null Beeld

'Aanelkaar': de briefwisseling van Remco Campert en Kees van Kooten

Of ze samen geen boek konden schrijven, vroeg Kees van Kooten aan zijn boezemvriend Remco Campert. Ja, dat kon. Het is een sprankelende bundeling brieven geworden, waarin ze hun gedachten vrijelijk over leven, liefde en dood laten dwalen. ‘Was dat haar moeder, die riep van beneden? Potverdomme.’

'Hoe maken wij duidelijk dat wij niets kwaads in de broek hebben?'


24-5-2018

Bonjour monsieur Camembert,

D’abord une toute petite question: avez-vous jamais remplacé une vitre cassée dans votre maison de maître à Iviers?

Ik ga nu in gewoon Nederlands verder, want ik weet niet hoe je ‘stopverf’ zegt in het Frans. Wanneer je daar namelijk een balletje van kneedt en dat tussen je beide platte handen heen en weer rolt, ontstaat er zo’n slangachtig kronkelsliertje. Herken je dat? Wanneer jij nooit een gebroken ruit hebt moeten vervangen, probeer je dan maar voor de geest te halen hoe wij mochten kleien, in de eerste klasse van de Openbare Lagere School. Dan had je laten we zeggen een kannetje voor je moeder geboetseerd, door je duim in de bonk handenarbeidklei te steken en die een beetje heen en weer te wringen, voor later water of melk erin, maar om het geheel nog wat meer op een professioneel karafje te doen lijken, masseerde je dan van de resterende klei net zo’n dunne rups als bij de stopverf, die je op de hoofdbonk trachtte vast te plakken, bij wijze van sierlijk oortje en straks een beter houvast voor moeder, bij het schenken. Dat oortje hield natuurlijk niet, maar zie je het nog voor je?

Welnu: tegenwoordig hangt mijn piemel er net zo dun en lusteloos bij. Hij voelt ook precies zo koud en slap als een slangetje stopverf.

Net zomin als dat gekleide oortje bleef zitten, krijg ik mijn lid nog omhoog. ‘Dan moet je een rechtopstaand middel slikken, bijvoorbeeld chrysalis,’ zegt mijn tandarts. Maar dat vind ik tegennatuurlijk en onsportief en bovendien: wat weet een tandarts nou van erectiestoornissen.

Kortom: de huidige situatie bedroeft mij – zoals Roland Holst sprak van ‘de herinnering aan het verloren gegane genot die de uren vergiftigt’ – maar ik heb er vrede mee en goedbeschouwd is het wel zo rustig en alleszins redelijk, want ik word dit jaar zevenenzeventig.

(Tussen haakjes: ergerlijk kinderachtig is het toch dat oude mensen, zowel ongevraagd als gevraagd naar hun leeftijd, zelden antwoorden hoeveel jaren zij op dat moment tellen, maar vrijwel altijd koket melden welke leeftijd zij op hun vólgende verjaardag wel niet zullen bereiken. Welnu: achtenzeventig dus, maar liefst. Alsof zevenenzeventig nog niet oud genoeg zou zijn.)

En er komt op deze leeftijd nog iets vervelends bij: ik voel mij ieder jaar meer beledigd door moslima’s met een hoofddoek. Hun hidjab zal niet tegen mij persoonlijk zijn bedoeld, maar ik onderga dat religieuze ontharingsmiddel als onterecht hooghartig, afwerend en minachtend ten opzichte van mijzelf en mijn leeftijdgenoten.

Laten wij niet beginnen te meanderen en ons reddeloos klem kletsen in een godsdienstgetint twistgesprek over de islam, de vrijheid van meningsuiting, vrouwonvriendelijkheid, mannelijke dwingelandij, de middeleeuwen en de op joods-christelijke grondnormen en wezenswaarden gebaseerde, open bedoelde Nederlandse Samenleving, nee: laten wij simpelweg onder ogen durven zien dat er nog voortdurend meer seksueel machteloze Hollandse mannen rondlopen die zich meerdere malen per dag belachelijk gemaakt voelen door vrouwen met een hoofddoek. Door zich, om welke drogreden dan ook, ten dele te maskeren, betichten zij ons woordloos van mogelijk oneerzaam gedrag. Het is alsof de dames zich bij voorbaat tegen mijn voze blikken en brutale toenaderingspogingen moeten beschermen, terwijl geen haar op mijn hoofd eraan denkt ook maar een stap in hun richting te zetten. Ik heb nog nooit een vrouw of meisje ‘gemietoet’ of zonder haar instemming avances gemaakt, en dat geldt in gelijke mate voor een hele generatie bejaarde Hollandse mannen.

Hoe maken wij onze verhullende vrouwelijke medeburgers duidelijk dat wij niets kwaads in de zin, laat staan in de broek hebben?

Er wordt nu voorgesteld dat, ter geruststelling van de vrouwen met een hoofddoek, de impotente (lees: ongevaarlijke) westerse man een duidelijk zichtbaar kruis van gaffertape over de gulp van zijn pantalon plakt, maar dat is toch te zot voor woorden? Veel effectiever lijkt het mij de oplopende spanning uit de lucht te halen door om te beginnen één zomerdag per jaar uit te roepen tot Dag van de Onthoofddoek. Vervolgens gaat Maurice de Hond onderzoeken hoeveel niet-gepleegde aanrandingen hier het resultaat van zijn.

Kees too


25-5-2018

Beste Kees,

Ik heb nooit een gebroken ruit hoeven te vervangen. Gebroken bijvoorbeeld door voetbalgeweld van buurtjongens. Toch herinner ik me stopverf goed. Een heerlijke substantie met ook nog een aantrekkelijk luchtje eraan. Voor het vervangen van gebroken ruiten had en heb ik mijn personeel.

De piemelervaring deel ik met je. Het mooie is dat ik er gelaten onder blijf. Beter gezegd, het kan me niets schelen. Op mijn langzamerhand hoge leeftijd pas je je makkelijk aan. En kinderen heb ik al. Zelfs kleinkinderen.

Ik was plusminus vijf jaar en bezocht de bewaarschool in de Weissenbruchstraat in Den Haag. Als ik eraan terugdenk, scheen daar altijd de zon.

Om thuis trots te laten zien, vervaardigden we daar eenvoudige producten, zoals jij je karafje. Ik maakte met onhandige vingers een blik (van stoffer en blik). Er kwam gelijm en gevouw aan te pas. Het was een dik grijs papier. Of mijn moeder blij gereageerd heeft, weet ik niet meer. Mijn vader had het huwelijk al verlaten.

Wat je betoog over moslima’s betreft, daar moet ik eens even goed over nadenken. Daar ben ik niet meteen uit.

Je citeert Roland Holst. Dat kan ik natuurlijk niet op me laten zitten. Hierbij wat regels die hij schreef naar aanleiding van de dood van Charles Edgar du Perron en Menno ter Braak op 10 mei 1940.

Omdat ook hier de aan bod gekomen wereld

hun wereld brak, gingen zij, broederpaar,

– gelijk zij, door de voorvlagen om de wereld,

zich weerden naast elkander – naast elkaar

den dood in, dit bloedjaar.

Venco


14-6-2018

Beste Rem,

Daar was ik nu ineens benieuwd naar: heb jij tijdens je lange, lange leven wellicht een periode doorgemaakt waarin je een hippisch kettinkje om je hals had hangen? Of een raadselachtig Nepalees armbandje rond je pols, gevlochten van heilig okapileer, dat je beschermde tegen bad vibes, volgens een goeroe van wie je de naam niet eens meer weet?

Ik doel op de jongensversiersels die door het toenmalige klootjesvolk als verwijfd werden bestempeld; dus manchetknopen, dasspelden en de zegelring die je van een oom van de verkeerde kant cadeau kreeg toen je zeventien werd, tellen niet mee. Nee? Nooit gerinkeld of getinkeld?

Ik namelijk wel, van mijn negentiende tot mijn eenentwintigste, als dienstplichtig soldaat der infantilerie. Daar hoorde een militair identiteitsplaatje van metaal bij, dat je eenentwintig maanden lang en dag en nacht om je nek en op je borst moest dragen, omdat het uit twee gelijke helften bestond, waarin je naam, geboortedatum, godsdienst, vaderland en bloedgroep waren gestanst, zodat de dienstdoende hospik er later één helft van kon afbreken om op te sturen aan je vader en moeder, ter kennisgeving van het eervolle feit dat jij in de strijd tegen het Russische Communisme was gesneuveld. Ook tijdens het zogeheten maandelijkse weekendverlof moest je dat kettinkje om- en je uniform aanhouden.

Voordat wij op zaterdagmorgen werden afgemarcheerd naar het treinstation van onze legerplaats, werd ons een ontbijt toegediend dat bestond uit nasi goreng met de man twee lustopwekkend bedoelde kogelhardgekookte eieren, door de sergeant van de week luidkeels ‘neukpatronen’ genoemd. En wanneer ik dan op zaterdagavond boven op een zichzelf bloot gemaakt meisje kwam te liggen, lagen haar petticoat, mohair truitje, onderbroekje en behaatje aanminnig tussen mijn razendsnel uitgeschopte uniform, geblancode koppelriem en de nog veel te nieuwe baret op het ronde, matglazen blad van haar rotan slaapkamertafeltje. Maar de ketting met mijn herkenningsplaatje hield ik om, want dat vond ik filmisch beter: hoe dat rakelings boven haar gezichtje heen en weer scheerde, lichtjes rinkelend op onze tweekwartsmaat. Stil eens even. Was dat haar moeder, die riep van beneden? Potverdomme. En morgenavond moest die arme soldaat weer terug naar het front. Dus mocht ie asjeblieft nog even genieten? Gelukkig dacht zijn meisje er ook zo over: ‘Nee mam, wij hoeven geen thee!’

Hij hoort het haar nog roepen, die schat. Zou ze nog leven?


17-6-2018

Beste Kees,

Ik ben nooit in dienst geweest. Bij de keuring kreeg ik S5. Dat wilde zeggen dat ik in tijden van oorlog hospik moest worden. Ik betwijfel of, gezien mijn hoge leeftijd, dat nog steeds het geval is.

Kettinkjes en armbandjes heb ik nooit gedragen. Versieringen zijn ver van mijn bed. Als republikein heb ik een lintje geweigerd. Dat stuitte op verbazing van degenen die me daarvoor hadden voorgedragen. Zelf keken ze watertandend naar zo’n lintje uit. Een lintje dat moet terugkeren naar de gever ervan als je het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt. De monarchie is zuinig op haar lintjes.

Je beschrijft in een paar zinnen een seksuele ervaring met een toenmalig vriendinnetje. Dat brengt mij op het volgende. Er schijnt een boek te komen van de winnaar van de Librisprijs, wiens naam mij even ontschoten is, dat louter over neuken gaat. Ik zal het niet lezen. Ik ben er te preuts voor. Zelfs het woord ‘neuken’ komt moeilijk uit mijn schrijfmachine.

Decennia geleden, toen armoede bij mij troef was, hoorde ik van bevriende zijde (de Japans-Amerikaanse kunstenaar Tajiri) dat er vijfduizend dollar te verdienen zou zijn met het schrijven van een pornografische roman. Dat zou je kunnen doen voor Olympia Press van de Parijse uitgever Maurice Girodias. Dat waren groengekleurde boeken. Ik begon aan zo’n boek, maar kreeg er al na twee pagina’s genoeg van. Daar was mijn schrijven niet voor bedoeld. Porno lag mij niet. Van één van mijn literaire helden, Vladimir Nabokov, las ik (en lees ik) het bij Olympia verschenen Lolita, een allerminst pornografisch boek. Een boek vol liefde. Liefde die niet mag. Het begint zo: ‘Lolita, light of my life, fire of my loins. My sin, my soul. Lo-lee-ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three, on the teeth. Lo. Lee. Ta.’

Ik bezit de eerste druk van dat boek. Uit 1955. Die is duizenden euro’s waard. Maar ik zal hem nooit verkopen. Zo heilig ben ik wel.

Remco Campert en Kees van Kooten, ‘Aanelkaar’,

De Bezige Bij

undefined

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234