null Beeld

Arnout Hauben in de loopgraven voor 'Ten oorlog: onder Vlaamse velden'

Arnout Hauben trekt opnieuw ten oorlog: in het nieuwe Eén- programma ‘Onder Vlaamse velden’ speurt hij zij aan zij met een team van jonge archeologen in de geschiedenisrijke bodem van de Westhoek.

'We willen niet dat gebeenten zichtbaar zijn, dat lokt souvenirjagers'

Om ook de grond in te mogen, moet ik eerst een veiligheidscursus volgen bij Fluxys, de beheerder van de aardgasleiding. Een werftoezichter somt de verplichte ‘persoonlijke beschermingsmiddelen’ op: helm, veiligheidsbril en veiligheidsschoenen. Eerste punt in de powerpointpresentatie: ‘Als je vreemde voorwerpen ziet, raap ze dan niet op en gooi er ook niet mee.’ Het kan immers munitie zijn. Gevolgd door een reeks foto’s van explosieven die er soms gevaarlijk uitzien, soms ook als onschuldig oud ijzer.

Om alle risico’s te verkleinen zijn er eerst ontmijners met detectoren over het terrein gegaan: hun ‘oogst’ is door de ontmijningsdienst DOVO opgehaald. Pas dan wordt een graafvergunning uitgeschreven en mogen de archeologen het terrein op, maar dan nog zullen ze heel veel achtergebleven munitie vinden. Een oorlog roest wel, maar rust in geen geval.


Stoffelijk overschot

Ik parkeer de auto buiten Langemark – witte schapen staan in de groene wei, hoog in de lucht zingt de leeuwerik. We stappen in de sleuf, circa 30 meter breed met aan weerskanten hoge aarden wallen, de bovenste laag teelaarde die is omgelegd. Voor Arnout Hauben is het één van z’n eerste draaidagen en hij wordt gebrieft door de twee archeologen-projectleiders Simon Verdegem en Maarten Bracke.

Voor ons uit werkt een graafmachine die dunne lagen wegschept, de archeologen volgen met een schop en ‘schaven’ een nog dunnere laag weg. Ontmijner Richard waakt van nabij. Hij was vroeger beroepsmilitair in het Britse leger, en is nu overal ter wereld betrokken bij ontmijningen.

In het gelige zand staan witte plaatjes met nummers, vindplaatsen van voorwerpen of lichamelijke resten. Een eind verderop is zopas menselijk gebeente ontdekt, vermoedelijk een stuk heupbeen, met twee Duitse kogels. Dwars door het bot steekt ook puin. Mogelijk is deze soldaat door de kogels gedood, en is hij later bedolven onder de stenen van een gebombardeerde abri: daardoor is hij nooit teruggevonden. Het zou een Brit kunnen zijn, maar dat is onzeker. Zowat iedereen heeft hier gevochten: Fransen, Canadezen, Britten, Belgen, Nieuw-Zeelanders en Duitsers. In de geschiedenisboeken gaat zo’n oorlog van slag naar slag, alsof je een liniaal langs de tijd kunt leggen. Hier in de grond liggen de puzzelstukken door elkaar – het front is voortdurend over en weer geschoven.

Met lichte schroom staan we bij dit stoffelijk overschot. Hier ligt een man van wie de familie niet weet dat hij hier begraven is, en nu zitten jonge mensen in fluohesjes op hun knieën en op werkmatjes bij zijn lichaam. Het donderende geraas van geschut en geweren heeft hem het leven gekost, nu is er enkel de schrapende stilte van een fijne borstel en een dun truweel. Het is geconcentreerd precisiewerk dat de archeologen verrichten. Alsof ze honderd jaar later nog een dissectie uitvoeren op een lichaam, maar dan in open veld, tussen zand, gruis en puin.

Ik twijfel. Als iemand na een eeuw oorlogsgraf ineens aan het daglicht komt, is dat dan een goede zaak? Of is het verstoorde rust, een milde vorm van grafschennis? Maarten ziet geen verstoring: ‘Die man krijgt een graf en een waardige grafsteen, dat is iemand die je uit een niemandsland hebt gered.’

Als de archeologen met een schop onder het gebeente willen graven, moeten we van Richard 40 meter achteruit. Zelfs al is de bodem met detectors onderzocht en ‘safe’ verklaard, zelfs al zijn er strikte veiligheidsnormen, nooit is zo’n werf 100 procent veilig. Het is geen loze maatregel, zo zal blijken: onder het bekken van de gesneuvelde soldaat wordt een niet ontplofte granaat gevonden – ‘een Engelse achttienponder’. De werken worden stilgelegd, het is wachten op DOVO om het stuk uit te graven en mee te nemen.

undefined

null Beeld

'Eén van de fraaiste vondsten is een gedeukte Pickelhaube. 'Dat blonk als goud. Eigenlijk waren de Duitsers daarmee té goed zichtbaar'


Souvenirjagers

Na een maand opgravingen zijn er al lichaamsresten van negentien personen gevonden. Elk gebeente, elk vingerkootje, elke uniformknoop, elk gerafeld stukje riem wordt opgeraapt, gefotografeerd en geïnventariseerd. De lichaamsresten worden in bakken en plastic zakken verzameld en naar een hangar in Ingelmunster gebracht. Daar werkt de fysisch antropologe: zij wast de lichaamsdelen en tracht het stoffelijk overschot naar best vermogen in elkaar te puzzelen. Later zullen de lichaamsresten aan het Britse Commonwealth of aan de Duitse Volksbund worden overgedragen voor begraving.

Enkele dagen geleden hebben ze een Duitser gevonden: zijn skelet was in een grondzeil gesnoerd en daardoor nog redelijk intact, ‘maar hij zat wel dicht bij het landbouwoppervlak, zijn hoofd was helemaal verploegd.’

De archeologen willen doorwerken om het pas gevonden lichaam vanavond nog weg te brengen. Soms raakt een lichaam niet helemaal uit de grond, en wordt het ’s avonds veiligheidshalve opnieuw met aarde toegedekt. ‘We willen niet dat gebeenten zichtbaar zijn, dat lokt souvenirjagers. Met hun detector gaan ze in de buurt van zo’n lichaam op zoek naar insignes, wapens en uniformonderdelen, want die brengen aardig wat op via het internet.’ Simon las op een ’14-’18-forum dat iemand ‘een mooie Duitse pinhelm’ had gevonden. Bij wijze van referentie stond erbij: gevonden op het lichaam van een Duitse soldaat. Simon: ‘Zonder enige gêne. Zonder te denken aan die dode.’

Als fietstoeristen of voorbijgangers vragen of ze iets gevonden hebben, zullen ze altijd zeggen dat het vandaag een slechte dag is, ‘anders heb je ’s nachts gegarandeerd bezoek’. Een fietser stopt. Hij ziet het gebeente en vraagt schamper of die vent nog leeft. Hij heeft van de opgravingen gelezen in de krant. Dat de archeologen tussen de oorlogsresten ook een Romeins graf hebben gevonden, niet veel dieper dan de gesneuvelden. Straf! Hij wist dat hier Duitsers en Engelsen hebben rondgelopen. ‘Maar Romeinen? Daar verschiet ik van!’ De archeologen beamen: zo is dat met archeologie, je steekt een schop in de grond en je komt in het Romeinse Rijk.

Simon heeft gelezen over een W.O. I-opgraving in Frankrijk waar een soldaat werd aangetroffen met silexen (prehistorische vuurstenen) in z’n broekzak: ‘’14-’18 én het stenen tijdperk in één broekzak!’ Bij die miljoenen frontsoldaten waren immers ook archeologen, en het graven van loopgrachten moet soms toch vreugde hebben gebracht.

Arnout vraagt aan Simon of hij van jongs af archeoloog wilde worden. Simon knikt. Hij is als knaap in de Westhoek op schoolreis geweest, en dat was de aanleiding om later geschiedenis en archeologie te studeren. Maarten vond als kind een kogel in de tuin. Hij blonk hem op, zette hem boven zijn bed, wilde nog meer kogels zoeken, kreeg van zijn ouders een speelgoeddetector en nu is archeologie zijn beroep.

undefined

null Beeld

undefined

'De boeren in de streek vonden jaar in jaar uit munitie. Ontploft, niet ontploft – wisten zij veel wat dat stuk roest inhield'


Dodenakker

Op een paar honderd meter van de sleuf staat de boerderij van Hendrik Vermeulen – over een lengte van 500 meter ligt zijn landbouwgrond open door de graafwerken. Hij volgt alles met grote belangstelling. Arnout is hem gaan zeggen dat er op ‘zijn’ 500 meter vijftien lichamen zijn gevonden. Daar schrikt hij van. Het is grond die hij, zijn vader en zijn grootvader jarenlang bewerkt hebben. Zij hebben op die grond geploegd en gezaaid, zij hebben er aardappelen, tarwe, bieten en vlas geoogst, en nu blijkt die aarde al jaren een groot graf, een grote dodenakker te zijn geweest.

’s Namiddags zijn er opnamen bij Hendrik. De hele familie zit rond een tafel van koffie, koek en armagnac. Tv is hoog bezoek. Hendrik stelt zich het leed van de families van de vermisten voor. ‘Stel: die oorlog is in Canada, en je zoon vertrekt van België naar dat Canadese front, en ineens hoor je niks meer van hem. Al wat je krijgt, is een brief met de vermoedelijke dag en streek waar hij gesneuveld is. Zo weinig weten, dat moet toch zwaar om dragen zijn?’

Zij zijn hun zus jong verloren. Ze weten de dag, het uur, de minuut dat ze naar haar werk vertrok, ze weten dat het regende en dat de weg glad was, ze weten tegen welke boom ze gebotst is, ze kennen de toedracht en weten dat ze op slag dood was, en zelfs dán is het nog altijd moeilijk om dragen. Zelfs al is ze ‘gevonden’, zelfs al is ze begraven in een volle kerk, zelfs al is er een graf om te bezoeken, het blijft een klap die niet weggaat.

Het is stil aan tafel. Maria was 19, het was 1974, en oorlogen en verkeersongevallen blijven diepe wonden maken in huisgezinnen.

Dan gaat het over de ‘verregaande’ veiligheidsmaatregelen in de sleuf. Ja, die archeologen zijn nogal beschermd! Als boer hebben zij jaar in jaar uit munitie gevonden. En zonder ontmijners of security in de buurt. Soms kleppers van wel 85 centimeter! Ontploft, niet ontploft – wisten zij veel wat dat stuk roest inhield. Ze legden het in de stuurcabine van hun tractor, dat rolde een halve dag over en weer tijdens het werk en ’s middags reden ze ermee naar huis over de hobbelige kasseien. In theorie moet je stoppen met werken en de politie en DOVO verwittigen, maar deze Hendrik gaat toch zeker geen dagen op zijn gat zitten wachten tot die mannen daar zijn!?

Het boerenwerk brengt hem op een zere plek. Na drie generaties boeren neemt niemand van de kinderen het bedrijf over. Hij troost zichzelf en zegt dat het ‘een kleinigheid’ is, want twee jaar geleden is alweer een jong familielid omgekomen bij een verkeersongeval… En wat te denken van de broer van zijn grootmoeder. Het was 11 november 1918, de wapenstilstand was getekend, hij kwam van de loopgraven aan de IJzer naar huis, en hier in zijn dorp liepen nog Duitsers die niet wisten dat de oorlog gedaan was. Hij is stomweg doodgeschoten, vlak bij z’n huis! Zo’n verdriet!

'Boeren hebben op die grond geploegd en gezaaid, en nu blijkt die aarde al jaren een grote dodenakker te zijn geweest'


Tijdreizen

Een maand later sta ik opnieuw in het basiskamp van de archeologen, met de aaneengesloten reeks containers waarin keuken, refter en magazijn zijn ondergebracht. In de bureaucontainer van Simon en Maarten is door het getraliede raam weidegras en grazend rundvee te zien. Op de vloer staat een plastic pot met het opschrift ‘Individu 27: voetbeenderen en fibula’.

Simon ledigt het ene plasticzakje na het andere. Het zijn vergane stukjes draagriem van een geweer, plukjes leer die amper zichtbaar zijn in een kluit aarde, maar hun truweel heeft ze toch gevonden, en nu tracht hij de lapjes ineen te puzzelen. Er liggen ook drie geweren waarvan de houten kolf is vergaan. De loop is een roestig aangekoekte stang, het zijn Duitse mausers. In hoeverre kan zo’n roeststang ons nog iets leren, er zijn toch genoeg goed bewaarde geweren in musea? Maarten zegt dat archeologen niet op zoek zijn naar het perfecte geweer. Archeologen zoeken naar waargebeurde geschiedenis, naar overblijfselen van wat op één plek écht is gebeurd. Voor hem is een loopgracht met een stuk geweer, een kogel en een gebeente als een plaatselijk verslag. ‘Het is bewijsmateriaal dat aantoont dat historische bronnen correct zijn. De vondst in de grond liegt niet.’ Hij ziet dat als tijdreizen, als door de tijd wandelen: ‘In de bodem kun je heel dicht bij de geschiedenis komen.’

Van omstaanders krijgen zij ook dikwijls onbegrip te horen: ‘Waarom graven jullie dat nog op? Alles staat toch al in boeken?’ Maar dat is niet zo. Een boek kan alleen beschrijven, archeologie maakt tastbaar. Volgens Simon bekijken geschreven bronnen de geschiedenis vaak vanuit het standpunt van de leider. Met archeologie ben je rechtstreeks verbonden met de eenvoudige soldaat. In een geschiedenisboek lees je over de abri’s van de frontsoldaten, in de bodem zíé je dat ze een schuurdeur van een nabijgelegen boerenhof moesten gebruiken om enigszins beschut te zijn in hun schuilplaats.

undefined

null Beeld

undefined

'De archeologen vinden zelden volledige resten. Elk gebeente wordt gefotografeerd en geïnventariseerd'


Gasaanval

Maarten krijgt telefoon, het gaat over een bomput waarin vier schedels zijn gevonden. Het aantal gevonden ‘individuen’ is opgelopen tot 37. Arnout zegt dat er naar schatting nog 200.000 vermisten in de grond van de Westhoek liggen.

De archeologen vinden zelden volledige resten. Soms is het alleen een schedel of één rib. Of één schoen met een voet. Schoenen zijn dankbaar, want daaruit kunnen we vaak de nationaliteit afleiden.

Tot in detail identificeren is heel moeilijk. Vaak heeft zo’n lichaam alleen nog maar schoenen en uniformkleren. Helm, koppelriem en geweer zijn afgenomen voor hergebruik; horloge, ringen en persoonlijke papieren zijn meegenomen om naar de familie te sturen. ‘De lichamen die nu gevonden worden, zijn haastig begraven met het doel ze later weer op te graven en naar een fatsoenlijk graf over te brengen. Maar door de bombardementen, door het feit dat de begravers zelf óók sneuvelen, gaat die eerste geïmproviseerde graflocatie verloren, en zo komt die familie nooit te weten waar hun naaste gestorven is en begraven ligt.’

De meeste doden zijn Britten, en vermoedelijk gesneuveld op 23 en 25 april 1915. ‘De Duitsers hadden toen voor het eerst gas ingezet en de Britten werden achteruitgedreven. ’s Nachts werden verse Britse troepen aangevoerd, maar die jongens zijn vaak snel gesneuveld, omdat de Duitsers hen in hinderlagen lagen op te wachten.’

undefined

null Beeld

undefined

'Hier ligt een man van wie de familie niet weet dat hij hier begraven is, en nu zitten jonge mensen in fluohesjes op hun knieën bij zijn lichaam'


Joyriding

De laatste dagen heeft het fel geregend. De grond is vet en zuigt zich aan onze laarzen. Een blauw paaltje met een rode top: dat is munitie die vanmorgen gevonden is. Een Duitse steelhandgranaat zonder de houten steel, en een Franse artilleriegranaat, beide nog niet ontploft. In zeven weken is al 10 ton munitie opgehaald: ‘Dat betekent zo’n duizend stuks.’ Verderop lag nog een derde granaat, de dikke ribbelsporen van de graafmachine zijn er vlak naast gegaan.

In een dieper stuk ondergrond met binnensijpelend grondwater is een goed bewaarde Duitse rugzak aangetroffen. De stugge kalfshuid van de rugklep is nog goed te zien, de koperen gespen blinken in de grauwe bodem. Waar water staat, daar is alle zuurstof weg, ‘en dan is er minder bederf’.

'Zelfs al is de bodem met detectors onderzocht en 'safe' verklaard, nooit is zo'n werf 100 procent veilig'


Een jonge archeoloog maakt dezelfde bedenking als ik: wat zou die man gedacht hebben als hij wist dat er honderd jaar later tien man rond zijn beslijkte ransel zou staan? De rugzak ligt bij een vlechtwerk van twijgen en dikkere takken, een typisch Duitse borstwering. Onvoorstelbaar dat die twijgen de oorlog en honderd jaar vergankelijkheid hebben doorstaan.

Verderop steken houten ribben boven het zand, als een dik telraam. Dat is een plankier geweest, een vlonder om zich enigszins droog te kunnen voortbewegen door de soppende loopgraven. Het is een aandoenlijke getuige. Hoevelen hebben over dit hout gestiefeld, bang en onzeker om wat komen ging, of blij en opgelucht omdat ze heelhuids terugkeerden.

Maarten vertelt dat er vorige week een quad los door de sleuf is gereden. Hij denkt niet aan vandalisme: ‘Die gasten zagen die zandvlakte, en – ‘Hey, fun!’ – een autostrade van 8 kilometer!’

Maar niet de quadrijders zijn een groot gevaar, schadelijker is het onbegrip. ‘Ons archeologische werk wordt vaak gezien als hinder, als puur tijdverlies.’ Door de bouwheren, dat zijn de grote verkavelaars van nieuwe woonwijken, de aannemers van grote stadsprojecten en de gravers van nutsleidingen. ‘Ze zijn van overheidswege verplicht om archeologen vooraf hun werk te laten doen. En dat is op kosten van die bouwheer.’ Soms is er ook onbegrip van de overheid: ‘Neem burgemeester Tobback van Leuven. Die kloeg in 2010 over het ‘onzinnige’ graafwerk onder het Fochplein. Hij zei letterlijk: ‘Ik zal blij zijn als ze tenminste de sacoche van ons grootmoeder vinden.’ Boks maar eens op tegen zo’n vooroordelen.’

Ik vind een ruwe knikker in het zand. Het blijkt een kartetskogel uit een granaathuls. Zo’n huls spatte dicht bij zijn doelwit uiteen en die metalen kogels schoten naar alle kanten om zoveel mogelijk doden en gewonden te maken. ‘Zo zitten er hier miljoenen in de grond.’


 Pinhelm

Maarten en Simon ontgrendelen een container met recente bijzondere vondsten. Het meeste daarvan zal straks opgeslagen worden in de magazijnen van het In Flanders Fields-museum in Ieper. Er is een Britse veldfles in blauw email. Een bajonet in een schede. Een gasmasker. Ooit is dat alles meegedragen in lawaai en donderend geweld, nu beweegt hier niks meer. Er komt een fraaie, maar gedeukte Pickelhaube uit een bewaardoos. Het is de helm met de piek en de adelaar, een echt pronkstuk: ‘Dat blonk als goud. Eigenlijk waren de Duitsers daarmee té goed zichtbaar: eerst zijn ze dat gaan afdekken met een omhulsel, later is die zwakke leren helm een Stahlhelm geworden.’ Dan nog een mondharmonica. Een bruine ingekoekte reep met nog nauwelijks zichtbare luchtopeningen. Het speelijzer zwijgt als vermoord. Hoeveel heimwee en weemoed zijn uit dat mondstuk opgeklonken?

★★★

Straks komt het aardgas hier door de pijp. Het verleden weer toegedekt. Een deken van aarde en tijd.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234