'Buitengewoon haram gedroomd' Dwarskijker over '22 maart 2016' en 'De mol'

Geen woord over de zes slecht gecoördineerde politiezones in Brussel, noch over de gettovorming in sommige Brusselse gemeenten.


22 maart 2016

(hapsnap op enkele zenders – 22 maart 2016)

Op de Nederlandse televisie had Twan Huys in ‘Nieuwsuur’ Tine Gregoor te gast, een arts uit Brussel die eerste hulp had geboden na de bomaanslag in de metro tussen Maalbeek en Kunst-Wet. Ze had een oprecht vriendelijk gezicht waar ik, mocht ik ten gevolge van een religieus getinte spijkerbom hevig bloeden en dan ook dringend eerste hulp nodig hebben, vast troost in zou vinden, kort voor mijn roemloos overlijden. Kalm verwoordde ze wat ze van dichtbij had gezien: een man wiens schedeldak losliet toen ze zijn hoofdletsel wilde verzorgen. En ook nog een vrouw wier baarmoeder uit haar buik puilde. Aan die baarmoeder kon dokter Gregoor merken dat de vrouw al een paar weken zwanger was. Ja, daar moet je al een dokter voor zijn, en dus flink je best hebben gedaan op school. De lente was één dag jong, die vervloekte dinsdag.

Hoe vaak ik het smartphonefilmpje van de in kwalijke dampen en stofwolken gehulde verwoesting in de metro ook te zien kreeg, altijd werd ik misselijk van de panisch huilende kinderstem die er doorheen snerpte. En ook wel ongezond boos. Er staken allerlei onfatsoenlijke maar daarom niet minder menselijke gevoelens in me op – sommige waren zo oud als wraaklust; emoties waarvan ik al sinds de religieus getinte moordpartij ter redactie van Charlie Hebdo intuïtief weet dat ik ze, ook om mijn bestwil, ogenblikkelijk moet beteugelen. En doodzwijgen. Zo mogelijk nog ondraaglijker klonk het kind dat radeloos van eenzaamheid en angst om zijn moeder riep in de mist des doods die na twee oorverdovende ontploffingen ineens het bloedbad in de vertrekhal van Brussel Nationaal een tijdlang aan het zicht van de overlevenden onttrok, als die tenminste nog ogen hadden.

Aangezien niemand in de publieke ruimte onopgemerkt voorbijgaat, deed er al snel een bewakingsbeeld van de vermoedelijke daders de ronde: drie vijanden van de open samenleving en in één moeite door ook van het leven zelf, of gewoon drie massamoordenaars, die ieder een bagagekarretje voor zich uit duwden. Twee van hen droegen aan één hand een zwarte handschoen, die volgens kenners een ontstekingsmechanisme moest verbergen. De derde, die zich in bleke vrijetijdskleding had gestoken, zag er op het eerste gezicht uit als iemand die op weg was naar – ik verzin maar wat – een religieus getint golftoernooi in Saoedi-Arabië. Dat kwam wellicht door het hoedje dat hij droeg. Hij wou bij nader inzien minder snel ten hemel varen dan zijn twee gehandschoende trawanten, want hij liet z’n religieus getinte springlading – de zwaarste, bleek achteraf – onbeheerd achter en maakte zich in de tegenovergestelde richting van het paradijs uit de voeten. Later zouden we vernemen dat de daders ‘geen onbekenden voor het gerecht’ waren. Zou hun hoogstpersoonlijke Allah zich graag over boeventuig van de kwalijkste soort ontfermen? Voor nog diepere theologische bespiegelingen verwijs ik u graag naar een schimmig achterafzaaltje in het getto van Molenbeek door, of anders naar Gods Zelfgeschapen Internet.

Op die wrede tweede lentedag had de informatiestroom me tegen ’s avonds murw gebeukt. Ik had misschien al dertig keer de woorden ‘Niet óf er een aanslag komt, maar wannéér’ gehoord, die voor een helder inzicht moesten doorgaan. En zoals steeds in tijden van rampspoed werd ik een soort verdoffing gewaar, alsof mijn gelooide kinderziel onder druk van de omstandigheden ineens een beschermlaagje kreeg. In die toestand zag ik bij de openbare omroep een gelegenheidsprogramma aan, waarover ik bijna niets anders te melden heb dan dat het, alles welbeschouwd, typisch een gelegenheidsprogramma was waarover ik bijna niets te melden heb. Martine Tanghe en Lieven Van Gils, de presentatoren en gespreksleiders, keken wel heel erg bedrukt – ’t is volgens mij een hele kunst om maat te houden als je een gelegenheidsgezicht opzet.

Dit programma zal ongetwijfeld bijgedragen hebben tot het verwerkingsproces, en er werden ook veel mensen van goede wil in opgevoerd, hoewel Dyab Abou Jahjah geheel ontbrak en niet eens schitterde door afwezigheid.

Wat ik ervan onthouden heb, is dat Norbert D’Hulst, die op de luchthaven van Brussel Nationaal aan de dood was ontsnapt, zei: ‘Het doet me nog meer dan deze morgen’, toen hij beelden van de aanslag te zien kreeg.

Jan Jambon herhaalde voor de zoveelste keer dat de terroristen ons niet klein zouden krijgen, en Bart Peeters vond dat Charles Michel tijdens zijn regeringsmededeling een betere beurt had gemaakt dan de Franse president Hollande, toen die op de Schending van Parijs op 13 november 2015 reageerde, en in de greep van retoriek nogal holklinkend van oorlog gewaagde, alsof hij Racine stond voor te dragen. Michel opende in beide landstalen tegelijk met: ‘We verwachtten een aanslag en die is er dan ook gekomen’ waardoor eenieder zich in huiselijke kring kon afvragen waar dreigingsniveau 3 eigenlijk toe dient, laat staan dreigingsniveau 4. Zouden zulke dreigingsniveaus ook een mate van bescherming uitdrukken? Of kunnen we daar alleen maar van dromen, als burgers van dit land? Er was in dit programma nauwelijks kritiek op het beleid te horen: geen woord over de zes slecht gecoördineerde politiezones in Brussel, noch over de gettovorming in sommige Brusselse gemeenten. Daar moest je al bij een geheel aan de terreur in Brussel gewijde aflevering van ‘Pauw’ voor zijn: óók een gelegenheidsprogramma.

Bart Peeters zong zijn liedje ‘Hemel’, dat hij naar aanleiding van de aanslagen in Parijs had geschreven, en zei even later ook nog dat hij geen verweer had tegen het noodlot, dat zich, net als terroristen, niets van dreigingsniveaus aantrekt.

Alexander De Croo, vicepremier en minister van Ontwikkelingssamenwerking, wilde hardop pal staan voor de open samenleving, en de vijanden ervan streng toespreken, maar uit diplomatieke overwegingen leek hij telkens weer naast de juiste woorden te happen, maar dan helemaal anders dan zijn vader.

Naarmate dit gelegenheidsprogramma vorderde, verzachtten de gemoederen steeds meer: we kregen beelden te zien van het Beursplein, waar mensen eendrachtig samendromden, symbolische krijttekeningen maakten, in het schijnsel van waxinelichtjes en kaarsen aardig waren voor elkaar, en gezamenlijk hoop op nieuwe hoop leken te koesteren. Een enkeling probeerde opzien te baren met een bordje waarop ‘Je suis Bruxelles’ stond, en een andere enkeling bezondigde zich, om zijn levensideaal uit te drukken, aan een weinig toonvaste versie van ‘Imagine’. Twee enkelingen stieten op goed geluk en dus min of meer gelijkluidend de Brabançonne uit, zij het met de beste bedoelingen.

Tot slot zei Ish Ait Hamou, choreograaf en schrijver, dat we van elkander moesten proberen te houden. Mooi, dat zal ik voor zover mogelijk proberen, maar bij gebrek aan argumenten voor optimisme zal ik ondertussen wel pessimistisch blijven, en me instellen op een wereld waarin terrorisme voorkomt. We hebben veel te vrezen, maar we mogen naar verluidt niet bang zijn. Nadat de Egyptische grootmoefti Shawki Ibrahim Abdel-Karim Allam, een bovenste beste kerel, de aanslagen in Brussel enthousiast veroordeeld had, heb ik uiteraard op beide oren geslapen en – neem me niet kwalijk, edelachtbare grootmoefti – buitengewoon haram gedroomd.

32 doden, meer dan 200 gewonden.

Het dodental kan nog oplopen.

'Het lijkt me beter dat een bijzonder televisieprogramma als 'De mol' nooit een gewoonte wordt maar altijd een gebeurtenis blijft'


De Mol

VIER – 21 maart

Over ‘De mol’ is alles al zo vaak gezegd dat ik ervan baal, en nu dít nog: het mooie van de jongste editie is vast ook dat de fanaten er, sinds de vorige editie, dertien jaar op hebben moeten wachten. Het lijkt me dan ook beter dat een bijzonder televisieprogramma als ‘De mol’ nooit een gewoonte wordt maar altijd een gebeurtenis blijft. Als je er zo over denkt, zul je natuurlijk niet zo gauw programmadirecteur bij de commerciële televisie worden. Dat zou er overigens nog aan ontbreken.

Ook dit keer verliep ‘De mol’ naar wens: het opzet was nog steeds perfide padvinderij voor gevorderden, een verraderlijke doevakantie uitgestippeld door lieden die, naar ik veronderstel, ook doortrapt zijn in zakengesprekken. De deelnemers moesten hun potentiële vijanden tot nut van ’t algemeen en ook wel ter vrijwaring van het eigen hachje zo leep mogelijk te vriend houden. Daar kwamen als vanouds list, leugen, kwade trouw met de glimlach, subtiele tegenwerking, manipulatie en verregaande maar goed gemaskeerde argwaan aan te pas – ja, ’t is bovenal een diep menselijk gezelschapsspel, zo nu en dan onderbroken voor een copieuze maaltijd, waarbij ook presentator, spelleider en aanspreekpunt Gilles De Coster aanzit. Dat hij zich slecht geschoren aan de dis schaart, zie ik als een hommage aan zijn voorganger Michiel Devlieger.

‘De mol’ is ook één van de weinige programma’s die de speurzin van de kijkers activeren: op zoek naar sporen van de mol analyseren de fanaten, alsof ze nog niet genoeg onder hobby’s gebukt gaan, elk beeld van dit programma. In de wolkenpartijen boven de Argentijnse pampa zien die uitslovers tal van aanwijzingen die ze dan in cybergroepen of gewoon in het buurtcafé uitspitten dat het een aard heeft. Tot in de woorden van Gilles De Coster toe menen zij richtinggevende informatie te ontdekken, soms in de vorm van een acrostichon. Een kennis – een vage kennis, dat wel – speelde laatst een opname van De Costers woorden omgekeerd af en meende de zin ‘Er zijn twee à drie mollen in het spel’ te horen. Dat is nog eens lachen, mocht er überhaupt nog wat te lachen vallen.

Omdat mijn beroepsbezigheden mij ook na de werkuren in beslag nemen, kan ik niet zo diep op ‘De mol’ ingaan als de ware fanaten, maar dat belet me allerminst om oog te hebben voor de schoonheid van dit programma. Het moet gezegd: tijdens het spoorzoeken is ‘De mol’ ook een fraai kijkspel: de beeldvoering was vaak opmerkelijk zwierig en gracieus – ambitieuze shots zát, te land, te water en in de lucht. Eén van de markantste beelden die ik dit jaar op de televisie heb gezien, zat al in de eerste aflevering van ‘De mol’: het voltallige deelnemersveld, onder wie uiteraard de mol zelf, bungelde aan een brug boven een snel vlietende rivier. Even dacht ik bij het zien van dit beeld aan een tros gehangenen in één of ander kalifaat, en ‘even’ duurde zoals het hoort nauwelijks langer dan een oogwenk.

De finale van ‘De mol’ was nu ook weer niet de boeiendste aflevering van de editie 2016 – ze was veeleer een relaxed naspel dan een apotheose. Enfin, Cathy, de meest verwoede deelneemster, won, en Hanne, een meisje uit Bevergem, greep naast het zuurverdiende prijsgeld. Gilles, doordeweeks een brand manager bij Unilever, was de mol. Hoe zou het leven van een mol eruitzien na ‘De mol’? Hier en daar een winkel voor geopend verklaren? Ereburger worden van je buitenwijk? Wegens vaardigheden die uit ‘De mol’ gebleken zijn promotie maken bij Unilever?

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234