null Beeld

Annelies Verbeke: Liefde, hoop en dwergen

Met haar debuutroman 'Slaap' nestelde Annelies Verbeke zich in één klap tussen het kruim van de Nederlandstalige schrijvers. Wilt u ook zo graag weten wat de schrijfster zoal heeft gekocht met de opbrengst van haar succesroman? U leest het deze week in het interview in Humo 3410.
Als bonus bij het interview krijgt u er het kortverhaal 'Liefde, hoop en dwergen' bij. Vanaf dinsdag 10 januari als feuilleton in vier afleveringen te lezen op The Wild Site.

Redactie

Two can be as bad as one,

It's the loneliest number since the number one

- Harry Nilsson, 'One'

Laetitia Blommaert zette de motor uit en ontdekte dat het haar beviel hier stil te staan. De windturbines naast de pechstrook draaiden op het ritme van de muziek die haar omgaf. Ze had de MP3 niet zelf samengesteld en wist niet hoe de band heette. Hij klonk meesterlijk. Ze wilde de contrabassist zijn, het instrument vol nagalmende klanken omarmen als een vriend die ze lang niet had gezien. De zijkant van haar hoofd tegen zijn hals laten rusten. Ze zou de contrabas leren bespelen. Dat kon. Alles was weer mogelijk.

Windturbines. Toen een nieuwslezer het woord uitsprak, ergens vorig jaar op een supermarktradio, had ze 'winterpiemels' verstaan. Overheidssubsidies voor winterpiemels. Ben lachte daar even hard om als zij. Ze knepen in elkaars achterste en duwden het winkelwagentje om beurten. Overlaadden het met alles wat ze lekker vonden of nog nooit hadden gegeten. In de daaropvolgende weken zei hij regelmatig dat hij met een winterpiemel zat. Zij verwarmde die dan met haar mond. Ze wezen nog maanden grijnzend naar winterpiemels langs de weg. Tot ze het woord niet meer hoefden te herhalen.

Dat was hij vast vergeten. Hij vergat veel en Laetitia dacht niet dat het om een fysiologisch foutje ging. Zijn geest bezat de onthutsende kwaliteit zich te zuiveren van alle gebeurtenissen en uitspraken die voor haar van grote betekenis waren. Van alles wat zij in gedachten op de muren van belangrijke gebouwen bleef kalligraferen. Zijn zin 'Niemand heeft ooit zo veel voor mij betekend' beschreef de hele rechtervleugel van de Santa Maria Maggiore. 'Waarom hebben wij elkaar niet eerder ontmoet?' stond over de zeezijde van het operagebouw in Sydney. 's Nachts werden de woorden 'Zo'n lekker lijf' op de Eiffeltoren verlicht. Aan 'Wil je met me trouwen?' - subtiel verwerkt onder de hoofdkoepel van de Taj Mahal - had ze tussen haakjes een eigen bedenking toegevoegd: (enigszins lachend, toch gemeend).

Ze vergeleek zijn geheugen met dat van een fruitvlieg, een kikker en een sanseveria. Herhaaldelijk trachtte ze uit te leggen dat wat niet onthouden werd evengoed niet had kunnen plaatsvinden. Dat ze mensen zonder herinneringen niet vertrouwde. Ze wilde best dagen plukken, maar niet als zelfs de nabije toekomst ze nonchalant zou wegtoveren. Niet als zij gedoemd was in zijn verledenloze leven te verdwalen.

Hij vond dat ze de laatste tijd nogal doorzeurde.

'Dat heb ik dan toch onthouden, schat', voegde hij eraan toe.

Datzelfde weekend had hij hartelijk gelachen toen ze haar vingers had verpletterd in een poging de deur als notenkraker te gebruiken. Toen wist ze het zeker.

Het had echter nog honderden druppels en bedenkingen geduurd eer Laetitia Blommaert voor Harakiri had gekozen. Ze wilde er niet aan denken dat alleen verliezers de eer aan zichzelf hielden. Ze was tevreden dat zij Ben verlaten had en niet andersom.

Gelukkig was ze gehard en hoefde ze niet noodzakelijkerwijs te sterven. Ze kon voor een minder dramatische vorm van vrijheid kiezen. Hoewel ze enigszins vergeten was hoe ze het begrip vroeger definieerde, meende ze zich te herinneren dat het volledig bij haar paste. Waarschijnlijk had het met tamboerijnen en eindeloze duinlandschappen te maken.

In haar wagen op de pechstrook besefte Laetitia dat ook haar tenen weer vrij waren. Ze verwijderde de sok van haar rechtervoet en bestudeerde hem aandachtig. De nagellakresten smeekten om remover. Vrijwel onmiddellijk bemerkte ze een loszittend velletje. Op de plaats waar het haar middelste teen had verlaten, was het dun en wit geworden. Ze pulkte lang en geconcentreerd en zorgde ervoor dat ze zich niet bezeerde. Ben vond dit vies. Akelig zelfs. De kaas op zijn spaghetti leek volgens hem op het dode weefsel dat Laetitia nu nauwgezet in de asbak verzamelde. Daarna hadden ze geen spaghetti meer gegeten.

Ook toen er geen enkel velletje meer viel te verwijderen, liet zij de ontblote voet op haar linkerbovenbeen rusten. Ze merkte nauwelijks dat de halve kleermakerszit haar spieren deed verstijven. Toen een grote terreinwagen haar op de eerste rijstrook voorbijreed, wiebelde haar eigen auto even heen en weer. Vanaf de achterbank zwaaiden kinderen. Ze wilde met hen ruilen. Met hun speelgoed spelen, schommelen in hun tuin, hun Bob de Bouwer-jasjes dragen. Ze wilde hen zijn, alle vier, en wuifde terug. Een van hen toonde haar zijn kleine middelvinger, waarna de anderen hun lijfjes gierend van het lachen weer in de rijrichting keerden. Laetitia besloot haar ogen even te sluiten.

Het duurde even voordat het geklop op het raam tot haar doordrong. Ze dacht eerst dat het de regen was die het glas en de carrosserie met een uitzinnige drumsolo bewerkte. Ze zette de muziek af omdat die nog nauwelijks hoorbaar was. Buiten hadden het weer en de nacht de sliert rode achterlichten uitgedund. Haar blote voet voelde verdoofd aan en ze had het erg koud gekregen. Toen ze haar sok weer begon aan te trekken, zag ze de kabouter. In tegenstelling tot andere kabouters droeg hij regenkleding. Instinctief kroop Laetitia zo dicht mogelijk tegen het portier naast het stuur. Terwijl ze haar blik geen moment van de kabouter af haalde, controleerde ze met bevende vingers of de deur op slot zat. De regen gutste van zijn kaki K-Way. Het mannetje klopte nogmaals dwingend met zijn kleine brede vuist op het raam naast de passagiersstoel. Hij keek bezorgd.

Zeer langzaam kneedden de hersenen van Laetitia Blommaert het vermoeden dat de persoon die steeds driftiger op de ruit tikte geen kabouter was, laat staan enig ander imaginair wezen.

'Sorrysorrysorry!' schreeuwde ze terwijl ze zich half op de passagiersstoel wierp om de deur voor de dwerg open te maken.

'Bent u onwel?' vroeg hij.

'Nee', zei ze, verbaasd over de vraag. Ze krabbelde recht en fatsoeneerde haar haren, die door de duik naar de deur voor haar ogen waren gaan hangen.

'Is uw wagen stuk?' Hij sprak geaffecteerd, als een erudiete man op leeftijd. Wat hij mogelijk ook was.

Ze schudde haar hoofd en kon duidelijk zien dat zijn bezorgdheid toenam. De regen probeerde zijn regenjas te ondermijnen. Dikke druppels gleden van zijn kap naar zijn wenkbrauwen en wangen.

'Kom binnen en ga zitten', zei Laetitia.

'Goed', zei hij. 'Het weer is bijzonder bar.' Hij steunde met een hand op de stoel en sprong met een redelijk atletische beweging naar binnen.

Toen pas zag Laetitia dat er een paar meter verder een rode Volvo stond geparkeerd. Dat moest zijn wagen zijn. Ze vroeg zich af op welke manier die aan zijn grootte was aangepast.

'Zo,' zei de dwerg, 'we zitten.' Hij stroopte zijn kap naar beneden, waardoor zijn witte haren zichtbaar werden. Laetitia begreep waarom hij geen baard had. Ze knikte en probeerde te glimlachen.

'Uw wagen doet het dus?'

'Ja.'

Ze startte om het te bewijzen. Nadat de dieselmotor even had gebromd, haalde ze de sleutel weer uit het contact.

'Was u betrokken bij een ongeluk?'

'Nee.'

'En u voelt zich niet onwel?'

'Nee, niet echt.'

'Niet echt?'

'Nee.'

Hij wachtte even en zei: 'Excuseer me. Rutger Hauer.'

Verward schudde ze zijn uitgestoken hand.

'U heet Rutger Hauer?'

'Inderdaad.'

Aangezien hij geen spier vertrok, vermoedde Laetitia dat hij niet loog. Ze maakte geen opmerkingen over zijn naam, omdat hij die waarschijnlijk al genoeg te horen kreeg. Ze stelde zich op haar beurt voor.

'Laetitia betekent blijheid', zei Rutger Hauer.

'Ja', zuchtte Laetitia. Dat had ze al vaker vernomen. Van Ben onder anderen, toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten. Ze probeerde een ontsnappende traan op te zuigen met haar oogbol. Het lukte niet.

'O', zei Rutger Hauer. Hij wendde zijn blik af en keek gespannen naar de straatverlichting. Hoewel hij de deurhendel vasthield, vond hij blijkbaar dat hij haar niet alleen kon laten. Laetitia ging van ingehouden gesnik over op een bijzonder hysterisch huilen. Twee keer schreeuwde ze zelfs: 'Waarom?' Rutger Hauer beet op zijn onderlip. Even wilde hij haar arm aanraken, maar hij trok zijn hand geschrokken terug toen ze 'rotzak!' schreeuwde. Hij ging er terecht van uit dat de verscheurde wanhoopskreet niet voor hem bedoeld was. In zijn jaszak vond hij een papieren servet. Hij controleerde of het helemaal schoon was en bood het aan.

'Dank u', piepte Laetitia nadat ze haar neus had gesnoten. 'Sorry hoor.'

'Geen probleem', suste Rutger Hauer.

'Ik heb mijn vriend verlaten. Ik weet niet eens waar ik vannacht moet slapen.'

'O.'

Laetitia begreep dat zij een einde moest maken aan de geladen stilte die volgde. Eerst moest ze Rutger Hauer vriendelijk bedanken voor zijn bezorgdheid, om daarna te opperen dat ze vast wel ergens terecht kon. Ze was van plan geweest de nacht door te brengen bij meter en peter Ganzendries, haar grootouders die genoemd waren naar de straat waarin ze woonden. Ook had het haar even aantrekkelijk geleken zich in een slachtofferrol te wentelen en onderdak te zoeken op een koude, onherbergzame plaats. Daarbij had ze een lege, versleten speeltuin voor zich gezien die ze sinds haar kindertijd niet meer had bezocht. Ze kon er onder een verroest klimrek gaan slapen en een tetanusinfectie oplopen. Deze bedenkingen hield ze echter voor zich. Ze wilde dat Rutger nog even bij haar bleef.

Ze luisterden naar de regen en de wind die om het hardst te kennen gaven dat ze nog lang niet klaar waren.

'U kunt wel bij ons overnachten', zei Rutger Hauer.

Dat had Laetitia niet verwacht. Toch aarzelde ze maar even. Ze zag er tegen op bij bekenden aan te bellen en ziek worden door in een speeltuin te gaan slapen, leek haar bij nader inzien overdreven. De afstandelijke gastvrijheid van een vreemd huis was precies wat ze nodig had.

'Weet u het zeker?'

'Wij hebben een logeerkamer.'

Pas toen ze achter de rode Volvo aan reed, vroeg ze zich af wie 'ons' en 'wij' waren. Even stelde ze zich zes andere dwergen voor, maar ze verfoeide zichzelf onmiddellijk voor deze gedachte. Een lichte paniek bekroop haar toen ze besefte dat 'wij' en 'ons' misschien niet bestonden. Ze kende Rutger Hauer tenslotte net zo min als zijn beroemde naamgenoot. Zou ze de dwerg de baas kunnen, als hij haar probeerde aan te randen? Er kwamen beelden bij haar op waarin ze een trap oprende, door hem achterna gezeten. Hoewel haar benen veel langer waren, wist hij haar al tuimelend in te halen. Daarbij lachte hij onophoudelijk een rij puntige tandjes bloot, die hij vervolgens in haar kuiten wilde planten. Ze schopte van zich af en bukte zich om hem weg te duwen. Wat als hij een vechtsport beoefende? Wat als hij een wapen had? Ben zou haar naïef, onverantwoordelijk en raar noemen. Ook zou hij haar onvoorwaardelijk te hulp snellen, mocht dat nodig blijken. Ze had zich echter resoluut voorgenomen hem geen enkele reddingsactie meer te gunnen. Nu moest ze zich niet in de nesten werken. Toen ze de volgende afslag naderde, overwoog ze die in te slaan en snel weg te rijden. Dat ze het niet deed, kon met instinctief vertrouwen te maken hebben. Of met berusting. Of toch gewoon met naïviteit.

*

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234