Balletje-balletje met schijfjes: Dwarskijker over 'Axel Opgelicht' en 'De Canvasconnectie'

Dat was lachen, als 't al geen gieren was, om van brullen nog maar te zwijgen. Huilen met de pet op was een vierde mogelijkheid.


Axel opgelicht

VTM – 14 & 21 mei

Nergens is het helemaal pluis. Sterker nog: er is geen mens die waarlijk deugt, ikzelf ook nauwelijks. Wie deze opvatting huldigt, wordt vast niet wijzer van ‘Axel opgelicht’. In dit programma laat Axel Daeseleire zich in toeristische trekpleisters van verscheidene werelddelen willens en wetens, alsook ter lering en vermaak, besjoemelen. In het gewone leven is hij een goede, erg inzetbare acteur – een veel betere acteur dan de cultureel correcte zwik ooit zal toegeven. Hij heeft ook een onmiskenbaar Antwerpse fond. Het Engels waarvan hij zich in dit programma bedient, klinkt dan ook als een bijproduct van het Antwerpse dialect, een tongval die hem zo te horen nader aan het hart ligt dan dat taaltje waarin nieuwslezers zich nog steeds aanstellen: het Nederlands.

In de commentaartekst beloofde Axel Daeseleire dat hij flessentrekkers zou ontmaskeren, zowel met de verborgen camera als met open vizier. We zagen hem daartoe koortsachtig in de rondte spieden, terwijl hij de attitude ‘Niemand, níémand fuckt met Axel Daeseleire’ tot uitdrukking bracht. Een acteur, ik zei het al. Daarna liet hij zich in Parijs, ‘stad van kunst en romantiek’, te onzer informatie neppen door het eerste het beste samenzwerinkje van Roemeense fortuinzoekers dat hem tot het aloude balletje-balletje had verleid, een gokspel dat die vingervlugge linkerds voor de verandering met schijfjes speelden. Ik weet weinig, maar niettemin is het me al een eeuwigheid bekend dat je niet kunt winnen bij balletje-balletje, en ik ben vast niet de enige sterveling die van dat aperte bedrog op de hoogte is. Voor Roma die met bedrieglijk oogmerk voor ‘dove baby’s’ collecteren, vooral onbestaande dove baby’s, hoef ik niet eens naar Parijs: die loze ijveraars voor het goede doel duiken met een bijbehorend klembord ook in mijn woonplaats op, een Vlaamse provinciehoofdplaats waar het plaatselijke voetbal de jongste tijd het hoogste goed is. Ach, wie uit goedgelovigheid, of verstrooidheid, of om van hun gezeur af te zijn, contant geld aan het georganiseerde bedelvolk kwijtspeelt, moet maar denken dat hij aan ontwikkelingshulp heeft gedaan. Dat sust het eventuele geweten een weinig.

Als je in Parijs waarlijk naar ‘kunst en romantiek’ taalt, kun je maar beter Place du Tertre overslaan. Het zou me verbazen dat Axel Daeseleire, al bij al een man van de wereld, dat niet weet, maar de formule van dit programma verplichtte hem ertoe om expressief te kiften met zo goed als ongetalenteerde sneltekenaars die naar zijn oordeel veel te veel geld eisten voor een beroerd portret waar hij niet om had gevraagd. ‘Mijn moeder houdt van Frankrijk,’ vertrouwde Axel ons even later toe, en daarom wilde hij haar een ‘authentiek Frans schilderij’ cadeau doen, want mama is alles welbeschouwd de liefste van de hééééle wereld. Hij belandde in het soort uitdragerij dat typisch is voor Place du Tertre: een benauwende opslagplaats voor schilderkunstige wanproducten die zich als kunstgalerij voordeed. Het barstte er van de erbarmelijke Parijse landschapjes waarop de Eifeltoren, om het de afnemer naar de zin te maken, pal naast Place du Tertre oprees. Couleur locale die pijn aan de ogen deed. De venter verzekerde Axel dat het om authentieke Franse kunst ging, net zo authentiek Frans als zijn ruwharige accent dat ik desgevraagd in het authentieke Oost-Europa zou thuisbrengen, meer bepaald in een authentiek dorp dat in het parallelle circuit bekendstaat om de illegale fabricage van antiwrattentinctuur, die er ook gedronken wordt als de zelfgestookte wodka op is. De schilders van die erbarmelijke olieverfjes heetten bijvoorbeeld kortweg Jean, als ze, wellicht uit schaamte, al niet helemaal naamloos waren: ‘Ze signeren hun authentieke schilderijen zelden, monsieur,’ klonk het in het Frans met een Oost-Europees accent. Axel Daeseleire en zijn redactie vonden het toch nog nodig om die voor z’n mammie aangeschafte schilderijen aan de blik van een connaisseur te onderwerpen – ’t is te zeggen: een man van wie we klakkeloos moesten aannemen dat hij ter zake kundig was. Ik sloeg niet steil achterover toen die gezaghebbende bron zei dat Axels veel te duur betaalde authentieke Franse schilderijen bandwerk uit China waren. Voor de vorm, en om aan de eisen van het format te voldoen, ging Axel dan nog even trammelant schoppen in de vreselijke uitdragerij. Zijn geld kreeg hij niet terug.

In Bangkok kocht Axel Daeseleire om redenen die mij niet aangaan Viagra aan een kraampje, zo veel goedkoper dan bij de apotheker. De kramer was bereid om zo’n pil voor het oog van de camera te slikken, teneinde er de veiligheid van te bewijzen. Die man zei schalks dat Axel dan ook maar een hoertje voor hem moest betalen. Ja, dat was lachen, als ’t al geen gieren was, om van brullen nog maar te zwijgen. Huilen met de pet op was een vierde mogelijkheid.

Om dan weer een schijntje sérieux aan dit programma te verlenen, liet Axel de op straat gekochte Viagra naar Pfizer opsturen, de producent van die pil. De woordvoerster liet door middel van Skype weten dat uit laboratoriumonderzoek was gebleken dat de Viagra van Axel allerlei ongerechtigheden bevatte, onder andere zware metalen. Nu ja, mocht die Viagra van het marktkraam zuiver geweest zijn, dan had die woordvoerster er volstrekt geen baat bij gehad om dat in naam van Pfizer wereldkundig te maken. Onderzoeksjournalistiek is me dunkt nog iets anders dan een skypende woordvoerster die ons verzekert dat op straat gekochte Viagra niet deugt.

Armoede doet sinds jaar en dag de seksindustrie in Bangkok bloeien, een fenomeen waar Axel Daeseleire kennelijk niet overheen kon kijken: een professionele masseuse stelde hem een waaier van mogelijkheden in het vooruitzicht, waarna ze hem haast smekend een peeskamer probeerde in te trekken. Een zielig tafereel. Om nog even in dezelfde sfeer te blijven, liet Axel Daeseleire zich door een klantenlokker voor een schappelijke toegangsprijs een pingpongshow aanpraten. In een pingpongshow – ook Thailand’s got talent – doen artiestes naar verluidt meer met hun vagina dan ik over het algemeen van artiestes met een vagina verwacht. Ze halen er als het ware méér uit dan er op het eerste gezicht in zit. Die kunstjes bleven ons, gevoelige naturen, bespaard, want de aandacht ging helemaal naar Axel die zich geheel volgens het scenario opwond toen hij uiteraard veel meer moest afdokken dan afgesproken was. Het geval wil dat ik niet noemenswaardig begaan ben met het publiek van pingpongshows, noch met lieden die geloven dat je op straat voor een zacht prijsje een heuse iPhone of echte Viagra kunt kopen. Toen hij zich moedwillig door een behoeftig tuktukchauffeurtje van de ene handelszaak naar de andere had laten meetronen – het mannetje kreeg naar eigen zeggen benzine voor z’n handlangersdiensten – liet Axel zich voor geen geld een maatpak aanmeten, dat volgens de kleermaker geheel van kasjmier was, en ook nog eens abnormaal kreukvrij: je mocht het zó in je reiskoffer proppen, het zou er als gestoomd en gestreken weer uitkomen. Het pak werd zoals beloofd in een recordtijd afgeleverd, en Axel Daeseleire legde het ter beoordeling voor aan een bij voorbaat gniffelende meester-kleermaker van stand, een blanke Australiër dan nog wel. Dat het beloofde kasjmier je reinste polyester was en een kogelvrije indruk maakte, was nog het minste euvel. Het naaiwerk bleek inferieur, en zowel colbertjasje als pantalon zaten slecht: het kruis leek op de groei gemaakt, of toch bestemd voor een lansdrager die geen maat hield met Viagra. Ik weet niet of Axel Daeseleire zich in zo iemand herkende. Voor het overige voel ik niet erg mee met lieden die ervan uitgaan dat kwaliteit in Thailand goedkoper is dan deugdelijkheid overal ter wereld hoort te zijn. En ik hoed me ook voor de wellicht onbedoelde suggestie dat kleermakers in Bangkok vanzelf bedriegers zijn. Je kon na dit programma ook het nare gevoel hebben dat elke stad een netwerk van afzetters en bedriegers was, maar aan het eind hield Axel Daeseleire ons voor dat er, als je eenmaal was genaaid, ook veel schoonheid te bezichtigen viel, en kunst en romantiek en nog een paar dingetjes die ik wegens ruimtegebrek onvermeld laat.

Liefhebbers van echt ploertige oplichterij verwijs ik met het gebruikelijke voorbehoud naar ‘Opgelicht?!’ van Avrotros door. Over ‘Axel opgelicht’ heb ik voorts nauwelijks iets anders te melden dan dat dit programma me net trashy genoeg leek om hier en daar een guilty pleasure te kunnen zijn voor deze of gene. Ik noem geen namen. Mijn zo goed als oprechte excuses voor het gebruik van trashy en guilty pleasure in één Nederlandse zin. Heden is alles verdomd meerzinnig.


De Canvasconnectie

Canvas – 24 mei

'Het schijnt me toe dat de voornaam Rudy op zich al een kwaliteits- garantie is. Ik denk hierbij ook aan Rudy Dupuis, Rudy Van Hecke, Rudy Vandenhaute en sinds kort ook aan Rudy Van Thillo'

In ‘Zeventig’, een boek van de Nederlandse schrijver en programmamaker Rik Zaal, las ik: ‘In de tijd dat ik allerlei soorten radioprogramma’s maakte voor de VPRO, uitzendingen die in het jargon van die tijd ‘progressief’ en ‘omstreden’ waren, kreeg ik vaak de vraag voorgelegd voor wie wij (‘in godsnaam’ hoorde je vaak als ondertoon) die uitzendingen maakten. Mijn collega Wim Noordhoek antwoordde daar als volgt op: ‘Wij maken die programma’s … (en ik hoor zijn stem meteen nu ik hem citeer) … wij maken die programma’s voor onszelf en onze vrienden, en de rest mag meeluisteren.’’ ’t Waren heel andere tijden, waarin de media nog niet geheel en al vermarkt waren en waarin hoogstpersoonlijke creativiteit vanzelf hoger werd geschat dan de vermaledijde slotsom van vervloekt marktonderzoek. Vroeger was niets beter, heb ik in deze kolommen al eens met lachwekkende stelligheid beweerd, maar dat belet me niet om elke dag meer heimwee te hebben naar jaren waarin talentrijke mensen, vrij van marktonderzoek, programma’s voor zichzelf en voor hun vrienden mochten maken, en de rest mocht meeluisteren. Wie voor zichzelf en voor z’n vrienden programma’s maakt, neemt volgens mij alleen maar genoegen met het allerbeste. De VPRO was zonder weerga in die dagen, en de bijbehorende kijk op de wereld ook.

Ik ben altijd opgelucht als de openbare televisie, die ook vergeven is van de marktwichelaars, eens niet onder de voorkeuren van de grootste gemene deler van het ruime publiek gebukt gaat. Vandaar dat ik minstens één keer per seizoen de aandrang voel om, welhaast principieel, hoog op te geven van ‘De Canvasconnectie’, een stijlvol vormgegeven programmaatje, waarvan het kijkcijfer mij siberisch laat. Net zo koud als het kijkerstal van ‘Thuis’ overigens.

Dit keer wierp ‘De Canvasconnectie’ een licht op Rudy Trouvé, die als gitarist een passant is met tijdelijke standplaats in een verscheidenheid van bands: Dead Man Ray, dEUS, Kiss My Jazz, Rudy Trouvé Sextet en The Love Substitutes, om er maar een stuk of vijf te noemen. Tegelijk is hij ook beeldend kunstenaar en maker van animatiefilms. En hij beijvert zich ook voor het label Heaven Hotel, dat meer om liefde voor muziek dan om winstbejag draait. We zagen hem in zijn atelier met behulp van effectapparatuur een interessante, zelfs bevallige klank uit een melodica halen. Dat verbaasde me, want op slag woei mij geluid uit mijn lagereschooltijd aan: twintig plattelandskinderen die weinig synchroon en wars van muzikale aanleg ‘Daar zat een sneeuwwit vogeltje’ uit een melodica persten. Het klonk als de barensnood van een dier waarvan menigeen denkt: ‘Zo’n beest zou geen jongen moeten krijgen.’ Ik hoop hier in mijn memoires uitgebreid op terug te komen.

In zijn woonkamer, waarin twee pauwentronen pronkten, de iconische rieten fauteuils uit ‘Emmanuelle’, mocht Rudy Trouvé zijn artistieke smaak openbaren aan de hand van het Album, een wonderlijke, op het internet doorbladerbare ordner, waarin de actualiteit van de hele grenzeloze kunstwereld lijkt schuil te gaan. Trouvé bleef stilstaan bij onder andere de tentoonstelling ‘Andy Warhol. Cars’ in het Mac Museum in het Duitse Singen. Hij herinnerde zich dat hij in de kunsthumaniora zwart-witbeelden van Andy Warhol en zijn buitengewone entourage van velerlei kunne in The Factory te zien kreeg. Hij zag dat ze op die historische plek aan de lopende band kunst schiepen, en dacht als jongen van 16: ‘Dat wil ik ook.’ Sindsdien zet hij zijn bewustzijnsstroom om in een haast permanent scheppingsproces, waarin hij, zodra er verveling dreigt, van muziek op beeldend werk overschakelt, en omgekeerd. Wie een impuls van toen hij 16 was als gevorderde veertiger nog steeds kan navoelen en daardoor stug tegen de onverbiddelijke tijd op schept, kan een potje bij me breken. Even een kleine parenthese: het schijnt me toe dat de voornaam Rudy op zich al een kwaliteitsgarantie is. Ik denk hierbij ook aan Rudy Dupuis, Rudy Van Hecke, Rudy Vandenhaute en sinds kort ook aan Rudy Van Thillo.

Dat Rudy Trouvé oneindig veel meer in Dick Bruna zag dan alleen maar Nijntje, nam me ook al voor hem in: hij liet ons zijn collectie Zwarte Beertjes zien, een pocketreeks waarvoor Bruna de vaak prachtige, van allerlei grafische poeha ontdane en geheel uitgebalanceerde covers had gemaakt: tekenen is con grazia en uit schoonheidsoverwegingen van alles weglaten. Lang geleden dat er me nog Zwarte Beertjes voor de geest waren gekomen, en minstens even lang geleden dat ik nog aan ‘Here Come the Warm Jets’ van Brian Eno had gedacht, een elpee uit 1974 die zo te horen ook voor Rudy Trouvé betekenis had. Ik heb ’m diezelfde zondagavond nog gedraaid, daartoe geïnspireerd door de smaakmaker en veelvormig kunstenaar in deze aflevering van ‘De Canvasconnectie’. Ik maakte er wel slapende demonen mee wakker, maar even was het weer vroeger, en vroeger is inmiddels een zee van tijd waarin ik met steeds meer overgave verdrink. Waarna ik aanspoel, bijtrek en aan all tomorrow’s parties denk. Blindelings voorwaarts.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234