★ Born to Run: Bruce Springsteen graaft zich autobio ★

Bruce Springsteen heeft z’n autobiografie geschreven, wij hebben die gelezen en nu vragen we ons af: wie heeft er het meeste plezier aan beleefd? In meer dan 500 uit de band springende pagina’s neemt The Boss u mee naar zijn jeugd in New Jersey, de problemen thuis en de ontsnapping die rock-’n-roll heet. Glorieuze mislukkingen worden afgewisseld met bittere triomfen, extase met depressie. ‘Born to Run’ is een rockboek met de grandeur en de waarachtigheid van z’n maker.

'Het was mijn band, mijn stad – ik was burgemeester, rechter, jury en sheriff'

De rechtervoet van The Boss tikte een backbeat terwijl z’n linker op een kussentje rustte en zijn vingers de mashed potato dansten op het klavier van z’n MacBook. Zijn vrouw bracht hem een kopje thee. ‘Hey Patti, moet je deze horen: ‘Het appartement zag eruit als de achterbank van Tom Waits’ Cadillac.’ – ‘Zal Tom op de golfbaan vast een giller vinden, schat. Ben je een beetje lief als het straks over mij gaat? En niet te lang over al je exen doorbomen, hè.’

De eerste keer dat Patti Scialfa in het levensverhaal van Bruce Springsteen opduikt, is ze een studente die backingzangeres wil worden in z’n groep: ‘Aan de telefoon sprak ik ene Patti Scialfa, van middelbareschoolleeftijd. Ik gaf haar wat vaderlijk advies: de band reisde veel en het was voor een jong meisje beter om op school te blijven.’ De band heet op dat moment de Bruce Springsteen Band, het jaar is 1971. Wisten we al. Het stond te lezen in ‘Bruce Springsteen’, een uitstekende biografie uit 2012 van Peter Ames Carlin waaraan Springsteen zelf z’n volle medewerking verleende. De vraag die daaruit volgt is tweeledig: waarom moest The Boss nauwelijks vier jaar later zo nodig zélf z’n herinneringen optekenen én waarom moeten wij die nog eens lezen?

Het antwoord klinkt eensluidend uit uw mond en die van Bruce, cheek to cheek: ‘Dit is veel leuker.’


Vader en zoon (1)

‘Mijn bouwvakker-zwager had, met uitzondering van het in elkaar slaan van langharig tuig zoals ik, geen enkele sixtieservaring.’

Mike kon bij de helft van de bewoners van een begraafplaats nog een stijve veroorzaken met zijn enthousiasme.’

Twee frivole uitlatingen waar men vruchteloos naar zal zoeken in de biografie van Peter Amis Carlin, hoewel die het kader waarin ze passen met zorg tekende en invulde. Zeker in de eerste 200 pagina’s van ‘Born to Run’, die samen de titel ‘Jeugd’ meekregen en uitgebreid inzoomen op Bruce van baby tot jonge gitaargod-zonder-contract, komt heel veel terug. Dat kan ook niet anders: het is hetzelfde leven. Maar waar Carlin uitblonk in feiten en volledigheid, krijg je bij de baas zelf impressies – kuipen vol rauw naturalisme en rock-’n-roll. Een goed geheugen is een goudmijn voor een schrijver, dat is bekend, en Bruce Springsteen herinnert zich zijn niet zo gelukkige jeugd tot in de kleinste details.

Centraal staat de jarenlange strijd tussen twee hardhoofdige Springsteen-venten met een donker hart en een knoert van een (groot)moedercomplex: Bruce zelf in de ene hoek, z’n vader Douglas in de andere. ‘Op een avond gaf mijn vader me boksles in de woonkamer. Ik was gevleid, gestimuleerd door zijn aandacht en wilde graag leren. Het ging goed. En toen sloeg hij een paar keer met zijn vlakke hand in mijn gezicht, net te hard. Het stak, veel pijn deed het niet, maar er was een lijn overschreden. Ik wist dat hier iets gezegd werd. We waren in het donkere schimmenrijk terechtgekomen dat achter de vader-zoonrelatie ligt. Ik voelde dat duidelijk gemaakt werd dat ik een indringer was, een vreemdeling, een concurrent in ons huis en een vreselijke teleurstelling. Mijn hart brak en ik stortte ineen. Hij liep walgend weg.’

The Boss heeft in de eerste helft van zijn carrière veel over z’n vader geschreven, in songs die van woedend (‘Adam Raised a Cain’) over berustend (‘Independence Day’) naar begripvol (‘Used Cars’) en uiteindelijk zelfs teder (‘Walk Like a Man’) evolueren. Het mooie, en vaak ook schrijnende, is dat je hier bij elk van die songs een passend fragment kunt vinden. Dat van de boksles: ‘Adam Raised a Cain’, zonder twijfel.

Over de liedjes waarin hij met z’n ‘ouweheer’ worstelde, schrijft hij nog: ‘In mijn nummers ben ik niet helemaal eerlijk geweest over mijn vader, en heb ik hem neergezet als het archetype van een verwaarlozende, dominante ouder. Het was een ‘East of Eden’-achtige manier om mijn jeugdervaringen te ‘universaliseren’. Ons verhaal is echter veel gecompliceerder.’ De waarheid doet eerder aan Tennessee Williams denken; er komt een dode groottante in voor (overreden als kleuter), sterke vrouwen en psychisch labiele, aan drank verhangen kerels.


Twist & Shout

Springsteen heeft het over de muziek als een welwillend gif dat stukje bij beetje bezit nam van z’n jeugdige lijf en leden. Hier gaan z’n vingers aan het dansen en raakt hij onder stroom als tijdens een drie uur durende show van de E Street Band. ‘Er zit iets in de samenkomst der zielen dat de blues verdrijft.’

'Van Elvis kwam de fysieke beweging; Dylan zat in het idee dat je niet schreef over iets, maar over alles'

De namen vliegen je om de oren: The Drifters, doowop en The Five Satins; The Exciters, van wie hij jaren na hun hoogtepunt één keer het voorprogramma mag verzorgen; Roy Orbison (‘Een man die zich uit de apocalyps moest zingen die om iedere hoek op hem lag te wachten’), Sam Cooke en Motown (‘Als er iets van Motown werd gespeeld, danste iedereen. Dat ragfijne broeder- en zusterschap verdween met de laatste noot en iedereen trok zich terug in de hem of haar aangewezen hoek van de gymzaal’); en het allang in de plooien der tijd gesukkelde surfgroepje The Surfaris, van wie ‘Wipe Out’ op het repertoire van elke sappelende bar band stond.

De drummer van Springsteens eerste groepje The Castiles, die niet veel later de eerste uit hun thuisstad Freehold zou worden die in Vietnam sneuvelde, kon de geweldige drumsolo van ‘Wipe Out’ (zie YouTube) niet aan, en brak er keer op keer z’n polsen op. Bart Haynes heette die jongen, en het stukje dat aan hem gewijd is, brengt je zo in ‘American Graffiti’, George Lucas’ zoetzure film over de Amerikaanse jeugd anno 1962.

Echt lyrisch wordt Bruce als het over The Beatles gaat: ‘De eerste keer dat ik ze hoorde, zat ik bij mijn moeder in de auto en reden we door South Street, terwijl de radio voor mijn ogen feller gloeide van de inspanning om het geluid te bevatten, de harmonie van ‘I Wanna Hold Your Hand’. Waarom klonk het zo anders? Waarom was het zo goed? Waarom was ik zo opgewonden?’

De andere grote twee zijn Bob Dylan (‘Bob Dylan is de vader van mijn land’) en Elvis. Over die laatste schrijft hij: ‘Deze man zag het niet aankomen... hij wás wat eraan kwam.’ Elvis wist, zoals het een goeie vogel betaamt, geen fluit van ornithologie. Bruce weet, dat is wel duidelijk, véél van ornithologie. En hij fluit zelf niet onaardig.


Tuig uit New Jersey

Op de vijfdubbele liveplaat ‘Live/1975-85’ staat een oud nummer dat ‘Growin’ Up’ heet. Daarin vertelt Springsteen naar goeie gewoonte lange verhalen over zijn jeugd en zijn familie. Het begint zo: ‘There I was one night, just a normal guy / And then, there I was the next night / Goddamn I was still just a normal guy.’ Het valt op dat hij hier het accent van Tony Soprano bezigt, maar verwonderlijk is dat niet: Bruce en Tony komen allebei uit New Jersey, niemandsland net onder New York, en de moeder van Bruce was een Italiaanse. Zijn vader had Iers en een beetje Nederlands bloed (en zijn maten droegen namen als Little Vinnie, Big Danny, Mad Dog en Southside Johnny – we zijn zelfs niet helemaal zeker dat er maar één Big Danny was. Bruces grootvader Anthony Zerilli had nog staan aanschuiven op Ellis Island, de toegangspoort tot het Beloofde Land waar alle migranten doorheen moesten, ook de jonge Vito Corleone in ‘The Godfather’. Misschien stonden ze wel in dezelfde rij.

De entourage die de jonge Bruce als aankomende gitaargod om zich heen verzamelde, was een echte mannenclub. Er werd met flikken gevochten, er zat weleens een drummer in de gevangenis. Vriendinnetjes kwamen en gingen en dienden vooral om de haantjes even stoom te laten afblazen. Het enige wat echt belangrijk was, was de muziek. The Castiles kwamen en gingen, toen was er Child, Child werd Steel Mill en uiteindelijk de Bruce Springsteen Band. Ook dit tijdperk laat zich door de hoofdrolspeler tot geweldige lectuur kneden: het goochelen met invloeden (van Cream en Led Zeppelin tot soul), het geleidelijke besef dat hij slechts één van vele gitaargoden was, en uiteindelijk het zoeken naar een eigen stem, in het spoor van eerst Tim Buckley en later Dylan. Opvallend, en Bruce schaamt zich er niet voor, is dat bandleden en vrienden soms even makkelijk aan de kant werden gezet als de meisjes. ‘Het was mijn band, mijn stad, ik was burgemeester, rechter, jury en sheriff.’


Born to Run

Er is een reden waarom deze autobiografie ‘Born to Run’ heet, en die reden heet ‘Born to Run’. Het is Springsteens signature song, het lied waarmee hij in 1975 eindelijk de poort naar de wereld uit haar hengsels trapte. ‘Ik wilde een plaat maken die klonk als de laatste plaat op aarde, als de laatste plaat die je ooit zou horen... de laatste die je ooit zou moeten horen. Een glorieus geluid... en dan de apocalyps. Van Elvis kwam de fysieke beweging; Dylan zat natuurlijk overal in de beeldtaal en in het idee dat je niet schreef over iets, maar over alles.’ Missie volbracht. Er werd weleens gezegd en geschreven dat het Springsteen zes maanden kostte om het nummer op punt te zetten. In een gloedvol hoofdstukje legt hij het hoe en waarom uit, en het effect is bijna hetzelfde als wanneer hij in het nummer zelf vanuit de meltdown plots ‘One-two-three-four’ brult. Enfin, u zou er hier soms eens bij moeten zijn.


De E Street Band

Zoals Bruce Springsteen afgelopen zomer op de wei van Werchter zijn E Street Band voorstelde, zo worden ze ook op papier afgebeeld: ‘De hard rockende, geschiedenis schrijvende, wereldschokkende, kontschuddende en ja, ten slotte, viagra slikkende, legendarische E Street Band.’ U mag ze van ons ook de beste rock-’n-roll-groep ter wereld noemen. Laten we even kijken wat hun baas over een paar van de leden te zeggen heeft, en wel over de twee die niet meer onder ons zijn.

'Een goed geheugen is een goudmijn voor een schrijver: Bruce Springsteen herinnert zich zijn niet zo gelukkige jeugd tot in de kleinste details'

Danny Federici, organist en accordeonist. Man van het eerste uur. Werd The Phantom genoemd omdat hij altijd precies op tijd wist te verdwijnen voor de politie. Een regelrechte troubleshooter. ‘Danny zocht moeilijkheden en kreeg die meestal ook. Lange tijd waren het drugs, rekeningen, drank en zachtaardigheid die een hart en ziel vol verwarring verborgen hielden. Maar zijn spel, zijn spel maakte heel veel goed. De persoonlijke last die Danny meetorste, verdween zo gauw hij achter het orgel verscheen. Als je naar Danny’s spel luisterde, dan hoorde je... vrijheid.’

Met Federici heeft Bruce heel even samengewoond in het ouderlijke Springsteen-huis, nadat zijn ouders met hun jongste dochter naar Californië verhuisd waren. Federici, zelf nog een tiener, had een vrouw en een kind voor wie iedereen om beurten zorgde. Zelf was hij vooral bezig met CB-radio: om goed te kunnen ontvangen klom hij met de eerste E Street Band-drummer Mad Dog Lopez op het dak en bouwde hij een gigantische antenne waar de hele buurt over sprak. Eén maand later was het huis uitgewoond en werden ze eruitgegooid. Je kunt niet anders dan van ’m houden.

Danny Federici overleed op 17 april 2008. Drie weken eerder had hij nog één keer met de E Street op het podium gestaan. Het relaas van die avond, dat ons in de biografie van Carlin al zo getroffen had, zet hier alle sluizen open. Mannen die kanker krijgen, doen dat met ons. ‘Voordat we op moesten op die laatste avond in Indiana, vroeg ik hem wat hij wilde spelen en hij antwoordde: ‘‘Sandy’.’ Hij wilde zijn accordeon omgespen en teruggaan naar onze jeugd, toen we over het plankier langs het strand liepen en alle tijd van de wereld hadden.’ Nu u dit weet, zal ‘Sandy’ ook voor u nooit meer hetzelfde klinken. Wij raden andermaal de versie op ‘Live/1975-85’ aan.

Geen idee hoe vaak we al gelezen hebben over de eerste ontmoeting tussen Springsteen en Clarence Clemons, en hoe bij die gelegenheid een storm woedde die ‘de deur van de club uit zijn scharnieren trok en door de straat blies’. Maar het blijft geweldig, en het pleit voor het geheugen van Bruce, of voor zijn gevoel voor drama, dat die deur keer op keer weer door die straat waait. De Big Man krijgt twee eigen hoofdstukjes in dit boek. De eerste keer als de E Street Band wordt voorgesteld, de tweede keer bij zijn dood in 2011.

Het hoofdstukje over de dood van ‘De keizer van E Street’ (je kunt het belang van een personage in dit jongensboek afmeten aan het aantal bijnamen dat hij krijgt toebedeeld) heet ‘Verlies van vruchtbare regens’. Er wordt in beschreven hoe vrienden en familie in het ziekenhuis samenkomen nadat de Big Man door een beroerte geveld werd, en hoe ‘het niet lang duurde lang voordat onze saxofoon, gitaren en stemmen dag en nacht muziek maakten, terwijl we wachtten om te zien hoe Clarence zou reageren op de behandeling’. De saxofoon in die zin is van Jake Clemons, de neef van Clarence. Hij was één van de personen die Bruce begroette toen die in het ziekenhuis aankwam. Hij is ook de geweldige nieuwe saxofonist van de E Street Band.

Bruce beschrijft de begrafenis, noemt Clemons zijn broeder op een handvol pagina’s die overstromen van liefde. En hij beschrijft ook de handen van zijn vriend: ‘Clarence’ handen hadden altijd aangevoeld als zware keien, maar als hij ze op je schouders legde, stroomden je lichaam en hart vol met het meest verlichtende, veilige gevoel dat je je maar kunt voorstellen. Heel, heel sterk en extreem aardig – dat was C voor mij.’


Patti Scialfa

Ook toe aan een vrolijke noot? Laat de liefde aanrukken!

Nadat Bruce van z’n eerste vrouw Julianne Phillips gescheiden is – hij trekt in de passage daarover net iets te opzichtig z’n boetekleed aan – gaat hij een paar weken bij z’n ouders logeren. Let wel: dat is na ‘Born in the USA’. Hij is op dat moment al miljardair, 40 jaar oud, de grootste rocker op de planeet. En dan volgt dit: ‘Mijn vader reed me naar het vliegveld. We waren nog geen tien minuten onderweg toen hij zei: ‘Bruce, misschien moet je weer een tijdje thuis komen wonen (...)’ Mijn pa wilde me dan eindelijk om zich heen hebben.’

'Springsteen had nog nooit een relatie van meer dan drie jaar gehad, tot Patti Scialfa The Boss temde'

Zover zal het niet komen. Na Julianne (eigenlijk al een beetje tijdens, vandaar het boetekleed) vindt The Boss de vrouw van zijn leven in Patti Scialfa, die dan al even met de E Street Band tourt. Op en top een Jersey Girl, wereldwijs, zangeres extraordinaire. Het is Scialfa die The Boss temt. Hij had nog nooit een relatie gehad die langer dan drie jaar duurde (na z’n echtscheiding werd hij door z’n moeder geplaagd met de woorden: ‘Drie jaar, je record!’). Maar Patti bleef. Ze hebben samen drie kinderen, die vinden dat hun pa er belachelijk uitziet in de clip van ‘Dancing in the Dark’: ‘We zouden nog veel video’s maken, maar om geen daarvan zouden mijn kinderen zo moeten brullen van het lachen als om mijn Jersey-imitatie van James Brown in ‘Dancing in the Dark’.’


Vader en zoon (2)

De ziekte van zijn vader, waar Springsteen vaak aan refereert in de hoofdstukken over zijn jeugd, krijgt verderop in het boek eindelijk een naam: paranoïde schizofrenie. Twee woorden als een paar dobbelstenen om aan je achteruitkijkspiegel te hangen.

Vaderlief was niet de enige in de familie die met zijn geestelijke gezondheid worstelde. Het wemelt in de Springsteen-clan van de mentale problemen, en ook Bruce had er last van. Dat hebt u inmiddels gelezen: elk interview en stuk dat naar aanleiding van deze autobiografie verschenen is, stond er vol mee. Dat wordt ‘Nieuws’ genoemd, met een hoofdletter, jawel, zij het vooral door mensen die niet vaak naar zijn platen geluisterd hebben. ‘Darkness on the Edge of Town’: dat is niet zomaar een beetje niet lekker in je vel zitten.

En toch waren ook wij geschrokken. Psychische problemen plagen The Boss het hele boek door, en dat lees je niet graag over een man op wie je forten hebt gebouwd. Het zwaarst slaat de depressie toe na zijn 60ste verjaardag: ‘De blues overvalt je niet plotseling. Het is een zwaarmoedigheid die in je kruipt. Kort na mijn 60ste verjaardag gleed ik in een depressie die ik niet meer had gehad sinds die vage nacht in Texas dertig jaar eerder. Deze keer duurde ze anderhalf jaar en was ik gesloopt. (...) Ik heb twaalf tot vijftien jaar van mijn leven antidepressiva geslikt, en ze hebben me een leven geschonken dat ik zonder die pillen niet zou hebben kunnen leven. Ze werken. Ik kom terug op aarde, bij huis en gezin. Het ergste van mijn destructieve gedrag neemt af en mijn mens-zijn keert terug. Ik was kapot tussen 60 en 62, een jaar lang, en opnieuw van 63 tot 64. Geen heel goede staat van dienst.’


One-two-three-four

Keren we tot slot nog heel even terug naar het begin. Op de elf minuten durende versie van ‘The River’ die op ‘Live/1975-85’ staat, worden enkele anekdotes aan elkaar geweven, die in het boek soms woordelijk worden overgenomen. Die keer dat Douglas Springsteen een kapper liet komen om het degoutante lange haar te knippen van zijn zoon, die na een motorongeluk aan zijn bed gekluisterd lag? Check. De nachtelijke gesprekken met z’n liefje in die ene telefooncel? Check. De keer dat hij werd afgekeurd voor het leger? Check. Het antwoord van zijn vader, als hij na drie dagen en nachten naar huis komt en vertelt dat hij werd afgekeurd, kunnen we zelfs in het Engels meelippen: ‘Mijn pa, die vaak had gemopperd: ‘Ik kan niet wachten tot het leger je onder handen neemt’, zat aan de keukentafel en mompelde: ‘Dat is mooi.’’

En toch zijn we heel blij dat we het hier nog eens gelezen hebben, en wel in de versie van de grootste rock-’n-rollschrijver van zijn generatie: Bruce Springsteen. Hij wordt in ‘Born to Run’ door zichzelf neergezet als een grote egoïst, misogyn bij momenten, monomaan zeker, lastig voor zichzelf en zijn omgeving, een verwend nest waarmee het nooit meer goed is gekomen. Z’n goeie kanten kun je zelf ontdekken: zorgzaam, betrokken, geëngageerd, hart van goud. Een man met een droom. Minder geniaal dan verschillende van z’n vakbroeders, maar wel beter.

Opgeteld is dat: 50 procent vriend, 100 procent held.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234