Arnon Grunberg bezoekt zijn diepgelovige zus op de Westelijke Jordaanoever: 'Ze bidt dat ik met een Joodse trouw en Joodse kinderen maak'

De zus van schrijver Arnon Grunberg woont al jaren in een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever. Arnon gruwt van haar Joods-nationalisme, haar onwrikbare religieuze overtuigingen, haar bekeringsdrang. Daarom ging hij een tijdlang bij haar wonen. ‘Hoe dichter je het monster nadert, hoe meer je ziet dat het monster wel heel erg op jou lijkt.’

'Mijn zus weet wie haar vijanden zijn: allereerst de Duitsers, dan de Arabieren'

In 1982 verhuisde mijn acht jaar oudere zus Maniou van Amsterdam, waar we beiden geboren zijn, naar Israël. Ik was toen 11. Ze ging psychologie studeren aan de universiteit Bar-Ilan, trouwde en veranderde haar naam in Ma’anit. Ze woonde eerst een tijdje in een buitenwijk van Jeruzalem, verhuisde dan naar Kfar Darom, een nederzetting in Gaza, en vestigde zich ten slotte in Dolev, een religieuze gemeenschap op de Westelijke Jordaanoever.

Toen onze vader in 1991 overleed, was mijn zus acht maanden zwanger van haar vierde kind. Omdat ze in die toestand niet meer mocht vliegen, vond de begrafenis plaats in Jeruzalem. Onze moeder, die in 2015 stierf, wilde naast hem begraven worden. Daarom liggen mijn beide ouders nu op een kerkhof in Jeruzalem, hoewel ze nooit in Israël hebben gewoond.

Mijn zus heeft zeven kinderen en een stuk of twaalf kleinkinderen – ik ben de tel kwijtgeraakt.

We zijn tamelijk traditioneel opgevoed: koosjer eten, op zaterdag naar de synagoge, joodse feestdagen. Maar terwijl mijn zus steeds religieuzer werd, ging ik de andere richting uit. Ze was een toegewijd lid van de religieuze jeugdbeweging Bnei Akiva, ik voelde me als einzelgänger nooit echt thuis tussen al die bevlogen jongeren.

Als kind hadden we een hechte band, maar zodra mijn interesse in de joodse religie en het zionisme begon te tanen, groeiden we uit elkaar. Ondanks de smeekbeden van mijn zus bleef ik zoveel mogelijk weg uit Dolev. Sinds ze er eind jaren 90 ging wonen, kwam ik er enkel voor familieaangelegenheden, zoals de bar mitswa’s van mijn neefjes. Bij zo’n bezoek in 2001 werd mijn niet-Joodse vriendin tijdens de sjabbat de toegang tot het huis ontzegd. Zelf bleef ik, op aandringen van mijn moeder, om de plechtigheid bij te wonen. Terwijl mijn vriendin in Tel Aviv op het strand zat, zat ik in de synagoge in Dolev.

Het was voor mij een keerpunt: ik had mezelf en mijn principes verraden. ‘Jouw waarden zijn de mijne niet,’ zei ik tegen mijn zus aan de telefoon. ‘Jij en je man zijn gewoon racisten.’ Toen mijn moeder in Jeruzalem werd begraven, overnachtte ik in een hotel.

Mijn moeder overleefde de concentratiekampen, vader bracht de oorlog ondergedoken in Nederland door. Hij had een afkeer van religieuze leiders en zette zelden voet in een synagoge; zij vond het belangrijk om de joodse religieuze traditie voort te zetten, maar over het algemeen werden mijn zus en ik met humanistische waarden opgevoed. Hoe komt het dat we zo volstrekt anders zijn geworden, zulke radicaal verschillende ethische en politieke waarden hebben?

Onze ouders leerden ons dat er geen fundamenteel verschil bestaat tussen Joden en niet-Joden, dat wetenschap en cultuur uiteindelijk belangrijker zijn dan de Thora. Mijn zus heeft een universitair diploma en spreekt verschillende talen. Haar kinderen spreken enkel Hebreeuws en zijn niet naar de universiteit gegaan. In mijn ogen zijn ze afgedaald op de sociale en intellectuele ladder.

Ik geloof dat mijn zus me oprecht graag wil terugzien, ze hecht veel belang aan familie. Maar ik denk ook dat ze mijn ziel probeert te redden. Ze bidt dat ik met een Joodse trouw, Joodse kinderen maak. Dat is het doel van het leven, zegt ze. (Als ze dan toch voor me moet bidden, zeg ik, laat het dan zijn dat ik de Nobelprijs win, maar dat soort aardse bagatellen vindt ze het bidden niet waard.)

Daarom heb ik besloten om een paar weken in haar nederzetting te gaan wonen. Eerder berichtte ik als embedded journalist van binnenuit over legereenheden in Afghanistan en Irak. Zo verbleef ik ook in een verpleegtehuis voor ouderen, en in een instelling voor psychiatrische patiënten; ik werkte een tijd in de restauratiewagen van een Zwitserse trein en als kamerjongen in een hotel. Nu zal ik me op dezelfde manier onderdompelen in het leven van mijn zus.


Oktoberfest

De nederzetting waar ze woont, doet me aan een gevangenis denken. Het is een plaats die ik om politieke én persoonlijke redenen verafschuw. Maar zou ik er, als puntje bij paaltje komt, kunnen wonen? Wat hebben mijn zus en ik nog gemeen? Zullen we de hele tijd tafeltennis spelen, zoals bij mijn laatste bezoek, om de echte, pijnlijke discussies uit de weg te gaan? Kan ik mijn relatie met mijn zus los zien van de plaats die ze als haar thuis heeft gekozen? Zal ik ooit begrijpen wat haar aantrekt in het nationalistische gedachtegoed, haar onwrikbare zekerheden op het gebied van politiek en religie, haar overtuiging dat ze bepaalde dingen beter begrijpt dan ik omdát ze in God gelooft?

Zal het leven in een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever mij veranderen?

Als we elkaar op een regenachtige decemberdag ontmoeten in Tel Aviv, komen we tot een compromis: ik mag over mijn zus schrijven, ‘maar alleen positieve dingen’. Wel dan: mijn zus heeft gevoel voor humor, ze is warm en ongelooflijk gastvrij, ze is een kolonist maar ook een fantastisch persoon, een lieve vrouw. Ik was boos toen ze jaren geleden mijn vriendin wegstuurde en beweerde dat gojim weliswaar een ziel hebben, maar dat die dichter staat bij die van een kat of een hond. Maar de niet-Joodse vrouw die jarenlang voor onze overleden moeder had gezorgd, verwelkomde ze onlangs wel in haar huis. Trouwens, mijn huidige vriendin Roos is dol op katten, dus die zou niet eens zo beledigd geweest zijn.

Om het ijs te breken heeft Roos mijn zus vooraf in een e-mail toevertrouwd dat ze erover denkt zich tot het liberale jodendom te bekeren, een zeer milde en open tak van de religie. Die open versie van het jodendom is voor mijn zus des duivels, maar tot mijn verrassing zegt ze nu dat ze bij dat nieuws tranen van geluk heeft gehuild. Misschien heeft ze het gevoel dat ze eindelijk gerespecteerd wordt.

Ik had Roos gewaarschuwd: ‘Je zult met andere vrouwen in één kamer moeten slapen, we mogen elkaar niet kussen of aanraken, je zult er zo ongeveer moeten leven als een non.’ Maar in Dolev wacht me opnieuw een verrassing: Roos en ik mogen een slaapkamer delen.

Het huis van mijn zus is erg koud en niet bijzonder schoon – dat is geen kritiek, mijn zus heeft nu eenmaal andere prioriteiten. Mijn verlangen naar warmte en een schoon huis is oerburgerlijk, maar het doet me beseffen dat me naast de politieke en ethische kwesties ook praktische moeilijkheden wachten: hoe hou je het uit in zo’n koud huis?

Door om te beginnen gewoon je jas aan te houden.

'De kinderen van mijn zus spreken enkel Hebreeuws en zijn niet naar de universiteit gegaan. In mijn ogen zijn ze afgedaald op de sociale en intellectuele ladder.' Op de foto: dochter Chagit.

Het is makkelijk om de politieke scheidslijnen te negeren. Begin 20ste eeuw reed de bus van Jeruzalem naar Dolev nog door de Palestijnse stad Ramallah en werd hij weleens door een steen getroffen: je had tenminste nog een beetje het gevoel een oorlogsgebied binnen te gaan. Nu is er een speciale omweg aangelegd en is de ander, de Palestijn, vrijwel onzichtbaar geworden. Hij is er niet en er wordt niet over gesproken, tenzij er een aanval plaatsvindt, wat tijdens mijn verblijf enkele keren gebeurt. Dan zegt mijn zus: ‘Zie je wel, dáárdoor komt er nooit vrede.’

Kort voor de sjabbat zegt mijn zus dat we mogen doen waar we zin in hebben, zolang we het maar in onze kamer doen. Ook dat is veel genereuzer dan ik van haar had verwacht. In de rest van het huis heerst de sjabbat: geen telefoon, geen computer, alleen eten, zingen, bidden, praten.

Ik probeer onze gesprekken te beperken tot ons verleden, dat lijkt me een vruchtbaarder onderwerp dan politieke discussies over de actualiteit en de toekomst. Maar ook dan ligt de controverse op de loer. Het verbaast me hoe sterk ze zich identificeert met de zogenaamde ‘Joden van de tweede generatie’, kinderen van overlevers van de Holocaust. Als ze ook mij tot die groep rekent, protesteer ik. ‘Ik beschouw mezelf niet als slachtoffer,’ zeg ik, ‘mijn identiteit is veel complexer dan dat.’ De karaktertrekken die ze als argument aanhaalt, vind ik slappe clichés. ‘Dat je geen eten kunt weggooien? Zo ken ik wel meer mensen en die zijn niet eens Joods, laat staan van de tweede generatie, ze zijn gewoon zuinig.’

De man van mijn zus zegt dat volgens de Thora alle Joden in Israël moeten wonen. Het zionisme vloeit voor hem helemaal voort uit het heilige boek. Voor mij is het in de eerste plaats ontstaan als poging om de fysieke vernietiging van de Joden te voorkomen. Madagascar, Oeganda, Palestina? Maakt niet uit, zolang we maar veilig zijn. Ik fantaseer weleens over een Joodse staat in Beieren, wat historisch best had gekund, en was het niet heerlijk geweest om bij een bezoek aan de Joodse staat meteen ook Oktoberfest te kunnen meepikken? Helaas, de geschiedenis heeft er anders over beslist.

Zaterdagavond komt een andere inwoner van Dolev, een wiskundige, op bezoek om met me te praten. Vóór mijn verblijf heb ik mijn plannen aangekondigd in een artikel en dat heeft hem boos gemaakt. Volgens hem denk ik dat alle kolonisten domme, ongeschoolde fanatici zijn, en wat ik over mijn zus heb geschreven, vindt hij ondankbaar.

Tijdens het gesprek merk ik een verschil met mijn schoonbroer. De politieke standpunten van de wiskundige zijn gegrond in zijn religieuze overtuigingen, maar hij verwijst zelden naar de Thora en kan enige sympathie opbrengen voor de Palestijnen: ‘Ik zie hoe moeilijk ze het hebben.’ Hij kan zich ook indenken dat hij elders zou wonen dan in Dolev. Er is niet één kolonist, zegt hij, er zijn veel verschillende kolonisten. ‘Maar wat jij over ons schrijft, herleidt ons tot een cliché.’ Na zijn vertrek spreken mijn zus en haar man niet meer over hem.

Mijn schoonbroer houdt van klassieke muziek, zegt hij, vooral van opera. De Thora komt natuurlijk op de eerste plaats, maar meteen daarna komt de muziek. Nog meer goed nieuws uit de nederzettingen.


Zelfhatende Jood

Enkele jaren geleden schreef een Nederlandse cultuurhistoricus, naar aanleiding van de moord op een kolonistenfamilie op de Westelijke Jordaanoever: ‘Wie willens en wetens kiest voor de bouw van een huis op het land van een ander, moet niet zeuren als hij dat met de dood bekoopt.’ Ondanks onze meningsverschillen deed het me pijn om dat soort kwalijke filosofie over mijn eigen zus te horen.

Later woonde ik een optocht bij voor Jom Jeroesjalajiem, de Israëlische feestdag waarop de eenmaking van Jeruzalem in 1967 wordt herdacht. Ik stapte op met leden van het rechts-religieuze Bnei Akiva, de jeugdbeweging waarvan ik ooit nog met tegenzin lid was geweest. Toen bleek dat ik als journalist de ‘buitenlandse media’ vertegenwoordigde, werd ik als een verrader uit de mars gezet. De enige die nog met me wilde praten, was een jongen die zichzelf een ‘officiële woordvoerder’ noemde en op iedere vraag antwoordde: ‘Kun jij me zeggen waarom je een zelfhatende Jood bent?’

Aan die twee gebeurtenissen denk ik in de keuken van mijn zus in Dolev, bij een kop Nescafé. Meer bepaald aan de zekerheid waarmee sommige mensen weten wie de vijand is. Ook mijn zus heeft me weleens een zelfhatende Jood genoemd, maar vandaag gaan we beleefder met elkaar om. Ironisch genoeg hoor ik in Nederland soms hetzelfde verwijt uit extreemrechtse hoek. Dat soort lezersbrieven krijg ik telkens als ik erop wijs dat de bewering dat alle moslims terroristen zijn uit hetzelfde retorische vaatje tapt als Hitler toen hij alle Joden bolsjewieken en kapitalisten noemde. Dan lees ik dat ik in die-en-die wijk in Den Haag, waar heel wat moslims wonen, maar eens moet gaan rondlopen met een keppeltje op mijn hoofd. Zelf zijn de afzenders van die e-mails waarschijnlijk nog nooit in die wijk geweest, en ik betwijfel of ze ooit iemand met een keppeltje op zijn hoofd hebben ontmoet, maar voor bepaalde mensen lijkt het oude spreekwoord nog heel levend: de vijand van mijn vijand is mijn vriend.

Mijn zus weet wie haar vijanden zijn. Ze haat Duitsers, om te beginnen, ook al waren onze ouders even Duits als Joods en roemde mijn vader de Duitse literatuur en filosofie als de grootste ter wereld. Mijn zus werd tweetalig opgevoed, in het Nederlands en in het Duits. Ik beschouw mezelf als Joods én Duits, ook al heb ik nooit in Duitsland gewoond – ik voel me meer thuis in de Duitse bergen dan in de heuvels rond Dolev. Maar dat zeg ik niet aan mijn zus, want dan noemt ze me misschien weer een zelfhatende Jood, of erger.

Aan de keukentafel besef ik nog iets. Geen van de kinderen van mijn zus heeft ooit ook maar een poging gedaan om met mij over politiek of religie te praten. Alleen haar jongste dochter Rinatya vroeg ooit, toen ze haar oma bezocht in Amsterdam en ik haar meenam naar het Anne Frank Huis: ‘Hoe kunnen hier Joden leven?’ Ik antwoordde: ‘Ondanks alles wat er gebeurd is kunnen Joden hier leven, en ze leven hier goed.’

Voor mijn neven en nichten is politiek geen gespreksonderwerp. Het lijkt allemaal vanzelfsprekend: hun identiteit, Israël, de vraag waar Joden thuishoren. Wie het licht nog niet heeft gezien, hoeven ze niet te overtuigen. Ze hechten meer belang aan de voorschriften voor koosjer eten dan aan politiek. Toen mijn neef Tuvya op bezoek kwam in New York, weigerde hij zelfs een glas water. Ik moest het in een plastic bekertje doen.

Naast de Duitsers beschouwt mijn zus ook de Arabieren als vijand, al maakt ze daaraan weinig woorden vuil. Haar man zegt: ‘Als wij de wapens neerleggen, worden we allemaal vermoord. Als de Arabieren de wapens neerleggen, komt er vrede.’ Een vijand heeft één ding gemeen met een geliefde: hoe minder je erover weet, hoe makkelijker het is al je fantasieën erop te projecteren.

Ik ben ervan overtuigd dat je met iedereen moet praten. Ik beweer niet dat er geen vijanden zijn, zo naïef ben ik niet, maar door met iemand te praten, leer je iets bij, en besef je dat je fantasieën vaak niet met de realiteit overeenstemmen. Hoe dichter je het monster nadert, hoe meer je ziet dat het monster wel erg op jou lijkt.

In 2009 was ik in Bagdad om er te schrijven over de nasleep van de oorlog. Ik had een persoonlijke lijfwacht ingehuurd, sympathieke Iraakse kerels met geweren die erop stonden dat ik een kogelvrij vest droeg. Voor alle zekerheid hield ik mijn Joodse achtergrond stil, ik zei dat mijn naam Arnold was.

'Bij het graf van mijn ouders hoor ik mijn zus tegen ze praten in het Nederlands. Plots zie ik haar weer als kind, en met dat kind kan ik het nog even goed vinden als vier decennia geleden.'

Op een avond zaten we op restaurant wat lamsvlees te eten en zei één van de jongens: ‘Ik weet dat je een Jood bent, maar de Palestijnen kunnen ons geen zier schelen. We hebben onze eigen problemen. En trouwens: joden, christenen, moslims, we geloven allemaal in dezelfde God. Het echte probleem zijn de atheïsten, dát zijn varkens.’

Ik moest erom glimlachen. Dat ik een soort van atheïst ben, hield ik maar voor mezelf – soms is zwijgen goud.

Mijn zus maakt geen verschil tussen Duitsers, Arabieren, moslims, vijanden. Maar ze is wel bereid om mijn niet-Joodse vriendin al haar genegenheid te schenken, alsof ze nu al familie is. Hoe dichter je bij de ander komt, hoe meer je de kwetsbaarheden ziet, de paradoxen, de contradicties.


Fundamenteel kapot

Mijn zus en ik maken ons klaar om het graf van onze ouders te gaan bezoeken in Jeruzalem. Hoewel ze maar acht jaar ouder is, lijkt haar gezondheid op haar 55ste al sterk achteruit te gaan. Ze is doof aan beide oren en sukkelt met haar tanden. Op de sjabbat weigert ze om de batterij van haar hoorapparaat te vervangen, ook al zegt haar man dat dat waarschijnlijk wel oké is.

‘Het belangrijkste voor mij is een goed mens te zijn,’ zegt ze. ‘Een goed mens,’ antwoord ik, ‘is dat iemand die de halve sjabbat doof is?’ Zij, onverstoorbaar: ‘Wat is voor jou het belangrijkste?’ ‘Een goede schrijver zijn,’ zeg ik.

Mijn zus drong er bij mijn moeder op aan dat ze haar laatste jaren in Dolev zou doorbrengen, waarop die steevast antwoordde: ‘Als ik héél oud ben.’ Maar ze stelde haar verhuis uit tot ze overleed in 2015. Nadat mijn moeder in 2010 ziek was geworden, kwam mijn zus één keer per jaar een week op bezoek – met tegenzin. Ze moest haar werk achterlaten, natuurlijk, en haar kinderen en kleinkinderen. Maar er was ook het stille verwijt dat mijn moeder, ondanks haar beloftes, de laatste dagen van haar leven niet in het Heilige Land zou doorbrengen.

Mijn moeder was ook veranderd. Ze had haar hele leven min of meer koosjer gegeten, al hield ze te veel van Duitse gebakjes om die te laten – voor haar was Duits gebak altijd koosjer. Maar in die laatste jaren vatte ze plots een voorliefde op voor niet-koosjere winegums. Wanneer mijn zus op bezoek kwam, vroeg ze mij om die te verstoppen, wat veel zegt over hun relatie. Mijn moeder leek wel een beetje bang voor haar warme, maar tegelijk strenge en vrome blik. Ze zei ook tegen mij: ‘Ik heb je zus niet verteld dat je op de sjabbat het vliegtuig neemt, dat zou haar te verdrietig maken.’

Mijn zus houdt van haar familie, maar die familie moet wél, net als alle andere Joden, naar Israël komen. Zij moeten een stap in háár richting zetten. Tijdens mijn verblijf in Dolev merkt ze een paar keer op dat het haar zo moeilijk valt dat ik al die jaren niet meer interesse heb getoond in haar kinderen. Emotionele chantage is een aloude Joodse traditie. Het zou niet eens bij me opkomen haar te verwijten dat ze niet meer interesse toont in mijn boeken. Voor zover ik weet, heeft geen van haar kinderen ooit één van mijn romans gelezen, al zijn enkele ervan in het Hebreeuws vertaald. Ik vermoed dat mijn boeken in het gezin van mijn zus op de zwarte lijst staan, en daarover klaag ik niet. Soms is censuur een compliment.

Bij het graf van mijn ouders hoor ik mijn zus tegen ze praten in het Nederlands. Plots zie ik haar weer als kind. Naast alle andere dingen die haar maken tot wie ze is – kolonist, gelovige, kinderpsychologe – is ze dat misschien wel in de eerste plaats: een kind. Iemand die weigert toe te treden tot de verraderlijke wereld van de volwassenen, zoals Oskar in ‘De blikken trommel’ van Günter Grass. En met het kind in haar kan ik het nog net zo goed vinden als vier decennia geleden.

Na het kerkhof gaan we naar een restaurant in Jeruzalem, waar ze ondanks mijn protest de rekening betaalt. Ik besef ineens dat het niet haar politieke overtuigingen zijn die ons scheiden. Oké, ik vind nog steeds dat de nederzettingen de vrede in de weg staan, maar ach, die stuit op nog heel wat andere obstakels. In mijn ogen zijn de nederzettingen onrechtvaardig, maar er is zoveel prangender onrecht in de wereld.

'Mijn zus hecht veel belang aan familie. Maar ik denk ook dat ze mijn ziel probeert te redden. Ze bidt dat ik met een Joodse trouw en Joodse kinderen maak.'

Wat tussen ons in staat, gaat dieper dan godsdienst. Voor mij zijn de wereld en de mensheid fundamenteel kapot, en er is geen uitweg, geen echt herstel, geen toekomst waarin alles weer heel is. De aanvaarding van die toestand, die tragische onzekerheid, is fundamenteel ironisch: je weet dat je op drijfzand staat, en door het besef dat al onze pogingen om het leven zin te geven spaak lopen, aanvaard je dat ook je éígen streven misschien wel blind en vruchteloos is. De menselijke komedie is even ironisch als bloederig; als je de clown in jezelf erkent, hoef je niet meer neer te kijken op het clowneske gedrag van anderen. En met die gebroken toestand van de wereld kun je leven, goed leven zelfs.


waarachtige Grap

Toen ik 16 was, nam ik mijn zus in Israël mee naar een film die een diepe indruk op me had gemaakt: ‘Betty Blue’ van regisseur Jean-Jacques Beineix. Het verhaal gaat over de amour fou tussen een getormenteerde schrijver en een jonge vrouw die vandaag waarschijnlijk als borderlinepatiënt zou worden gediagnosticeerd. Mijn zus verfoeide de film, tot vandaag gruwt ze bij de herinnering eraan. Iedere uitbeelding van het tragische, hoe mooi ook, wekt bij haar fysieke afkeer op. Verhalen van overlevers van de Holocaust en hun kinderen kan ze wél waarderen, maar voor haar heeft de Holocaust een happy end: de geboorte van de staat Israël. Van dat laatste ben ik niet zo zeker. Ik heb ook geen happy end nódig.

'Ik vermoed dat mijn boeken in het gezin van mijn zus op de zwarte lijst staan, en daarover klaag ik niet. Soms is censuur een compliment'

En er is nog iets dat ons scheidt. Vrijwillige assimilatie heeft altijd deel uitgemaakt van het emancipatieproces van minderheden, ik kan het alleen maar toejuichen. Voor mijn zus is assimilatie zo ongeveer de Holocaust van de Joodse ziel.

Voor we terug naar Dolev rijden, stoppen we even bij de Westmuur: mijn zus wil mijn vriendin het laatste nog overblijvende deel van het oude Jeruzalem laten zien. Nadien is ze teleurgesteld dat de muur niet meer indruk heeft gemaakt. Roos fluistert in mijn oor: ‘Eerlijk gezegd doet de eerste de beste kitten me meer dan die muur.’ Dat begrijp ik. Nietzsche, Freud en Joseph Roth hebben ook meer indruk op me gemaakt dan de Thora.

Eén van mijn laatste avonden in Israël breng ik op café door in Tel Aviv met de Israëlische auteur Nir Baram. Dronken en half voor de grap zegt hij: ‘Jij geeft nog om dit land. Daar zijn wij allang voorbij.’ Alsof je enkel om Israël kunt geven als je er niet woont. Zo gek is dat niet: afstandelijkheid en onverschilligheid zijn vaak onontbeerlijke overlevingsstrategieën.

Het was een grap, maar zoals altijd met een kern van waarheid. Ja, ik heb nog sterke gevoelens over Israël, ook al zijn die vaak schaamte en walging. Ook al lijkt het me nog onwaarschijnlijker dat ik ooit in de natiestaat zou kunnen geloven dan in God.

Mijn weerstand tegen nationalisme, tegen het idee dat mensen tot één of andere gemeenschap moeten behoren, drijft niet alleen mijn zus tegen me in het harnas. Veel mensen, onder wie sommige van mijn Nederlandse vrienden, vinden mijn antinationalisme snobistisch, elitair, misschien zelfs gevaarlijk. Misschien hebben ze gelijk, het zal best wel elitair zijn te denken dat je de natiestaat niet nodig hebt, dat je boven het stamgevoel staat.

Maar staten en stammen zijn abstracties. Ze kunnen hun enkel niet breken, ze hebben geen liefdesverdriet, hebben nog nooit van relativerende humor gehoord.

Het humanistische cliché dat je van de hele mensheid moet houden is al vaak genoeg ontkracht. Maar kun je liefde opbrengen voor de mensen om je heen als je weigert dat te doen voor wie niet tot je stam behoort, tot je groep, je staat? Hoe kun je ergens om geven als je gelooft dat het monster altijd de ander is, als je niet inziet dat de vijand ook in jou huist? Zolang je blijft hangen in het idee van wij tegen hen, van de eeuwigdurende oorlog, geef je eigenlijk om niets.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234