer en twee buren onderweg van Nadrin naar Baclain. Ze volgden een binnenweg door het bos, en omdat ze zich niet op de openbare weg bevonden, werden ze als Duitsers beschouwd en door nerveuze Amerikanen beschoten: ‘Ik werd geraakt, viel op de grond en spuugde gelijk bloed, het zag er erg uit.’ De Amerikanen liepen weg, z’n kameraden droegen hem naar een huis aan de rand van het bos. Vandaar ging het met de kar van de doodskistenmaker naar de hoeve Caprasse, waar hij door de Duitsers verzorgd werd. Die vertelden hem dat de kogel nipt hart en longen had gemist, maar dat het projectiel vermoedelijk nog in z’n lichaam zat: er was ‘geen gaatje’ in de rug.

Al na één minuut vertellen haalt zijn vrouw een grote bruine omslag uit de kast. Ik moet naar het keukenraam komen, ze houdt een röntgenfoto omhoog, en ik zie een helle punt van 3 centimeter zitten, ‘la balle est toujours là’. Ze vraagt haar man om zijn hemd en pull omhoog te sjorren, zodat ik de blote borstkas en het litteken kan zien. ‘Tot zeker 1970 hebben wij die kogel niet gezien. Hij was er ineens toen de veearts bij m’n schoonvader kwam en een nieuw toestel toonde waarmee je kon nagaan of een koe metaal had ingeslikt. Hij zette dat ding op m’n borst en toen zagen we de kogel.’

Heel het dorp kent natuurlijk Jules’ verhaal, en als hij in de kliniek komt, krijgt hij voortdurend bezoek van dokters en verplegend personeel die de röntgenfoto willen zien.

Jules Lamboray «In 1988 moest ik een hartoperatie ondergaan. De dag ervoor kwam de chirurg langs in het gezelschap van acht stagiairs. Ze hadden verdorie goesting om die kogel ook ineens te verwijderen, maar ik heb vlakaf gezegd: ge blijft van die kogel af. Hij zit daar en hij zit daar goed.»

We drinken een glas op zijn gezondheid. Binnenkort is het weer 20 december, de dag dat de kogel in zijn leven kwam. ‘Ik leef nu al zeventig jaar samen met dat wat mij dood moest maken.’ En verder is Jules heel pragmatisch. ‘Sommigen hebben een oorlogssouvenir op de schouw, ik draag het mijne gewoon onder mijn jas.’

Schoolkinderen

We rijden terug naar Malempré. Eddy vertelt van z’n baas in de Handy Home. Die is zo trots op hem dat z’n boek naast de kassa te koop mag liggen. De doe-het-zelfzaak in Bastogne is zo de enige winkel waar het boek te verkrijgen is. Tegelijk denkt Eddy aan ophouden. In 2024 komt er alvast geen vierde boek. Dertig jaar opzoekwerk is genoeg geweest. Er is de metaalmoeheid, (‘Ik breng het niet meer op, dagen dat ik twaalf uur zit te schrijven’) en er zijn de getuigen die uitsterven of vergeetachtig worden (‘Op den duur ben je alleen nog de kinderen van toen aan het interviewen’).’

Eddy wil nu vooral voordrachten geven in de lokale basisscholen. Vertellen wat er in het dorp gebeurd is, maar wegblijven van de gruwel. Hij zal het dagelijkse leven schetsen. Hoe mensen moesten overleven op sneeuwwater en rauwe aardappelen. Of hoe een soldaat een slaapplaats vond tegen het warme lijf van een koe, en dat er ’s nachts in die stal een kind geboren werd. Dan ziet hij die schoolkinderen schrikken – een baby in een koeienstal?! – en kan hij vertellen dat oorlog miserie en geweld is, maar dat het leven desondanks verder gaat.

En nadien krijgen ze tijd om vragen te stellen.

En dan vraagt zo’n kind: meneer, waarom maken mensen oorlog?

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234