'Blue & Lonesome': The Rolling Stones onder stoom

Zijn The Rolling Stones nog relevant? Die vraag hoor je vaak. Het antwoord ken ik niet. Wat ik wel weet, is dat The Rolling Stones nog steeds excellent studiemateriaal zijn voor wie wil weten wat een groep is. Ik hoorde hun nieuwe single op de radio, de aankondiging had ik gemist, en ik wist meteen: The Rolling Stones!

'Eindelijk zijn ze wat ze als kleine jongetjes al wilden zijn: oude bluesmannen'

Mick Jagger was nog niet aan het zingen, ze speelden een simpele één-vier-vijf-bluesshuffle van dertien in een dozijn, maar toch hoorde je het meteen: dit zijn ze. Keith Richards, Charlie Watts, Ron Wood en die grote zwarte meneer die Bill Wyman niet kan doen vergeten maar met zekerheid een aardig stukje kan bassen: rammelend groovend zoals alleen zij dat kunnen. Iedereen kan de blues spelen. Het is, na ‘Rocking in the Free World’ en ‘Knockin’ on Heaven’s Door’, het eerste wat je als beginnend gitarist leert spelen. Maar niets moeilijker om je in te onderscheiden dan een simpele blues. Muddy Waters, Howlin’ Wolf, B.B. King, John Lee Hooker, Son House: allemaal bedienden ze zich van hetzelfde trosje noten, dezelfde drie akkoordenschema’s, maar allemaal klonken ze volstrekt uniek. Zo ook The Rolling Stones, die er nog meer moeite voor moesten doen omdat ze een groep waren. Er is het verhaal van Mick Taylor, de jonge bluesgod die in 1969 Brian Jones kwam vervangen en stomverbaasd was hoe slécht de Stones achter de schermen bij momenten bleken te zijn. Momenten die soms dagenlang konden duren, tot er eentje van pure uitputting of verveling zijn partij net iets anders speelde dan anders, net iets vroeger, iets vóór de maat, of na, en iedereen plots de rug rechtte, de oren spitste en de neus omhoogstak: magic in the air. Dat ondefinieerbare wat zich tussen de noten afspeelt, en wat met geen metronoom of computer te vatten valt. Luister naar ‘Tumbling Dice’ op ‘Exile on Main Street’: dat hangt met haken en ogen aan elkaar, dat rammelt, dat hotst en klotst, maar ik denk niet dat ik ooit iets heb gehoord waar meer groove in zit. Of ‘I’m Free’, op ‘Out of Our Heads’ uit 1965: iedere moderne producer zou Charlie Watts wandelen hebben gestuurd.

Maar om nog even op de relevantiekwestie terug te komen: live mogen de Stones nog altijd een belevenis zijn, op plaat doen ze er al vele jaren niet meer toe. Hun voorlaatste was ‘Bridges to Babylon’ (uit 1997 godbetert), samen met ‘Dirty Work’ wellicht de grootste stinker die ze ooit hebben uitgebracht, en van hun recentste, ‘A Bigger Bang’ uit 2005, zijn in onze digitale muziekbibliotheek elf jaar later alleen ‘Streets of Love’, ‘Biggest Mistake’ en ‘This Place Is Empty’ overgebleven.

In het voor de rock-’n-roll niet zo uitbundig gezegende jaar 2016 echter zijn The Rolling Stones eindelijk wat ze als kleine jongetjes al wilden zijn: oude bluesmannen. En omdat het moment nooit eerder zo gepast was, en omdat het nu ook weer niet zo lang meer kan duren voor het te laat is, hebben Jagger (73), Richards (72), Watts (75) en Wood (69) een bluesplaat gemaakt. ‘Blue & Lonesome’, opgenomen in december 2015, in drie dagen tijd, in de studio van Mark Knopfler in Londen, op een steenworp van waar Keith meer dan vijftig jaar geleden Mick tegenkwam met ‘Rockin’ at the Hops’ van Chuck Berry en ‘The Best of Muddy Waters’ onder de arm. Bij Muddy Waters (de song ‘Rollin’ Stone’) haalden ze hun naam, bij Chuck Berry hun muzikale ruggengraat.

Om ‘Blue & Lonesome’ te kunnen beluisteren, moest ik naar het kantoor van de platenfirma in Brussel, waar ik recht had op één zwaar beveiligde luisterbeurt, zij het pas nadat ik een contract had ondertekend waarin ik plechtig beloofde niets van wat ik te horen zou krijgen in de dagen voor de release te zullen nazingen, -fluiten of -neuriën. Voor The Stones die aan de blues gaan, had ik het zelfs met bloed ondertekend. Bij voorkeur dat van iemand anders, dat spreekt.


De Mick-Trick

De eerste song die op oorverdovend volume door het vergaderzaaltje knalt, is ‘Just Your Fool’, de eerste single waarover we het daarstraks hadden, die één-vier-vijf-shuffle-van-dertien- in-een-dozijn-maar-niet-als-de-Stones-’m-spelen. Meer live dan dit zal een groep op plaat anno 2016 niet meer klinken, of het zou op een liveplaat moeten zijn, en dan nog. Je hoort ze haast naar lucht happen, de gitaar op het perfecte moment haperen, Mick de harmonica een fractie van een seconde te laat tussen de lippen steken. Daarover gesproken: wat een fenomenale mondharpspeler is Mick Jagger toch. Keith Richards had het in zijn boek ‘Life’ al aangehaald, dat hij het zijn vriend Mick graag wat meer zou horen doen. Maar van dat boek kwam ook ruzie. Omdat Keith erin zei dat hij Sir Mick de laatste paar decennia maar een droogkloot vond, naast het podium veelal onaangenaam gezelschap. Waar dan weer een lang en ernstig gesprek van kwam, gevolgd door een innige verzoening. ‘Blue & Lonesome’ mag gelden als de ultieme wiedergutmachungsschnitzel. Want laten we wel wezen: de Stones staan onder stoom, maar het is de grote Mick Jagger-show. Op zijn 73ste noten halen die als twintiger buiten zijn bereik lagen (voor de duidelijkheid: lage én hoge noten) en tekeer mogen gaan in een tracklist die hem op het lijf geschreven is. Vijf songs ver op ‘Blue & Lonesome’ zitten we al aan de derde Little Walter-song (van de vier in totaal). En Little Walter, jawel, dat was een mondharmonicaspeler. In tegenstelling tot wat zijn naam laat vermoeden: één van de grootsten aller tijden. Jagger zit hem dicht op de hielen.

De recentste song die de Stones onder handen nemen, dateert van 1971: ‘Everybody Knows About My Good Thing’ van Little Johnny Taylor, niet te verwarren met Johnny ‘Hound Dog’ Taylor, en gewone Johnny Taylor. Een song die begint met iets wat op ‘Blue & Lonesome’ en bij uitbreiding in het hele oeuvre van de Stones zeer zeldzaam is: een gitaarsolo. Eric Clapton op bezoek, en ook al toont die zich van zijn meest schurende, hoekige kant, je hoort meteen: een niet-Stone in da house. Voor de niet-liefhebbers is blues vaak synoniem met oeverloos gesoleer tegen de bierkaai (blues die overigens wel degelijk bestaat), maar de Stones hebben het altijd meer gehad voor de chunka-chunka-groove-blues. Als er al eens een solo van kwam, dan was het meer een soort stuiptrekkend tekeergaan op of tegen het ritme van de beat. Die van ‘Sympathy for the Devil’ is wat dat betreft een klassieker. Op ‘Blue & Lonesome’ is het tot ‘Just Like I Treat You’ van Willie Dixon en Howlin’ Wolf, één song voor het einde, wachten tot Keith er nog eens eentje uit de mouw schudt. De kans dat u ’m mist, is nihil. Op ‘Blue & Lonesome’ overigens geen leadvocals van Keith, en dat was, als ik mij niet vergis, van ‘It’s Only Rock ’n Roll’ uit 1974 geleden. Een Mick-plaat dus, en die heeft in geen jaren meer zo goed geklonken met The Rolling Stones in zijn rug.

Als ze nu ook nog gaan beseffen dat het niet zo heel lang meer kan duren voor het te laat is om nog een plaat met Bill Wyman en Mick Taylor op te nemen, kan de pret hier helemaal niet meer op. Dat mag overigens een plaat worden met alleen maar Chuck Berry-covers, in het jaar dat Chuck de Nobelprijs voor de Literatuur wint.



‘Blue & Lonesome’ van The Rolling Stones komt op 2 december uit bij Universal.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234