null Beeld

De Belgische bus die van de Duitse snelweg viel op 25 juli 1966

Op 25 juli 1966 beukte een Belgische bus op een Duits viaduct door de reling. Er waren 33 doden: 28 kinderen en 5 volwassenen. Het is één van de zwaarste Belgische busongevallen in de naoorlogse geschiedenis, samen met Sierre in 2012 (Zwitserland, 28 doden) en Vizille in 1973 (Frankrijk, 43 doden). Humo keerde vijftig jaar later terug naar de plaats van het onheil en sprak met redders en één van de weinige overlevenden.

'We stortten neer, iedereen gilde. Toen volgde een geweldige klap, en van de rest herinner ik me niets meer'

Op zondagnamiddag 24 juli 1966 vertrekt een autocar met 38 Belgische kinderen en 5 begeleiders uit het Oostenrijkse Ramsau am Dachstein. De drie weken vakantie aan het Dachsteinmassief zijn voorbij. De twee chauffeurs zullen de hele nacht doorrijden, maandagmorgen worden de kinderen in Brussel verwacht.

Op zondagavond 24 juli viert Willi Kremer zijn 19de verjaardag in een café in het Duitse Niederbrechen. Laat wordt het niet: hij moet vroeg op voor zijn werk in de steenbakkerij.

Maandagmorgen, 5.20 uur. De smid van Niederbrechen krijgt telefoon. Hij steekt de straat over, duwt op de knop en op het gemeentehuis gaat de sirene loeien. Het dorp schiet wakker. In de grauwe motregen spoeden dertig vrijwillige brandweerlui zich naar de steenbakkerij; vandaar is gebeld. Niet ver van de steenbakkerij is de ijzeren reling van het snelwegviaduct weggerukt, en midden op de weg naar Werschau zien ze een autocar op zijn dak liggen, de wielen in het ijle. Het is een Belgische bus, ze zien de ‘B’ en de rood-witte nummerplaat.

undefined

null Beeld

Begin juli 2016 rijd ik naar Niederbrechen, tussen Koblenz en Frankfurt. Bossen, heuvels, rijpend koren, klaprozen langs de weg, een ouderwets en oerdegelijk landschap. Het vergaderzaaltje van de Freiwillige Feuerwehr ziet eruit als een kleine parochiezaal, de stoelen omgedraaid op tafel, en in de hoek een drumstel; hier repeteert hun muziekkapel. Twee getuigen volstaan, had ik aan de telefoon gezegd. Zeven mannen zitten me op te wachten. Drie brandweerlui van toen (Willi Kremer, Heinz Ewald en Aloïs Blum), twee medewerkers van het brandweerarchief, een heemkundige én de burgemeester. Het ongeval is hier allerminst vergeten. Op 25 juli is er een herdenkingsdienst, op 26 juli opent er een tentoonstelling.

undefined

'In alle zetels rondom mij vonden ze alleen maar doden'


Radeloze redders

De autocar is in een flauwe snelwegbocht door de reling van het viaduct gebeukt, 12 meter diep neergestort en op zijn dak terechtgekomen. Het hele bovenstuk van de Lancia-bus is in één klap scheefgeplooid. De kranten hebben het over een ‘luciferdoosje’. Het wegdek is bedekt met olie, bloed en kledingresten van de kinderen. Speelkaarten liggen uitgewaaierd op het asfalt.

Willi Kremer «Je kon geen inzittenden zien, zo hard was die bus ingeklapt. We hoorden ook geen geroep of gegil, het was ijzig stil. Af en toe wat zacht gejammer, dat was alles. Onze commandant Robert Willems zag ineens een hand achter een raampje. Hij heeft zijn arm door het kapotte glas gestoken en die hand gegrepen. Hij voelde dat er nog leven in was, en hij heeft die hand niet meer losgelaten tot die jongen uit de bus was.»

Willi krijgt het moeilijk. Hij was maar 19, zegt hij. Dat hij kinderen van enkele jaren jonger dood en verminkt heeft gezien, valt nog altijd zwaar.

Vanuit de steenbakkerij rollen ze een snijbrander naar de bus. De arbeiders willen de raamspijlen doorbranden om zo in de bus te kruipen. De politie houdt hen tegen, er is ontploffingsgevaar. Daarop halen ze metaalzagen om de spijlen door te zagen.

Kremer «Zelfs toen we die doorgezaagd hadden, raakten we niet in de bus, overal zaten zetels in de weg, en die zaten muurvast omdat de bus er met heel zijn gewicht op drukte.»

Niks is erger dan machteloos te moeten toekijken. ‘Met dertig man hebben we geprobeerd om de bus om te kiepen, puur op mankracht. Maar dat ging niet.’

De politie houdt hen weer tegen: door de klap van het omkantelen zouden de gewonden zwaar door elkaar worden geschud.

Kremer «Uit pure radeloosheid begonnen collega’s met hun blote handen aan de zetels en de raamspijlen te rukken om binnen te raken. Krankzinnig. Anderen sloegen met de grote brandbijlen in de carrosserie, om via de kofferruimte of de motorkap toch binnen te dringen: ook onbegonnen werk.»

Een opgeroepen takelwagen slaagt er niet in om de bus op te tillen. Kremer haalt een bulldozer van de steenbakkerij. Als hij aankomt op de dokkerende rupskettingen, sleurt een politieman hem uit de cabine. Hij krijgt handboeien om.

Kremer «Ik mocht niks meer doen tot het leger ter plaatse was. Nu hebben wij kranen en gespecialiseerd materieel om geknelde inzittenden te bevrijden, maar toen was het wachten op hulp van buitenaf.»


Alles kommt gut!

Uiteindelijk arriveren twee kranen van het Duitse leger. Ze tillen de bus een meter op en dankzij de doorgezaagde raamspijlen komt het dak grotendeels los. Het is dan al zeven uur, bijna twee uur na het ongeval. Het is een hallucinant tafereel. Terwijl de brandweerlui en Rode Kruismedewerkers zich een weg banen tussen de verwrongen zetels, hurken de pastoor en de onderpastoor van Niederbrechen bij het wrak. Waar ze een lichaam zien, dood of levend, spreken ze een gebed uit en geven ze een kruisje op het voorhoofd met het heilig oliesel. Het zijn de sacramenten voor de stervenden: ze denken dat niemand het er levend zal afbrengen.

Kremer «Dat kinderen het overleefd hebben, kwam omdat ze uit hun zetel geslingerd waren. Dat was hun geluk. We vonden ze bijna allemaal in het gangpad, waar meer ruimte was dan tussen de ingedrukte zetels. De kinderen die nog bewogen, spraken ons aan in een taal die wij niet kenden. En toch gaf je ze moed, je zei honderd keer: ‘Gut! Gut! Es kommt gut!’ Je drukte hun hand, je klopte op hun schouder, je knikte ze toe: ‘Alles kommt gut.’»

Hij krijgt het opnieuw moeilijk, zegt dat het voor sommigen te zwaar was om te blijven: ‘Helmut, een boom van een vent, ging weg. Die vonden we een uur later terug. Hij zat op de achterbumper van zijn auto in het niets te staren.’

In afwachting van de lijkwagens worden de doden in de graskant gelegd. Zeventien inzittenden zijn op slag dood, onder wie de twee chauffeurs en drie volwassen begeleiders. Zestien inzittenden sterven onderweg naar het ziekenhuis, of bij aankomst. Van de 28 dode kinderen zijn de meesten tussen de 10 en de 14 jaar oud.

Nadat de slachtoffers weggevoerd zijn, maakt de brandweer de bagageruimte leeg. Alle koffers en rugzakken worden in een lange rij onder de snelwegbrug gestapeld, samen met de verloren schoenen, drinkflessen en toiletzakken die ineens aan niemand meer toebehoren. Op het snelwegtalud staan tientallen nieuwsgierigen. Bestuurders stoppen op de Autobahn en kruipen over de vangrail.

Kremer «Ik zag twee vreemden hun hoofd in de bus steken: ‘Hier liggen transistorradio’s!’ Die wilden gauw wat meepikken!»

Rond de autocar blijft alleen een plas van olie, bloed en glas. De natgeregende venstergordijntjes hangen naar buiten en ‘klapperen spookachtig in de wind’.

Om twaalf uur is het wrak weggesleept en kunnen de brandweerlui naar huis. Ze zeggen dat ze de eerste dagen amper geslapen hebben, en nauwelijks gegeten. Ze waren in shock. Willi moest desondanks weer snel aan het werk: ‘Eén dag verlof, dat was de enige psychische bijstand die je toen kreeg.’

undefined

'Van pure radeloosheid begonnen brandweerlui met hun blote handen aan de zetels en de raamspijlen te rukken'


Rouw en voetbal

Aan de Ambiorixsquare in Brussel wachten de ouders met toenemende onrust. Op de radio zijn er berichten over een zwaar busongeval in Duitsland. In paniek verdringen ze zich in een politiebureau. Daar wordt hen aangeraden ‘naar huis te gaan en te wachten’. Sommige ouders nemen de auto en vertrekken meteen richting Duitsland.

Buitenlandse Zaken legt een vliegtuig in. Een DC-6 van Sabena vertrekt maandagavond met 51 vaders, moeders en andere familieleden aan boord (‘Ze zijn weggerukt uit hun dagelijks bestaan. Mannen met ongeschoren gezichten of nog in werkkledij, vrouwen met hun boodschappentas. De eenvoudige kleren die ze aanhadden om hun kind te verwelkomen. In een doodse stilte stijgen zij in. Voor velen is het hun eerste vliegtuigreis. Dat houdt hen niet bezig. Zij gaan naar hun kind. Maar geen één weet of hij zijn kind nog levend zal terugzien.’)

In het stadje Limburg an der Lahn, op 8 kilometer van Niederbrechen, liggen de doden opgebaard in de feestzaal van het gymnasium. In de late avond worden de ouders de rouwkapel binnengeleid. Tussen de bloemen en de kandelaars moeten zij hun kind identificeren in de open eikenhouten kisten.

undefined

null Beeld

undefined

'De bus vloog door de reling en kwam op zijn dak terecht: Je kon geen passagiers zien, zo hard was die bus ingeklapt.'

Ik was 13 en het ongeval is me bijgebleven omdat het zoveel dode kinderen waren en omdat het in ‘Limburg’ gebeurde. Het intrigeerde me dat er in Duitsland ook een Limburg was. En ook: dat een bus van een snelweg kon raken. Als kind van 1966 ging je op snelwegbruggen staan om naar de passerende auto’s te wuiven. Een snelweg was nog een attractie, zonder enig gevaar.

In de bibliotheek lees ik de kranten van toen. ‘Muiters Bezetten ex-Stanleystad’. ‘Algerijn Steekt Marokkaan neer op Houthalen-Kermis’. ‘Prinses Paola Heeft Paardenstaart’. Op de sportbladzijden staat het WK Voetbal in Engeland vooraan, met kans op een finale Engeland - West-Duitsland. Dat zijn nog de grote titels in Het Nieuwsblad van maandag 25 juli. Morgen zal de voorpagina alleen maar over het ongeval gaan.

Dinsdag 26 juli. De nationale rouw wordt afgekondigd. De hele Europese pers is in Limburg an der Lahn neergestreken. De ouders van de slachtoffers wonen een rouwdienst bij in de Domkerk, in aanwezigheid van honderden Duitsers. Buiten is de dienst te volgen via luidsprekers. Vaders en moeders omhelzen schreiend de kist van hun kind, ‘ze moeten worden losgetrokken’.

Dinsdagnamiddag vliegen de familieleden terug naar Brussel en worden de ‘grauwe, vermoeide en diep geschokte mensen’ ontvangen door de koning. Een moeder heeft ‘in haar gevouwen handen kleurige veldbloemen die ze op de plaats van de ramp heeft geplukt’.

undefined

null Beeld

undefined

'Ouders dalen de trap af in Melsbroek na de traumatiserende ervaring in Duitsland.'

De kranten publiceren een brief die tussen de bagage is gevonden. Een moeder schrijft: ‘Liefste jongen. Deze brief is de laatste die ik schrijf. Binnen enkele dagen ben je thuis en kan je mij vertellen over de grote reis die je hebt gemaakt.’ Dat lees ik in de krant van woensdag 27 juli. Vier bladzijden verder blijf ik haperen op de tv-pagina. Met innig plezier zie ik m’n favoriete tv-feuilletons terug: de tekenfilms van The Flintstones, de avonturen van de dolfijn Flipper, en zeker Ridder Ivanhoe! In zijn navolging knoopten wij onze regenjas als een middeleeuwse cape om onze nek.

undefined

null Beeld

undefined

'Brandweerman Willi Kremer was toen 19: 'Alleen de kinderen die uit hun zetel waren geslingerd, hebben het overleefd.'


Nachtelijke colonne

Op dinsdagnamiddag 26 juli komen twintig militaire ambulances de stoffelijke overschotten ophalen. Als de colonne door de smalle straatjes vertrekt, doet de hele stad Limburg hen uitgeleide. ‘Sommigen wuiven met een stil gebaar, mannen nemen hun hoofddeksel af en buigen het hoofd.’ Uit eerbied rijdt de rouwstoet slechts 50 km per uur. Tegen 23 uur worden ze op het Brusselse Meiserplein verwacht, ‘waar een massa stille omstaanders heeft postgevat’. De colonne loopt vertraging op, het wordt middernacht, één uur en nog later. De honderden blijven koppig staan, ‘sommigen gaan slapen achter het stuur van hun wagen’. Wat de wachtenden niet weten, is dat de rouwstoet vertraging heeft opgelopen door de volkstoeloop.

Het is een tijd zonder gsm, Facebook of liveverslaggeving op tv, en toch staan overal rouwenden langs de weg. Met honderden staan ze op snelwegbruggen, op bermen en in de graskant. Zowel in de Ardense dorpen als in het centrum van Luik, Sint-Truiden, Tienen of Leuven. Ik krijg de tranen in de ogen als ik het lees. Dat duizenden in de nacht en in een miezerige regen een stille haag hebben gevormd en urenlang geduld hebben geoefend, is van een piëteit die me ontroert.

Uiteindelijk doemen de ambulances en de motorescorte in Brussel op. Het is vijf uur in de ochtend, ‘hun lichten branden terwijl het toch al dag is’. In het atheneum van Etterbeek is een rouwkapel ingericht, met in de voormiddag opnieuw een rouwhulde en schrijnende taferelen van ouders die het bewustzijn verliezen of een huilcrisis krijgen.

undefined

'De pastoor en de onderpastoor gaven alle lichamen op het asfalt een kruisje: ze dachten dat niemand het er levend zou afbrengen'


Jongensavontuur

Tien kinderen hebben het overleefd. Hun namen en adressen staan in de krant, maar vijftig jaar later zijn ze nauwelijks terug te vinden. Van twee van hen kom ik te weten dat ze intussen gestorven zijn. Na lang zoeken vind ik Serge Bottemanne uit ’s-Gravenbrakel. Het is de eerste keer sinds 1966 dat hij weer met een journalist spreekt. Hij was toen 10 jaar.

Serge Bottemanne «Ik was meegegaan met m’n kameraad Marc Moureaux. We zaten samen op pensionaat in Soignies. Ik was nooit eerder in het buitenland of in de bergen geweest, het was een geweldige vakantie.»

undefined

null Beeld

undefined

'Serge Bottemanne was één van de tien overlevenden: 'Ik hoorde andere jongens kermen tot in mijn kamer.'

Hij had voor het vertrek in Ramsau nog souvenirs gekocht voor thuis. En dan wordt de 1.000 kilometer lange terugweg aangevat. Eén nachtje slapen, en als hij wakker is, is hij thuis.

Bottemanne «In m’n slaap voelde ik ineens dat we diep vielen. Iedereen gilde, toen volgde een geweldige klap, en van de rest herinner ik me niks meer. Wel dat ik uit de bus werd getrokken en dat ik onder de brug op een matras werd gelegd. Zo’n mousse matrasje uit de slaapcabine van een vrachtwagen.»

Hij was één van de eersten die uit de bus werden gehaald, ‘in alle zetels rond mij hebben ze alleen maar doden gevonden’. Hij laat het zware litteken op zijn scheenbeen zien: dat was doorboord door een stuk metaal. In het ziekenhuis van Limburg an der Lahn lag ook zijn kameraadje Marc. Hij was het ergst gewond, ‘hij heeft tussen leven en dood gezweefd’.

Zijn papa, mama en grootouders hadden ook op de bus staan wachten. Toen ze van het ongeval hoorden, zijn ze meteen in hun auto naar Duitsland vertrokken. Aan een Raststätte, een snelwegrestaurant, gingen ze tanken. ‘Daar hoorde mijn grootmoeder een vrachtwagenchauffeur zeggen dat niemand nog leefde: ‘Sie sind alle tot.’’ Met weinig hoop kwamen ze in het ziekenhuis van Limburg an der Lahn aan, waar ze Serge lévend aantroffen.

undefined

null Beeld

undefined

'De bagage werd onder het viaduct opgestapeld.'

Tien dagen moest hij blijven. Zijn moeder bleef ook – alle ouders kregen gratis logies in de stad. De eerste dagen waren somber: de twee kameraadjes die in levensgevaar verkeerden, hoorde hij kermen en roepen tot in zijn kamer. Maar boven alles heeft hij onthouden hoe ze vertroeteld werden door de nonnetjes en verpleegsters. Hij wil erover vertellen, het lukt slechts in tranen en met hortende woorden. Nú heeft hij het moeilijk. Toen was het een jongensavontuur. Reporters aan bed. Strips en boeken om te lezen. Frieten en gebakjes als je erom vroeg. Kusjes bedelen voor het slapengaan. De linten van de schorten van de verpleegsters lostrekken. Een prachtige tijd! En dan kwam een militaire ambulance voorgereden, alleen voor hem en z’n mama. En die Belgische soldaat heeft hem thuis in zijn armen door de voordeur naar binnen gedragen!

Alle Belgische kranten schrijven uitvoerig over de hulp en de toewijding die de slachtoffers in Duitsland krijgen. Dat raakt een gevoelige snaar. In La Libre Belgique verschijnt een opvallende brief: ‘Na de jarenlange bezetting van ons land wilde ik mijn haat tegen de Duitsers tot in mijn graf meedragen. Ik was tot gisteren nog liever doodgevallen dan één Duitser te spreken, maar nu ik lees hoe u onze kinderen hebt opgevangen, kan ik u alleen maar mijn hand reiken en u diep dankbaar zijn.’


Angstbeeld

De kranten hebben het ook uitvoerig over de reden van het ongeval: de chauffeur was vermoedelijk oververmoeid en ingedommeld. Serge heeft ook die indruk. ‘De chauffeurs hadden al het traject Barcelona-Brussel gereden, kwamen toen direct naar ons en in Ramsau hebben ze maar twee uur gerust vóór hun vertrek naar België. Alles samen waren ze al meer dan anderhalve dag aan één stuk aan het rijden. Slapen deden ze op een matrasje in het gangpad. De uitbater die hen in die vermoeidheid dreef, díé is schuldig. Die chauffeurs verdienden ook maar hun boterham.’

Hij heeft tientallen Belgische knipsels en Duitse voorpagina’s met dikke rode strepen onder de blokletters. Er is sprake van ‘ongelukskinderen’ en van de ‘bus des doods’. Zijn ouders en grootouders hebben die knipsels voor hem bewaard, maar hij heeft ze nooit willen lezen. Het doet nog te veel pijn. Vier jaar geleden was er het busongeval in Sierre, en toen was hij een hele week overstuur geweest. ‘Hoe zal ik dat uitleggen,’ zegt hij, terwijl hij zijn tranen wegveegt. ‘Je denkt dat die herinnering weg is, in een vergeten kamertje in je geheugen, maar er zit geen slot op die deur: ineens is het daar terug.’

En dan ligt hij weer op dat matrasje op het wegdek, naast de geplette bus. Dat angstbeeld komt geregeld terug. Dat hij is kunnen ontsnappen, is zelfs een bezwarende gedachte geworden: ‘Met ouder te worden begrijp je hoe klein de kans op overleven was, en hoe weinig er nodig is om te sterven.’ Een paar slaperige seconden volstaan om over je leven te beslissen, dat heeft iets in hem ‘heel kwetsbaar gemaakt’.

Op zijn 18de zag hij een ongeval gebeuren, een meisje kwam onder een auto terecht. Hij stond met drie copains op het voetpad en hoorde hoe ze het uitschreeuwde, met hals en borst vlak bij de hete uitlaat gekneld. Toen hebben zij met hun drieën de Citroën Ami opgetild, zodat ze wegkon. ‘Een rijkswachter wou ons tegenhouden, maar ik werd wit, ik riep dat ik op zijn gezicht zou slaan en dat hij ons moest laten doen. Dat ik zo ontplofte, had zeker te maken met de bus en hoe ik ben bevrijd.’

De zorg waarmee brandweer, arbeiders en vrachtwagenchauffeurs hem toen omringden, liggend op het asfalt, heeft hem ook diep geraakt. Later is hij ambulancier en instructeur bij de civiele bescherming geworden.

undefined

'In de kerkdienst en aan de gedenksteen was het één en al huilen en snikken van families die iemand verloren hadden. We zijn nooit meer teruggegaan'


Souvenirs voor thuis

Serge had deze zomer naar Niederbrechen willen teruggaan, maar het herstel van een zware rugoperatie houdt hem tegen. Hij is maar één keer terug in het dorp van de ramp geweest. In juli 1967. Zijn ouders hadden hun zomervakantie geregeld in Ramsau (!) en op de terugreis hielden ze halt in Niederbrechen voor de eerste herdenking. Er waren meer dan duizend aanwezigen, ‘maar het was verschrikkelijk. Ik was er ziek van. In de kerkdienst en aan de gedenksteen was het één en al huilen en snikken van families die iemand verloren hadden. Mijn ouders noch ik hebben nog willen teruggaan.’

Of hij zich nog iets herinnert van het WK Voetbal van 1966? Natuurlijk! Voor de finale Engeland - Duitsland op 30 juli werd hij op een brancard naar de ontspanningszaal gedragen. ‘Daar zaten zeker dertig patiënten in hun pyjama voor het scherm.’ En uiteraard heeft hij voor Duitsland gesupporterd.

undefined

null Beeld

In België wordt de finale in mineur gevolgd. Op die zaterdag worden nog kinderen begraven. Ik heb de finale ook gezien. Pas in de laatste minuut komen de Duitsers langszij (2-2), maar in de verlengingen scoort Engeland een doelpunt dat nog altijd betwist wordt: volgens de Duitsers is de bal niet over de doellijn gegaan. Je vindt op het internet filmpjes, Wikipediapagina’s, tv-documentaires en zelfs tweets over dat doelpunt van vijftig jaar geleden. Het leeft nog altijd meer dan het busongeval.

In Het Nieuwsblad van 30 juli 1966 staat een aandoenlijk stuk over de ouders die de bagage van hun kinderen ophalen. In het Brusselse Rode Kruisbureau staan lange tafels opgesteld. Tafels vol verlies. Bestofte hoge bergschoenen, besmuikte lederen sandalen, drinkflessen, boterhammendozen, horloges, zaklampen, enkele fototoestellen en één View-Master. Dat detail schramt. We hadden thuis ook een View-Master. In die tijd populair speelgoed: een plastic kijker waarmee je in 3D plaatjes van koningen, bergtoppen en sprookjesfiguren kon zien.

In de koffers vinden de ouders ook keurig verpakte souvenirtjes die voor hen bestemd waren, ‘naïeve geschenkjes die nu oneindig waardevol zijn geworden’. De verslaggever noemt ze op: miniatuur-alpenschoentjes, poppetjes in folkloristische klederdracht, muziekdoosjes, sierspelden in edelweissvorm. Ik kan ze zo voor de geest halen. Naar al die spulletjes heb ik ook staan kijken in de zomer van 1966. Toen was ik ook een kind op vakantie in de Alpen.

undefined

null Beeld

undefined

'Vijf dagen later speelde West-Duitsland de WK-finale tegen Engeland. 'Natuurlijk supporterden we voor de Duitsers.'


‘De Marie-Louise’

Dat het dramatische busongeval tot een diepe vriendschap heeft geleid, kom ik pas tijdens de reportage te weten. Tussen het vrijwillige brandweerkorps van Niederbrechen en dat van Edingen blijkt al meer dan veertig jaar een hechte entente te bestaan. Huidig brandweercommandant Didier Leriche: ‘Onze oudere én jonge brandweerlui houden die vriendschap levendig. Toen twee brandweerlui van ons korps omkwamen in een ongeval, woonde een delegatie uit Niederbrechen de uitvaart bij. Zelfs hun burgemeester was erbij.’

Maar hij zegt ook dat Duitsland moeilijk lag in de beginjaren. ‘In 1978 waren ze voor het eerst hier en als hun muziekkapel een vrolijke Duitse mars speelde, zag je de mensen in Edingen verstijven. Zelfs al was het dertig jaar na de oorlog.’

undefined

null Beeld

undefined

'De tien kinderen die het ongeval hebben overleefd, worden verzorgd in Limburg an der Lahn: 'We werden vertroeteld door de nonnetjes en verpleegsters.'

Jean-Luc Devos, gepensioneerd brandweerofficier, zegt dat de vriendschap begon met één van de overlevende kinderen, Michel Elaerts. Zijn vader was brandweerman in Edingen, ‘en hij begreep wat de brandweerlui in Niederbrechen hadden doorgemaakt’. Vanaf 1967 ging zijn gezin elk jaar dank betuigen in Niederbrechen. Rond 1975 begon een uitwisseling met het hele korps en nu is er jaarlijks een verbroederingsweekend, afwisselend in Edingen en in Niederbrechen.

Devos moest ook over een drempel. Zijn schoonvader was oorlogsinvalide, dus zijn familie was ‘niet bepaald Duitsgezind’, en hij had zich voorgenomen nooit één voet in Duitsland te zetten. Maar nadat hij in 1994 in Niederbrechen was geweest, was hij helemaal ‘omgedraaid’ en heeft hij geen enkele verbroedering overgeslagen. ‘Hoe wij daar ontvangen worden, dat is for-mi-da-bel. De vriendschap met die brandweerlui, dat is beton! Zij leven nog altijd mee met het ongeval en de Belgische kinderen. Nog elk jaar halen ze hun knipsels boven, met tranen in hun ogen.’

Voor één ouderpaar was Niederbrechen zelfs een houvast in hun leven. François en Yvonne Mertens uit Anderlecht hadden hun twee kinderen verloren in het busongeval. Maar van bij het begin hebben ze zich aangesloten bij de entente ‘omdat ze weten dat wij aan hun kinderen blijven denken’. ‘Toen ze vijftig jaar getrouwd waren, hebben ze dat niet in België, maar in Niederbrechen gevierd. De vriendenkring was hun naaste familie geworden.’

In Niederbrechen herinnert Willi Kremer zich nog die anti-Duitse gevoelens.

undefined

'Ik was anti-Duits, maar de vriendschap met de Duitse redders, dat is beton'

Kremer «Ik zie ons nog een café binnenkomen bij de eerste verbroedering. De aanwezigen zien onze uniformen, horen onze taal en het hele café valt stil, geen woord wordt nog gezegd. Tot onze gids zei wie we waren: binnen de minuut had ieder van ons twee pinten, één in elke hand (lacht).»

Daarna kon het niet meer stuk. Willi haalt er een dikke ringmap bij, met honderden foto’s over de verbroedering. De uitstappen, de ontvangsten op het gemeentehuis, de koude buffetten, de bonte avonden. Ik zie zelfs Duitsers op de dansvloer zitten, roeiend op de tonen van ‘De Marie-Louise’, veel familialer kan niet.

Weer een andere ringmap, de dankbrief van ons vorstenpaar en tientallen artikels (‘De ramp was wereldnieuws’). En tegelijk is er een oud zeer. Dat zij te weinig erkend zijn. Dat iedereen spreekt over het busongeval van Limburg an der Lahn ‘omdat daar de gewonden lagen en de doden lagen opgebaard’. Limburg is met alle aandacht gaan lopen en als bewaarengel de geschiedenis ingegaan. Terwijl zij de eerste redders waren én de enigen zijn die de nagedachtenis eren.

Ik rij met Willi naar het snelwegviaduct. Via de noodoprit van de hulpdiensten rijden we tot tegen de Autobahn Frankfurt-Keulen. Ik zie de brugleuning, de lange flauwe bocht ernaartoe, de koplampen, het natte suizen van de rijvakken op deze regenmiddag. Ik kén deze Autobahn. In juli 1969 reisde ik hier met m’n broer, we liftten naar Oostenrijk. Het was nacht en in Limburg an der Lahn, één brug eerder, stonden auto’s met hun knipperlichten naast de vangrail. Iemand was net over de reling gesprongen, 50 meter diep. Ik was 16 en ontdaan. Dat de dood zo vlakbij was en opnieuw langs de snelweg had gestaan.

Onderaan bij het talud en langs de weg naar Werschau staat de gedenksteen, een rots met inscripties en een keurig bloemenperk: ‘De mensen van Edingen hebben als kinderen staan huilen toen ze hier de eerste keer waren.’ Al vijf jaar verzorgt Willi het gedenkperkje. ’s Zomers treft hij er weleens bloemen aan. Belgen die op vakantie gaan en er even halt houden.

Hij gaat midden op de weg staan om te tonen waar de bus toen lag. Hij vraagt of ik weet hoeveel overlevenden er nog in leven zijn. Het houdt hem bezig. Zijn handen hebben de kinderen nog altijd niet losgelaten.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234