Arcade Fire: het parcours van 'de beste band aller tijden' (en: hoe klinkt het nieuwe album?)

De wereld kan pas vanaf vrijdag luisteren naar ‘Everything Now’, de vijfde plaat van Arcade Fire, maar de messen zijn al gewet. Arcade Fire is populair en succesvol en – rijpe peren lokken wespen – tegelijk wekte de band nooit eerder zoveel afkeer uit zoveel verschillende hoeken op. In 2017 klinkt Arcade Fire bovendien vrolijk, wat hen bij voorbaat verdacht maakt.

'Everything Now' klinkt als de plaat van een groep die zich nergens nog een ruk van aantrekt'

De bekendst geworden aanval op Arcade Fire kwam in 2013 van The Washington Post: ‘Hun ‘Reflektor’ klinkt alsof-ie gemaakt is door klojo’s met een saai seksleven. Hetzelfde recept als op hun vorige platen – nul humor, nul subtiliteit, nul gevaar – maar nu met bongo’s.’ De repliek van frontman Win Butler – ‘Het zijn conga’s. Geen bongo’s.’ – vonden we nochtans subtiel én grappig.

Titeltrack en single ‘Everything Now’ doet het stof nu weer hoog opwaaien: ‘Uitverkoop!’ ‘Schlagermuziek!’ Wat evengoed klopt: Arcade Fire behoort tot het steeds kleiner wordende kransje van headliners en million sellers die op élke plaat naar een nieuw geluid op zoek gaan. Qua haarspeldbochten – en alléén op dat vlak – zijn ze eigenlijk alleen nog maar met Radiohead te vergelijken.

Maar hoe zijn we hier terechtgekomen? En hoe klinkt de plaat ‘Everything Now’ nu echt?


‘Funeral’ (2004)

Lente 2001. Arcade Fire krijgt vorm nadat middelbareschoolvrienden Win Butler en Josh Deu een goed gesprek over muziek aanknopen, en over hoe ze in de mainstream niets naar hun gading vinden. Deu zou de band net na de release van ‘Funeral’ verlaten – hij geeft tegenwoordig les over film en media – maar aanvankelijk maken zijn theorieën over avant-garde indruk op Butler. Op een avond ontmoeten ze de Haïtiaans-Canadese Régine Chassagne op een vernissage. Chassagne: ‘Daar kwam ik een paar jazznummers zingen. Kennelijk maakten die indruk op Win, want later die avond stapte hij op me af om te vragen of ik een goeie jazzdrummer kende. Hij sprak zo boeiend over muziek dat ik diezelfde week nog bij hem op bezoek ging: om te checken of hij écht gitaar kon spelen en niet zo’n kerel was die alleen maar meisjes probeerde te versieren met zijn mooie praatjes. Ik had mijn lelijkste jeans aangedaan en mijn haar was vettig.’ Op hun eerste date schreven Régine en Win samen de song ‘Headlights Look like Diamonds’. ‘Headlights’ is slang voor stijve tepels, dus dat moet een goeie date zijn geweest.

Het wordt niet veel later de sleuteltrack op ‘Arcade Fire’, een ep die een jaar vóór ‘Funeral’ uitkomt en nu nog op YouTube staat. Daarop laat het zeven minuten durende ‘Vampire/Forest Fire’ de regel ‘Your father was a pervert’ rijmen op ‘Face down in the dirt’. De ep is op zijn best een losse verzameling goede ideeën. ‘No Cars Go’ staat er al op. De wereld reageert lauw op de release van ‘Arcade Fire’ en dat zorgt voor onzekerheid in de rangen.

Brendan Reed (manusje-van-alles, toen nog lid van Arcade Fire) «Rond die tijd begonnen Win en Régine alles in twijfel te trekken. We hadden ‘Funeral’ al opgenomen, maar plots was niets nog goed genoeg. Bijna hadden ze de bandnaam veranderd in The Visions. En Richard (Reed Parry, red.) wilde absoluut ‘Rebellion (Lies)’ níét op de plaat. Hij vond het een ‘veel te traditionele rocker’. We hebben zelfs ernstig overwogen om Montreal te verlaten en – of all places! – naar België te verhuizen. Ik herinner me al niet meer waarom.»

Zet ‘Funeral’ op. Leer in de song ‘Haïti’ samen met Arcade Fire nachtmerries analyseren in het Franglais, en hoor hoe de band zelfs uit een gruwelijke geschiedenisles (de Haïtiaanse ouders van Chassagne zijn de tirannie van Papa Doc ontvlucht) een feestnummer weet te brouwen.

‘Funeral’ telt vier songs die ‘Neighborhood’ heten. De ondertitels: ‘Tunnels’, ‘Laïka’, ‘Power Out’ en ‘7 Kettles’. Wat is er aan de hand? William Butler, broer van Win: ‘We zijn allemaal grote fans van C.S. Lewis’ ‘The Chronicles of Narnia’, kinderboeken over winterlandschappen en boze heksen. We lazen over eeuwigdurende winters terwijl we zelf in Montreal wonen, een plaats waar het altijd koud is: dat laat sporen na. De ‘Neighborhood’-cyclus is één lange fantasy over een ondergrondse sneeuwwereld.’

‘Funeral’ groeide uit tot een undergroundfavoriet, maar dan wel een underground die al sinds de vroege dagen van Nirvana niet meer zo hard uit zijn voegen was gebarsten. Na amper het vierde Arcade Fire-concert schrijft iemand: ‘The future leaders of indie rock.’ Twintig optredens later staan Lou Reed, Laurie Anderson, David Byrne en Björk al in het publiek. Tijdens de ‘Vertigo’-tour van U2 staat Bono erop dat ‘Funeral’-single ‘Wake Up’ wordt gebruikt om de mensen op te warmen. Spoon-frontman Britt Daniel overweegt ernstig om – nadat hij Arcade Fire live heeft gezien – zelf met muziek te stoppen. Chris Martin van Coldplay noemt hen ‘de beste band aller tijden’. Maar hun grootste fan in die tijd was David Bowie: ‘‘Funeral’, man: alles zit daarin! Vroege Motown, Frans chanson, Talking Heads, The Cure... Ik heb een stapel van drie meter ‘Funeral’-exemplaren gekocht en ze uitgedeeld aan mijn vrienden. Ik heb mensen bekéérd.’


‘Neon Bible’ (2007)

Het onverwachte, overweldigende succes verlamt Arcade Fire, waardoor ze lang niets meer op papier krijgen. Om die crisis te bezweren trekt de band naar de Chihuahuawoestijn in New Mexico. Win en Régine improviseren er, in een motel, tijdens het douchen hun eerste nieuwe song bij elkaar, een blauwdruk van wat later ‘My Body Is a Cage’ wordt. Mocht u bij het horen van die statige, sacrale song voortaan steevast aan een naakte, ingezeepte Win Butler moeten denken: geen dank.

De band koopt een negentiende-eeuwse kerk net buiten Montreal, in het gehucht Farnham. Farnham is tevens de tweede naam van (voluit) Edwin Farnham Butler the Third, die daarover zegt: ‘Toeval bestaat niet’. De kerk wordt omgebouwd tot een studio waar ze zich een winter lang laten insneeuwen. In die kerk wordt later ook ‘The Suburbs’ opgenomen, daarna begint het dak te lekken.

Het oude ‘No Cars Go’ krijgt hier eindelijk een gepast korset mee. ‘Neon Bible’ kijkt twee richtingen uit. Naar binnen, want op de plaat probeert Butler nachtmerries te bezweren die hij al sinds zijn kindertijd heeft (en waarin hij en zijn hele omgeving in een soort schrikwekkend totalitair regime leven). En naar buiten, want in de werkelijkheid ziet hij veel gelijkenissen met zijn dromen.

Terugkijkend is ‘Neon Bible’ weliswaar een wisselvallige plaat – hier en daar schurken songs net iets te dicht tegen de pathetiek aan, tegen een overdosis bombast, tegen Bond Zonder Naam-spreuken als ‘Wie zal er straks voor opa zorgen?’ – maar vóór de release was ze omgeven door torenhoge verwachtingen. Wijlen Bob Johnston, de mythische producer van platen van Bob Dylan, Leonard Cohen en Johnny Cash, was in 2006 vijf dagen lang de officiële ‘raadgever’ van Arcade Fire. Wanneer hij daarna terug in de buitenwereld komt, klinkt hij verward: ‘Die jongens blijven maar spelen! Elke song opnieuw en opnieuw en opnieuw en opnieuw, tot het helemaal goed zit. Ik heb tussendoor minstens twee, misschien drie songs gehoord die beter zijn dan om het even wat John Lennon ooit heeft gemaakt.’


‘The Suburbs’ (2010)

Op ‘The Suburbs’ horen we een groep die zijn beperkingen heeft leren aanvaarden. Uit ‘Neon Bible’ hebben ze geleerd dat niet op élke song telkens alle schuiven open moeten, dat opbouw meespeelt en dat sfeer het best werkt als-ie geen drie lagen dik gesmeerd is. ‘The Suburbs’ is als een ui die afgepeld wordt: na elke luisterbeurt geeft de plaat iets meer prijs.

‘The Suburbs’ is – in titel en atmosfeer – veruit de meest Amerikaanse plaat van Arcade Fire. En dus ook de meest butleriaanse: Win en Will zijn opgegroeid in een mormoonse leefgroep in Texas, een gesloten gemeenschap die veel raakvlakken kent met de beklemmende, weirde wereld op ‘The Suburbs’. Win: ‘Veel van mijn helden – van Dylan tot Joe Strummer – waren suburban kids die zich daarna zijn gaan gedragen als avonturiers. Zelf ben ik een slechte acteur.’ De jeugd van de Butlers loopt als een vette rode draad door de geschiedenis van de band. Het is geen verrassing dat, wanneer een student naar de meestgebruikte woorden in de teksten van Arcade Fire zoekt, deze woorden het vaakst opduiken: ‘kids’, ‘parents’, ‘car’, ‘town’, ‘city’, ‘home’...

Volgens de band is het geluid van ‘The Suburbs’ ‘een mix van Depeche Mode en Neil Young’. Tussen die twee in hebben – in songs als ‘City With No Children’, het fantastische ‘Suburban War’ en ‘Wasted Hours’ – ook Wilco en Bruce Springsteen een eeltvinger in de pap. ‘Sprawl II (Mountains Beyond Mountains)’ – genoemd naar de titel van de biografie van Paul Farmer, de antropoloog die Butlers favoriete ngo ‘Partners in Health’ oprichtte – is van het allerbeste dat de band ooit schreef, ‘Ready To Start’ van het vlotst meezingbare.

De videoclip van titeltrack ‘The Suburbs’ werd opgenomen in Austin, Texas. Buurtbewoners panikeren en bellen 911 wanneer ze ‘soldaten’ in het straatbeeld zien verschijnen. De acteurs – in werkelijkheid Arcade Fire-crewleden – dragen wollen maskers en velen kotsen, door de hitte, hun lunch uit in de struiken.

De consensus – voor een band als Arcade Fire sowieso een zeldzaamheid – is toch wel: ‘The Suburbs’ is hun allerbeste plaat. ‘Modern Man’, ‘We Used to Wait’, zelfs het rouwdouwende ‘Month of May’: het is er telkens pal op.


‘Reflektor’ (2013)

Het is rond deze tijd dat journalisten en fans de band domme vragen beginnen te stellen. ‘Een conceptplaat over een oude, Griekse mythe: is dat wel rock-’n-roll, meneer Butler?’ en ‘Blanke indiekids die vrijblijvende popnummers maken over zwarte problemen, is dat geen passief racisme?’ Reddit en andere fora staan vol geforceerde tekstanalyses en roddels. En de misverstanden rond de band gaan een eigen leven leiden.

Eeuwig misverstand 1: ‘Op ‘Reflektor’ heeft producer James Murphy Arcade Fire de dance doen ontdekken.’ Onzin: zelfs op het ‘ernstige’ ‘Funeral’ experimenteerde de band al met disco- en New Order-beats.

Eeuwig misverstand 2: ‘Arcade Fire neemt zichzelf te ernstig.’ Nee: van alle groepen die, Bono achterna, hun muziek een larger than life-tutu aanmeten, kennen we er geen enkele die zijn platen met zoveel humor en zelfspot doorspekt als Arcade Fire. Op het podium is dat het duidelijkst: daar waren ze altijd al into physical comedy – niet dat ik in de lach schiet wanneer William Butler elk optreden opnieuw na een intense uitvoering van ‘Rebellion (Lies)’ voor dood neervalt, maar het is in elk geval een teken.

Op ‘Reflektor’ is ‘Normal Person’ een overduidelijke parodie op hardrock. ‘Awful Sound’ wil Pink Floyder dan Pink Floyd zijn. ‘Porno’ is het nog niet geschreven Suske en Wiske-album ‘De roekeloze rukker’. Over ‘Reflektor’ als geheel zegt Butler achteraf: ‘Misschien ware íéts minder cowbell beter geweest.’

Win Butler wordt er plots ook van beschuldigd een acteur te zijn. Een toerist. Iemand die de muziek gebruikt om beroemd te worden. Nochtans lopen de grooves en het popgevoel hem door de aderen. Grootmoeder Luise was één van de in de jaren 60 bekende King Sisters. Hun gimmick: ‘Mormonen die eerst martini drinken en daarna gaan zingen’. Haar man: Alvino Rey, een bandleider uit de swingtijd over wie wordt gezegd dat hij de pedal steel-gitaar uitvond. Dat klopt niet, maar hij was in de buurt. Samen hadden ze een eigen variétéprogramma op de Amerikaanse zender ABC. Win: ‘Ze reisden met een privéjet, dus het moet iets voorgesteld hebben.’


‘Everything Now’ (2017)

‘Alles nu’: uit de titel spreekt volgens Butler zowel kritiek als lof op een maatschappij zonder geduld. ‘Alles tegelijk’ was ook een goede titel geweest. ‘Everything Now’ is namelijk ‘Reflektor’ in het kwadraat: nog meer van de hak op de tak, nog meer een samenvatting van veertig jaar popmuziek.

De lijst producers die aan ‘Everything Now’ hebben meegewerkt, is minder lang dan indrukwekkend: behalve oudgediende Markus Dravs, die in 2010 al een Grammy won als producer van ‘The Suburbs’, zijn er ook Pulp-bassist Steve Mackey, Thomas Bangalter van Daft Punk (die zich verder bijna nooit met andermans platen bemoeit) en Geoff Barrow van Portishead (die zich beter eens wat mínder met andermans platen zou bemoeien: de opvolger van Portisheads ‘Third’ (2008) laat al lang genoeg op zich wachten). Kortom: mensen die bewezen hebben over goede oren te beschikken.

We zijn erbij wanneer de groep op het Primavera-festival in Barcelona voor het eerst de titeltrack op de wereld loslaat. De single ‘Everything Now’ klinkt, in een onvaste live-uitvoering, als een lauwe carnavalshit. We lezen achteraf dat de man die we op panfluit horen Patrick Bebey heet, de enige zoon van Kameroens werelderfgoed wijlen Francis Bebey. Op de radio blijkt de song achteraf koren op de molen van iedereen die al lang een hekel aan Arcade Fire had. Maar – en ik weet niet hoe dat bij u zit – ondertussen is ‘Everything Now’ zich bij ons wel met elke luisterbeurt beter in de bloemkooloren gaan nestelen. Het is slimme popmuziek die niet de indruk geeft slim te willen zijn, maar die zich handig vermomt als een wegwerpsong. ABBA, recente Daft Punk, Prefab Sprout, Scritti Politti: in dat vreemde rijtje past ‘Everything Now’.

Tweede single ‘Creature Comfort’ baadt in dezelfde polonaisesfeer, maar Butler verwerkt er een wrange knipoog in naar debuutplaat ‘Funeral’. In de tweede strofe zingt hij: ‘Assisted suicide / She dreams about dying all the time / She told me she came so close / Filled up the bathtub and put on our first record’. Over een depressief meisje dat ineens weer zin in het leven kreeg nadat ze Arcade Fire had gehoord. ‘Creature Comfort’ is een sterke song, maar de kritiek is nu dat Butler toch een rare manier van opscheppen heeft.

In ‘Chemistry’ gaat Arcade Fire, zoals op ‘Reflektor’, nog eens terug naar Jamaica. De track mixt jaren 80-rock en reggae, zoals Macklemore & Ryan Lewis dat in ‘Downtown’ deden met jaren 80-rap en slapstick. Enfin, toch even slecht. En van ‘Infinite Content’ snappen we na de eerste drie beluisteringen nog steeds níéts.

Maar onze kuif eraf als ‘Electric Blue’ niet uitgroeit tot een livefavoriet: vier minuten lang in falset gezongen, fascinerende disco noir. De disco is hier trouwens behoorlijk oldskool: ‘Put Your Money on Me’ en ‘Signs of Life’ – met in de tekst de stuitende evidentie ‘Love is hard / Sex is easy’ – hebben iets van de Bee Gees. ‘We Don’t Deserve Love’ is een dreinerige, tegendraadse valse trage die zich, wanneer je het niet meer verwacht, plots heel mooi opent.

Nu we erbij stilstaan: ‘Everything Now’ klinkt als de plaat van een groep die zich nergens nog een ruk van aantrekt. Die de onzekerheden en de cynische kritiek naast zich neergelegd heeft. Een plaat als oefening in je-m’en-foutisme. Ogenschijnlijk een niemendalletje – korte plaat, ook – zonder grote statements.

Geen idee wat we er over drie maanden van zullen vinden, maar in zijn geheel is ze nu alvast beter dan wat u zult vernemen van hen die er één keer naar geluisterd hebben. Het is ook níét – wat ten gevolge van de algehele luchtigheid op de plaat al beweerd wordt – een platte commerciële kniebuiging. Daarvoor gaat het véél te hard tegen ’s werelds verwachtingen in. Dat soort dingen werden indertijd ook gezegd over ‘Trompe le Monde’, in 1991 de voorlopige zwanenzang van de Pixies, en nu onze favoriete Pixies-plaat.

Vraag het ons over drie maanden nog eens, maar tot dan: drieënhalve ster op vijf.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234