Blijf thuis! De vrolijkste vakantietips van (pdw)

Wegens een jammerlijke overboeking hopeloos gestrand op de luchthaven van Napels-Zuid? Ziek op de pot geparkeerd nadat u in Mexico tegen beter weten in tóch die dubieuze chili con carne naar binnen gewerkt had? Uw vakantie noodgedwongen op een muffe hotelkamer in Malaga doorgebracht omdat u net die éne week geboekt had dat het daar de afgelopen eeuw constant geregend heeft?

(Verschenen in Humo 3594 op 20 juli 2009)

Dan kunnen wij u een fijn boekje aanraden om alvast toch nog enkele uren van uw tijd al lachend door te brengen: ‘Blijf Thuis!’ heet het, een werkje waarin Patrick De Witte, u misschien beter bekend als Humo’s onnavolgbare (pdw), genadeloos de merkwaardige reisdrang van de mensheid fileert. Enkele uittreksels!

'Alstublieft, kunnen we snel een Algemeen verbod invoeren op de monokini?'

Waar zullen we deze vakantie naartoe gaan? Als dit een vraag is die één of meerdere keren per jaar aan uw keukentafel uit de lucht valt, dan behoort u tot de naar schatting 8,9 % van de wereldbevolking die het zich kan permitteren om jaarlijks de zon, de sneeuw, de kust, de bergen of alles samen te gaan opzoeken. Jazeker, het was sneu dat uw vakantiehotel in Torremolinos nog deels in aanbouw was, waardoor u twee weken lang naar snerpende slijpschijven en dreinende drilboren hebt moeten luisteren, terwijl u aan de rand van het zwembad tevergeefs van uw Tinto de Verano probeerde te genieten. Maar dat is nu eenmaal de prijs die men moet betalen om deel uit te maken van de elite. Het overgrote deel van de wereldbevolking kan het zich immers niet eens veroorloven om op gezette tijden aan een hotelzwembad te liggen sakkeren. Zeuren over vakantieleed geeft dus absoluut geen pas. Maar gaan we ons hierdoor laten tegenhouden? Kunnen kippen een ballon opblazen?


Bottines, bambini’s & bedoeïenen

Het kiezen van een vakantiebestemming begint niet zelden met het doorbladeren van een stapel reisbrochures, een plezierige en opwindende bezigheid waaraan het hele gezin blijgemutst kan deelnemen.

Als u het met voorgaande zin eens bent, dan hebt u wellicht nog nooit een reisbrochure doorgenomen. Ervaren vakantiegangers weten immers dat pakweg het handgeschreven manuscript van ‘Ulysses’ van James Joyce of de nieuwe intercitytreinregeling van de NMBS overzichtelijker zijn en vlotter weg lezen. En vooral: dat het volledige internet minder onwaarheden bevat dan de gemiddelde reisbrochure.

Als er bijvoorbeeld staat dat het strand zich ‘op wandelafstand’ van het hotel bevindt, dan kunt u maar beter stevige bottines bij uw bagage steken. Want ‘wandelafstand’ moet hier worden verstaan in zijn betekenis van ‘de gemiddelde afstand die een deelnemer aan de Dodentocht van Bornem kan afleggen vooraleer de eerste blaren op zijn hielen verschijnen’. En in een op de twee gevallen zal blijken dat, door een unieke gril van de natuur, zowel de weg naar het strand als de weg terug naar het hotel bergop loopt en een hellingsgraad van bijna 15% benadert.

‘Vriendelijk personeel’ betekent in het beste geval dat de obers níét in uw voorgerecht zullen spugen vooraleer het de keuken uit te dragen. En in het meest voorkomende geval dat ze uw vrouw of vriendin én uw puberende dochter opdringerig zullen proberen te verleiden zodra hun collega aan de infobalie u een macho jeep-excursie naar een kamelenkwekerij op de flanken van een nog actieve vulkaan heeft aangesmeerd.

‘Kinderanimatie’ kan diverse dingen betekenen: of een roestige glijbaan en een scheefgezakte schommel ergens in een uithoek van het vakantiedomein, vlak bij een druk bereden provinciale weg. Of een iets té hups zeventienjarig wicht dat zich met succes door een sollicitatie naar de baan van tijdelijke kinderanimatrice heeft weten te giechelen maar dat eerder een oogje op de barman zal laten vallen dan dat ze er een op uw kinderen zal houden. In het allerslechtste geval kan het zelfs gaan om een tandenloze tuinman – laten we hem Alfredo noemen – die een enkelband draagt, maar die naar eigen zeggen ‘dol is op bambini’s’.

Sommigen denken dit soort problemen te kunnen omzeilen door de tent van de zolder te halen en een campingplaats te boeken. Tegen hen zeg ik dat er een tijd en een plaats is om te kamperen en dat is: rond uw twaalfde, in de tuin van uw ouders. Tenzij u dakloos, slachtoffer van een natuurramp of een oorlogsvluchteling bent, of tot een bedoeïenenstam behoort hebt u geen enkele reden om ’s nachts in een tent te slapen. Het is tijd dat u volwassen wordt.


Veilig, eenvoudig & snel

Goed, er is een bestemming gekozen. Welk transportmiddel men ook kiest, nu begint de ellende pas écht. Vliegen, zo wordt steevast beweerd, is de veiligste, eenvoudigste en snelste manier om zich van punt A naar een véél verder gelegen punt B te verplaatsen. Veilig, eenvoudig, snel. Zoals de woorden soja, tofu en quorn onrechtmatig met gastronomie worden geassocieerd, zo worden deze drie adjectieven onterecht aan het luchtvaartverkeer toegeschreven.

Om te beginnen moet u eerst tot aan de luchthaven geraken. Jazeker, u kunt met de eigen auto gaan en die voor de duur van de vakantie in de parking achterlaten. Eenvoudig en snel. In dat geval dient u er rekening mee te houden dat u meer parkeergeld per uur moet voorzien dan u later per week aan het rust& verzorgingstehuis zult moeten overmaken, wanneer de kringspier die u straks op het vliegtuig angstig zult dichtknijpen al lang niet meer naar behoren functioneert en u twee keer per dag door een bejaardenverzorgster een pamper zult worden aangemeten.

U kunt er bovendien maar beter voor zorgen dat u minstens anderhalf uur voor het voorziene vertrek aanwezig bent om ‘in te checken’. Inchecken is een door het luchthavenpersoneel bedacht synoniem voor ‘mensen veel te vroeg naar de luchthaven lokken om ze in een rij te laten staan, ze koffie en snacks tegen mini-barprijzen aan te smeren en door de douanediensten te laten behandelen of ze antrax en semtex aan boord proberen te smokkelen’. ‘Inchecken’ bekt een stuk vlotter, daarover zult u het met mij eens zijn.


Kleenex, slangen en eau de javel

Mijn ouders runden vijftien jaar lang een hotel vlakbij het St.-Pietersstation van Gent. Toegegeven, dat maakt van mij niet noodzakelijk een expert in het beoordelen van hotels, maar ik weet er in elk geval een pak meer over dan pakweg u – ja, u daar met dat gezicht. De overkoepelende, gouden regel in het hotelwezen is: een toerist die een hotelkamer betreedt, moet het gevoel krijgen dat hij of zij de allereerste persoon is die er mag overnachten. Dat geldt voor een vijf-sterrenhotel maar evengoed voor een bed & breakfast. Het heeft immers niets met luxe te maken, maar alles met het aanbieden van een veilige, propere en comfortabele plaats om te overnachten. Vanzelfsprekend is het belangrijk dat het linnen niet aan ruwe monnikspijen doet denken of dat de hoofdkussens groter en zachter zijn dan een pistolet. Maar het zijn niet de flatscreen-tv aan de muur of de selectie geurige zeepjes en shampoos naast het bad die in dezen belangrijk zijn. Wél dat de kamer er niet uitziet en ruikt alsof het voltallige nationale rugbyteam van Frankrijk er de avond voordien een dronken orgie in heeft georganiseerd, en pas twee minuten geleden is uitgecheckt.

Neem het aan van een ervaringsexpert – en laat ik hem voor het gemak ‘ik’ noemen – dat onderhoud, netheid en hygiëne de belangrijkste pijlers zijn waarop succes in het hotelwezen rust. Luxe bepaalt de prijs van een hotelkamer. Onderhoud, netheid en hygiëne bepalen de kwaliteit. Ik heb in hotelkamers geslapen waar het vasttapijt schijnbaar nog dienst had gedaan als vloerbedekking in een Noord-Afrikaanse gevangeniscel.

In een Londens driesterrenhotel vond ik onder het bed een stapeltje pornotijdschriften én proppen Kleenex. In een hotel vlak bij Firenze kroop er een slang in de kamer. In Amsterdam trof ik in de badkamer een stuk zeep aan waar de vorige gast genoeg haar op had achtergelaten om er desgewenst een bescheiden toupet van te laten maken.

Gelukkig is hygiëne de absolute prioriteit voor de meeste hotels. Zozeer zelfs dat sommigen er in gaan overdrijven, waardoor het weer de verkeerde kant uitgaat. Niemand wil een hotelkamer betreden die zo rigoureus door de schoonmaakster onder handen is genomen dat de kamer ruikt naar een scheikundig labo dat zopas werd herschilderd. Het wekt de indruk dat het voltallige nationale rugbyteam van Frankrijk hier enkele uren geleden daadwerkelijk nog een dronken orgie heeft georganiseerd en dat de schoonmaakploeg zoeven met een hogedrukreiniger de kak van de muren heeft moeten spuiten en de hele boel heeft moeten ontsmetten met twee jerrycans eau de javel.

Eén van mijn favoriete witzen over hotels gaat als volgt: hotelgast belt receptie: ‘Kunt u onmiddellijk iemand sturen? Er druipt al een hele tijd water van het plafond ...’ Receptie: ‘Al een hele tijd???... Waarom meldt u dat nu pas??’ Man: ‘Ik realiseer me pas nu dat ik al drie uur van dezelfde kop thee aan het drinken ben...’

'Kunnen we afspreken dat het zwembad geen pissijn is?'


Urine, zweet & chloor

Wie in een land woont waar de wolken gedurende 10 maanden per jaar op zowat drieëneenhalve meter boven de hoofden blijven hangen, waar na vijf opeenvolgende dagen zonneschijn niemand nog zijn auto mag wassen omdat er watergebrek dreigt, waar men vaker naar muts en gebreid onderlijfje dan naar een short en een paar sandalen moet grijpen, op zo iemand heeft een zonovergoten zwembad het effect van een felle terraslamp op een mot die zoeven wakker is geschoten met de gedachte: waar ik nu vreselijk zin in heb, is in een felle terraslamp.

En net zoals de mot ’s avonds op de terraslamp, storten bleekhuidige Europeanen zich ’s zomers als kamikazes op het zwembad en het strand. Kunnen we overigens ook afspreken dat het zwembad geen pissijn is? Ik weet bijna zeker dat u nu zit te denken: ach, in het zwembad plassen, dat hebben we allemaal weleens gedaan. En ik beken ook schuld. Maar ik ben ermee gestopt toen ik erachter kwam wat er allemaal in zwembadwater wordt aangetroffen: de volgende keer dat u in de verleiding komt om de blaas te ledigen terwijl u baantjes trekt in het zwembad, bedenk dan dat u sowieso al in een liquide zwemt die speeksel, vezels van badkledij, weefsels, talg, menstruatieresten, zweet, slijm, cosmetica, haren en neuskeutels bevat.

We spreken hier over een cocktail die ook zonder uw pis erbij gemakkelijk dysenterie of een andere nare aandoening zou kunnen veroorzaken. Vandaar dat iemand er af en toe een kuip chloor bij moet gieten. Om de bacteriën naar hun moer te helpen. Chloor dus, geen zeik. En neem in vredesnaam een douche nadat u in zee hebt gezwommen, want u wilt niet weten wat er allemaal in dat zeewater zit. Maar ik vertel het u toch: zowat hetzelfde als in het zwembadwater van daarnet, maar met keutels en rioolwater erbij.

'Over de string voor mannen kunnen we barmhartig kort zijn: een grotere gruwel valt niet meer te bedenken'


Monokini, mooning & De Wiener Philarmoniker

Dat velen onder ons niet bepaald een feest voor het oog zijn wanneer we ons in zwemtenue hebben gehesen, daar is niets aan te doen. Maar gedrààg u alstublieft een beetje. Tenzij u bij een stam hoort die diep in de wouden van Afrika of Zuid-Amerika nog geheel volgens eeuwenoude tradities leeft – en als dat het geval is: hoe bent u in ’s hemelsnaam aan deze Humo gekomen? – bent u het natuurlijk niet gewend om zo goed als naakt door het leven te gaan. Enkele basisregels moeten gerespecteerd worden.

Zorg bijvoorbeeld dat uw geslachtsdelen zedig bedekt blijven. Het is niet toevallig dat de monokini in 1964 door een Oostenrijker werd uitgevonden. Oostenrijk, het land van de wals en de schnitzel, was in 1964 nog veel preutser, keuriger en saaier dan nu. Houden we er rekening mee dat iedere gezonde jongeman sowieso al om de zeven seconden aan naakte deernen denkt, dan begrijpen we beter waarom Rudi Gernreich – want zo heet de boosdoener – nog een stapje verder ging en van blote borsten een modestatement probeerde te maken. Hij was wellicht weer eens de regen ontvlucht in een bruingerookt Weens koffiehuis, waar op de staatsradio een of andere Philharmoniker iets van Strauss speelde, terwijl grote delen van de wereld zich blij en vrij opmaakten voor de nakende summer of love en naar The Beatles en The Beach Boys luisterden.

Natuurlijk zat Rudi te denken: blote tieten... blote tieten... blote tieten... blote tieten... blote tieten... blote tieten... blote tieten... blote tieten... Er was niets anders te doen. Het in tweeën gesneden badpak dat Rudi ontwikkelde zou stormenderhand de stranden veroveren, althans de stranden waar het toegelaten is om de borsten aan de zon bloot te stellen. En iedereen die ooit op een monokini-vriendelijk strand is geweest en een keer goed om zich heen heeft gekeken zal het met mij eens zijn als ik zeg: kunnen we snel een algemeen verbod invoeren alstublieft? Voor iedere pronte, fraai gevormde naakte boezem die het gezichtsveld kruist passeren er een dozijn boezems waarbij een min of meer esthetisch aangelegd mens op slag denkt: ik heb al sumoworstelaars met mooiere tieten gezien.

Een onberaden monokini is één ding, een string is van een nog heel andere orde, qua visuele horreur. De Britten hebben een geestig en treffend woord voor ‘uw bloot gat aan iemand laten zien’: mooning. Het is een favoriet tijdverdrijf van dronken voetbalsupporters. Dat zou al een niet mis te verstane hint moeten zijn. Ik weet niet wie de reetveter precies heeft uitgevonden, maar hij of zij moest met roestige breekmessen worden bewerkt en bloedend in het bos worden achtergelaten.

Jazeker zijn er derrières zo welgevormd dat ze eenmaal ontbloot een feest voor het oog zijn, maar de meeste achterwerken doen serieus hun voordeel met enige textielbedekking van betekenis. Ook hier: voor iedere Kylie-kont op het strand zijn er vijfentwintig enorme reten waarbij men denkt ‘nog een kilootje of twee en die mag aan een eigen kustwacht beginnen denken’. En over de string voor mannen kunnen we barmhartig kort zijn: een grotere gruwel valt niet meer te bedenken.

'Vermijd restaurants waar men u uit een reflex meteen voor een Duitser aanziet'


Het weer & het eten, het eten & het weer

Het weer en het eten, het eten en het weer. Voor de modale Vlaming zijn dat de pijlers waarop een geslaagde vakantie rust. Jazeker is het Toscaanse uitzicht adembenemend en verblijven we in een unieke 17de-eeuwse patriciërsvilla en jaja, die Leonardo Da Vinci-tentoonstelling in de naburige stad is naar verluidt absoluut niet te missen, want ze biedt een verhelderend inzicht in de denkwereld van dit wonderlijke Italiaanse genie. Maar belangrijker is: wat eten we vanavond? En wacht eens even... Het begint daar boven ginds dal een beetje donker te zien... ’t gaat toch niet regenen zeker?!

Sla er de laatmiddeleeuwse kronieken maar op na: ook de Vlaamse edelman en ontdekkingsreiziger Wilhelm Van der Haegen, die in de vijftiende eeuw naar de Azoren zeilde om er de eilanden Sao Jorge en Flores te koloniseren, kreeg bij zijn eerste terugkeer naar het vaderland maar twee vragen: ‘Is ’t daar goed weer?’ en ‘is ’t goed van eten, daar?’

Het weer, dat hoeft niet meer te worden onderstreept, is grilliger dan een vrouw in de menopauze en kan bijgevolg nauwelijks worden voorspeld laat staan beïnvloed. Daarom richten we onze aandacht beter op de gastronomie en op de diverse vormen waarin ze ons tijdens de vakantie wordt geserveerd. Als u van plan bent op restaurant te gaan, zijn er een paar eenvoudige regels die u, mits strikt opgevolgd, veel teleurstelling zullen besparen.

Stap bijvoorbeeld nooit een etablissement binnen waar foto’s van de gerechten aan het raam hangen. Een restaurant dat foto’s uitstalt kan evengoed een verklaring aan de deur hangen waarop staat: sorry, maar onze illegale Albanese keukenhulp is analfabeet, slechts aan de hand van foto’s weet hij welk gerecht hij uit de diepvries moet halen en in de magnetron moet flikkeren. Weet dat er veel meer tijd is besteed aan het maken van de foto dan aan de eigenlijke bereiding van het gerecht. Bovendien: als u er tijdens uw vakantie moet aan worden herinnerd hoe een bord spaghetti er precies uitziet, bent u er volgens mij erg aan toe. Laat u zo snel mogelijk door een neuroloog onderzoeken.

Vermijd ook restaurants waar men u uit een reflex meteen voor een Duitser aanziet. In Spanje, Italië, Zuid-Frankrijk, op de Canarische eilanden, in Griekenland, op Corfu, zowat overal waar ik de afgelopen jaren de zon heb opgezocht, ben ik door de obers in gebroken Duits aangesproken.

Het is een fenomeen dat mij voor het eerst werd gesignaleerd door sportjournalist Frank Raes. Frank maakte zich vooral druk om de schaamteloosheid van de nationaliteitsverwisseling an sich – en terecht – maar ik heb er nog een ander, onderliggend nadeel aan ontdekt: onze Germaanse Kameraden trekken iedere zomer in grote getale naar de zon, maar ze staan niet bekend als de grootste gourmands in Europa, wél als de meest gefortuneerde Europeanen. Eén plus één is twee: waar men u voor een Duitser neemt is het eten maar zozo en de rekening bespottelijk hoog. Zit waar mogelijk aan het raam of op het terras. Iedere restauranthouder weet dat passanten in het bord van dinerende mensen kijken. Wie aan het raam of op het terras zit krijgt daarom een grotere steak dan wie binnen in een hoekje achter een pilaar zit.

'De kakkerlakken op Lanzarote zijn waarlijk de Keefen Richards van het dierenrijk: hoeveel gif je ze ook toedient, ze zijn niet kapot te krijgeN'


La Cucaracha

Zonder te willen insinueren dat u het niet zo nauw neemt met de huiselijke hygiëne, durf ik toch te stellen dat u weleens een kakkerlak van dichtbij hebt gezien. Er wordt immers algemeen aangenomen dat een mens nooit verder dan 10 meter van een rat of een kakkerlak is verwijderd. Er zal wel een wetenschappelijke verklaring voor bestaan maar het lijkt of la cucaracha, die ons wereldwijd in 4.000 verschillende variaties tegemoet komt gekropen, zelf zijn vakantie het liefst op het Canarische eiland Lanzarote doorbrengt. Want nergens heb ik meer kakkerlakken gezien dan in de zomer van 2003, in een vakantieappartement vlak bij Puerto del Carmen. Grote, vervaarlijk uitziende motherfuckers. Op een dag zat er een op het aanrecht die, ik zwéér het, een tatoeage op zijn schild had: ‘todas putas excepto mama’. Respect!

Na drie dagen en na minstens een dozijn kakkerlakken uit het appartement te hebben verwijderd, besloot ik me in het probleem te verdiepen. Een minzame jobstudent aan de balie van het vakantiecomplex wist mij te vertellen dat Lanzarote een speciale kakkerlakkenverdelgingsdienst in het leven heeft moeten roepen maar – ‘en hou dit a.u.b. stil voor de andere vakantiegangers, señor...’ – dat het dweilen met twéé kranen open is. De krengen aldaar zijn namelijk zo goed als resistent tegen zowat alle verdelgingsmiddelen op de markt. De kakkerlakken op Lanzarote zijn waarlijk de Keefen Richards van het dierenrijk: hoeveel gif je ze ook toedient, ze zijn niet kapot te krijgen.

Op dag zes had ik geluk. Nuja, geluk: tijdens een ochtendwandeling op een stuk verharde dijk vlak bij het strand stootte ik op een verdelgingsploeg. Twee mannen, één met een koevoet, de andere met een spuit in de handen en op de rug een grote doorzichtige plastic container gegespt, een container waarin een vloeistof van onbestemde kleur zat. Het handjevol toeristen dat was blijven staan om te kijken wat er zou gebeuren werd gevraagd om voldoende afstand te bewaren, en de show kon beginnen. Terwijl de ene met de koevoet het putdeksel optilde, was het de andere zijn taak om de kakkerlakken die met honderden tegelijk langs alle kanten uit de put kwamen gekropen, te snel af te zijn met zijn gifspuit.

Ik weet niet of u ooit de geestige griezelfilm ‘The Mummy’ hebt gezien, maar zoals de scarabeeën daar uit de muil van het monster komen gegulpt, zo kwamen de kakkerlakken uit die put op de dijk in Lanzarote. Honderden lagen even later stuiptrekkend rond het gapende gat, maar tientallen wisten te ontsnappen en waren in mijn verbeelding vloekend op weg naar mijn appartement. Waar zouden ze anders naartoe moeten?

Er is geen zak te beleven op Lanzarote. Ja, de zon schijnt. Af en toe. En als de zon zo rond de middag eindelijk van tussen de grijze wolken priemt, brandt ze meteen zo fel, dat kale mensen zoals ik plots het gevoel hebben dat de weergoden zelve spottend hun sigarettenpeuken op ons hoofd uitduwen.

Lanzarote stikt van de Duitsers, er is geen cuisine van betekenis, een kamelenrit langs de flanken van een ouwe vulkaan is zowat het opwindendste wat er te beleven valt. Het is de grootste toeristenval die ik ken. Bovendien wordt Lanzarote onophoudelijk door een genadeloze passaatwind geteisterd, een wind die uit de aars van Satan zelve lijkt te komen. Een hete, vochtige föhn zo krachtig dat ik van op het strand badminton heb gespeeld met iemand in Tunesië. Ik wed dat al die kakkerlakken zo naar het eiland komen: ze laten zich er naartoe waaien vanuit heel het noordwesten van Afrika. Vulkaanas – Duitsers – Wind – Kakkerlakken. Ziedaar mijn nieuwe slogan voor de Toeristische Dienst van Lanzarote.

Wie naar zuiderse oorden trekt, kan er overigens maar beter rekening mee houden dat de fauna en flora en vooral de insectenpopulatie er gevoelig kan verschillen van wat men thuis gewend is. In 1996 had ik het voorrecht om als journalist de voortreffelijke folkgroep Kadril te mogen vergezellen tijdens een concerttournee in Zuid-Afrika. Ik zou voor de duur van de trip een kamer delen met mijn goeie vriend Patrick Riguelle, die in die periode de leadzang bij Kadril voor zijn rekening nam. Patrick Riguelle en ik kennen elkaar al meer dan 25 jaar. U mag me dus geloven als ik zeg dat hij om het voorzichtig uit te drukken geen liefhebber is van alles wat op acht poten kruipt, alles wat zich zoemend door het zwerk voortbeweegt en alles wat zich voedt middels het doorprikken van de menselijke huid. We hebben het hier over een man die wanneer hij een spin in het bad bemerkt, de badkamer op slot doet tot er iemand langs komt die het beestje kan verwijderen.

‘Arachnofobie en algemene insectenfobie’ was, geloof ik, de diagnose die ooit in het Gentse Universitair Ziekenhuis werd gesteld. Daar werd ik op spectaculaire wijze aan herinnerd, die eerste avond op Afrikaans grondgebied. We waren ’s middags in Kaapstad geland en na een urenlange rit door de Karoo-woestijn waren we bij valavond eindelijk gearriveerd in Oudtshoorn, waar ieder jaar de Klein-Karoo Nasionale Kunstefees wordt georganiseerd. Het hotel waar we de komende week zouden verblijven kon ons echter pas ’s anderendaags accommodatie bieden. We waren moe, hongerig, gedesoriënteerd, moe, half bewusteloos van de hitte en had ik al gezegd dat we moe waren? Kortom, we hadden zelfs met een brits onder de blote hemel genoegen genomen.

Voor die eerste avond had de Kunstefees-organisatie gelukkig een oplossing bedacht: we kregen onderdak in de lokale politiekazerne, waar we per twee te slapen werden gelegd in vrij Spartaanse maar gerieflijke vertrekken. Ik knipte het licht aan en Riguelle, die net zijn koffer aan het voeteneind van een bed had gezet, sprong plots met een snelheid een panter waardig terug de gang in, luid in het West-Vlaams vloekend dat ‘er hunter godverdoemme êbeeste zat!’ Op mijn beurt gaf ik in het Gents te kennen dat mijn vriend ‘een schriewmuile’ was, en stapte resoluut de kamer in. Ik geef toe: ik moest ook even slikken.

Op de smetteloos witte muur boven het linkse bed zat inderdaad een mij onbekend insect dat ik enkel kan omschrijven als een geschoren rat met vleugels. In elk geval iets wat alleen met een hengst van een stevig, 200 pagina’s tellend tijdschrift buiten gevecht kon worden gesteld, een tik met een opgerolde krant had het monster hoogstens een milde migraine bezorgd. Muggen, kevers, spinnen, bijen, schorpioenen, vliegen, mieren, hoe vervelend ze ook zijn of – als u Patrick Riguelle heet – hoe balzakverschrompelend ook hun effect op u is, er zijn nog andere en veel gevaarlijker creaturen die tijdens een tropische vakantie onze aandacht opeisen.

Het was ons daar in Oudtshoorn bijvoorbeeld opgevallen dat, ofschoon het er bijna 40° warm was en de meeste straten er worden omzoomd door grote loofbomen die welkome schaduw bieden, de plaatselijke bevolking er zoveel mogelijk op straat en bijgevolg in de brandende zon liep. Wat wij Vlamingen, die steevast de schaduw van de bomen opzochten, onbegrijpelijk vonden. Zozeer zelfs dat wij haast racistische opmerkingen als ‘die zwarten zijn die hitte natuurlijk gewoon’ begonnen te maken. Tot dag drie, de dag waarop wij de toeristenfolder die iedere hotelgast bij het inchecken had gekregen een keer grondig doornamen en het woord ‘boomslang’ onze aandacht trok.

Kennelijk vallen die beesten op bijzonder hete dagen weleens van hun tak en uit de boom. Wanneer zo’n boomslang op iemands hoofd belandt jaagt ze van de schrik twee giftanden en bij uitbreiding een dosis haemotoxine in het lijf van de argeloze wandelaar. Haemotoxine is een slangenjus die ervoor zorgt dat de hemoglobine in uw rode bloedlichaampjes niet meer functioneert en uw bloed dus niet meer stolt. Met als resultaat een ouverture van hoofdpijn en misselijkheid, gevolgd door geestelijke verwardheid, om naar de finale te gaan met een rist interne én externe bloedingen en een pijnlijke dood. Die dag heb ik geleerd dat de onder reizigers bekende uitdrukking ‘when in Rome, do as the Romans’ (vrij vertaald: de lokale bevolking weet het beter) verstandig advies bevat.

'In vakantiesfeer verwarren wij mannen vrouwelijke vriendelijkheid weleens met geflirt'


Het beest met de twee ruggen

Ah, vakantieseks. Met de geliefde uitgebreid van bil gaan na een dagje ontspannen zonnen op het strand hoort nu eenmaal bij een geslaagde vakantie zoals Leyers bij Michiels hoort. Toegegeven, dat is voor mensen die ooit een Soulsister-concert hebben bijgewoond misschien niet de meest geslaagde vergelijking, maar u begrijpt vast wat ik bedoel. Niet dat ik u wil waarschuwen voor of aanporren tot promiscue gedrag, maar ik wil wel graag enkele aspecten belichten van het populaire tijdverdrijf dat wij kennen als occasionele vakantieseks, aspecten die zelden de aandacht krijgen die ze verdienen.

Uit de jongste statistieken kunnen we bijvoorbeeld leren dat heteroseksuele vrouwelijke vakantiegangers, ouder dan 25, die tijdens hun vakantie besluiten om met een onbekende aan het Beest Met Twee Ruggen gestalte te geven, dat in 75% van de gevallen met iemand van het hotelpersoneel doen, en in slechts 10% van de gevallen met een andere vakantieganger. De overige percentages worden gevuld met loverboys op het strand en lokale gladjanussen die ze in de plaatselijke discotheek ontmoeten.

Ter vergelijking: heteroseksuele mannelijke vakantiegangers, ouder dan 25, die tijdens hun vakantie besluiten om wat intercontinentale rumpy pumpy op gang te trekken, doen dat volgens de jongste statistieken in 99,9% van de gevallen met om het even welke vrouw die ze na lang aandringen en met gebruikmaking van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol eindelijk hebben kunnen overtuigen om Verberg De Salami te spelen.

Ik moet hier ook even de mannen terzijde nemen: in vakantiesfeer verwarren wij mannen vrouwelijke vriendelijkheid weleens met geflirt. Ik weet het, het doet iets met een gezonde manskerel wanneer een vrouw in bikini heupwiegend voorbij komt en naar hem glimlacht. Maar denk eens na. Droeg ze een parka, een sjaal en muts en was het 6 graden bij motregen, dan was ze gewoon sympathiek, vriendelijk en beleefd. Het is niet omdat ze toevallig een weinig verhullende bikini draagt – het is tenslotte 30 graden en we bevinden ons op een zonovergoten strand – dat haar aimabele glimlach eigenlijk een versluierde uitnodiging is om haar te berijden op de wijze der bokken. Het is beter om ervan uit te gaan dat het weinig meer is dan elementaire welgemanierdheid. Het zou zelfs nog iets helemaal anders kunnen betekenen.

Ik geef een pijnlijk voorbeeld: 1974. Ik was zestien en mocht voor het eerst zonder pa en ma op kampeervakantie naar de Camargue, samen met D., een goeie vriend en ook zestien. We belandden in Sainte-Marie-de-la-mer. Twee testosteron-uitwasemende pubers die zonder enige vorm van ouderlijk toezicht twee weken lang vlak bij een populair strand in het zuiden van Frankrijk gaan kamperen. Het zou een plotline voor een goedkope Amerikaanse zomerblockbuster kunnen zijn, maar dat beseften we toen nog niet. Het koppel Hollandse meisjes in de tent naast ons had zo rond dag drie duidelijk te kennen gegeven dat een erotisch getinte kamp Holland vs. België tot de mogelijkheden behoorde. Althans zo hadden wij het begrepen toen ze ons, zichzelf haast uit hun bikini kirrend, uitnodigden voor een aan conserven onttrokken dinertje in hun tent. Na een overigens voortreffelijke chili con carne dachten wij onze jongensslag te slaan en deden we sluwe pogingen om onze voornemens kenbaar te maken. Ik geloof dat het D. was die kwam aanzetten met het voorstel om de rest van de avond – nudgenudge winkwink – verspreid over beide tenten door te brengen. Het was op dat moment dat een van de meisjes zei dat ze ‘de vleselijke liefde volledig uit haar leven had gebannen...’ wat D. en ik op zijn minst een nogal zwaarmoedige verklaring vonden. Maar zo snel gaven we het niet op. Ik stipte aan dat het een mooie avond was en dat een strandwandeling onder de Zuid-Franse sterrenhemel mij heel aanlokkelijk leek.

Waarop de meisjes onze alreeds tot miderectie aangezwollen verlangens kordaat verlamden door glimlachend te kennen te geven dat ze het met ons eigenlijk over ‘de liefde van Jezus’ wilden hebben.


The horror, the horror

Niets kan mijn op zich al broze vakantiehumeur sneller verpesten dan wanneer ik word aangeklampt door mensen die zodra ze merken dat we landgenoten zijn, met alle geweld een praatje willen slaan. Het begint meestal onschuldig met ‘u spreekt ook Nederlands, niet?’, ‘bent u hier al eerder geweest?’ en ‘wanneer vat u de terugreis aan?’ maar waar het eindigt is soms niet te voorspellen. In het beste geval eindigt het met een paar korte gesprekken over het eten en het weer, het weer en het eten, het trakteren van een rondje of twee aan de bar en het uitwisselen van wat flauwe grappen over de lokale gewoonten. In het slechtste geval eindigt het enkele weken later bij hen thuis ergens in een nieuwbouwwijk, op een barbecue die ze speciaal voor uw gezin hebben georganiseerd om gezellig bij te praten en samen een paar honderd foto’s van de vakantie te bekijken, waarbij u zich de hele tijd vertwijfeld zit af te vragen ‘hoe ben ik hier in vredesnaam in verzeild geraakt!?’.

Ik heb in dezen eigenlijk maar één goeie raad: geef onder geen beding uw emailadres, telefoonnummer of – de grootste vergissing van allemaal – uw adres aan mensen waarmee u op vakantie aan de praat raakt. De regel is heel erg simpel: als u mij tijdens uw vakantie tegenkomt, laat mij met rust. Spreek mij niet aan.

Tenzij u een villa bezit in Malibu of Sydney die ik de volgende zomer voor een prikje een maand lang mag huren, u bovendien uitstekende hasj bij zich heeft en uw beroep stuntman is of Egyptoloog of regisseur van kungfu-films of lingeriemodel of leeuwentemster, in elk geval iets wat mijn interesse eventueel een weinig zou kunnen prikkelen en waar we misschien een halfuurtje over zouden kunnen converseren zonder dat ik hevig naar een gloeiende pook begin te verlangen om in uw reet te rammen.

Let wel: er moet aan ál deze voorwaarden zijn voldaan vooraleer mij aan te spreken. En nog iets. Omdat ik sporadisch met mijn gezicht op de Vlaamse televisie en in de kranten verschijn, komt het héél af en toe voor dat ik tijdens mijn vakantie in het buitenland door landgenoten word herkend. The horror...the horror... is, geloof ik, de beroemde quote uit ‘Apocalypse Now’ die hier van toepassing is. Ik krimp namelijk al ineen wanneer ik in mijn lokale supermarkt word aangestaard. Meestal door iemand met een verwarde blik die schijnt te zeggen: ‘Ik ken die lelijkaard precies... Wie is dat nu weer...?’ Laat staan dat ik tijdens mijn vakantie, terwijl ik slechts gehuld in een zwemshort, met mijn witte bierbuik vrijelijk naar voren gepositioneerd een beetje verstrooid aan mijn kont sta te krabben, wens te worden aangeklampt met de vraag: kennen wij u niet van de televisie? Daarom weiger ik steevast om op de eerste vakantiedag ter plekke in zwembroek rond te lopen. Mijn vrouw noemt dit aanstellerij, zelfoverschatting en ijdelheid, ik geef haar gelijk en hou toch mijn broek aan. 40 graden in de schaduw? Fuck you, ik draag zwarte jeans en wijde hemden, tot ik zeker weet dat niemand mij hier herkent! Enkel wanneer ik de kust veilig weet stel ik mijn bleke bast en blanke stengels aan de zon bloot. En dan gebeurt het nog. Twee jaar geleden, aan het Gardameer, kwam een dame op me af met: ‘We zitten u met de hele familie al een week aan het zwembad gade te slaan en we zijn zeker dat we u kennen van de televisie. Hoe heet die show nu weer waar u altijd in zat?’ .... Maar het allerergste wat kan gebeuren is aangeschoten worden met: ‘Sorry, ik wil u zeker niet beledigen, maar u lijkt sprekend op die (pdw) van dat programma!’ Grrrr.

Uit ‘Blijf thuis’ Patrick De Witte Lannoo Uitgeverij

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234