'Ik ben vrij makkelijk in de omgang, ik maak me niet snel druk. Maar een sloef? Dat woord ambeteert me wel’

in MemoriamJohny Voners

Acteur Johny Voners is overleden: 'Ik heb een zeer goed leven gehad. Maar de melancholie is er altijd geweest’

'Ik ben vrij makkelijk in de omgang, ik maak me niet snel druk. Maar een sloef? Dat woord ambeteert me wel’Beeld Carmen De Vos

Johny Voners is overleden. Hij werd 74 jaar. In 2017 sprak hij uitgebreid met Humo over het lieve leven. Lees hier het interview. 

Meer dan twintig jaar lang speelde Johny Voners de rol van Xavier Waterslaeghers, de eeuwige sloef van Vlaanderens succesrijkste tv-serie ever, het niet genoeg te prijzen ‘F.C. De Kampioenen’. Twintig jaar lang ging Xavier gebukt onder het furieuze bewind van zijn Carmen (met verve neergezet door de voortreffelijke Loes Van den Heuvel). Xavier Waterslaeghers, dat is de wegwerpmens, de prullenman, de Jan-mijn-kloten die zich, bij gebrek aan enig houvast, vastklampt aan zijn altijd voorhanden zijnde ‘dagschotel’.

Wat doet 20 jaar strafkamp met een brave beroepsmilitair? Johny Voners geeft ons in de nieuwe VTM-reeks ‘Amigo’s’ zelf het antwoord: in die serie speelt hij de rol van Berten De Nil, een ex-bajesklant die zwijgzaam en dreigend door het beeld wandelt. Je vraagt je af: waarom heeft deze immer met een gebreide pomponmuts uitgeruste brok ingehouden woede vijftien jaar in de bak gezeten? Ik zou, romanticus die ik ben, zeggen: hij heeft, moegetergd, zijn madame in een moment van razernij kapotgemaakt, in stukken gesneden en in zwavelzuur opgelost. Of iets in die smaak. Ha!

Tijd voor de levenslessen van een groot en intuïtief acteur, de immer in een wolk van melancholie en tragiek acterende Johny Voners!

HUMO Je vader was een Tiense slachter en vervoerder van vee. Een harde job?

Johny Voners «Hij moest om 4 uur opstaan om de koeien uit de wei te halen. In de vakantie hielp ik hem. We brachten de beesten naar de grote veemarkt van Ciney, Anderlecht of Sint-Truiden. Later is hij beenhouwer geworden. Het langst heb ik hem gekend als vervoerder van vee en vlees. Hij deed dat in een met houten planken afgeslagen camion. Als hij na een zoveelste vracht weer thuiskwam, diende de binnenruimte afgespoten te worden met koud water, tot alle uitwerpselen weggespoeld waren. Soms reden we naar het slachthuis om er kwartieren te gaan ophalen, één vierde van een koe was dat. Die kwartieren gingen we dan bij de beenhouwers leveren. Na iedere slacht bleef er afval over – lever, maag, hart – dat in een witmetalen emmer werd verzameld. Dat afval bracht ik naar de beenhouwer, die me dan 20 frank gaf. Ik was toen een jaar of 10, 12.»

HUMO Hadden jullie enig gevoel voor het lijden van de te slachten dieren?

Voners «Dat kwam niet in ons op. Het ging om vlees, niet om met gevoel en intelligentie begiftigde dieren. Een beest was een voorwerp, ik dacht er als kind nooit bij na. De vader van mijn vader, mijn bompa dus, hield café naast het slachthuis in Tienen, recht tegenover het voetbalveld van Racing Tienen. Mijn hele jeugd zag ik niets anders dan beestenkoopmannen, slachters en beenhouwers. Als een koe of een stier moest stilstaan, dan sloeg je ze met een stok tussen de horens. Ik heb me nooit afgevraagd of dat pijn deed.»

HUMO Bestond de elektrische prikstok toen al?

Voners «Ja, maar veel gebruik werd er niet van gemaakt. Alleen als een beest echt niet vooruit te branden was, werd die stok bovengehaald. Erg leek het me niet.»

HUMO Hoe werd er toen geslacht?

Voners «De varkens werden met een houten hamer doodgeslagen, boven op het voorhoofd, tussen de ogen. Je duwde zo’n varken op de grond, je plaatste je voet op de hals, je zwaaide die hamer, en met één forse klap ging het beest eraan.»

HUMO En de koeien?

Voners «Die werden met een speciale revolver doodgeschoten: in plaats van een kogel kregen ze een metalen pin diep in de hersenen gejaagd. Zelf heb ik nooit geschoten, ik stond er alleen maar op te kijken.»

HUMO Nooit met de gedachte gespeeld het bedrijf over te nemen?

Voners «Nee, zeker niet. Later opende mijn vader een winkel van beenhouwersmateriaal, nota bene in de Slachthuisstraat in Tienen. Hij verkocht messen, schorten maar ook koelkasten. En toen kwam de periode van onze autoscooters.»

HUMO De botsautootjes! Vertel!

Voners «Langs moederskant waren we foorreizigers. Mijn grootouders baatten sinds oudsher een autoscooterpaleis uit. Mijn ouders hebben die zaak later overgenomen en vijf jaar lang gerund.»

'Met zijn vader als slachter. 'Ik was enig kind, niets op aan te merken, het perfecte jonge kereltje.’

Braaf manneke

HUMO De autoscooters waren in de jaren 50 essentieel voor de opvoeding van een jonge gast: je zag er geschilderde portretten van Elvis, Brigitte Bardot, The Everly Brothers. Je kon er een meisje versieren. Je leerde de nieuwste trends: bluejeans en James Dean-jackets, kapsels in bebop of een swingkalot, je leerde er roken, je werd er ingewijd in de beginselen van de rock-’n-roll!

Voners «Heb ik allemaal meegemaakt. Mijn ouders hadden een stuk of 24 autootjes. Per vijf hadden die bovenaan een vlaggetje in een verschillende kleur. Er waren toen nog geen jetons, we werkten met tickets. Iedere foorjongen zoals ik kreeg de zorg over één kleur: tickets ophalen en in het midden van het vierkant achtergelaten scooters weer naar de kant rijden. Je sprong achteraan op zo’n rijdend autootje, hield je stevig vast aan de stang, en liet je meevoeren. Ik was handig in die job, ik kon ook drie minuten met zo’n autootje rijden zonder dat de anderen me konden raken! Het was de periode dat de haren achteruit gekamd werden, met in de nek een scheiding: de eendenpoep.»

HUMO Je grootouders, en nadien je ouders, trokken van kermis naar kermis?

Voners (knikt) «En dat verdiende goed! Je had natuurlijk een gigantische infrastructuur te verslepen: de enorme generatoren voor stroomopwekking, de zware houten vloer met loden toplaag, het elektrisch geladen plafondrooster.»

HUMO En uit de luidsprekers klonk de beste rock-’n-roll denkbaar: Elvis, Little Richard, Gene Vincent, Eddie Cochran?

Voners «Nee, dat kwam pas later. Onze muziek werd verzorgd door een automatisch orgel dat z’n noten haalde uit ronddraaiende rollen in geperforeerd karton. Die grote schilderijen van beroemde zangers en filmsterren zijn ook pas nadien gekomen: bij mijn grootouders was alles nog geschilderd in een beige kleur, vol kleine barstjes, met motieven van bloemen, planten en bladeren. Vandaag de dag zou het werelderfgoed zijn (lacht).

»Het opstellen van zo’n autoscooterpaleis was een serieuze job. Alles bestond grotendeels uit metalen of houten vlakken van drie meter bij drie, die aan elkaar werden gehaakt. Hard werk, maar ook plezant, ik hou er uitstekende herinneringen aan over. Het was vooral leuk dat ik gratis op alle andere attracties mocht: ‘Dat is de kleine van de botsautootjes, die hoeft niet te betalen.’ Het spookkot, de rups, de paardenmolen: nergens hoefde ik te betalen. Pas op: Tienen heeft de tweede grootste markt van het land, na Sint-Niklaas. Ideaal voor een foor!»

HUMO In die tijd was de kermis voor een jonge kerel vooral sexy. Als je handig was, kon je op de rups bij een alleenzittend meisje ‘inspringen’, net voor de kap dichtplooide. Dat meisje voelde zich dan zedelijk verplicht je toe te staan haar te tongkussen: dat waren de regels van het spel. Those where the days!

Voners «Allemaal meegemaakt. Het gebeurde dat een jongen verkeerd sprong, met z’n voet tussen de wielen kwam, en zich ernstig kwetste. Kermisromantiek… (glimlacht).

»Op de kermis in Tienen stond ook Jean Seth (makkelijk terug te vinden op YouTube, red.), een goochelaar en illusionist die vooral trucs met speelkaarten deed. Of hij stak een sigaret in z’n neus en haalde die weer tevoorschijn uit z’n oor. Ik zag die kerel buiten volk lokken, ging mee met de meute naar binnen – gratis, natuurlijk – zag de eigenlijke voorstelling, verliet mee de tent, en ging nog eens binnen, drie keer na elkaar. Ik kon er maar niet genoeg van krijgen. Terug thuis, in onze woonwagen, deed ik dan voor vader en moeder al die trucs na. Jean Seth was een Gentenaar, die ook uitstekend Maurice Chevalier kon imiteren. Dus kocht ik me een canotier, een strooien hoed met een zwart lint errond, en gaf mijn eigen voorstelling. Zo is het allemaal begonnen.

»Tienen, of Tirlemont, ligt op de taalgrens: tot het zesde studiejaar studeerde ik in het Frans. Mijn moeder hoopte dat ik later notaris of dokter zou worden, of toch minstens advocaat. Als het maar iets met een kostuum en een plastron was (lacht). Moeder was ongeletterd, was weinig naar school gegaan omwille van de kermissen. Zij voelde zich dom. En ze wilde dat ik het beter zou hebben, vooral dan intellectueel. Daarom moest ik dus per se de twee landstalen kennen. Ik ging naar de Provinciale Normaalschool: aan de ene kant de Walen, aan de andere de Vlamingen. Thuis spraken we plat Tiens, een nogal zwaar gesausd dialect (lacht). In 1960 was ik 15: toen vloeide Aznavour, met wiens repertoire ik later zou rondtrekken, met volle teugen binnen. Op de Vlaamse radio hoorde je veel meer Franse nummers dan nu.

»Ik was enig kind, niets op aan te merken, het perfecte jonge kereltje. Een braaf en een goed manneke – nog altijd, trouwens. Broers en zussen hebben: ik wist niet wat dat betekende, ik kende dat niet. Alles was voor mij alleen!»

HUMO Die woonwagen interesseert mij. Hebben jullie er nog echt jarenlang in verbleven?

Voners «Absoluut. We waren rondtrekkende foorreizigers. Maar wij hadden wel een eigen huis in Tienen, net als mijn grootouders: die hadden een enorm huis, in de Donystraat, met een reusachtige schuur waar plaats was voor alle camions en woonwagens en de vierentwintig botsautootjes. We waren van lage komaf, maar verdienden op sommige momenten wel goed geld.»

HUMO Hoe was je op school?

Voners «Op mijn rapport stonden vaak dingen als ‘Félicitations!’ of ‘Très fort en élocution!’. Vooral in voordragen was ik sterk: naar voren komen en een gedicht uit m’n hoofd opzeggen. Bij mijn grootouders-foorkramers was er op oudejaar altijd een groot feest, de hele familie kwam langs, ook de buren, en dan trad ik op: ik goochelde en imiteerde Mario Lanza. The Woodpeckers kon ik ook goed nadoen. Ik had een Grundig bandopnemer, een TK 60, en die zorgde voor de muzikale achtergrond.

»Maar het liefst van al speelde ik voor clown. Een paar keer per jaar stonden we met onze autoscooters op een foor waar in de buurt ook een circus z’n tent had opgesteld. Ik kon er een hele dag rondhangen, leerde de artiesten kennen. De man die aan de basis van mijn latere acteurschap lag, was een Gentse clown: Pietro. Die kerel kwam de piste van circus Semay op, en alleen al zijn gezichtsuitdrukking deed de hele tent daveren van het lachen: hij hoefde niet eens wat te zeggen. Als Pietro opkwam, straalde mijn vader: hij was dol op die clown. Ik dacht: ‘Ik wil mijn vader ook doen glunderen.’»


Nand uit Hollywood

Voners «Mijn humaniora maakte ik niet af; in Latijn was ik goed, maar wiskunde was een ramp: ik kan met moeite tot vijf tellen, haalde ooit 3 op 100 voor rekenkunde. Later trad ik sporadisch op met een eigen show, die ik samen met enkele vrienden had opgezet. Ik zong er ondermeer ‘Waarom zijn de bananen krom?’ van Tony Corsari, ook een Tienenaar (zingt de eerste strofe). Ik leerde René Ingelberts kennen, de rechterhand van de impresario van Rocco Granata. Hij is het die met mij naar Nand Buyl is getrokken.»

HUMO Nand Buyl was toen de godfather van het Vlaamse acteergild en leraar aan het Brusselse conservatorium.

Voners (knikt) «Ik speelde Nand mijn act voor, waaronder een imitatie van Georges Ulmer, de componist van de wereldhit ‘Pigalle’. Toen ik klaar was, hield Nand zijn hoofd scheef, keek me lang aan, en zei alleen maar: ‘Ja… Ja. Laat hem maar beginnen.’ Zo belandde ik op het conservatorium. Later deden we samen de tv-serie ‘Axel Nort’. Ik spoorde met de vroegste trein van Tienen naar Brussel-Zuid, nam er de tram naar Anderlecht, en daar pikte Nand Buyl me op om samen in zijn Taunus naar de set in Ronse te rijden. Nand werd mijn grote voorbeeld, mijn nieuwe God, mijn Holywood-man: hij was mijn Paul Newman, mijn Marlon Brando. De clowns had ik opzij geschoven. Buyl was een zeer sterke, intuïtieve acteur. Dat wilde ik ook: een ernstige acteur worden, Ibsen en Tsjechov spelen!

»Nand nam me mee naar de KVS, waar ik vooral komische rollen kreeg, dingen die uit Engeland kwamen overgewaaid. Pas op, Buyl kon ook uitstekend komische rollen aan, hij was een echt natuurtalent. Eén vingerknip en Nand zette een minister neer en even later, met evenveel gemak, een zatte nonkel. En, eerlijk gezegd, ik functioneer net zo. Ook ik ben een intuïtieve acteur.»

HUMO Hoe ben je op tv beland?

Voners «De RTBF had een Vlaams gezin nodig, om de lessen Nederlands te illustreren. Ik werd één van de kinderen van dat gezin, Marleen Edeling was mijn zusje. Nadien speelde ik in ‘Beschuldigde, sta op’, van Jan Matterne. Tijdens de opnamen belde Matterne mij: ‘Ugo Prinsen heeft een dubbele longontsteking en kan onmogelijk naar de set komen. Kun jij zijn rol overnemen?’ Ik ken de titel van die aflevering nog altijd: ‘Brandstichting in Sint-Denijs’. Ik zei: ‘Ik begin er meteen aan, Jan, en ik ga de hele nacht voor de spiegel staan oefenen.’ Zo kreeg ik de rol van Fredje Vandeputte, een dorpsidioot. Er werd vier dagen opgenomen. Ik had mijn tekst op m’n knieën liggen; als ik niet in beeld was, kon ik even spieken. ‘Beschuldigde, sta op’ werd een zeer succesvolle reeks. Ik maakte een goeie beurt en was gelanceerd: de regisseurs hadden het verhaal van mijn vervangrol gehoord en wilden plotseling graag met mij werken. Zo begon ik alsmaar vaker tv-werk te doen.»


Xavier leeft!

HUMO We maken een sprong naar 1989, toen de eerste opnamen voor ‘F.C. De Kampioenen’ van start gingen: de meest populaire tv-serie die Vlaanderen ooit heeft gekend.

Voners «De eerste uitzending kwam er in 1990, de laatste in 2011: de reeks heeft 21 jaar gelopen. Los van de eeuwige heruitzendingen, natuurlijk (lacht).

»Ik zat er vanaf het begin bij. In die dagen werkte ik samen met Willy Vanduren en die zei me: ‘Ik doe iets nieuws voor tv, een komische reeks. Er zijn enkele rollen bij waarvoor ik jou in gedachten heb.’ Ik heb toen auditie gedaan voor de figuren van Boma, Oscar en Xavier Waterslaeghers, als ik het me goed herinner. Uiteindelijk werd het Xavier: een beroepsmilitair die graag pinten drinkt en bij het voetbal in de goal staat.»

HUMO Opmerkelijk bij ‘De Kampioenen’ is de grote herkenbaarheid van de figuren: in elk dorp in Vlaanderen loopt wel een krolse Carmen rond, een betweterige Boma of een slome Xavier.

Voners «Niet helemaal akkoord. Voor mij ligt het succes in de juiste casting en de interne dynamiek van die cast: de tien hoofdpersonages passen perfect bij elkaar, maar zijn ook zeer verschillend. Die diversiteit van de karakters spreekt aan. Pure herkenbaarheid is me te goedkoop. Draai je tv open en je zegt: ‘Ja, ik herken dat!’»

HUMO Heb je de rol van Xavier mee opgebouwd, of stond die meteen vast in het eerste script?

Voners «Moeilijk te zeggen: je vraagt me nu om me te verplaatsen naar 27 jaar terug. Uiteraard groeit die rol: de scenaristen reageren op hoe je hem in de vorige opnames gestalte hebt gegeven.»

HUMO Wat doet twintig jaar Xavier Waterslaeghers spelen met een mens? Werd jij de rol, of werd de rol jou? Als je twintig jaar de sloef uitbeeldt, onder het furieuze bewind van Carmen, wórd je dan geen sloef?

Voners «Dat doet helemaal niks met een mens. (Nadenkend) Misschien lig ik qua karakter wel in de buurt van Xavier. Heb ik hém beïnvloed of hij míj? Moeilijk te zeggen.»

HUMO Je spreekt in de hij-vorm over Xavier?

 Voners «Hij lééft, hè. We zagen elkaar natuurlijk niet ieder jaar twaalf maanden aan één stuk (lacht). Misschien heeft Xavier me artistiek wat in slaap gesust: ik heb in die periode meer gekozen voor financiële zekerheid dan voor artistieke vrijheid. Ik kwam niet meer uit mijn kot, ik bleef hangen in mijn comfortzone.»

HUMO Xavier en zijn onafscheidelijke dagschotel: wanneer is die opgedoken?

Voners «Ik vermoed dat die al in het eerste scenario beschreven stond. Ik ben ’m blijven herhalen, meer niet. Maar uitgevonden heb ik ’m niet (glimlacht).»

'De jeugd moet zelf uitvinden wat ze horen te doen. Ik vind dat ouders zich veel te veel bemoeien met de opvoeding van hun kinderen'Beeld Carmen De Vos

HUMO Die dagschotel ging je ook in het leven van alledag achtervolgen, vermoed ik? Ik kan me best indenken dat het niet altijd leuk was.

Voners «Het heeft wat te lang geduurd. Je sleept dat mee, er valt niks aan te doen. Niet dat het wéégt, maar als je van Aarlen tot Oostende op die dagschotel wordt getrakteerd… Nu ja, dat is het leven van een acteur die in een komische serie meespeelt.»

HUMO De figuur van Xavier heeft iets tragisch. Hij is de ondergesneeuwde man, de man die wordt gedomineerd, het symbool van hij die thuis niets te zeggen heeft en zich dan maar wanhopig vastklampt aan zijn pintje.

Voners (fijntjes) «Maar, op de keper beschouwd, trekt Xavier zich niets aan van zijn positie. Carmen mocht kijven en briesen wat ze wilde, Xavier bleef overeind. En als Carmen het wat al te bont maakte, vertelde Xavier haar dat hij ‘onverwacht op manoeuvres moest’, en ging hij lekker op stap met z’n maten. Xavier trok z’n plannetje, op zijn manier. En ook: als er één man bij Carmen hoorde, was het wel Xavier. Iedere andere man zou op haar zijn gekapseisd. Maar híj weet haar te hanteren. Een Xavier heeft een Carmen nodig, en omgekeerd. Amaai, als je zo’n vrouw kunt temmen… (lacht).»

HUMO Hoeveel van Johny zit er in Xavier?

Voners «Ik ben vrij makkelijk in de omgang, dat klopt. Ik maak me niet snel druk. Maar een sloef? Dat woord ambeteert me wel. Laten we zeggen dat ik ook in het gewone leven niet dominant ben. Ik zal eerder de actie ondergaan.»

HUMO Enkele uitspraken van jou, in dat verband: ‘Ik heb totaal geen ambitie’, ‘Ik heb te weinig fut, lef, uithouding’, ‘Soms ben ik een mossel, een mens zonder ruggengraat’.

Voners «Dat klopt, ten dele. Ik ben geen doorzetter, geen streber, geen ondernemer, geen vechter. En of ik dat mezelf kwalijk neem? Nee. Maar ik vind het wel spijtig. Ik had veel verder kunnen staan. Totaal ambitieloos ben ik niet: ik wil wel degelijk hogerop, maar ik kan of wil er niet voor vechten. Dat had ik al van kindsbeen af. Het gevoel van: ‘Kijk, dit ben ik, dit kan ik. Je neemt me of je neemt me niet. Maar ik ga me niet in duizend bochten wringen opdat je toch maar naar mij zou komen kijken.’ Ik hou niet van exposure. Ik hou niet van de pers. Zou het alleen daaraan liggen dat ik niet verder ben geraakt? Ik denk het niet.»

HUMO Waar zou je dan wél hebben willen staan? Je blijft één van de bekendste acteurs van Vlaanderen. En je job heeft je geen windeieren gelegd.

Voners «Dat besef ik. En daar ben ik dankbaar om. En toch… Kijk, ik vind het bijvoorbeeld fantastisch dat ‘Amigo’s’ er is gekomen. Hopelijk opent dat de deur naar meer van dat soort werk. Hoe jonger je bent, hoe sneller en makkelijker je je komische talenten aanspreekt. Met het ouder worden ga je niet meer zo vanzelfsprekend de clown uithangen. De zotte kanten van de vroege Xavier zijn er mettertijd ook afgevijld, niet?»

HUMO De sterkte van Xavier is zijn droogkomische repliek, die op de millimeter juist zit. Als scenarist voor Xavier schrijven is, lijkt mij, niet zo makkelijk: zijn interventies moeten dodelijk precies aankomen.

Voners «Daar ben ik het volledig mee eens. Xavier zegt weinig, maar áls hij iets zegt, moet het raak zijn.»


Twee maagden

HUMO Eénentwintig jaar lang heb je gespeeld met een schuimende pils in je hand. Dronk je die allemaal leeg?

Voners «Als dat zo in het script stond, waarom niet? (hilariteit) Maar meestal zat ik met een vol glas aan de toog, nam één slok, en tijdens een beeldwissel werd die volle pint vervangen door één met een kletske erin. Dat de kijker dacht: ‘Amai, die Xavier kapt ze nogal naar binnen.’ Een paar keer moest ik een pint in één keer leegdrinken, ad fundum. En dat dééd ik dan. Maar de opname zat niet goed. Uiteindelijk kwamen we uit op vijf takes. Drie keer, dat kon ik begrijpen. Maar de vierde en de vijfde keer wist ik het: ‘Nu hebben ze me bij m’n sjokkedijzen.’ Het merkwaardige is: eigenlijk ben ik geen bierdrinker, ik hou het liever bij bubbels of wijn. Hoogstens eens een Duvel.»

HUMO Is er na al die jaren Carmen en Xavier ook een band tussen Johny Voners en Loes Van den Heuvel ontstaan?

Voners «Loes en ik zijn allebei Maagd. En hoe vreemd het ook mag klinken: op een draaidag zullen we eerder stil in ons hoekje zitten, terwijl de anderen ambiance maken. Dat is de onuitgesproken link tussen ons. In het dagelijkse leven zijn we een beetje identiek: eerder teruggetrokken, eerder gereserveerd. Dat is de reden waarom het altijd tussen ons heeft geklikt. Soulmates, ja. Twee maagden, dat botst nooit (lacht). En verder: we zijn nu eenmaal acteurs. Als ik morgen een killer moet spelen, ja, dan word ik een killer.»

HUMO Was er leven na ‘De Kampioenen’? Heb je ervan moeten afkicken?

Voners «Ik diende omstreeks die tijd toch met pensioen te gaan, veel verschil maakte het niet uit. Een zwart gat heb ik niet gekend. We hebben met ‘De Kampioenen’ later nog twee lange speelfilms gemaakt en straks volgt de derde, waarvoor we met z’n allen naar Zuid-Afrika moeten. Op 8 mei vertrekken we: één maand KwaZoeloe-Natal. Als wij nog eens samenkomen, valt alles onmiddellijk in z’n vaste plooi, alsof we elkaar vorige week nog hebben gezien. Iedereen zal present zijn, ook Jacques Vermeire en Carry Goossens

HUMO Je hebt het daarnet al even aangegeven: je staat ook bekend om je Aznavour-optredens.

Voners «Aznavour zit onder mijn huid, zijn melancholie herken ik. Ik kan hem ook niet anders zingen dan zoals hij dat doet: zelfde timbre, zelfde stembuiging, zelfde intonatie. Ik imiteer hem niet, ik zing hem na, en daarmee basta! Het begint overigens te kriebelen om opnieuw Aznavour te zingen. Wait and see.»

HUMO Vanaf januari loopt op VTM de reeks ‘Amigo’s’, waarin je één van de hoofdrollen speelt.

Voners «‘Amigo’s’ werd in 2014 opgenomen en heeft tot nu op de plank gelegen. Ik speel er de rol in van Berten De Nil, een man van weinig woorden. Net als ik. Ik ben geen praatvaar. Dat is wat Berten en mij bindt: we zijn allebei zwijgers. Je moet Berten zeer goed kennen voor hij je iets toevertrouwt.»

HUMO Ik heb amper twee afleveringen van ‘Amigo’s’ gezien, maar ik voel aan mijn water dat je personage op het einde van het verhaal iemand zal blijken te zijn die vrouwen aan stukken snijdt of graag met zwavelzuur werkt. Een seriemoordenaar.

Voners «Je zit in de buurt (lacht). Meer wil ik er niet over kwijt, anders vertel ik je de ontknoping.»

De grote catastrofe

HUMO Tijd om af te ronden: welke levenslessen wil jij doorgeven aan de jonge generatie?

Voners «Het einde komt in zicht, hè. Maar lessen heb ik nauwelijks te geven: alles is zodanig veranderd, en blíjft veranderen, in een alsmaar sneller tempo dat niet meer is bij te houden. Ik kan de jeugd alleen maar zeggen: ‘Pas je aan het moment aan dat je geboren bent.’ Ik kan hun niet wijsmaken wat ze horen te doen, dat moeten ze zelf uitvinden. Je kunt niemand bij de hand nemen of raad geven. Ik vind dat ouders zich veel te veel bemoeien met de opvoeding van hun kinderen.

»(Denkt na) Wat ik wél van thuis heb meegekregen, is: op tijd komen. Bij mij is dat uitgegroeid tot een ziekte: ik kán gewoon niet te laat komen. In mijn hele carrière ben ik altijd te vroeg gekomen (lacht). Noem het: een mengeling van angstvalligheid en respect voor de gemaakte afspraak. Respect voor de andere, ook. Respect en schrik, dat vat zo’n beetje mijn leven samen. Consciëntieus zijn, ja.»

HUMO Achter veel van je uitspraken gaat een melancholische, mild pessimistische aard schuil. Klopt dat?

Voners «Ik heb een zeer goed leven gehad. Maar die melancholie is er altijd geweest. Het zal wel aangeboren zijn, vrees ik, het is een karaktertrek. Beetje fatalist, ja. Het leven komt zoals het komt. Je lot staat in de sterren geschreven en je kunt het niet ontlopen. Een echte zwartkijker ben ik niet. Maar ik zie de toekomst toch eerder somber in.»

HUMO Gaan we met z’n allen de grote catastrofe tegemoet?

Voners «Ja, dat denk ik wel. We weten allemaal best dat de catastrofe broedt, dat ze aanwezig is. Ik ga liever niet waar er veel volk bij elkaar is. Als er 2.000 man op een plein is samengestroomd, ga ik er niet tussen staan. Bang voor een aanslag? Ja. Zonder meer. Politiek wil ik er niet mee verbinden. Noem het een gevoel van onbehagen. Het leven valt niet meer te doorzien, de wereld is almaar moeilijker te behappen. Ik voel er me steeds minder in thuis: het verkeer, de media, de computers, de sociale media. Ik doe met opzet niet mee aan dingen als Twitter en Facebook. Iedereen tikt zonder er bij na te denken de meest idiote dingen neer. Maar niet met mij. Ach, ze doen maar.»

HUMO Mag ik een allerlaatste vraag stellen, over je huwelijk en scheiding met Janine Bischops? De roddelblaadjes stonden er in 2006 vol van. Tijd om eindelijk eens klaarheid te scheppen?

Voners (kortaf) «Nee, daar ga ik niet in mee. Ik vermijd dat soort confidenties. Overigens: het is de eerste keer sedert lange tijd dat ik in een interview niet bij iedere zin die ik uitspreek, denk: ‘Zouden ze hier de kop van maken? En welk woord heb ik hier te veel of te weinig gezegd?’ Ik heb maar één verweer tegen wat ooit in de pers is geschreven, en dat is: zwijgen.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234