Aliaksandr Kuushynau hield voor de Volkskrant een dagboek bij van de afgelopen dagen in Minsk.Beeld Maxim S

Wit-Rusland

Dagboek uit Minsk: ‘Het geweld maakt me bang. Maar nu stoppen is oneerlijk’

Aliaksandr Kuushynau (38) is een van de demonstranten die het regime van Aleksandr Loekasjenko aan het wankelen  hebben gebracht, voor het eerst in 26 jaar. Hij is getrouwd, heeft vier kinderen en werkt als manager bij een ict-bedrijf. Elke dag vertelde hij over wat hij zag en meemaakte. Dit is zijn dagboek.

Zondag 9 augustus: stemfraude

Ik sta bij stemlokaal 22 in mijn buurt in Minsk. Als waarnemer. Ik hoop dat deze verkiezingen eindelijk verandering brengen. De campagne is ongekend geweest. Overal stonden lange rijen van mensen die hun handtekening zetten voor de deelname van oppositiekandidaten. Die zijn op één na opgesloten of verjaagd, maar de collectieve ontevredenheid onder de bevolking geeft hoop.

De school met het stemlokaal mag ik niet in, dus sta ik bij de ingang. Ik tel kiezers. De commissie van het stembureau zegt dat een derde van de kiezers al voor zondag gestemd heeft. Onwaarschijnlijk, maar oké. Dan kunnen er nog maximaal 1.900 mensen komen. Ik tel meer dan 2.000 mensen. De commissie probeert het stemlokaal vroegtijdig te sluiten, maar wachtenden worden boos.

Bewakers houden me weg van de stemmentelling. De commissie hangt de uitslag aan de deur: 126 stemmen voor Svetlana Tichanovskaja, de enige oppositiekandidaat. Meer dan 1.500 voor Loekasjenko. Mensen buiten het stemlokaal worden razend. Alleen zij zijn al met meer dan 200 en hebben allemaal Tichanovskaja gestemd. De oproerpolitie komt en de leden van de kiescommissie vluchten met de stembiljetten. Allemaal werken ze op dezelfde school. De voorzitter zit in het bestuur.

Ik besef dat ze nog steeds doen wat ze de afgelopen 26 jaar gedaan hebben. Met een groep buurtbewoners begin ik een demonstratie. We willen naar het centrum, maar de politie heeft de weg al afgesloten.

Zondagavond, meteen na de eerste prognose van de verkiezingsuitslag gaan mensen de straat op om te betogen. Beeld Maxim S

Maandag: granaten

Ik fiets naar mijn werk. Al mijn collega’s willen demonstreren. Dat is nieuw. Ik ben vaak gearresteerd bij demonstraties. Collega’s zeiden dan: hou vol, blijf vechten. Maar ik was de enige die vocht.

We besluiten samen te gaan. Zes meiden, een jongen en ik. We gaan langs de weg staan met oppositie-armbanden en wachten af. De groep groeit tot vijftig. Is dit het? Dan komt er een mensenmassa aanlopen vanuit de buitenwijken. Zeker duizend mensen. Ik ben verbluft. We lopen met ze mee naar een groot verkeersplein. We willen verder, maar horen explosies. We spreken af om bij elkaar te blijven, wat er ook gebeurt.

Mensen bouwen barricades van bankjes, hekken en reclamezuilen. Symbolische barricades. De politie houden we toch niet tegen, we willen ook niet vechten. Het zijn afbakeningen van ons gebied van vrijheid en vrede.

Dan klinken er knallen. Ik zie flitsen. Vanaf het dak van de naastgelegen bioscoop schieten agenten met stungranaten op ons. Ze schieten willekeurig. Een van de granaten ontploft voor de chauffeur van een trolleybus. Hij valt op de grond, ik zie hem hevig bloeden. Zeker voor de meiden zijn de granaten schokkend. Maar het maakt ze nog bozer. Mij ook. Ze willen ons bang maken, maar niemand gaat weg. Als je die barricades hebt en je bent samen, dan voel je je sterk.

Dan komen de ordetroepen met helmen, schilden, knuppels. Ik zie ook geweren. Ze drijven ons weg, richting ons kantoor, vanaf daar gaan we naar huis.

Betogers zijn op weg om bloemen te leggen bij een herdenkingsmonument voor twee gedode demonstranten in Minsk. Beeld Maxim S

Dinsdag: beschietingen

Ik breng mijn kinderen op de fiets naar het kinderdagverblijf. Het dagelijks leven gaat door, dat voelt gek. Het internet is vrijwel afgesloten. We hebben 13 collega’s naar Kiev geëvacueerd om ons bedrijf draaiende te houden. Ik bel vrienden om te vragen of ze in orde zijn. Het is fijn om ze te spreken.

Werken komt er nauwelijks van. Allemaal kennen we mensen die gearresteerd zijn. We proberen te achterhalen waar ze zijn, dat lukt niet. Dat is heel onprettig, vooral voor familieleden. Sommige demonstranten worden gemarteld, horen we. Misschien is iemand al dood.

Na het werk fiets ik met mijn vrouw en kinderen langs een verkeersplein. We zien vijfhonderd mensen en sluiten ons aan. Het begint vreedzaam. We klappen en kijken naar auto’s die toeteren, sommige met vlaggen. Plots zijn er agenten. Ze hebben zich verstopt in een stadsbus en sprinten eruit. De menigte spat uit elkaar. Dit is voor ons het moment om naar huis te gaan.

In onze straat zie ik dat de deuren van alle flatgebouwen openstaan. Conciërges op pantoffels laten vluchtende demonstranten binnen. Ik breng de kinderen naar bed. Door het raam zie ik demonstranten naar binnen vluchten. Agenten slaan met knuppels op de metalen deuren. De hele buurt staat op de balkons. Ze roepen ‘schande’ en ‘fascisten’, iemand gooit een waterflesje. De agenten blijven staan, pakken hun pistolen en beginnen te schieten op de mensen op de balkons. De buren vinden rubberkogels.

Woensdag: gezonken hoop

Mijn hoop van zondag is weg. Veel mensen hebben zware verwondingen. Zesduizend mensen zijn vermist. En ik zie onder de demonstranten te veel jonge mensen die vechten voor democratie. Te weinig mensen die vechten voor een normaal salaris, voor een vakantie naar Turkije. We hebben fabrieksarbeiders nodig.

Het geweld maakt me bang. Maar het zou oneerlijk zijn om te stoppen. Ik kan niet thuisblijven als mijn collega’s en anderen doorvechten. Zij hebben dezelfde angsten, lopen dezelfde risico’s. We zitten in een team en kunnen daar niet meer uit.

Dan verandert er iets. Rond het middaguur zie ik rijen vrouwen op straat, bijna allemaal in het wit en met bloemen. Ze staan door de hele stad. Ik koop een draagbare luidspreker, bevestig hem aan mijn fiets en rij rond om de sfeer er weer in te krijgen.

’s Avonds gaat de politie weer los met granaten en rubberkogels. Ze vallen ook auto’s aan die toeteren. De bestuurders slepen ze eruit. Ik zie achtergelaten auto’s midden op de weg.

Mijn ouders en kinderen vertrekken naar de datsja. Zelfs in huis is het nu te gevaarlijk.

'Als ik aankom, zie ik honderden mensen op de stoep. Mijn collega’s zijn er ook. De sfeer is geweldig. 'Beeld Maxim S

Donderdag: het omslagpunt

Internet is terug. Er komt nieuws binnen. Bij de staatstelevisie nemen presentatoren publiekelijk ontslag. Ook de presentator van een programma waar soldaten naar kijken. Werknemers van staatsfabrieken staken en gaan de straat op. Dit is groot.

Bij de lunch slaat de stemming weer om. We horen dat veiligheidsagenten zijn binnengevallen bij twee grote techbedrijven. We sturen iedereen naar huis en laten berichten achter in ons kantoor, zoals ‘agenten, sluit jullie aan bij het volk’.

Ik vlucht naar een vriend. Mijn telefoon zet ik uit. Ik ken de volgsoftware die de politie gebruikt. Ik spreek met collega’s om 7 uur af bij het kantoor. Er gaan geruchten dat onze accountant met geweld opgepakt is. Ik ben heel gespannen.

Als ik aankom, zie ik honderden mensen op de stoep. Mijn collega’s zijn er ook. De sfeer is geweldig. Mensen klappen, toeteren. Ik laat protestliederen door mijn luidspreker afspelen. We komen de zangeres van een van de liedjes tegen, een wonder. De hele stad lijkt een rockfestival. We halen Belarussische koekjes uit ons kantoor en delen ze uit. ‘Je moet nu goed eten, want straks krijg je twee dagen niks in de cel’, grappen we half serieus.

Maar de politie komt niet. Voor het eerst heb ik het gevoel dat de machthebbers begrijpen dat geweld niet helpt tegen ons.

Minsk, zondagavond.Beeld Maxim S

Vrijdag: wat nu?

Ik kijk naar video’s van hun vrijgelaten demonstranten, dat is moeilijk. Sommigen kunnen nauwelijks lopen. Ze zijn gemarteld en vertellen over de omstandigheden. Ik ben een keer met zes mensen opgesloten in een cel, toen moest ik op de grond slapen. Niet prettig. Nu zaten er in dezelfde cel 50 mensen. Onvoorstelbaar.

Niet iedereen is vrij. Het regime heeft nog duizenden gegijzelden. De zwaarst toegetakelden, denk ik. Het is allemaal tactiekverandering. Loekasjenko hoopt dat de vrijlating ons stil krijgt, hij ontslaat wat mensen en zegt dat hij niet verantwoordelijk is voor het geweld. Een van zijn ministers heeft sorry gezegd voor aanhoudingen van omstanders.

Maar daar gaan wij nooit genoegen meenemen. Duizenden mensen zijn dagenlang gemarteld, vastgehouden zonder slaap en drinkwater. En dan sorry zeggen? Dat werkt niet. Dit zijn misdaden tegen de mensheid. Dit is iets voor de rechtbank.

Ik zie niet hoe het regime nog kan winnen. Neem de fabrieken. Op video’s is te zien hoe een fabrieksdirecteur aan zijn werknemers vraagt: wie heeft er voor Loekasjenko gestemd? Een paar handen. Wie voor Tichanovskaja? Bijna alle handen. Eerst was het ongepast om te zeggen dat je voor de oppositie was, nu is het andersom.

Door het raam van het kantoor zie ik weer mensen demonstreren. Ik wil naar buiten. Gewoon in een rij te staan. Gewoon klappen. Dat geeft me energie. Op mijn telefoon zie ik martelingen, dat demoraliseert. Op straat is de sfeer positief. Wij kunnen nu eisen stellen. Eerlijke verkiezingen bijvoorbeeld of erkenning van Tichanovskaja als president.

Nu zijn wij aan zet. Marteling en wreedheid heeft ons niet kunnen tegenhouden. Het voelt geweldig. 

(VK)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234