Beeld Johan Jacobs Humo 2020

voorpublicatieHerman Brusselmans

‘Bloed spuwen naar de hematoloog’ van Herman Brusselmans (deel 3)

Tommy was aan het bellenblazen, Dorien opnieuw spruiten aan het vergaren. Achmed stond in de stal en monsterde z’n vijf koeien en z’n paard. Hij was trots op z’n dieren. Als het vogels geweest waren, had hij met een paar ervan prijzen kunnen winnen in een wedstrijd die bepaalde welke de mooiste vogel was. Achmed vond z’n paard de mooiste vogel, met die ene koe, in de hoek daar, als tweede mooiste. De andere vier koeien waren eerlijk gezegd lelijke vogels. Die zouden in de wedstrijd een mal figuur slaan. De jury zou zeggen: ‘Ze hebben niet eens verenpracht.’ Leer mij een jury kennen. Ik heb nog nooit van een jury een literaire prijs gekregen. M’n fans spreken er schande van. Minstens zestig van m’n boeken hebben een literaire prijs verdiend. Of nee, doe maar alle tachtig. Hoe komt dat? Omdat de jury niet deugt. Daarin huizen klootzakken en kutwijven die van literatuur zo veel verstand hebben als koeien van ’s ochtends in de bomen zitten fluiten. Het zijn vooral de kutwijven die zich te pletter ijveren om mij géén prijs te geven. Ze vinden mij een seksist die geen prijs verdient. Ik een seksist? Wie dat beweert kan een schop tegen haar preut krijgen, terwijl ik m’n laarzen met stalen tippen draag. Ik ben een uitdrager van het antiseksisme. Als ik een vrouw zie die in een donker steegje verkracht wordt door pakweg een neger fluister ik lieve, geruststellende woordjes in haar oor. En de neger sla ik bewusteloos met m’n wandelstok. Die heeft een stalen top. Ik ben een liefhebber van staal. Let op, het moet wel kwaliteitsvol staal zijn. Met staal dat bij de eerste de beste aardbeving van acht op de schaal van Richter in tweeën breekt, schieten we geen reet op. Begrijp me niet verkeerd, de verkrachter kan ook iemand anders dan een neger zijn. Een mulat, een allochtoon, een Chinees, noem maar op. Alle Chinezen het land uit!

Hoe dan ook, zeker m’n roman Hij schreef te weinig boeken had een literaire prijs moeten krijgen. Maar nee, de prijs ging dat jaar naar de flutnovelle Het begripvolle raadsel van de tot Belg genaturaliseerde Oezbeek Fjodor Matamenko, een albino die z’n ziekte probeert te verbergen door zichzelf integraal groen te schilderen met waterverf. Alleen z’n lul verft hij niet groen, omdat je met een groene lul wordt uitgelachen op het naaktstrand, in de parenclub, en bij de medische controle. Ik ken een arts, dokter Legrande, en die moest eens de lul onderzoeken van een seismoloog, omdat die last had van zenuwtrekkingen aan z’n lul bij het masturberen, en nou ja, die seismoloog ontbloot z’n onderlijf, en dokter Legrande ziet dat de seismoloog om de een of andere reden een groene lul heeft, en de dokter schiet meteen zodanig in de lach dat hij zich verslikt, per ongeluk een stuk van z’n tong bijt, en z’n door het danige lachen losgekomen huig uitbraakt. Dokter Legrande moest het onderzoek stopzetten en naar de spoedeisende hulp fietsen, en nooit zou hij te weten komen waarom de seismoloog een groene lul had. Ik weet het ook niet. Fjodor Matamenko kreeg als prijzengeld vijftigduizend euro, en het viel te verwachten dat die gek dat geld al meteen over de balk zou gooien, wat gebeurde toen hij nog dezelfde dag achttienduizend liter groene waterverf kocht.

Dat hij mag branden in de hel. 

Achmed gaf z’n paard klapjes op de flank. ‘Sperwer, lieve lieve Sperwer,’ zei hij, ‘je zal in het vervolg minder haver en minder hooi moeten gaan eten, want je kost mij een rib uit m’n lijf. Zo niet zal ik je moeten verkopen. En nu lekker slapen hoor.’ Hij groette Sperwer en de koeien met een respectvolle lichte buiging, en ging in de moestuin bij z’n vrouw Dorien staan. 

Hij vroeg aan haar: ‘Schat, ben ik de frietpot van je leven?’ Hij besefte dat deze vraag nonsensicaal zou kunnen overkomen, en veranderde haar in: ‘Schat, ben ik de man van je leven?’ Dorien rochelde in het bed sla, en zei: ‘De man van m’n leven zal ik ontmannen tot hij ten onder gaat, en jou ontman ik niet, dus trek je conclusies.’ Opgelucht besefte Achmed dat hij niet de man van Doriens leven was en derhalve verder kon leven met z’n ballen veilig in het balzakje. Hij veegde het zweet van z’n voorhoofd met z’n rechtermouw. Hij was rechtshandig. Hij zag hoe een groep mieren in het bed van sla zich naar de rochel van Dorien haastte, en dat de kruipdieren zich aan het slijm te goed deden. Lustte Sperwer ook maar rochels van Dorien, dan hoefde Achmed niet al die dure haver en dat kostbare hooi te kopen!

Zelf haver en hooi kweken op z’n velden, daar deed hij niet aan, dat vond hij snobistisch. Hij zei: ‘Schat, ik ga naar de winkel voor ananas in blik.’ Natuurlijk ging hij niet naar de winkel, maar wel naar Tommy De Graaf, die enige straten verder woonde. Algauw arriveerde hij in de flat van Tommy. Nu zou ik een homoseksuele scène moeten beschrijven, maar ten eerste, daar heb ik geen verstand van, ten tweede heb ik er geen zin in, en ten derde is het niet mogelijk omdat ik bewusteloos in het ziekenhuis lig. Na de gore seks rookten Tommy en

Achmed een sigaret, met een goed glas wijn erbij. Tommy was beëdigd oenoloog en wist de beste wijnen te selecteren, onder andere voor eigen gebruik. De allerbeste wijn vond hij Il Paco Bene Portas Queste Andalusia Corazan Indifferetos Classico, een wijn uit het Spaanse boerendorpje Las Bimos, ten zuiden van weet ik veel waar ten zuiden van, het zal wel ergens ten zuiden van zijn, want alles is ergens ten zuiden van, behalve het noordelijkste punt, weet ik veel waar dat noordelijkste punt ligt, ergens vanboven, wie kan het verdommen, en ik lig er al zeker niet van wakker, alsof ik ooit naar een noordelijk punt zou reizen, ik heb nog nooit gereisd, en ik ben het thans, in de herfst van m’n leven, niet zinnens ook, wat kan ik waar dan ook gaan uitvreten, geen reet, behalve insectenbeten oplopen, de ingang van m’n anus kapotschijten, en een plaatselijke verkoper van nougatbollen in de plomp duwen. ‘Het is me ook wat,’ zei Achmed, ‘met die drugs tegenwoordig.’

‘De jeugd gaat eraan ten onder,’ zei Tommy. Hij krabde in z’n borsthaar, waar hij jeuk vond. Wat een lelijke man was Tommy toch! Het zat in de familie. Z’n vader Tuur was zo lelijk dat een realistisch schilder hem alleen op surrealistische wijze zou kunnen portretteren. Z’n moeder Francien had een gat in haar buik, en dan zul je zeggen: je bedoelt haar navel, maar neen, ik bedoel een gat net boven haar navel, tussen haar borsten. Daar kwam pus uit, op dagelijkse basis. Als je die pus van dichtbij bekeek, zag je dat er ongeïdentificeerde objectjes in rondcirkelden, en ze straalden kleine lichtstralen uit, die erop duidden dat Francien mogelijk, zo niet zeker, van een andere planeet kwam. Voor de rest was ze een normale vrouw, die om de twee dagen een stoofschotel op tafel pleurde, waar ze zelf ook van at, en dan zei ze: ‘Oei oei oei, dat is me toch lekker, zeg.’ Achmed zei: ‘Ik zal m’n paard Sperwer misschien moeten verkopen.’

‘En dan?’ zei Tommy. ‘Statistisch gezien wordt er op de wereld om de zeven seconden een paard verkocht, dus dat is toch niet erg, Achie?’ Achmed hield er niet van dat Tommy hem het koosnaampje Achie had gegeven, maar hij protesteerde er niet tegen, hij was een meegaande gozer die geen stennis wilde. Hij was er trots op dat hij het woord stennis kende. 

Hij schraapte een beetje opgedroogd sperma weg uit z’n ene mondhoek. Godverdomme, wat is dat toch vunzig en ranzig. Het is verschrikkelijk dat we gezonken zijn naar een wereld waarin zulke monstruositeiten aan de orde van de dag zijn. Opgedroogd sperma, Jezus sta bij mij. Mocht ik niet bewusteloos in het ziekenhuis gelegen hebben, ik zou over m’n nek gegaan zijn. Het wordt tijd dat we deze twee halvegaren in dat stinkende bed laten liggen, en een sprong maken naar die andere Tommy, de zoon van Achmed en Dorien, die bellen zat te blazen. Hij blies de bellen zorgvuldig. Het was geen slordige jongen. Hij dacht bij alles na, klasseerde z’n stripverhalen alfabetisch, stemde z’n kledingstukken op elkaar af, en veegde voor de eigen stoep, dan was de hele straat schoon. Op den duur was hij het bellenblazen wel beu, en hij vroeg zich af: wat zal ik vervolgens eens doen? Hij twijfelde tussen een paar plankjes aan elkaar spijkeren, de dakgoot ontdoen van bladeren, en een lied componeren. Hij koos voor het lied. De melodie zou voor later zijn, nu concentreerde hij zich op de tekst. Na twintig minuten luidde deze als volgt:

 ’s Zomers lopen langs de volle boulevards 

Weinig koeien en minder dan een vaars

 In de luwte van de storm die komt Wordt de laatste letter uitgegomd 

En de kater die slaapt in ’t hooi 

Vindt z’n eigen kattin onbeschrijflijk mooi

En zo reilt alles zoals het nu eenmaal zeilt

Heeft de dommerd z’n verstand gepeild

En worden uitjes bij de prei gevoegd

Terwijl de kommer en kwel zijn uitgeroecht.

Hij vond het jammer dat uitgeroecht geen echt woord was. Hij hield van echte woorden. Onechte woorden waren vals, zo luidde nu eenmaal z’n mening, een mening die merkwaardig is voor zo’n jonge knaap, die zich verder niet zo vaak bezighield met meningen. Meningen, zo vond hij, waren wat de gek ervoor wilde geven. Net zoals schilderijen van Mondriaan. 

Tommy was er zelfs van overtuigd dat hij de voornaam van Mondriaan kende. Kees. Ja, die goeie ouwe Kees Mondriaan, met z’n afbeeldingen van paraplubakken, struiken, en familiefeesten. Met roze als boventoon. Tommy verveelde zich. Hij kon z’n moeder helpen bij het spruiten koken, maar dat vertikte hij. Z’n moeder was in z’n ogen een oneindige trut, de kwalificatie mother I’d like to fuck onwaardig. Nee, dan liever de moeder van Flor Wijns, weliswaar zelf een onnozel snotjong, maar met een moeder uit duizenden. Als Tommy aan die moeder van Wijns dacht, maakte hij van opwinding een sprongetje in de lucht. Hij viel daarbij naar beneden, omdat hij, vooral fysiek beschouwd, dat zwakke kind bleef dat hij ten enenmale was. Nou ja, niet alleen fysiek. Ook in z’n hoofd was hij niet de sterkste boy van allen. 

Getuige hiervan was z’n onnodige angst voor geiten. Een geit is een braaf dier, dat geen vlieg kwaad zou doen. De doorsneegeit houdt zich rustig, knabbelt aan een bietenblaadje, en valt geen kinderen aan. ‘Tommy, kom hier!’ riep Dorien. Schoorvoetend liep Tommy naar binnen, en vroeg: ‘Wat is er tot uwer beschikking, moesje?’

‘Ga naar de winkel en haal je vader,’ zei Dorien, ‘die veel te lang wegblijft bij het verwerven van ananas in blik.’ Maar op dat moment kwam Achmed het huis binnen. ‘Waar is de ananas in blik, luiaard?’ vroeg Dorien.

‘Het was uitverkocht,’ zei Achmed, en hij ging op een stoel zitten. Niemand zei ineens iets.

De stuitende zwijgzaamheid regeerde in dit gezin. Hoe triest.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234