Belgische militairen op buitenlandse missie (3): 'Vandaag gaan veel cowboys in het leger omdat ze graag in Afghanistan met hun geweren willen zwaaien'

Het leger waakt niet alleen over de veiligheid in onze straten en op strategische plaatsen, onze soldaten gaan overal waar nood is aan militaire steun in de strijd tegen onrecht en terreur. Humo sprak met Belgische militairen over hun uitheemse avonturen. In deel drie haalt Hilaire Jacobs herinneringen op aan zijn tijd in Duitsland en vertelt Johan Beeckaert over zijn missies in Kosovo, Afghanistan en Mali: ‘De spanning hing in de lucht: die Serviërs en Albanezen wilden elkaar het liefst kelen.’


Lees ook deel 1 en deel 2

'De generaties tussen 18 en 65 jaar leken van de aardbodem verdwenen in Kosovo: ze waren gevlucht of gedood in de oorlog'


Johan Beeckaert: ‘Varkens in een stal’

Johan Beeckaert (40) werkte eerst een paar jaar als onderhoudstechnicus in de privésector, voor hij in 2002 soldaat werd bij de infanterie in Leopoldsburg.

Johan Beeckaert «Mijn vader was ook beroepsmilitair geweest en hij zag mij niet graag in zijn voetsporen treden. Hij had liever dat ik een burgerleven leidde. Hij heeft het leger vóór zijn pensioen verlaten. ‘Het is er altijd iets,’ zei hij. Maar in het privébedrijf waar ik eerst terechtkwam, was het onzekerheid troef: ‘De tent gaat waarschijnlijk dicht.’ Ik besloot toen om mijn zin te doen en legde de selectieproeven van het leger af. Zes maanden later ging ik binnen als verkenner.»

HUMO Als het ooit oorlog wordt, is de verkenner de eerste die mag uitrukken?

Beeckaert «Precies. Vooraf kreeg ik een legerbrochure waarin de verkenners werden voorgesteld. Naast een foto van een kerel in camouflagepak stond een foto van de verblijven waar we zouden slapen. Ik zag blinkende kasten en bedden en ik dacht: schitterend! Tot ik die kamer op mijn eerste dag binnenstapte: er waren duidelijk al duizenden anderen voor mij gepasseerd (lacht). Twee jaar later vertrok ik op mijn eerste buitenlandse missie, naar Kosovo.»

HUMO Dat was uw eigen keuze?

Beeckaert «Ja. Ik heb nu vijf buitenlandse opdrachten achter de kiezen, allemaal op vrijwillige basis. Ik was drie keer in Kosovo, één keer in Afghanistan en de laatste keer, in 2013, verbleef ik in Mali. Tot twee jaar geleden was ik scherpschutter. Nu ben ik de wapenmaker van het bataljon.»

HUMO Als sluipschutter was u erop getraind om mensen dood te schieten?

Beeckaert «Ja, maar ik heb dat nooit moeten doen. Al dacht ik soms wel na over de consequenties. Op missie ben ik ook nooit ingezet als sniper. In Mali was ik beveiliger en had ik mijn scherpschutterswapen mee. Maar we waren daar niet om mensen af te knallen.

»In Kosovo bestond mijn allereerste opdracht uit ordehandhaving en patrouilleren in het noorden, in en rond de stad Mitrovica. We trokken ook dikwijls de bergen in om aan de bergbewoners te laten zien dat de buitenlandse troepen van de NAVO-vredesmacht KFOR er nog steeds waren om hen te beschermen. Sommige mensen kwamen nooit naar beneden en wij waren hun enige aanspreekpunt. Als jonge kerel had ik niet echt een beeld van waar de Kosovo-oorlog van eind jaren 90 over ging. Maar toen ik daar een tijdje rondliep, begon ik de haat te voelen. Wij kwamen er in augustus aan, en een paar maanden eerder hadden er zware rellen plaatsgevonden. Er waren toen granaten gegooid die verschillende mensen het leven hadden gekost. De spanning hing nog steeds in de lucht. Ik sprak met Serviërs en Albanezen: die wilden elkaar bij wijze van spreken het liefst kelen. In de loop der jaren heb ik die haat bij de nieuwe generatie zien afnemen; ik was er drie keer, met tussenpozen van twee jaar.

»Op mijn eerste Kosovomissie trof ik een land in puin aan. We verlieten de luchthaven van de hoofdstad Pristina en ik zag de autowrakken en de kapotgeschoten huizen. Het contrast met het keurige, nette België kon niet groter zijn. Er lag overal afval langs de weg, net taferelen uit de Tweede Wereldoorlog. Het viel me ook op dat er bij de bevolking een paar generaties ontbraken. Je had er kinderen van 0 tot 18 en bejaarden. Alles ertussen leek van de aardbodem verdwenen. Ik vermoed dat ze ofwel gevlucht waren, ofwel gedood tijdens de oorlog.

»We waren gelegerd in Belvédère, een NAVO-kamp buiten Mitrovica, met vooral Franse militairen. Ons peloton van dertig man werd verdeeld over verschillende containers. We sliepen met zijn vieren in een piepkleine ruimte. Ik heb daar geleerd dat het leven geven en nemen is. Niet alleen in de container, maar ook daarbuiten waren we altijd samen. We trokken samen op patrouille, we aten samen. Af en toe waren er conflicten. Maar die werden altijd uitgepraat.»

HUMO Gingen jullie soms op de vuist?

Beeckaert «In mijn peloton niet. Wij hadden het grote voordeel dat we met een aantal Limburgers samen waren, onder wie nog drie andere jongens uit mijn dorp. We praatten Limburgs onder elkaar en dat maakte het verblijf daar veel aangenamer (lacht).»

'Wat je op enkele maanden missie in het buitenland verdient, kun je niet in één jaar bij elkaar sparen' Johan Beeckaert


Byebye Kaboel

HUMO Hebt u schermutselingen meegemaakt?

Beeckaert «Op alle missies waren er momenten waarop ik dacht: nu is het opletten geblazen. In Kosovo moesten we mensen verzorgen die door Albanezen met messen waren bewerkt. In Afghanistan in 2010 diende ik na een bomaanslag iets buiten ons kamp slachtoffers de eerste zorgen toe. Soms denk ik daar nog aan.

»In de Afghaanse hoofdstad Kaboel hielp ik de luchthaven beveiligen. Van daaruit trokken we geregeld op escorte naar andere kampen in de buurt. Dat was best spannend. Ik heb ook vier mortieraanvallen van de taliban op de luchthaven meegemaakt, en verschillende incidenten aan de poort. Mijn naaste collega was een moslim. Ik kon 100 procent op hem vertrouwen en hij op mij. Een ingoede man met een hart van goud. Voor hem waren al die aanslagen in naam van zijn geloof een verschrikking. Hij is ondertussen weg uit het leger, maar we hebben nog steeds contact met elkaar.

»Zowel in Kosovo als in Afghanistan waren niet alle mensen blij met onze komst. Ik probeerde me daar niet te veel van aan te trekken: ik was er voor wie geholpen wilde worden. In Kosovo kwam ik vaak in contact met de burgerbevolking en ik vond dat fijn. Afghanistan was anders: we leefden op de luchthaven, we verlieten die in een gepantserd voertuig en stapten uit in een ander zwaarbewaakt kamp. In Kosovo patrouilleerden we te voet. We maakten een praatje met de mensen en kregen soms koffie aangeboden. In de winter gingen we de bergen in en deelden we voedselpakketten uit. Ik herinner me hoe we tijdens zo’n bergpatrouille aan een afgelegen huis kwamen. Er woonde een koppel met twee jonge kinderen. Ze hadden enkel een houtkachel en verder niets. Ze waren supergelukkig met onze pakketten.

»In Afghanistan bestond ons contact met de lokale bevolking uit het tot vervelens toe controleren van de mensen die de luchthaven in of uit wilden. Dat was één van de saaiste opdrachten. Als we niet aan de grote ingang stonden, moesten we op een wachttoren acht uur lang in de verte staren. Ik was blij dat die missie voorbij was. Ik heb toen gezworen om nooit meer naar Kaboel terug te keren.»

HUMO In Kaboel op de lappen gaan zat er waarschijnlijk niet in, maar in Kosovo wel?

Beeckaert «De Kosovaarse stad Leposavic had een uitstekend grillrestaurant. Dat was altijd fantastisch. We gingen er met het hele peloton eten en drinken en keerden ’s avonds met de bus terug naar de basis. Maar als we op patrouille waren, doken we nooit een café in. Om het sociale contact met de bevolking te onderhouden, stapten we weleens een theehuis binnen of kochten we iets in een winkeltje.

»In Kosovo werd alcohol geschonken in het legerkamp. Maar er was één regel: nooit meer dan twee pinten. Op mijn eerste missie werd die regel toegepast op z’n Belgisch (lacht). Ze knepen een oogje dicht, maar ik heb toen nooit uitspattingen meegemaakt. In Afghanistan en Mali was alcohol taboe, wat mij totaal niet stoorde. Al pakken ze zo natuurlijk wel een vorm van ontspanning af. Want wat is er fijner dan tussen pot en pint over de dingen des levens praten? Het alcoholverbod zorgde er samen met wifi in de containers voor dat het leven op missie asocialer werd. In plaats van samen vogelpik te spelen, te schaken of te biljarten, trok iedereen zich steeds meer terug in zijn container.

»In Mali, waar we drie maanden op missie waren, lagen we met vierhonderd man in een grote sportzaal. In het midden was er een wand, aan de ene kant lagen tweehonderd Spanjaarden en aan de andere kant tweehonderd Belgen. De ruimte was met doeken ingedeeld in kleinere compartimenten. We sliepen met een man of zes in stapelbedden op tien vierkante meter. We lagen er als varkens in een stal.

»Privacy was er niet, en slapen kon je niet: 24 uur per dag was er beweging. De ene moest vertrekken, de andere kwam terug. We hadden een strikt werkschema: één week bleven we in het kamp, de andere week vormden we de snelle interventie-eenheid en verbleven we in een ander gebouw. Daar lagen we met het hele peloton van twintig man op één kamer. Daarna trokken we er een week op uit. Dat vond ik zalig: ergens in de vrije natuur ons kamp opzetten, muggennet rond het veldbedje en ’s nachts naar de sterren liggen kijken. Voor mij was dat de hemel op aarde.»

HUMO Is drie maanden zonder uw partner niet ellendig lang? Al die maanden had u geen seks?

Beeckaert «Het bleef beperkt tot handwerk, zo simpel is dat. Op de wc, of onder de douche.»

HUMO Maar op missie gaan was financieel interessant?

Beeckaert «Dat vond ik wel. Wat je daar verdient, spaar je in gewone omstandigheden niet in een jaar bijeen. In vier maanden tijd heb ik tussen de 12.000 en de 14.000 euro verdiend.»

HUMO Wanneer vertrekt u opnieuw?

Beeckaert «Nooit meer, denk ik. Het ging lang goed en we konden ons gezinsleven min of meer aanpassen. Maar met twee opgroeiende kinderen wordt het veel moeilijker.

»De buitenlandse missies hebben mijn blik op de wereld wel veranderd. Ik maak me niet langer druk over futiliteiten. In Afghanistan werden er alle dagen bomaanslagen gepleegd. Toen besefte ik: we hebben het in België zo slecht nog niet. Tot de aanslagen in Brussel plaatsvonden.»

'We sleutelden aan kernraketten, maar sommige collega's functioneerden pas met 2 promille in hun bloed'


Hilaire Jacobs: ‘Geen meezuiper’

Op zijn 16de werd Hilaire Jacobs (62) beroepsmilitair. Twee jaar later vertrok hij voor een jarenlange missie naar Duitsland.

Hilaire Jacobs «Ik zat op de middelbare school en volgde de richting elektriciteit. Dat ging prima, tot mijn beide ouders doodziek werden. Mijn vader werd nierdialysepatiënt en mijn moeder kreeg schildklierkanker. Mijn familie kon mijn studie niet meer betalen, het enige alternatief was gratis voortstuderen in het leger. Op 4 september 1972 stapte ik de kadettenschool Saffraanberg in Sint-Truiden binnen. Daar stonden toen duizend rekruten op het schoolplein. Ik was nog nooit van huis weggeweest en plots was ik intern. Op een avond belde ik mijn vader en ik smeekte hem me te komen halen. Hij zei: ‘Maak een vuist in je broekzak als het lastig wordt en ga door.’ Ik had dus geen andere keuze. Rond mijn 18de werd ik bij de luchtmacht technicus voor telegeleide raketten. Na een opleiding van zes maanden in de Verenigde Staten kwam ik in het Duitse Düren terecht. Niet veel later zou ik verhuizen naar Grefrath, dan naar Grevenbroich, vervolgens naar Xanten en ten slotte terug Grefrath.»

HUMO Hoelang was u in Duitsland gestationeerd?

Jacobs «Zo’n 33,5 jaar van mijn 39,5 jaar bij het leger. Sinds 2012 ben ik met pensioen. Ik was onderhoudstechnicus voor de Nike-Hercules-raketten. In de jaren 70 stonden die opgesteld in heel Europa, van Noorwegen tot Turkije. Ze waren deels bewapend met atoombommen.»

HUMO Zoals de kernbommen die nu nog in Kleine-Brogel gestockeerd liggen?

Jacobs «Officieel is daar niets over bekend, maar dat weet toch iedereen, nietwaar? (lacht) U kunt zich niet voorstellen hoeveel kernbommen er tijdens de Koude Oorlog klaarstonden om afgevuurd te worden. Door de SALT I- en SALT II-akkoorden tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie moesten de Nike-Hercules-raketten vanaf 1979 ontmanteld worden. In 1990 werden de laatste exemplaren onklaar gemaakt. Ik heb zo eigenhandig 40 kiloton aan tactische atoombommen gesloopt. Die raketten vlogen maximaal 160 kilometer ver. De bedoeling was om daarmee de Russen te stoppen als ze zouden aanvallen. Achteraf beschouwd was dat pure waanzin: bij een aanval van Rusland hadden wij eigenhandig heel Duitsland platgelegd (lacht).»

HUMO Wat voor een mentaliteit heerste er? Jullie stonden paraat om de communisten in de pan te hakken?

Jacobs «In tegenstelling tot nu zaten er zo goed als geen cowboys tussen mijn collega’s. Vandaag nemen veel cowboys dienst in het leger omdat ze graag in Afghanistan met hun geweren willen gaan zwaaien. Maar wie een beetje verstand heeft, blijft daar weg. Wij focusten ons op het onderhoud en het operationeel houden van de raketten. Al waren we bij een aanval met Russische atoomwapens hoogstwaarschijnlijk direct van de kaart geveegd. Merkwaardig genoeg stonden we daar toen niet bij stil.

»Er hing geen sfeer van geheimhouding rond ons werk, maar we pakten er ook niet mee uit. Een burger die aan iets speciaals werkt, zal daar ook niet tegen wildvreemden over beginnen.

»Op de allereerste dag dat ik in de lente van 1975 als 18-jarige sergeant naar Duitsland zou vertrekken, haalde ik ’s morgens mijn tijdelijke rijbewijs op. Daarna startte ik mijn Volkswagen Kever en reed ik naar Düren. Ik had geen idee waar de kazerne was, de gps bestond nog niet en op wegenkaarten stonden geen kazernes aangeduid. In Düren volgde ik een militaire bus. Toevallig stopte hij aan de kazerne, maar als hij in de andere richting was gereden, was ik waarschijnlijk in Keulen beland (lacht).

»Ik was nog vrijgezel en werd te slapen gelegd in een houten barak die dateerde uit de Tweede Wereldoorlog. Mijn eerste salaris in België bedroeg 9.900 frank, in Düren werd dat bijna 17.000 frank. Het was dus heel lucratief om als jonge militair naar Duitsland te verkassen. Van al mijn Belgische vrienden was ik één van de eersten met een eigen auto en ik had geld genoeg om in het weekend uit de bol te gaan. In 1978 trouwde ik en kregen we een appartement van het leger in Grevenbroich toegewezen. Toen kwam ik om de zes weken nog eens naar België.»

'Voor ons was het enorm frustrerend om altijd met minderwaardig materiaal te moeten werken' Hilaire Jacobs


Taal van de liefde

HUMO Leefden jullie tussen de Duitsers?

Jacobs «Nee, in Duitsland leefden zo goed als alle Belgische militairen in getto’s. Er was bijna geen contact met de lokale bevolking. Eén keer per maand ging ik uit met de collega’s. Eerst op restaurant, dan naar de sauna en vervolgens naar de disco. Zo maakten we wel kennis met de plaatselijke bevolking. Niemand van ons sprak Duits en het leger organiseerde ook geen taalcursussen. Pas als je de taal spreekt en kunt communiceren, volgt de rest. Ik ben nu getrouwd met een Duitse vrouw en woon in Duitsland. In bed leer je het best een andere taal (lacht).

»In onze kazerne en in ons Belgische getto leefden we in een bubbel met 150 beroepsmilitairen en 150 miliciens. Die miliciens werden door het leger uitgebuit. Alle andere NAVO-landen bewaakten hun kernraketten met een hondenwachtdienst. De Belgen zetten voor de bewaking van hun raketten in Duitsland miliciens in. Een dertigtal dienstplichtigen moest twee uur op de wachttoren en twee uur af. Wachtdiensten met getrainde honden waren duur en het Belgische leger bespaarde door de honden te vervangen door miliciens. Sommige van die jonge gasten hadden hoge diploma’s, maar hun dienstplicht bestond uit maandenlang op een wachttoren staan. Ik heb een ingenieur elektromechanica gekend die na vijf jaar studie zijn hele dienstplicht lang patatten mocht schillen. Dat was toch een vreselijke verspilling van talent?

»Het grootste probleem van het Belgische leger was dat het niet mee evolueerde. In 1978 kregen we nieuwe schroevendraaiers die ze hoogstwaarschijnlijk ergens voor een prikje hadden gekocht. We draaiden er vier schroeven mee vast en de kop was al weggesleten. We moesten altijd met rommel werken. Daar kwam pas verandering in na de oorlog in Joegoslavië, toen het Belgische leger samen met andere landen op humanitaire missie vertrok. Het contrast met de andere eenheden was té groot.»

HUMO Werd er lacherig gedaan over die Belgen met hun verouderde materiaal?

Jacobs «Ja, in vergelijking met andere landen was het huilen met de pet op. De Nederlanders vertimmerden hun leger in 1983 tot een supermobiele quick reaction force, met Chinooks, Apaches en Patriots. Voor ons was het enorm frustrerend om altijd met minderwaardig materiaal te moeten werken. Ik heb eens drie rugwervels gebroken bij de ontmanteling van een Nike-raket, omdat we geen vorklift hadden. Als je het enige exemplaar in de kazerne wilde gebruiken, moest je eerst een aanvraag indienen, en dan ging er weer veel tijd verloren.

»Een kraan om de kernraketten op te heffen en te verplaatsen hadden we in het begin ook niet. We behielpen ons met een ketting en een katrol. Zo’n raket woog 3,5 ton en stond op een plateau op wielen. In normale omstandigheden moest ze verplaatst worden met een vliegtuigtrekker. Die was er niet, dus moesten we ons behelpen: twee keer zes man trok en duwde die raket een kilometer ver.»

HUMO Werd er veel gedronken?

Jacobs «Ja. Alcohol was goedkoop en sommige collega’s functioneerden pas met 2 promille in hun bloed. Ikzelf had op mijn 18de de drank afgezworen. Heel zelden drink ik wel een ouzo of een raki. Als je geen meezuiper bent, word je natuurlijk niet altijd geaccepteerd. Al hadden de meesten daar niet echt problemen mee, want ik was hun bob.»

HUMO U had dus collega’s die met 2 promille in hun bloed aan kernraketten sleutelden en dat werd getolereerd?

Jacobs «Toen wel, nu zou dat niet meer kunnen. Het drankmisbruik zorgde ervoor dat ik gepest werd op het werk. Door een combinatie van factoren kreeg ik toen een burn-out. Na een paar maanden ziekteverlof kreeg ik in 1998 een functie aangeboden in het NAVO-depot van Weelde, waar de F-16’s opgeslagen stonden. Ik werd chef van het wachtpeloton, ik moest 24 uur werken en was dan vijf dagen thuis. Er liep 35 man rond en het draaide er vierkant. Sommigen waren om halftien ’s morgens al stomdronken. De wachtdienst werd niet met een computer, maar met een pen bijgehouden, en het potje Tipp-Ex stond ernaast. Iedereen bedroog naar believen. Soms liepen er vier de wacht en soms maar één. Ik kaartte dat aan in Brussel, waarna de wachtlijsten voortaan op een pc werden bijgehouden én gecontroleerd. Vanaf dat moment werd me het leven zuur gemaakt. De computer verdween spoorloos. In plaats van de wacht te lopen, gingen mijn collega’s zwemmen. Ik protesteerde, maar de meerderheid wint altijd. Een jaar later was ik daar weg.»

HUMO Wat hebt u daarna gedaan?

Jacobs «Ik heb toen twee jaar ziek thuisgezeten. Niemand trok zich iets van me aan. Op een bepaald moment wilden ze me naar Brussel sturen, voor een job van acht tot vijf. Maar ik wilde terug naar Duitsland. Ik zocht een psychiater bij het leger op, want alleen hij kon me opnieuw zes weken ziek schrijven, maar hij weigerde. Door de stress kreeg ik last van een hoge bloeddruk en moest ik naar het militair hospitaal in Neder-Over-Heembeek. Ook zij weigerden me te behandelen. Ik diende een klacht in en toen kwam generaal-majoor Geert Laire me thuis opzoeken. Op dat moment was hij nog kolonel en hoofd van de medische dienst. Ik kende hem van in Duitsland. ‘Hilaire, wat wil je?’ vroeg hij. Ik antwoordde: ‘Terug naar Duitsland.’ Dat was in 2001. Hij zei: ‘Ik zorg daarvoor.’ Hij stelde voor dat ik de Belgische eenheid in Spich zou vervoegen. Ik wist dat onze jongens in Duitsland daar in 2004 definitief zouden vertrekken. ‘Oké, maar op voorwaarde dat ik ondertussen een herscholingscursus mag volgen, waardoor ik later elders in het buitenland in de legeradministratie aan de slag kan.’ Kolonel Laire ging akkoord, we hadden een deal en ik vertrok naar Spich.

»Al op de eerste dag diende ik mijn aanvraag voor herscholing in. Drie jaar lang werd die geweigerd, tot mijn vrouw een brief naar de koning stuurde. Toen mocht ik plots wel op cursus. Ik slaagde en daarna stuurden ze me naar Kalkar. Ik ging op zoek naar een huis dat groot genoeg was voor mijn gezin en belandde zo opnieuw in een dispuut met het Belgische leger. De dienst huisvesting was van oordeel dat ik geen recht had op een huis met drie slaapkamers voor mij en mijn twee kinderen. Dat conflict is in de loop der jaren zwaar geëscaleerd en duurt tot vandaag voort. Ze hebben zelfs geprobeerd me gek te laten verklaren.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234