null Beeld

Babyshambles - Sequel to the Prequel

Pete Doherty is 34. De vraag is al lang niet meer hoe en wanneer hij zijn lepel weggooit, maar waarom we anno 2013 nog wakker zouden liggen van die hele Doherty in het algemeen en van Babyshambles in het bijzonder.

Er zijn zes jaar voorbij sinds de vorige groepsplaat, en vier sinds soloplaat ‘Grace/Wastelands’. Pete woont ondertussen in Parijs, een stad waar iederéén te laat komt. Ver weg van de andere Babyshambles, ook. De drugsroes is niet afgezworen, maar hij beleeft ze niet langer aan de voeten van de boulevardpers. Nog een factor: twee jaar geleden werd bassist Drew McConnell omver gereden door een auto – nettoresultaat: enige verbrijzelde rugwervels, vijf gebroken ribben, een kapotte knie en een dokter die kwam vertellen dat hij mogelijk nooit meer zou lopen. ‘Sequel to the Prequel’ is derhalve, volgens de groep zelf, bovenal het verhaal van de onverwachte verrijzenis. Denk Lazarus: wat dood is, staat heden terug recht.

Het heeft ook lang geduurd eer we de ingang van de plaat vonden. Het afsluitende ‘Minefield’ (een valse trage) en ‘Seven Shades of Nothing’ (de song die het beste toont dat Doherty ooit bij The Libertines zat) waren van bij het begin raak, maar de rest klonk te veel als een popquiz. Er zijn mensen die houden van zoekplaatjes, met songs waarin de drum aan díé band doet denken en de gitaarpartij dáárnaar verwijst. Wij horen in zoekplaatjes vooral de problemen van een popgroep: we hebben liever dat ze ons iets doen vóélen. Halverwege ‘Fireman’ klinkt Doherty bijvoorbeeld ineens als John Lydon, maar hij mist de woede om te overtuigen. ‘Farmer's Daughter’ dreef onze gedachten richting Cowboy Junkies, en toen ‘Fall From Grace’ ons aan The Radios deed denken, hadden we er bijna de brui aan gegeven.

Doorbijten heeft evenwel voor enkele opmonterende vaststellingen gezorgd. Dat, als Babyshambles op reggae en ska mikken, ze uitkomen bij het goeie, donkere ‘Dr. No’: een song waarvan de verteller een kaartje legt met de man with the harmonica van Sergio Leone. Dat wat in ‘Penguins’ eerst melig klonk, na acht luisterbeurten plots klópt. Dat ook de klank twaalf nummers lang goed is, wat allicht te danken is aan producer Stephen Street, bekend van zijn werk als engineer bij ‘Meat Is Murder’ en ‘The Queen Is Dead’ van The Smiths, en als producer van vier Blur-platen. Plus: het klinkt vreemd over iemand die een paar jaar lang met elke verloren gelegde naald in het nieuws kwam, maar Doherty is nooit iemand van het grote gebaar geweest. Ook op ‘Sequel’ neemt hij meestal de achteringang: geen refreinen die je onmiddellijk meefluit, geen songs die je zonder schriftelijke toestemming bij de lurven grijpen. Een groeiplaat, wordt zoiets bij ons in de streek ook genoemd.

Dat levert – 15 luisterbeurten ver – vooralsnog drie sterren op. De verwachting is dat over enkele weken mogelijk een extra halve ster bereikt wordt. In elk geval genoeg om de vraag uit onze tweede zin beantwoord te weten. Pete Doherty is terug: 2013 wordt stilaan een raar jaar.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234