null Beeld Arnon Grunberg / Humo
Beeld Arnon Grunberg / Humo

Van de schuilkelder naar het vluchtelingenkamp

Arnon Grunberg meet de schade op in Oekraïne: ‘Als je wil weten waar de progressieve Rus eindigt, moet je over de Krim beginnen’

Arnon Grunberg, recent nog uitgeroepen tot winnaar van de Johannes Vermeer Prijs 2022, is bepaald geen schrijver van de ivoren toren. Zelfs de oorlog in Oekraïne ziet hij liever met eigen ogen dan vanop veilige afstand. Dus reist hij het conflict tegemoet, om te praten met de inwoners van een land dat door de geschiedenis niet gespaard is. In de grensstad Lviv en een vluchtelingenkamp in Bortyatyn meet hij de schade op, en de moed en de hoop op een vredevolle toekomst: ‘De nazi’s waren eigenlijk beschaafd, de Russen zijn echte beesten.’

Arnon Grunberg

‘Ik heb maar één been, daarom mag ik naar Polen,’ zegt Ihor, en hij slaat met zijn linkerhand op zijn linkerbeen.

Ihor is mijn chauffeur, hij komt uit Lviv en hij rijdt me deze maandagmiddag van Polen naar Oekraïne. Oekraïense mannen tussen de 18 en de 60 mogen sinds het begin van de oorlog het land niet verlaten, tenzij ze drie kinderen hebben of gehandicapt zijn. Soms is een aanzienlijke kinderschare lonend, een prothese kan ook helpen.

Glimlachen heeft Ihor sinds het moment dat hij me ophaalde op het vliegveld van Krakow niet gedaan, maar dat zegt niets, er zijn meer mensen die niet van de glimlach houden.

We rijden over een goed onderhouden snelweg. Heuvels, een paar bomen, vrijwel geen dorpen, nazomerse zon. Hoe dichter we bij de grens komen, hoe rustiger het wordt. ‘Er is niets van je been te zien,’ zeg ik. ‘En het rijden gaat uitstekend.’ Dat is gedeeltelijk waar, maar de bijrijder moet de chauffeur ook een beetje opbeuren.

Als we de grensovergang bij het Oekraïense Krakovets bereiken, is de rij voor personenauto’s vele malen korter dan die voor vrachtwagens. ‘Soms sta je hier uren,’ zegt Ihor. Hij stapt uit, loopt om de auto heen en begint gretig te roken. Hij kent het ritueel. Zo’n zes tot acht keer per maand reist hij naar Krakow om mensen zoals ik op te halen. Mensen die zich door oorlog niet per se laten afschrikken, of er zelfs op afkomen als de vlindervanger op een zeldzame vlinder.

‘Hoe is het gebeurd?’ vraag ik als Ihor weer naast me is komen zitten.

‘Tien jaar geleden,’ zegt hij, ‘op 1 januari. Ik haastte me om naar mijn werk te gaan en viel van het perron. Net onder de knie moesten ze amputeren.’ Hij maakt een hakbeweging met zijn hand. ‘Ik ben toen naar Kiev gegaan om te studeren en werd advocaat. Nu met de oorlog ben ik verantwoordelijk voor de gehandicapten in de regio Lviv.’

De Oekraïense grenswacht is nauwelijks in ons en onze paspoorten geïnteresseerd, de kofferruimte wordt slordig geïnspecteerd. Dan eindelijk Oekraïne. De gerieflijke snelweg is in een landweg veranderd.

‘Wat deed je voor je ongeluk?’ vraag ik.

Een foute vraag. Het antwoord luidt: ‘Nee.’ Ik vermoed dat hij die eerste januari van het perron viel omdat hij te veel gedronken had. Wie was hij toen hij nog twee echte benen had? Een ander, zoveel is zeker. En nu hebben oorlog en prothese hem in staat gesteld iets bij te verdienen.

We komen onbemande checkpoints met zandzakken tegen. Ze hebben iets museaals, in deze streek lijkt de oorlog al verleden tijd. Het enige bemande checkpoint dat we zien, wordt bewaakt door een soort suppoost, een oudere, ja bijna bejaarde soldaat met een geweer dat gedateerd aandoet. Niemand neemt de moeite vaart te minderen om de bejaarde soldaat tenminste de illusie te geven dat hij er niet voor niets staat, deze eenzame verdediger van de westelijke voorstad van Lviv.

In 2009 was ik voor het laatst in Lviv, er lijkt weinig veranderd. Van vernielingen is geen sprake, maar de vervallen gebouwen die er al stonden, zijn niet gerestaureerd.

DE SCHUILKELDER

Ik ben teruggekeerd omdat ik de dingen graag met eigen ogen zie. Daarin verschilt de schrijver niet van de journalist, hij hanteert alleen een ruimere of andere definitie van het woord ‘nieuws’.

Ik ben ook teruggekeerd vanwege de geschiedenis. In het stadje Brody, zo’n honderd kilometer ten oosten van Lviv, werd in 1894 de ook door mij geliefde schrijver Joseph Roth geboren. In 2009 kwam ik in Brody langs een volledig verwaarloosde Joodse begraafplaats waar wat geiten en lammeren naast de graven graasden. Daar, besloot ik, word ik begraven. En dat wil ik nog steeds. Als levende heb ik weinig fiducie in welke vorm van nationalisme ook, als lijk ligt dat anders, als lijk wil ik graag terugkeren naar de regio van mijn voorouders.

Mijn grootmoeder, de moeder van mijn vader, werd in 1879 geboren in het dorpje Brakhivka, nabij Lviv, toen Lemberg genoemd. Volgens een volkstelling uit 2001 wonen er zo’n 236 mensen. Mijn grootmoeder heette Menie Parnes Goldberg, maar ze werd ook Maria Tarnas genoemd, en ze werd in 1943 in Sobibór vergast.

Mijn grootvader werd in 1871 in Krytynopol geboren, wat nu Tsjervonohrad heet en zo’n zestig kilometer ten noorden van Lviv ligt. Tsjervonohrad is een mijnwerkersstadje geworden waar ruim 65.000 mensen wonen. Eind 19de eeuw was een kleine 80 procent van de inwoners Joods. In 1939 was dat percentage geslonken tot 67 procent, omdat de graanhandel niet meer goed liep en de stad geregeld door kozakken werd aangevallen. Nu wonen er, volgens de volkstelling van 2001, nog elf Joden in Tsjervonohrad. In 2014 bezocht ik de laatste Jood in Kaboel, over een paar jaar ga ik de laatste Jood in Tsjervonohrad bezoeken. Mijn grootvader heette Aron Grünberg Merwitzer en stierf in 1922 in Berlijn. Een foto van die grootvader heeft lang in het huis van mijn moeder gestaan, vooral omdat zij vond dat ik op hem leek.

Ihor zet me af bij het Bank Hotel in het centrum van Lviv. Pas bij het uitstappen valt me de gehandicaptensticker op de voorruit op. Het Bank Hotel heeft nog een portier, gasten zijn er nauwelijks. Op de bovenste verdieping eet ik in een leeg maar goed geoutilleerd restaurant, tientallen flessen wijn worden er achter glas gekoeld.

Als ik klaar ben met eten komen er twee Oekraïense dames van midden twintig binnen. De één heeft een klein hondje bij zich dat ze op haar schoot zet. Het huisdier zal als een rode draad door deze reis door Oekraïne lopen. Vermoedelijk heeft de Oekraïner bovengemiddeld veel vertrouwen in het huisdier, en misschien geldt dat ook voor de westerling. Door de mensheid en God kan hij zich met recht verraden voelen, maar het huisdier heeft hem zelden tot nooit in de steek gelaten en anders dan God is het huisdier werkelijk knuffelbaar.

Vroeg in de ochtend gaat het luchtalarm, ik stond net op het punt te gaan douchen. Een wat mechanische stem schalt door mijn hotelkamer en zegt in het Engels en het Oekraïens dat we ons naar de schuilkelder moeten begeven. Ik trek haastig iets aan, ga naar beneden en vraag aan de receptioniste waar de schuilkelder is. Zelf lijkt ze niet van plan erheen te gaan, maar misschien hanteert ze het heldhaftige adagium: gasten eerst, personeel later.

De schuilkelder blijkt eerst en vooral een cocktailbar die zich in de kelder van het hotel bevindt. Gisteren onder het afruimen had de ober verteld dat de jongedames in het hotel een feest zouden organiseren. Oorlog, geen oorlog, feesten gaan door. Ik ben de enige in de verduisterde cocktailbar en neem plaats op een barkruk. Na tien minuten verschijnen er twee jonge Polen die wat om zich heen kijken en dan weer weggaan. Volgens een app op mijn telefoon – met die app kun je per stad en regio in Oekraïne zien of het luchtalarm nog van kracht is – is het beter de cocktailbar niet te verlaten, maar ik besluit het douchen niet langer uit te stellen.

Later die ochtend vertelt mijn fixer Oleh met de achteloosheid van een held in wording: ‘Wij hier negeren dat luchtalarm.’

Een fixer is een gids in oorlogs- en crisistijd. Vóór de oorlog was Oleh manager bij een fastfoodbedrijf. Toen de oorlog begon, stond hij zoals veel Oekraïners in de rij om een wapenvergunning aan te vragen. In West-Europa zouden de rijen vermoedelijk korter zijn, hoewel ook daar het vertrouwen in de overheid slinkt, maar Oekraïners hebben reden tot wantrouwen, ze denken bij het woord overheid aan nazi’s, aan Stalin, aan het reëel bestaande socialisme en sinds Gorbatsjov aan een democratie die door kleine en grote corruptie wordt geteisterd. In Oost-Oekraïne is het vertrouwen het laagst, waardoor men daar ook het snelst geneigd is om te denken: we doen het zelf.

Onze chauffeur heet Zakhar, hij was voor de oorlog barkeeper. Zijn ouders hadden liever gehad dat hij sommelier werd, maar hij zegt: ‘Ik wilde het spul doorslikken, niet uitspugen.’

Zakhar heeft net als Oleh al zijn ledematen nog en droomde er ooit van in het buitenland te werken. De oorlog heeft voor een deel van de bevolking – de vrouwen, de kinderen, de bejaarden, de gehandicapte mannen – het reizen makkelijker gemaakt. De zogenoemde weerbare mannen zijn meer dan ooit gevangenen in eigen land.

Yulia: ‘Als je flat beschoten wordt, ga je anders naar je meubilair kijken. Je denkt: hoe gaat dit meubilair ons beschermen?' Beeld Arnon Grunberg / Humo
Yulia: ‘Als je flat beschoten wordt, ga je anders naar je meubilair kijken. Je denkt: hoe gaat dit meubilair ons beschermen?'Beeld Arnon Grunberg / Humo

RODE PEN

In het café Alternatyvna Kava, oftewel Alternatieve Koffie, waar de barista een imposante baard draagt en om de nek een minstens zo imposant kruis, ontmoet ik Yulia, ze is eind de twintig en heeft haar dagboeken meegebracht. Ze hield altijd al dagboeken bij, maar op 24 februari verwisselde ze haar blauwe pen voor een rode. Als ze begint met praten houdt ze niet meer op.

‘Ik ben geboren in Marioepol, niet lang na de onafhankelijkheid van Oekraïne, maar ik heb de Sovjetmens nog meegemaakt en de Sovjetmens is niet verdwenen. Het zal nog één of twee generaties duren voor die echt verdwijnt. De Sovjetmens is een mens met een uitgewiste identiteit. Van 2015 tot 2020 heb ik in Lviv gewoond, ik heb hier Frans en Engels gestudeerd, ik had de hoop dat Oekraïne Europeser werd. En hier in Lviv zag het daar ook naar uit. Vanwege de pandemie ben ik in 2020 teruggegaan naar mijn ouders in Marioepol. Ik woonde daar met hen en mijn lieve hondje. Hij heet Lord maar ik noem hem Lordyk. Ook ons flatgebouw werd beschoten. Als je beschoten wordt, ga je anders naar je meubilair kijken. Je denkt: hoe gaat dit meubilair ons beschermen? We schoven al het meubilair tegen de ramen. Vanaf 2 maart was er niets meer, geen water, geen elektriciteit, geen gas. Nieuws dus ook niet. Hygiëne werd een probleem. Om de paar dagen ging mijn vader tussen de beschietingen door op de fiets naar buiten om water te halen. Ik mocht niet mee. Hij kwam steeds terug met ongeveer zes liter water. We sloten ons vaak op in de badkamer omdat we dachten dat dat de veiligste plek was. Ik begon kiespijn te krijgen. ’s Avonds was het stil, de stilte vertrouwden we niet. Toen het echt niet meer ging, zijn we verhuisd naar mijn grootmoeder in een andere buurt van Marioepol. En vandaar naar de buren van mijn grootmoeder. Op 11 april hebben de buren ons met de auto voorbij de Russische checkpoints gebracht en daarna zijn wij verdergegaan met het openbaar vervoer, de buren gingen terug naar Marioepol. De Russische soldaten spraken me aan, ze zeiden: ‘Ga met ons mee, wat moet je bij die Oekraïense fascisten?’ Ze hebben mijn telefoon afgepakt. Ik herinner me hun gezichten nog. We waren met vier zielen: mijn ouders, ik en mijn hond Lordyk. Mijn grootmoeder is later naar Lviv gekomen. Met hulp van vrijwilligers. Als ik je de stad moet laten zien moet je dat zeggen. Vooral ’s ochtends heb ik veel tijd.’Hier en daar herinneren de winkels nog aan het verre verleden, het Oostenrijks-Hongaarse Rijk. Een herenkapperszaak bijvoorbeeld die Lemberg heet, een man laat zich er scheren. Even verderop passeren we Budzzini, een ‘trattoria Napoletana’ die open is voor lunch en diner en een niet minder tijdloze indruk maakt. Vanbuiten maakt het een goede indruk. Welk imperium ook in Lviv een aardige buitenpost ziet voor zijn ambities, Budzzini zal Napolitaanse specialiteiten blijven serveren. De ware restaurateur discrimineert niemand, ook de bezetter niet.

In het Frankivskyi District, een aangename buurt met veel groen, in een wat vervallen maar riant appartement, ontmoeten we Mykola Naboka uit Kharkiv. Hij is 25, acteur, en heeft een vriendelijke, onderzoekende blik in zijn ogen.

Hij leidt me rond door het appartement dat op een grote kater na leeg is, maar waar op het hoogtepunt van de oorlog – voor zover oorlog hoogtepunten kent – wel twee dozijn mensen hebben gewoond. ‘Ik sliep soms in de keuken,’ zegt Mykola. ‘Maar dat was prima, daar naast het fornuis legde ik een matrasje neer. Er kwamen steeds meer mensen bij. Ik was één van de eerste vluchtelingen. Mijn vriendin dwong me om op 24 februari Kharkiv te verlaten. Als ik alleen was geweest was ik niet gegaan. Mijn vriendin had op de eerste dag van de oorlog al een voorgevoel.’

Mykola en Masha: ‘De oorlog heeft mij Oekraïens gemaakt. Als je wordt aangevallen, wordt identiteit opeens iets van belang.’ Beeld Arnon Grunberg / Humo
Mykola en Masha: ‘De oorlog heeft mij Oekraïens gemaakt. Als je wordt aangevallen, wordt identiteit opeens iets van belang.’Beeld Arnon Grunberg / Humo

‘Hoe ben je hier terechtgekomen?’ vraag ik.

‘Ik kende de eigenaars van dit appartement. We hebben het wat opgeknapt. Als tegenprestatie. Het was behoorlijk vervallen.’

Je moet mensen kennen, of je nu vluchteling bent of niet.

Mykola blijft staan, ik ga zitten.

‘Een paar jaar geleden,’ vertelt Mykola, ‘deed ik een theaterproject in Duitsland. We waren uitgenodigd om samen met Russen iets te maken over vrede. Hoe je vrede kon stichten. De weg ernaartoe, zeg maar.’

Ach, de Duitsers en hun ontroerende geloof dat kunst de wereld zal helen.

‘Het waren allemaal progressieve Russen, allemaal tegen Poetin, maar al op de eerste dag begonnen ze erover dat Oekraïners en Russen toch broeders waren, dat we tegen dezelfde vijand hadden gevochten. Na een paar dagen begonnen ze zich te ergeren omdat sommige van de Oekraïners onder elkaar geen Russisch praatten. Er is een gezegde: als je wilt weten waar de progressieve Rus eindigt, moet je over de Krim beginnen.’

VERSCHEURENDE WOEDE

De Krim werd in 2014 door Rusland bezet, waaraan moet worden toegevoegd dat Chroesjtsjov in 1954 de Krim aan Oekraïne had gegeven. Ook Chroesjtsjov hield ervan grenzen te veranderen, zij het met minder geweld. Bij de Russische annexatie van de Krim in 2014 werd overigens ook geen schot gelost.

De vriendin van Mykola komt binnen, Masha is een stuk kleiner dan hij, heeft bruin haar dat de neiging heeft te krullen en is 31. Ze kijkt streng. ‘Ik ben vertaler voor een ngo,’ vertelt ze, ‘en amateuractrice. Eigenlijk kom ik uit Donetsk, maar dat heb ik in 2014 verlaten toen de Russen daar kwamen. Mijn vader bleef achter in Donetsk en stierf in 2019, ik kon niet naar zijn begrafenis.’ Masha zegt dat Kharkiv nu haar thuis is.

‘Veel vluchtelingen zijn weer teruggegaan naar hun stad,’ zeg ik. ‘Wanneer gaan jullie weer naar jullie thuishaven?’

‘Ik geloof niet dat de oorlog over een jaar voorbij is, en vóór die tijd ga ik niet terug,’ zegt Masha resoluut. ‘Je moet begrijpen dat ik tot 2014 niet Oekraïens was, ik was Joods en ik kwam uit Donetsk. Ik leefde in een bubbel, ik ging naar een Joodse school in Donetsk, had Joodse vrienden. De oorlog heeft mij Oekraïens gemaakt. Als je wordt aangevallen, wordt identiteit opeens iets van belang. Je kunt je een wereldburger voelen, maar dat voorrecht heeft niet iedereen. Russisch is mijn eerste taal, maar ik ben Oekraïens gaan spreken. Ook om erbij te horen. Kharkiv maakte in de jaren 20 van de vorige eeuw een enorme Oekraïense renaissance door op cultureel gebied. Dat is allemaal door Stalin vernietigd. De Oekraïners, hun taal, hun kledij, hun cultuur, het werd allemaal tweederangs. Oekraïens spreken was iets voor de boertjes.’

‘De beschaafde mensen spreken de taal van het imperium,’ merk ik op.

Haar vriend vult aan: ‘De negende mei is een grote feestdag in Rusland.’

‘Het einde van de Tweede Wereldoorlog,’ zeg ik.

‘Ze vieren de overwinning,’ zegt Mykola, ‘Amerika wordt niet genoemd. Voor ons is 9 mei geen feestdag. Maar ieder imperium vergaat.’

‘Ze zullen zichzelf opeten,’ zegt Masha, ‘verscheurd door hun woede.’ Ze houdt van bloemrijke taal. Kon je met bloemrijke taal maar vijanden verslaan.

‘In principe zou de staat je ieder moment kunnen opbellen en je vragen in dienst te gaan,’ zeg ik. ‘Wil je sterven voor je vaderland, Mykola?’

Hij schudt zijn hoofd en zegt peinzend: ‘Het is niet de moeite waard, het is te vroeg.’

Even denk ik dat hij bedoelt: het is te vroeg in de oorlog, sterven kan altijd nog.

Er valt een stilte. We kijken naar de kat die zich door de keuken beweegt alsof hij als enige in dit appartement echt thuis is.

Dan zegt Masha: ‘Ik ben niet dapper genoeg, misschien zou ik voor mijn kinderen willen sterven maar ik heb nog geen kinderen. Wel zou ik terug willen naar Donetsk om het graf van mijn vader te bezoeken. Ik mis Donetsk.’

‘Je was Joods,’ zeg ik, ‘nu Oekraïens. Is het verleden helemaal uitgewist?’

‘Ik ben nu Joods-Oekraïens,’ zegt ze. ‘De meeste van mijn familieleden zijn naar Israël gegaan. Al voor de oorlog. Nu moet ik echt gaan.’

Ik blijf nog even zitten, het is hier zo aangenaam, het licht dat door de ramen naar binnen valt, de weemoed aangevuld met net genoeg bitterheid om het niet zoetsappig te maken.

‘Donetsk is een zombie,’ zegt Masha tegen niemand in het bijzonder. ‘Donetsk is een dode die nog beweegt.’

Oxana (links) met moeder Ludmilla: ‘We zijn gevlucht met mijn jongetjes. Hun vader is nog in Luhansk, hij was bang dat het huis geplunderd zou worden.’
 Beeld Arnon Grunberg / Humo
Oxana (links) met moeder Ludmilla: ‘We zijn gevlucht met mijn jongetjes. Hun vader is nog in Luhansk, hij was bang dat het huis geplunderd zou worden.’Beeld Arnon Grunberg / Humo

OMBUDSMAN

Bortyatyn ligt een klein uurtje rijden ten westen van Lviv en is enkel langs onverharde wegen te bereiken. Hier is in juli een vluchtelingenkamp neergezet met de steun van een Nieuw-Zeelandse ngo. Vluchtelingenkampje. Er is plek voor veertig mensen, nu zijn er dertien. Vrouwen en kinderen. Geen mannen, mannen vluchten niet. Oxana, die mij rondleidt, houdt toezicht over enkele van zulke kampen. De manager van dit kamp heet Vika, ze is 18.

Vanbinnen doen de barakken denken aan een jeugdherberg: stapelbedden, en vrijwel niets wat kan worden afgebroken of meegenomen. Omdat er geen kasten zijn, hebben de vrouwen hun koffers niet uitgepakt.

Een kleine eetzaal is door middel van een luikje verbonden met de keuken. Twee vrouwen, de kokkinnen, kijken door het luikje nieuwsgierig naar het bezoek.

Oxana toont mij de verschillende vertrekken in het kleine kamp zoals je een handelaar in vee door de boerderij leidt.

De eerste deur wordt geopend. Ludmilla en Oxana, Oxana is een naam die veel voorkomt hier, oude moeder en volwassen dochter, zitten op hun bedden in een ruimte die verlicht wordt met tl-lampen. De ramen zijn gesloten.

Op 18 april hebben ze Luhansk verlaten. Sinds 2 juli zijn ze hier. Als ik vraag hoe het gaat, antwoordt de dochter: ‘We hebben het goed hier, we hebben airconditioning en een wasmachine. De vader van mijn jongetjes is nog in Luhansk, hij wilde niet weggaan, hij was bang dat het huis geplunderd zou worden.’

De jongetjes zijn elders in het kleine kamp. Ze zegt: ‘We zijn hier met bus en trein gekomen, een bus en een trein en nog een trein. We hebben er twee dagen over gedaan. We hebben de Russische soldaten niet gezien, maar we weten dat ze er zijn.’

Ik dank haar voor de moeite en de manager neemt mij mee naar de volgende slaapzaal.

Een oudere vrouw zit op haar bed en staart voor zich uit. ‘Dit is grootmoedertje Nina,’ zegt Oxana. ‘Nina, deze meneer komt uit Nederland en wil weten waarom je hier bent.’

Nina staat op.

‘Ik kom uit de regio Donetsk,’ zegt ze. Ze vertelt dat er op de eerste etage van haar huis een kleine raket gevallen is, waarna ze haar tas heeft gepakt en de sleutels aan de buren heeft gegeven. ‘Ik hoop op een dag terug te kunnen, maar het zal wel na de winter worden.’

‘Wat deed u vroeger?’ vraag ik.

‘Ik was kwaliteitsmanager in een fabriek, dat heb ik mijn leven lang gedaan. Mijn leven was best goed tot de dag dat mijn man stierf. In januari ben ik 70 geworden. Mijn stad heet Bakhmut. Er zijn altijd dingen die ik anders had willen doen. Maar nu is het te laat.’

‘Hebt u klachten?’ vraag ik, want de schrijver is ook ombudsman. ‘Hoe is het eten?’

‘Ik heb geen klachten, het eten is zo lekker dat ik flink ben aangekomen.’

Ze laat haar buikje zien.

Ik wil een foto maken, maar dat wil ze niet. ‘Nee, nee,’ zegt ze. ‘Die tijd is voorbij.’

‘In het vluchtelingenkamp in Bortyatyn zitten dertien vrouwenen kinderen. Geen mannen: mannen vluchten niet.’ (Foto: Katia en Nastia.) Beeld Arnon Grunberg / Humo
‘In het vluchtelingenkamp in Bortyatyn zitten dertien vrouwenen kinderen. Geen mannen: mannen vluchten niet.’ (Foto: Katia en Nastia.)Beeld Arnon Grunberg / Humo

ECHTE BEESTEN

De laatste slaapzaal. Daar verblijven Katia en Nastia. Katia komt uit Kranotiva, Nastia uit Kherson, ze hebben allebei één zoon, ze hebben elkaar op de vlucht ontmoet, zo zijn ze bevriend geworden. Nastia’s man repareert militaire voertuigen voor het leger. Als ik aan Katia vraag waar haar man is, antwoordt ze: ‘Geen.’

In deze slaapzaal is de geur van troosteloosheid het intenst, een geur die misschien ook wel losstaat van de oorlog.

‘Wat doen jullie ’s avonds?’ vraag ik. ‘Drinken jullie weleens een glaasje wijn of een glaasje wodka?’

‘We drinken niet,’ zeggen de dames en daarmee komt aan onze korte maar indringende ontmoeting een eind.

Oleh fluistert in mijn oor: ‘Nastia deed haar best nog een beetje Oekraïens te spreken, het ging haar niet goed af, maar Katia kon alleen Russisch en zelfs dat sprak ze slecht.’

We nemen afscheid van manager Oxana en manager Vika, vooral bij Oxana heb ik stiekem het gevoel dat ze ook een beetje bewaker is.

Als we teruglopen naar de auto vertelt Oleh dat sommige vluchtelingen niet op de foto willen uit angst dat dorpsgenoten hen als verrader zien. Hij voegt eraan toe: ‘Deze vluchtelingen hier behoren tot de onderste klasse, zij hebben niets, geen geld en geen connecties, anders beland je hier niet.’

Bij een benzinestation stoppen we en eten we een hotdog. ‘De hotdogs zijn goed in dit land,’ zegt Oleh.

Zakhar staat buiten bij de auto te roken. ‘Sinds de oorlog rook ik twee pakjes per dag.’

‘Dat is een goede reden,’ zeg ik.

‘Het is geen reden,’ antwoordt hij, ‘het is een excuus.’

Voor ik de nachttrein naar Odessa neem, eet ik met Oleh en Zakhar in een Aziatisch restaurant. De grootmoeder van Oleh, die uit de buurt van Lviv komt, heeft de geschiedenis nog meegemaakt: Oleh vertelt dat volgens haar het Oostenrijks-Hongaarse Rijk eigenlijk prima was. Daarna kwamen de Polen. Lviv heette toen Lvov. ‘Vreselijk, wat een ellende,’ zegt Oleh over de Polen.

Na de Polen de nazi’s. ‘Die waren eigenlijk beschaafd, volgens mijn grootmoeder,’ zegt Oleh. ‘Het waren natuurlijk nazi’s, maar ze hielden zich aan hun woord. In het dorp waar mijn grootmoeder woonde, was een belangrijk onderdeel van de legerauto kwijt. De nazi’s namen honderd gijzelaars en ze zeiden: als dat onderdeel er niet voor vijf uur is, schieten we iedere tweede gijzelaar dood. Het onderdeel kwam boven water en ze hebben niemand doodgeschoten. Zo waren de nazi’s.’

Nu de Russen. ‘Echte beesten. Kijk: als je je zoon of je man verliest in deze oorlog, kun je niet zeggen dat deze oorlog goed was. Maar deze oorlog heeft ons verenigd,’ zegt Oleh. ‘We zijn Oekraïners geworden.’

‘Ik hoop dat Rusland uiteenvalt in honderd kleine staatjes, zodat ze niemand meer kwaad kunnen doen,’ zegt Zakhar. ‘Ze geven iedereen de schuld van hun eigen ellende behalve zichzelf.’

Ik vraag hem nog of hij denkt dat het leger hem zal oproepen om te dienen. Hij haat de Russen, zegt Zakhar, bij wijze van antwoord, maar hij wil niet sneuvelen aan het front.

De nachttrein van Lviv naar Odessa vertrekt om 22.20 en komt om 9.51 aan in Odessa. Voor omgerekend ongeveer 40 euro heb ik een kaartje voor een coupé met bed gekocht, inclusief drie drankjes. Er zou iemand bij kunnen, maar het tweede bed blijft onbeslapen. Een oudere conductrice brengt me na vertrek een kopje thee.

De afstand tussen mij en mijn toekomstig graf groeit weer, maar in Odessa wacht de herinnering aan Isaak Babel. Niemand heeft beter over oorlog geschreven dan hij, zijn verhalencollectie ‘De rode ruiterij’ uit 1920 over de Pools-Russische oorlog wijst mij nog altijd de weg. ‘De geur van gedode paarden en gisteren vergoten bloed druppelt de avondlijke koelte in,’ noteerde hij aan het begin van die collectie.

Ik open het rolluik maar de conductrice, die mij thee komt bijschenken, doet het meteen en zeer resoluut weer dicht. Het front is ver weg, maar je weet nooit helemaal zeker of je niet toch wordt beschoten. Om het zekere voor het onzekere te nemen reizen we verduisterd door de nacht.

Volgende week: in Odessa

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234