null Beeld

Concertreview: Shabaka and the Ancestors, Thundercat... in de AB

Ooit kreeg jazz af te rekenen met bikkelharde kritiek van Frank Zappa: ‘It isn’t dead. It just smells funny’. Vandaag maakt het keurkorps van dé Brusselse concerttempel een selectie uit het hedendaagse aanbod, omdat binnen het genre sprake is van een nieuwe golden age. Na zes uur in de AB met Yussef Kamaal, Shabaka and the Ancestors, Shobaleader One en Thundercat denken wij te weten waarom het goed gaat met jazz: het genre ruikt dezer dagen nogal funky.

Parijs-Roubaix is net gedaan als Yussef Kamaal opent: eigenlijk drummer Yussef Dayes en toetsenist Kamaal Williams (die al stemmige house maakte als Henry Wu), aangevuld met een repetitief de boel verankerende bassist en een dwarsfluitist/saxofonist. ’t Zijn mannen uit Zuid-Londen die weten dat feestvieren om de flow gaat, en die wellicht ook de winkels kennen waar ze de meest besmettelijke grooves moeten gaan zoeken.

Er is jazzfunk van toen bij (uit de seventies én uit de nineties), d’er zit al eens een gebroken beatje boven, en de atmosferische drum’n’bass is live minder present dan op hun debuut ‘Black Focus’. Dayes en Williams kijken in de AB op mekaars gezicht, ze hebben goesting om erin te vliegen, als ze eventjes getweeën overblijven op piano en drum vingerknippen ze zich naar de volgende feesttune. Het hoogtepunt komt daar waar ze beseffen dat er amper tien minuten overblijven, en de beloofde lap erop niet ontgoochelt. Yussef Kamaal gaat live dubbel en dwars over de plaat heen.

Shabaka and the Ancestors is één van de vier projecten van saxofonist Shabaka Hutchings, het is zijn Zuid-Afrika-groep. Met The Comet Is Coming of Sons Of Kemet had hij beter bij Yussef Kamaal en de rest van de funky affiche gepast. Maar wij zijn zo blij als een heel klasje op schoolreis dat dit zeskoppige ensemble present geeft, want hun 2016-plaat ‘Wisdom of Elders’ is stilletjesaan onze favoriet van 2017 aan het worden.

Het concert begint met een hypnotiserende baslijn van Ariel Zamonsky. Een medley van ritmes op drums en trommels volgt: de vakmannen heten Gonste Makhene en Tumi Mogorosi. Shabaka Hutchings valt snel in op tenorsax, straks zal Mthunzi Mvubu naast hem op zijn kleinere altsax de bovenregisters vullen, terwijl Hutchings de lage stem van zangeres Siyabonga Mthembu dubbelt. De solo’s van keyboardspeler Nduduzo Makhathini zijn kort en to the point en doen denken aan wat Herbie Hancock bij Miles Davis deed. Ja, ik wil al hun namen erin, want dit was het (veel te korte) concertequivalent van eten, drinken, seks en een goed gesprek.

De bluesmeditatie ‘The Observer’ doet me aan de melodieën en de sfeer van ‘House of the Rising Sun’ en ‘St. James Infirmary’ denken, hier word ik echt even door uit deze ruimte weggetrokken; op superprofessionele wijze dan nog. De hele groep neemt ondertussen deel aan de spiritual, die overigens al lang in een funkgroove is veranderd.

Soms is het denken aan Sun Ra; Hutchings heeft drie jaar geleden met zijn Arkestra in Londen opgetreden. De John Coltrane-achtige sax brengt de Civil Rights-jaren in herinnering. De boodschap van zangeres Siyabonga Mthembu is niet min: ‘In the burning of the fascist republic in all of our hearts and all of our minds, we need new hymns, we need new songs’. Soms is het alsof de geweldige Ethiopiër Mulatu Astatke hier al staat (maar ’t is wachten tot donderdag; ze menen het in de AB als ze zeggen dat ze 100 jaar jazz vieren). Hutchings speelt ook met volle overgave de calypso (hij is op z’n zesde van Londen naar Barbados verhuisd), maar als hij even later met de drummer in gesprek is, sta ik twee minuten lang echt naar John Coltrane te luisteren die het tegen drummer Elvin Jones opneemt. En als de twee saxspelers hun eigen tegen- en dwarsliggen overstijgen en hun klanken verstrengelen, sta ik een beetje te dansen en nog iets meer te bleiten, en neem ik me voor in jazzland wat minder te tijdreizen naar de classics van weleer en beter naar deze generatie te luisteren.

Trouwens, hoe gaat die Fast Show-grap over jazz weer? Die begint met ‘Hello and welcome to ‘Jazz Club’. Ze eindigt met muzikaal gepriegel waar geen hond op zit te wachten, maar dat door de rokende presentator steevast wordt in- of uitgeleid met ‘Nice!’ en ‘Grrrreat!’. Die grap is nog niet dood, maar ter hoogte van een concert van dit kaliber begint ze een beetje raar te ruiken.

Van hier af is er één zekereid: er komen géén bassisten meer langs met een louter harmonisch- en ritmisch-dienende rol. Tom Jenkinson live, die ken ik in de vorm van Squarepusher, die Amen breaks verhakselt tot het breakcore in plaats van drum’n’bass wordt, en die daarboven als basvirtuoos nog drukker doet dan Jaco Pastorius destijds. De laatste keer dat ik ‘m meemaakte was op Dour: de muziek klonk als een aanslag, voor lichtflitsgevoelige mensen kon de performance zéér ernstige gevolgen hebben.

Met Shobaleader One voert Jenkinson een laaiend-loeiend-woedend kwartet aan dat Squarepusher-tunes 100 procent live brengt. Dat Jenkinson zijn eigen moorddadig snelle drill’n’bass kan spelen, tot daar. Maar naar de toetsenist en de drummer luisteren, het is bij momenten denken: hoe doen ze dat in godsnaam? Ik herken 'Cooper's World' - dat begint als één van de drie bekendste tunes van Weather Report - en ik vind het goed en interessant, zoals ik Alarm Will Sound goed en interessant vind als die tunes van Aphex Twin coveren. De LED-lampen die de lichtmaskers vormen boven de monnikenpijen van de vier groepsleden komen in verschillende kleuren en geometrische vormen en zijn een indrukwekkend design. ‘Cooper’s World’ blijkt eigenlijk het mietje van de set: soms brengt een metalgitaar variatie, maar op de duur is het me te veel een immer doorgaand spervuur van kapotte klanken, en een fusionwarboel waar ik niks van maak. Sorry dus dat mijn moment dat met de drummer is die - met groene lichtdriehoek voor het gezicht - zich kwaad maakt en iets naar de geluidsman roept, en even op het mannetje van La Linea lijkt.

En dan de hoofdact. Thundercat aka Stephen Bruner werkte mee aan Kendrick Lamars ‘To Pimp A Butterfly’, speelde ooit bas bij Suicidal Tendencies en antwoordde ‘Goodness gracious’ op de recente Humo-vraag ‘Wat zijn de eerste platen die je je kunt herinneren?’ Hij zei ook dat fusion de stroming was die ‘m het eerst bij het nekvel greep (Thundercat: ‘In die tijd zaten jazz, rock, funk en r&b in één grote hutspot’). Da’s aan het concert te horen.

De ultra-korte opener ‘Rabbot Ho’ (‘Let’s get hard, get drunk and travel down a rabbit hole’) is de enige track van de avond die geen extra-large-versie krijgt. ‘Tron Song’ is Thundercat die - op aansturen van een fan - een ode aan zijn kat schreef. ‘A Fan's Mail (Tron Song Suite II)’ is er een vervolg op: we leren dat het cool is om een kat te zijn, en krijgen er door Thundercat gezongen meows bij.

De teksten gaan vanavond over bitterzoete mijmeringen, slapeloosheid om 3 uur ’s ochtends, of de pijn wegdrinken tot je helemaal lam bent, maar muzikaal blijft Thundercat - al deze weemoed ten spijt - aan de zonnige én freaky kant van de straat wandelen.

Uiteraard is Thundercat een virtuoos. Als ik dit stuk even snel had getikt als Thundercat met zijn vingers over de zessnarige bas gaat, hadden hier alleen dingen gestaan als hafeoifzhozeifhoiefHOIZEFH en iezhoiehoahovhor en lihalhdodh. Zijn drummer, da’s een wonder, een spervuur, een bezetene. Zijn toetsenist is ook geen krabber. Thundercat schrijft mooie liedjes - het vanavond op gejuich onthaalde ‘Them Changes’ voorop. Meestal zingt hij een strofe, verdwaalt dan met zijn groep in indrukwekkend gesoleer, en wordt er hem veel, zoniet alles vergeven op die momenten dat hij met zijn bijna-falsetto terug naar de wondermelodie grijpt, zijn toetsenist hem daar in de hoge registers onderstut, en hij daarna naar iemand in het publiek wuift, een hartje vormt met zijn bashanden, of ons gemeend lijkt te begroeten met ‘I love you guys’.

Aan het eind zit ‘Lotus and The Jondy’, over een magische trip - op paddenstoelen, wellicht - in het donker van lang geleden met zijn twee beste vrienden: Flying Lotus en Austin Peralta. Die laatste was net als Thundercat een muzikaal wunderkind, maar is in 2012 doodgegaan op 22-jarige leeftijd. De versie in de AB is een pak langer dan die van de plaat, in de solo’s wordt er live naar veel onherbergzamere plekken getrokken… maar wat een fe-no-me-na-le melodie waar we op het eind naar terugkeren!

De zes laatste woorden van Jules Deelders gedicht ‘Jazz’ zijn hier op hun plaats: ‘Jazz was. Jazz is. Jazz blijft.’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234