David Bowie vs. de tijdgeest

De feiten (koud en hard als de Thin White Duke): op 8 januari 2016, de dag waarop hij 69 wordt, lost David Bowie met ‘Blackstar’ z’n 25ste studioplaat. De expo (veelzijdig en schizofreen als Aladdin Sane): nog tot 13 maart 2016 is het Groninger Museum de laatste stopplaats van ‘David Bowie Is’, een overzichtstentoonstelling die de afgelopen jaren de wereld rondreisde.

'Ik wil een éénmansrevolutie zijn. Anders was ik wel Elton John geworden.'

Ch-Ch-Ch-Changes.

Toeval bestaat niet: op de trein naar Groningen zit ik naast een dubbelgangster van de China Girl uit de gelijknamige videoclip.

Aan de ingang van het Groninger Museum staat een busker. Het contrast kon niet groter zijn: de straatzanger voor wie alles nog moet beginnen (of voor wie het nooit wat is geworden) en de levende legende wiens overzichtstentoonstelling ‘David Bowie Is’ wereldwijd al 2 miljoen bezoekers trok. Een paar stappen verder staan een paar extravagante Bowie-fanaten die vergeefs aanbieden om op de tentoonstelling als levende standbeelden te fungeren.

Het gezicht van deze tentoonstelling is niet toevallig dat van de schizofrene meervoudige persoonlijkheid Aladdin Sane (verschuif wat spaties en dat wordt a lad insane, een krankzinnige jongeman). Die foto van Brian Duffy is er één waarop Bowies look doelbewust zo ver mogelijk van de gewone burger in stadskledij afwijkt. De boodschap is duidelijk: dit ís geen doorsnee burger, zelfs geen doorsnee rockster. Dozijnen mindere sterren hebben die look sindsdien gekopieerd, van Kate Moss tot Lady Gaga.

Uit de pakweg 75.000 artefacten van het Bowie-archief selecteerden de curatoren er 600. Bedenking: enkel een exhibitionist met het ego, de wilskracht en de overtuiging dat alles wat hij doet ooit van historisch belang zal blijken, houdt van in het prille begin alles bij. Dat Bowies ego er al bij de start eentje van een gezond formaat is, blijkt uit de titel van één van zijn vroege songs: ‘Can’t Help Thinking About Me’.


Bowie is... een groentje

Les: niemand wordt als genie geboren. Uit hier getoonde documenten blijkt dat ook de jonge (toen nog) David Jones een aantal nu quite silly lijkende valse starts maakte. In 1963 poseert hij nog als Davie Jones, saxofonist van The Kon-Rads. Wat later heet hij Dave And The Bowmen. Zijn eerste single is een prul die ‘Liza Jane’ heet. Zijn eerste verschijning op televisie is níét als artiest, maar als voorzitter van de Society for the Prevention of Cruelty to Long Haired Men. Hij wil mimeartiest worden (o ironie – een zanger die mime aspireert!). Hij probeert imago’s uit die vaak de bal misslaan, zoals die keer in 1970: Bowie-als-Farao. Zijn solodebuut is een flop en bovendien een schoolvoorbeeld van bad timing: het verschijnt op dezelfde dag als ‘Sgt Pepper’s Lonely Hearts Club Band’.

Hoe klein was de wereld toen, ook in Londen: Bowies inspirerende kunstleraar was Owen Frampton, vader van Peter (in 1976 was Peter – zie: ‘Show Me the Way’ – overigens een grotere wereldster dan Bowie, later werd hij gereduceerd tot diens gitarist). En hoe onschuldig was een tijdperk waarin Davids moeder Peggy nog zijn fanmail beantwoordde!

Pas vanaf ‘A Space Oddity’ vindt hij zichzelf uit. En zelfs dat doet hij niet helemaal zelf. Aandoenlijk én arrogant is de hoofse manier waarop impresario Ralph Horton op 17 september 1965 aan manager Ken Pitt laat weten: ‘I have taken the liberty of advising you that I have now changed Davie’s name to ‘David Bowie’. De reden: verwarring vermijden met Davy Jones van het toentertijd bekendere bubbelgumcombo The Monkees.

Wat vaak wordt vergeten, is hoe het fenomeen Bowie daarna insloeg als een bom, en op hoeveel weerstand zijn look en sound – ook al toen hij glamrock maakte – soms stuitten. Je hoort in Groningen een fragment van een commentator van de BBC, die Bowie misprijzend omschrijft als ‘a bizarre, self-constructed freak’. Betweters zouden het verkeerd blijven begrijpen. ‘Een inferieure, sukkelachtige song,’ schreef Rolling Stone over – hou u vast – ‘The Jean Genie’. ‘Bowie has nothing to say,’ beweerde een ander Amerikaans blad.

Hier zijn ook voorbeelden te zien van Bowie’s cut-up-techniek, toen nog ambachtelijk plak- en knipwerk. Op die manier kan je van de banaalste tekst intrigerende woordkramerij maken. Ik heb het even geprobeerd op basis van de gebruiksaanwijzing van shampoo: ‘A body mask of dead skin cells / rinces pure animal caution / Avoid eye contact with the ageing youth…’

Gemakkelijk? De cut-up lyrics van Bowie waren beter. Wie anders bedenkt bijvoorbeeld een zin als ‘Throwing darts in lovers’ eyes’?


Bowie is... een kameleon

Ziggy played guitar… en deed vervolgens nog duizend andere dingen, en hij deed ze bijna allemaal even goed. Vanaf 1972 volgde de ene metamorfose op de andere, als een slang die vervelt.

'Davie Jones speelt al een halve eeuw David Bowie, en dat doet hij naadloos'

‘David Bowie Is’ is een heel visuele tentoonstelling, propvol iconische beelden. Ondanks Bowies multidimensionale aanpak (‘Alles wat ik doe moet driedimensionaal zijn, alleen maar liedjes schrijven interesseert me niet’) geeft dat toch een vertekend beeld, want zonder die Stem en zijn flair voor catchy melodieën zou hier vandaag niets of niemand te zien zijn. Anderzijds: wat Bowie deed en doet is geen popmuziek, maar toegepaste kunst.

Bowie had altijd al goeie antennes en was tegelijk inspirator en aasgier van de tijdgeest. Enig opportunisme was de popster niet vreemd: hij profiteerde van het slechte langetermijngeheugen van de doorsnee muziekfanaat, die het plunderen van de geschiedenis niet registreert. ‘Contemporary music always spits on the past’? Dat klinkt goed, maar het is een halve waarheid. In Bowies oeuvre vind je sporen terug van Blake, Dali, Breton, Weill, de Japanse geishacultuur, Oscar Wildes Dorian Gray, ‘A Clockwork Orange’, outsider art (kunst gemaakt door zwakzinnigen en andere buitenstaanders)… Zijn song ‘Absolute Beginners’ uit 1986 verwijst naar de gelijknamige roman van Colin MacInnes, die al in 1959 verscheen.

Bowie was een cultuurfanaat die constant galerieën, musea en tentoonstellingen bezocht, en er was geen nieuwe trend of beloftevolle jonge artiest of ze werden door hem geannexeerd. Toen in 1978 Klaus Nomi alleen nog maar in New York een fenomeen was, lijfde Bowie hem meteen in als backingzanger: hij zong op de Amerikaanse televisie mee in ‘Boys Keep Swinging’ en ‘The Man Who Sold the World’. Nomi had, net zoals Frank Tovey (Fad Gadget), kunnen uitgroeien tot de nieuwe Bowie. Les: jong sterven is niet altijd een goeie carrièrezet.

In Bowies ogen is niets ‘bezet’ en hij is zeer pragmatisch – niets wordt verspild. Toen de erven van George Orwell hem in 1973 weigerden (nu hij een levende legende is, zouden ze toestemmen) om een musical te maken op basis van ‘1984’, gaf hij het verhaal een draai: met ‘Diamond Dogs’ schreef hij z’n eigen dystopische toekomstbeeld bijeen. De bijbehorende tournee (te horen op het briljante ‘David Live’) werd de musical die hij voor ogen had.


Bowie is... de revolutie

Toen Bowie Andy Warhol ontmoette, was dat niet bepaald een succes: Bowie hield niet van de perverse sfeer in de Factory en Warhol niet van Bowies song over hem. Later zou Bowie Warhol spelen in de film ‘Basquiat’ – met Warhols échte zilveren pruik en bril. Maar Bowie had nooit kunnen aarden in de Factory, daarvoor is hij veel te hands on, een controlefreak die elk aspect van zijn opmars zorgvuldig voorbereidt en niets aan het toeval overlaat. Zo onderscheidt hij zich drastisch van tijdgenoten à la Rod Stewart, Tina Turner of Joe Cocker, zingende marionetten die niet eens hun eigen songs schrijven. Ook deze sneer uit 1978 typeert hem: ‘Ik wil een éénmansrevolutie zijn. Als dat niet mijn ambitie was, dan was ik wellicht slechts Elton John geworden.’

'Ook typisch: over Bowies grootste mainstreamsucces 'Let's Dance' is hier amper een woord te vinden'

Bowie bemoeide zich altijd met álles. Hier liggen handgeschreven aantekeningen en productienota’s voor tournees (‘I want a fountain of light of ‘eternal’ something or other’, ‘Let’s have a Mr. Robot contest live on stage’, ‘Write my name as Dadavid Bowie’ – verwijzend naar het dadaïsme)…

Ondanks alle kunstzinnigheid en verheven ideeën was hij niet vies van een meezinger op z’n tijd, en zelfs die jolige songs zijn vaak subliem: in die tijd deed niemand beter dan ‘All the Young Dudes’.

Boeiend zijn de inzichten die je krijgt in Bowies werkproces. Van ‘Space Oddity’ bestaan twéé versies, de eerste meer een wals, minder goed gezongen, meer kitsch, met de opdringerige drums die typisch waren voor het tijdvak.

Ook een bizar gevoel: op de Sennheiser headset naar ‘Starman’ luisteren terwijl Bowies handgeschreven tekst van die song voor je ligt.


Bowie is... onvoorspelbaar

Hier ligt ook een Stylophone, nu een lullige prul, toen een vernieuwende miniatuursynth, een do it yourself scifigadget dat Bowie gebruikte op ‘Space Oddity’ en veel later op ‘Uncle Floyd (Slip Away)’. En de Verbasizer, een computerprogramma dat hij door een vriend liet ontwerpen om sneller willekeurige cut-up-combinaties te kunnen uittesten.

Daar hangt het originele schilderij dat de onterecht vergeten Belg Guy Peelaert voor ‘Diamond Dogs’ maakte. Ook Mick Jagger aasde op Peelaert, maar de competitieve Bowie wist Peelaert zo te charmeren dat hij als eerste z’n iconische hoes kreeg. Daarnaast: de bevreemdende siamese tweelingpop die Tony Oursler voor ‘Little Wonder’ maakte. En een dagboeknotitie ten tijde van ‘Fame’: ‘I had sessions with Lennon. Ava had a Beatle’. Codetaal voor: ‘Ik heb met John gewerkt, maar mijn backingzangeres heeft met hem geslapen.’ Nog steeds de beste tekst over de pro’s en de contra’s van beroemd zijn, uit de mond van twee halfgoden die het kunnen weten: ‘Fame… Puts you there where things are hollow / What you like is in your limo / What you get is no tomorrow’.

Bowie nam vaak grillige beslissingen – zo zouden alle andere popsterren na een commerciële triomf als de ‘Serious Moonlight’-tournee een live-cd hebben uitgebracht. Bowie níét. Over zijn grootste mainstreamsucces ‘Let’s Dance’ overigens amper een woord op deze tentoonstelling – ook typisch.

Er is het arendsoog van Bowie: hij zag álles, en hij liet niets liggen. Alle mogelijke onderwerpen en maatschappelijke hete hangijzers passeren de revue: theater (‘Cracked Actor’), ruimtevaart (‘Ashes to Ashes’), vervreemding en racisme (‘Loving the Alien’), vergankelijkheid (‘Here Today, Gone Tomorrow’), politiek en oorlog (‘I’m Afraid of Americans’), het IJzeren Gordijn en de Berlijnse Muur (‘Heroes’), mode en fascisme (‘Fashion’), gender (‘Boys Keep Swinging’), midlifecrisis (het hele ‘Hours’)…


Bowie is... een vampier

Les: het is makkelijker evolueren als soloartiest dan als groep. Als een begenadigde, ultrapragmatische en opportunistische vampier heeft Bowie ettelijke muzikanten ingelijfd en gedumpt, zodat hij muzikaal nooit stagneerde. Voor de muzikanten die Bowie mee aan z’n klassiekers hielpen, kan deze tentoonstelling niets anders dan een koude douche zijn: Carlos Alomar, Earl Slick (de briljante riff van ‘Stay’ is van zijn hand), Adrian Belew (die het geluid van de ‘Stage’-tour bepaalde), Mick Ronson (die het arrangement voor ‘Life on Mars’ maakte), Rick Wakeman (die er piano op speelde)… Geen van hen is hier meer dan een voetnoot.

Er zijn wel een paar woorden over z’n vriend Lou Reed (Lou over David, in 1973: ‘That kid’s got everything.’ David over Lou: ‘Toen ik de proefpersing van de elpee ‘The Velvet Underground & Nico’ helemaal had beluisterd, kon ik een paar uur niet meer bewegen.’)


Bowie is... een acteur

Er is heel hard gewerkt om deze tentoonstelling de nodige dynamiek te geven, maar statisch is ze toch: kan niet anders, met 60 kostuums op levenloze paspoppen met Bowie-masker. ’t Is amusant al deze iconische kostuums van dichtbij te bekijken: vaak zijn ze amateuristisch, met minimale budgetten gemaakt. De mythe verdraagt geen hard daglicht. De zo geroemde flamboyante kostuums van Yamamoto blijken log, lomp, vervaardigd uit hard plastic – Bowie moet er zich kapot in gezweet hebben. Een paar kostuums verwijzen naar het Japanse kabukitheater (de Japanse tekens ‘ka’, ‘bu’ en ‘ki’ staan voor: zang, dans, kunst).

Een paar keer sloeg Bowie de bal mis en belandde hij bijna in Spinal Tap-gebied – de ‘Glass Spider’-tournee, bijvoorbeeld (alhoewel: heeft Louise Bourgeois die tournee gezien?). Maar indrukwekkend is vooral de maximale impact die hij verkreeg met minimale gadgets: een schedel, een roos, opblaasbare oogballen… Stuk voor stuk iconische beelden en momentopnamen uit zijn liveshows.

Hier liggen ook op het eerste gezicht banale objecten die, in acht genomen wie er de eigenaar van is, toch nooit alledaags kunnen zijn – de sleutels van Bowies Berlijnse appartement, bijvoorbeeld. Dat en scripts, brieven en gesigneerde foto’s uit films – wie beweert dat Bowie niet kan acteren heeft nooit ‘The Elephant Man’, ‘Furyo’ of ‘The Prestige’ gezien. Trouwens: Davie Jones speelt al een halve eeuw David Bowie, en dat doet hij naadloos.


Bowie is... een controlefreak

Ook interessant is wat hier níét is te zien. Niets over nevenprojecten zoals het nog steeds onderschatte Tin Machine, ‘Peter and the Wolf’, ‘Under Pressure’ (met Queen), ‘Dancing in the Street’ (met Mick Jagger), zijn beursgangstunt, zijn samenwerkingen met Scarlett Johansson, Arcade Fire, TV On The Radio… Amper een woord over zijn schizofrene halfbroer die zelfmoord pleegde. Niets over de reclamecampagnes waaraan Bowie z’n merknaam leende. Amper iets over Bowies lost years, toen alles ondersneeuwde: The Thin White Duke was lijkbleek, de expressionistische belichting tijdens concerten was wit (‘IJs vermomd als vuur’ – en vice versa), en het neuspoeder was wit – tussen 1975 en 1978 loerden de overdosis en de hartstilstand om de hoek. Zijn uitlatingen uit die witte periode waren ook niet echt fijnzinnig: ‘Hitler was de eerste rockster’ en dat soort foute oneliners.

Een stad bleek de beste detox: Berlijn. Daar zou Bowie zich tussen 1977 en 1980 herbronnen, heruitvinden. ‘Low’, ‘Lodger’ en ‘Heroes’ heten een drieluik te vormen, maar eigenlijk hoort ook ‘Scary Monsters’ erbij. En een vijfde luik: de fake ‘Lost Tapes’-cd die Bowie als kunstzinnige practical joke wilde maken – later opgenomen songs uitbrengen als zogenaamd ‘verloren gewaande’ opnames uit de Hansa Studios.

Je krijgt wel een beeld van wat een controlefreak Bowie is: hij bepaalt welke kostuums zijn muzikanten op het podium moeten dragen, en in enkele gevallen – zoals het amazone-met-paardenstaartkostuum voor bassiste Gail Ann Dorsey – ontwierp hij ze zelf.

Maar de beste plek op deze tentoonstelling is het ‘Getting Things Done’-hok: een donkere soundproof ruimte waarin de Sennheiser headset flarden uitbraakt van opnamesessies. Hier waant de bezoeker zich even deel van die sessies.


Bowie is... de toekomst

Ook de manier waarop Bowie nu al twaalf jaar anoniem door New York kuiert, typeert hem. Mocht hij morgen op tournee trekken (‘Never say never,’ zei iemand die het kan weten me) zou hij moeiteloos de recettes van pakweg U2 of de Stones overtreffen. In plaats daarvan opereert hij als een guerilla-estheet die af en toe, altijd onverwacht en onaangekondigd, iets moois op de wereld loslaat, zonder stunts, zonder commentaar. Na tien jaar stilte het wereldnieuws halen met een níét gepromote single: het is niet iedereen gegeven, maar Bowie deed het in 2013 met ‘Where Are We Now?’.

'Áls er life on Mars is, krijgen aliens op deze tentoonstelling het beste te zien waartoe aardbewoners qua populair entertainment in staat zijn'

Dit is de droeve toekomst voor popfans: net zoals eerder in de jazz gaan alle levende legendes uit de rock-’n-roll binnenkort dood. Zelfs een Bowie is sterfelijk. En hologrammen (Tupac) of concerten waarbij de dode ster (Elvis) op een videoscherm staat te zingen, synchroon begeleid door een livegroep, mogen dan al technologisch indrukwekkende stunts zijn, ze zijn ook een zwaktebod. Dus: ga the real thing nog bekijken, zolang het nog kan.

‘David Bowie Is’… illustreert de creatieve schizofrenie van een nieuw archetype: de multimediale rockster. Al in 1973 zei hij: ‘Rocksterren zijn de nieuwe valse profeten: ze prediken hun eigen religie omdat ze daar rijk mee worden.’ Nu: áls er life on Mars is, krijgen aliens op deze tentoonstelling het beste te zien waartoe aardbewoners qua populair entertainment in staat zijn. Op de avant-première circuleerde het gerucht dat Bowie hier toch incognito vermomd rondliep, maar dat is onzin. Slechts één ding is nog chiquer dan opdagen op je eigen internationale overzichtstentoonstelling, en dat is: níét opdagen. Wat zou Bowie zelf vinden van de tentoonstelling? Mocht men hem erom vragen, dan zou hij vast iets zelfrelativerends zeggen, iets als: ‘Ik had nog niet gehoord van die Bowie maar het lijkt me een beloftevol ventje, ik hoop dat hij iets van z’n leven maakt. En dat is precies wat ik nu ook ga doen.’ Want er is één ding waar Bowie – de man die door cocaïne het opgroeien van zijn zoon miste, de man die nu een 15-jarige dochter heeft die hij verafgoodt, de man die de 70 nadert en maar aan één ding een gebrek heeft, namelijk tijd – géén tijd aan wil verspillen: terugkijken.

Zijn leven blijft a work in progress.


Meer info over de tentoonstelling »

Beluister 'Lararus', de nieuwe single

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234