Concertreview: M. Ward + Conor Oberst (Bright Eyes) in het OLT Rivierenhof

Twee troubadours voor de prijs van één: boezemvrienden M. Ward en Conor Oberst, tweederdemeerderheid van het sympathieke collectiefje Monsters of Folk, troffen elkaar op het podium van het Rivierenhof en bedreven daar samen zoete folkmuziek.

Kent u M. Ward nog? Het zou moeten. Uit zijn plaat ‘Post War’ kan je een heel mensenleven troost putten; zijn ‘Rollercoaster’ is op sommige dagen het mooiste nummer ter wereld. Zijn handelsmerk: folky tokkelnummers die tegelijk zonnige popdeuntjes zijn. Hij heeft een gitaarstijl tussen fingerpicken en kwaaie blues in; het zorgeloze spel van Chet Atkins én de ontplofte snaren van Bill Orcutt. De M in zijn naam staat voor Meester, Maestro of anders wel gewoon voor Matthew.

Enfin, M. stond dus in het Rivierenhof om u op de schouder te tikken: ‘Hallo, ik ben er ook nog!’ Hij was al vijf jaar niet meer in België geweest (sinds Werchter 2012) en had vanavond nog halvelings een plaatje te promoten: ‘More Rain’ van 2016. Dat was een voorwendsel. Ik vermoed dat hij hier voorál was om nog eens een pint te hijsen met zijn makker Conor Oberst (ofte: Bright Eyes), want die twee zoeken elkaar altijd graag op en doen niet liever dan samen op een podium kruipen. Goed nieuws: daardoor kwam Conor al helemaal in het begin van Wards set dag zeggen. Van ‘More Rain’ werd intussen amper iets gespeeld.

Waar kwam het materiaal dan wel vandaan? Verrassend (nee: verfrissend) genoeg vooral uit ‘Transfiguration of St. Vincent’ uit 2003. Een al bijna even goeie plaat als ‘Post War’, één die tot de nok vol zit met krakende ballades die klinken alsof ze uit een klein transistorradiootje komen piepen. ‘Sad Sad Song’ zong Ward in zijn uppie en deed zijn titel alle eer aan. ‘Lullabye + Exile’ was het tederste mannenduet sinds David Bowie en Mick Jagger om elkaar heen huppelden in ‘Dancing in the Street’. Helemaal geweldig was de instrumental ‘Duet for Guitars #3’: Wards vingers bíjna maar net niet in de knoop.

Dat M. en Conor samen goed zijn voor de mooiste teksten van muziekseizoen 2005-’06 werd een eerste keer duidelijk in ‘Chinese Translation’: ‘What do you do with the pieces of a broken heart / And how can a man like me remain in the light / And if life is really as short as they say / Then why is the night so long?’ Je moet het horen met de muziek erbij. Daarna nog, onder meer: ‘Poison Cup’, ‘Outta My Head’, ‘Poor Boy, Minor Key’ en ‘Get to the Table on Time’. Ik had de indruk naar de M. van 2005 te kijken, niet die van 2017. Een góéd teken.

Spitsbroer Conor begon er niet veel later zelf aan, een halfuur vóór hij geafficheerd was. In zijn rug stond een troep muzikanten waarvan het leeuwendeel na de uren werkzaam is bij The Felice Brothers, een countryrockband die – getuige de plaat ‘Yonder Is the Clock’ uit 2009 – zelf óók wel wat kan. M. mocht natuurlijk ook nog eens komen meedoen, want alléén pinten hijsen in de backstage is ook maar dat. Om maar te zeggen: er stond talent op podium, er hing elektriciteit in de lucht.

Niet dat Conor zijn troepen vaak van de leiband liet. Hij speelde rustig, maar dan wel bedríéglijk rustig, want de afgelopen jaren ging hij door een diep dal. Zijn bodem kwam er met een cyste op zijn hersenen én een valselijke beschuldiging van verkrachting. ’t Zijn dingen waar hij naar verluidt nog altijd mee worstelt. Zijn blik bleef ondoorgrondelijk terwijl hij vanavond door ‘Barbary Coast (Later)’ sjokte, samen met M. mijmerde over vervlogen vriendschappen in ‘O’Brien/O’Brien’s Nocturne’ (van M. Ward) en filosofeerde over vergiffenis in ‘Get-Well-Cards’. Af en toe zei hij dankjewel, om dan weer verlegen aan zijn gitaar te prutsen.

Gaat het nu beter met Conor? Emotioneel gezien weet ik het niet, maar muzikaal gezien heeft hij sinds ‘Ruminations’ de tweede adem gevonden die hij – na ‘The People’s Key’ en ‘Outer South’ – ook wel nodig had.

Omdat het de laatste tijd zo woelig was in z’n leven, is hij verhuisd uit New York, sinds jaar en dag zijn thuisstad, en hij mist het om ginder te wonen. ‘Till St. Dymphna Kicks Us Out’ gaat over zuipen tot je favoriete kroeg je buitensmijt: het is zijn ‘eigen variatie op het themanummer van ‘Cheers’.’ Je kent het wel: ‘Where everybody knows your name / And they’re always glad you came.’ Conor heeft even geen anker, maar als dat intussen bezielde liveversies van ‘Map of the World’, ‘Southern State’ en ‘Salutations’ oplevert, dan mag hij nog even van de Prozac wegblijven.

Ooit zong hij de geweldige regel: ‘I could have been a famous singer, if I had someone else’s voice.’ (Meteen gevolgd door: ‘But failure’s always sounded better / Let’s fuck it up, boys, make some noise.’) Maar laat u niks wijsmaken, ook niet door Conor zelf: als zanger is hij lang geen failure. Akkoord, hij gaat bíjna uit de bocht, schúrkt tegen de valsheid aan, maar hij haalt het altijd net en het resultaat is móóier dan iets dat vlekkeloos getoonladderd is. Als een motorrijder die in de bochten het asfalt raakt met zijn knie en dan sierlijk weer optrekt.

Straffer nog: het is pas wanneer zijn stem schor en schreeuwerig wordt, in zijn pijnlijkste, grilligste uithalen, wanneer hij nét niet uit zijn voegen barst, dat hij op zijn best is. Dán kan je in het diepst van zijn ziel kijken, en is hij directer en pakkender dan eender welke grandioze emorockband – want van dat genre had Bright Eyes óók altijd wel wat weg. Vanavond lagen de hoogtepunten zo te rapen in enerzijds ‘Four Winds’, het meesterstukje uit ‘Cassadega’ (met losgeslagen viool!), en vooral in ‘Artefact #1’, het nummer waarin hij – een beetje zoals in ‘At the Bottom of Everything’ uit ‘I’m Wide Awake, It’s Morning’ – even álles laat gaan. Emotionele K.O.

Hij eindigde met zijn inmiddels obligate scheldtirade tegen/verontschuldiging voor President Donald Trump en zijn hele familie. Dat ging zo maar vijf minuten door (ik noteerde de woorden ‘intolerantie’, ‘nationalisme’, ‘racisme’, ‘xenofobie’ en ‘oetlul’), maar Conors kracht ligt nadrukkelijk níét in bindteksten. Het genadeloos rockende ‘Roosevelt Room’ dat aan Trump werd opgedragen – met de tagline: ‘What good are you?’ – zei véél meer.

Tweede bewijsstuk voor de thesis dat hij beter is in teksten dan in bindteksten kwam uit het briljante ‘Poison Oak’: ‘I don't think that I ever loved you more / Than when you turned away / When you slammed the door / When you stole the car, drove towards Mexico / And you wrote bad checks just to fill your arm / I was young enough, I still believed in war.’ De laatste regel: ‘The sound of loneliness makes me happier.’ ’t Zegt iets over hem, zeker?

Conors liveshows waren lang nostalgietripjes: ik wilde nummers horen uit ‘Lifted’, ‘I’m Wide Awake’, ‘Digital Ash’, ‘Fevers & Mirrors’ en ‘Cassadega’. Nu heeft hij weer iets nieuws te zeggen. Geen idee hoeveel pijn het ‘m kost om er elke avond te staan, maar ik hoop dat hij zich amuseert, dat hij vanavond op de lappen is kunnen gaan in het Deurnese equivalent van St. Dymphna en dat hij daar morgenvroeg pas, arm in arm met M. Ward, weer buiten stapt. Het ga je goed, Conor!


Quote

Big Thief is een goeie groep. Zij zijn ons voorprogramma. (Pauze) Hebben jullie ze gezien? Morgen spelen we nog eens met hen. (Pauze) In Duitsland, denk ik.’ Nee, dan toch ‘Poison Oak’!

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234