null Beeld

De Belgische Greyhound: in het spoor van de langste buslijn (2)

Bus 1011 is de langste buslijn van België, ze verbindt Luik met Athus, een rit van drieënhalf uur. Dat lange traject en de vele habitués op de lijn maken dat er een band is tussen chauffeurs en inzittenden. Er wordt gekust bij het opstappen, en de chauffeurs zijn betrokken bij lief en leed van hun reizigers.

André Calgaro is om halfzes opgestaan met koffie en sigaretten. Er staan sterren en een bitse noordooster, hij schraapt het ijs van de autoruiten en we rijden de 5 kilometer van Freyneux naar Manhay. Tegen acht uur moet hij op z’n werk zijn in Luik, en dus moet André elke dag de eerste bus nemen, die van 6.40 uur. Bij het afdak van de halte staan nog vijf wachtenden en dan is de bus er, twee felle koplampen onder de oranje straatverlichting. Alle passagiers begroeten de chauffeur, maar het is enkel André die de chauffeur kust. Om meer reizigers te zien kussen, is het wachten tot in Werbomont (‘Village chaleureux’) waar chauffeur Bernard* door zes van de vijftien opstappende reizigers wordt gezoend. Ik zie ook zittende passagiers die de opstappenden per kus goeiemorgen wensen. Voor een noorderling blijft het verwarrend, dat kussend een bus betreden. Ondanks het vroege uur werpt André zich op als luide animator van de vrouwen op de voorste rijen – zijn haantjeshumor ondergaan ze zoals het weer, je kunt er niks aan veranderen. Er zijn ook reizigers die geen deel hebben aan de convivialité, die de krant lezen of over een smartphone gebogen zitten. Chauffeur Bernard is in een babbel verwikkeld met een onderwijzeres van een lagere school, ze vraagt hoe zijn twee kinderen, die ook naar de lagere school gaan, het stellen. Het praten gaat door tot de files en de achterlichten van Luik in zicht komen: dicht bij school en werk lijkt de conversatie stil te vallen. De radio, die tot halfweg de bus te horen is, meldt in het ochtendjournaal de zelfmoord van een jonge kippenboer in de Condroz, hij laat grote schulden en een gezin van vier kinderen na. Doorheen dat drama en andere actua wenst Bernard elke afstappende une bonne journée. En tegen een zwangere vrouw glimlacht hij dat ze nu zeker ‘voor twee gaat werken’!

Het bordje ‘Verboden met de bestuurder te spreken’ hangt hier al decennialang nutteloos te wezen. André Calgaro, pendelaar en vaste klant van bus 1011 had me tevoren enthousiast ingelicht over de familiale sfeer aan boord.

André Calgaro «Je zult dat zien, bij ons zit de chauffeur niet achter een plexiwand, als een stomme vis in een bokaal, néé, onze chauffeurs zijn toegankelijk voor hun passagiers. Voor die jonge gasten zijn de chauffeurs zelfs vertrouwenspersonen.»

Bruno * (vijftien jaar chauffeur) «Als je een heel schooljaar dezelfde scholieren aan dezelfde halte meeneemt, dan ontstaat er vanzelf enige affiniteit. En ’s morgens, in die volle bus, is dat een losse babbel, maar als ik hen op een rustig tijdstip tref, vertellen ze ook vertrouwelijke zaken. Zoals dat meisje van 17 dat vaak over haar ouders spreekt, heel persoonlijke dingen. Ik vraag er nooit naar, maar ze zoekt iemand bij wie ze dat kwijt kan. Soms vragen ze me ook om raad, vaak over de relatie met hun lief. Ik ben dertig jaar ouder, maar ik probeer me toch in te leven en advies te geven.

»Jongeren van die leeftijd hebben soms ook existentiële vragen. Een copain of copine van hun klas heeft zelfmoord gepleegd, en aan wat ze vertellen, merk ik hoe ze daarmee worstelen, met de zin van het leven.»

Met de jonge reizigers is er dus veel contact, maar de chauffeurs zien dat wel afnemen sinds de opkomst van smartphone en tablet: ‘Ze praten nu minder met ons, en ook minder met hun medescholieren.’

Met de oudere reizigers zijn er minder gesprekken. ‘Die zullen maar af en toe naar voren komen, maar ineens vertellen ze dan toch dat hun man of vrouw gestorven is, en ik zie hen in de maanden daarna soms versomberen in de bus. Zwijgend, verdrietig, verzonken in hun zwarte gedachten.’

[FOTOSPECIAL_31035]


Bel de chauffeur!

Over de band met de chauffeurs raakt André Calgaro niet uitgepraat. De eerste keer dat ik ’m sprak, vroeg hij al of ik Vlaamse busreizigers kende die het gsm-nummer hebben van hun buschauffeur. Dat blijkt hier een gewone zaak te zijn. Om navraag te doen als de bus vertraging heeft, ‘maar evengoed om met de chauffeur te babbelen als hij thuis is’. Ik moet licht ongelovig hebben gekeken, want hij haalde gelijk zijn gsm boven, toetste een nummer in en kwam en direct bij een chauffeur terecht die ter hoogte van Houffalize reed.

Calgaro «Enkele meisjes hebben zelfs de nummers van álle chauffeurs! Dat heeft niks amoureus, dat bestaat al zo lang als het openbaar vervoer: reizigers die graag vooraan staan om met de bestuurder te babbelen. Vooral vrouwen hebben iets met buschauffeurs. Dat is de aantrekkingskracht van die man, van die sterke figuur die daar vooraan in dat voertuig zit, en tóch tijd heeft om naar je te luisteren. In feite is het een relatie met een andere man, maar omdat ze voor iedereen zichtbaar is, is die relatie ook onschuldig. Een man op café spreek je niet aan, want dan ben je een slet. Maar de buschauffer is een man die je ongestraft mag benaderen, een man wiens gezelschap je altijd mag opzoeken.»

null Beeld


Bus tegen koe

De ochtendrit van Bernard zit erop. We drinken koffie en een halfuur later vertrekt-ie opnieuw, voor de drieënhalf uur van Luik naar Athus. De zon komt schitterend op boven de stad en het water van de Ourthe, en hij zal het ook tegen een meisje zeggen, dat het een mooie dag wordt vandaag. Intussen zoekt hij een zender met Franstalige oldies, gelakte rock die aan strandstoelen en transistorradio’s doet denken. De reizigers zijn onderweg voor werk en opleiding, en op dit uur tref je ook altijd wel een 65-plusser die gaat shoppen in Martelange. ‘In Luxemburg is een pakje sigaretten 1,2 euro goedkoper. Daarvoor wil zo’n gepensioneerde gerust twee keer twee uur op de bus zitten. Ik ken er die met de caddy komen en heel hun quartier bevoorraden.’

We beginnen aan lange bossen waar menig hert grote sprongen maakt in de verkeersborden. Een collega heeft vorig jaar een everzwijn aangereden. Zijn vaste busklanten dachten gelijk aan de beroemde everjager uit Gallië en noemen hem nu Obelix.

Oud-chauffeur Jean Zune reed ooit een ree aan. Het dode beest legde hij vooraan op het trapje (‘Alle passagiers zijn komen kijken’) en onderweg is zijn schoonbroer het dier komen oppikken. ‘En ik kan het weten, zo’n botsing met wild, dat smaakt aan tafel!’

Albain Voz, eveneens ancien, reed ooit tegen een koe.

Albain Voz «Een reiziger belde om te stoppen, ik keek even in m’n spiegel en weer vooruit, en daar stond die koe. Baf erbovenop, en dat beest morsdood. Ik bel de mecanicien op, hij komt een kwartier later en het eerste wat hij vraagt is niet of er gekwetsten zijn, maar waarom ik die koe de keel niet heb overgesneden en heb laten leegbloeden, ‘want zo wordt het vlees slecht’. Ik zei nog: ‘Denk jij dat elke buschauffeur een slagersmes bij zich heeft?!’ Maar ik begreep hem wel. Je bent kind van de buiten, je woont tussen boeren en jagers, je kunt met vee en vlees omgaan, en dan is het een onvergeeflijke fout als je goed vlees verspilt. De mecanicien had wél een groot mes bij zich, maar het was al te laat. Omdat de koe nog een paar minuten had geleefd en afgezien, was het vlees zwart uitgeslagen door de stress en de adrenaline.»

Als het over ongevallen gaat, moet Jean altijd aan de pastoor van Grandménil denken. Omdat het regende, wachtte die man in de enige abri, aan de overkant van de weg.

Jean Zune «Hij ziet felle koplampen komen, hij wil oversteken, denkende dat ik het ben die wel zal afzwenken en stoppen, maar het is een grote snel rijdende camionette die hem niet meer kan ontwijken. Vijf seconden later kom ik daar aan met de bus, ik heb gevoeld of zijn hart nog klopte, maar het was al gedaan.»


Roze logement

Een vrouw komt tot bij Bernard, of er in Houffalize ergens een wc is, ze voelt zich onpasselijk. De chauffeurs weten waar ze moeten stoppen in die gevallen, soms een café, soms een ziekenhuis – in Houffalize is dat het gemeentehuis. Bernard wacht vijf minuten en zwaait intussen naar ‘busbekenden’, habitués die op andere uren of dagen opstappen. Ik zal Bernard vandaag nog vaak zien zwaaien, naar vrouwen die op vaste tijdstippen de brievenbus legen of aan hun voordeur een sigaret roken. Je salue un peu partout, zal hij zeggen. En dat het zijn dag goed maakt: ‘Ik rij niet zomaar langs een baan, ik rij voortdurend langs bekenden.’

De weg leidt naar Bastogne. Bernard heeft soms Amerikaanse toeristen aan boord die de Slag om de Ardennen veel beter kennen dan hij, die hém vertellen waar wat gebeurd is.

Een eind buiten Bastogne ligt de zwartwitte bult van een dode das op het asfalt, en later volgt een doodgereden vos. Bernard ziet de vossen overal, zelfs in het centrum van Bastogne, waar ze in de vroege ochtend langs de vuilniszakken scharrelen.

We rijden door Arlon, en dan naar Athus, waar het Ardense landschap opgaat in shoppingcenters en dito Boomsesteenwegen. Dit is de diepste broekzak van België, ‘het zuiden van het zuiden’, de cafés hebben er reclame voor Diekirch, Mousel en Bofferding. Bernard wijst een rozegeverfde woning aan, hun nachtlogement. Ook dit is uniquement bus 1011, dat de chauffeur van de laatste bus de nacht doorbrengt op z’n eindhalte. Hij is immers ook de chauffeur die ’s morgens met de eerste bus naar Luik vertrekt.

Het logement heeft een aparte geschiedenis, want veertig jaar lang sliepen de chauffeurs in een houten barak die ooit de noodkerk van Houffalize was, nadat de stenen kerk aldaar verwoest was in de Slag om de Ardennen. In de jaren 60 hebben ze die houten kerk dan afgebroken en in Athus heropgebouwd. Het huis van God werd letterlijk een huis van de bus. De autocar stond in de hoofdbeuk, en de chauffeur en de ontvanger sliepen in de sacristie, waar twee slaapkamers en een keukentje waren ingericht. En het zijn onbevestigde geruchten, maar die nachten in Athus bleken door vrouwen en drank al eens korter uit te vallen dan in de rest van het land. Begin jaren 90 is de busbarak afgebrand, daarna werd er overnacht in een pension, en de laatste jaren in het roze appartement.


Roddelen

Het station van Athus is de terminus. Er stoppen Franse treinen en de dichtgemaakte ramen zijn bekrast en beschreven als toiletdeuren. Wie hier arriveert, staat voor een uitgestorven rotonde en rijen geparkeerde auto’s die een braakliggend terrein afzomen. Iets heeft hier toegeslagen, het zal de sluiting van de staalindustrie zijn geweest.

Met een collega van een lokale buslijn rijden we naar een eethuis. Een werkmansfrituur, met magere koppen en een taai zwijgen bij het wachten en aanschuiven. De chauffeurs wisselen verhalen uit over onhebbelijke bomma’s, met conversaties die met schriele stem worden geïmiteerd.

Als we na de middagpauze weer bij het station komen, staat daar nog steeds dezelfde man van anderhalf uur geleden. In zijn ouwe anorak, en met de armen dof langs het lichaam. Hij wacht graag aan stations. En ‘dat stations gemaakt zijn voor mensen die wachten’. Daarna zegt hij niks meer. Ik besef dat dit bestaan een wachtzaal is.

undefined

null Beeld

We verlaten Athus en ik vraag Bernard of het nooit vermoeit, dat heen en weer pendelen en steeds dezelfde plaatsen zien. Hij zit er niet mee. Met schoolkinderen rijden, dat is pas saai, elke dag dezelfde straten en dezelfde kinderen, een elléndig bestaan. Ook stadsbussen zijn niks voor hem: de mensen zijn er zwijgzaam. Als het maar voor een paar haltes is, kijkt iedereen voor zich uit. Op zo’n lang traject nemen de reizigers meer de tijd, zijn ze meer relaxt en openhartiger.

In Sainlez haast een man zich naar de halte, hijgend staat hij in de deur. ‘Pas de souci, Abdel, je hoefde niet te lopen, ik had zeker op je gewacht.’ Ik verneem dat Abdel hier een lief heeft wonen dat hij wekelijks bezoekt. Hij weet dus veel, de buschauffeur.

Bernard beaamt, maar zegt erbij dat je daardoor ook voorzichtig moet zijn. En dat je vaak moet kunnen zwijgen. Dus tegen een opstappende vrouw níét zeggen dat je zojuist haar man hebt gezien in Houffalize. Je denkt haar een plezier te doen door dat te zeggen, maar het kan evengoed argwaan opwekken, als die man op dat uur absoluut niet in Houffalize moet zijn.

Een chauffeur moet ook neutraal zijn. Als scholieren roddelen dat leraar A. een klootzak is, en juf B. een onmogelijk mens, dan hou je je daarbuiten. Een collega roddelde een eindje mee, en wat bleek: twee rijen verder zat een kennis van ‘de klootzak’ over wie ze het hadden. En die ging natuurlijk rondvertellen wat voor een roddelblad die chauffeur wel was. Ja, zegt Bernard, het is soms meer een dorp dan een bus.


Pralines en champagne

André Calgaro had me vooraf krek hetzelfde gezegd: ‘Die bus, dat is een dorp. Waar iedereen iedereen kent, zoals in een café met vaste stamgasten. Het enige wat ontbreekt, is een toog en glazen.’

Gerief dat niet altijd blijkt te mankeren, getuige de feestelijke verjaardagen van André.

Calgaro «Als ik jarig ben, deel ik een kilo pralines uit; en toen ik 50 werd, had ik champagne mee voor heel de bus. Toen hebben ze voor mij gezongen!

»Nieuwjaar vier ik ook altijd: na m’n eerste werkdag presenteer ik een Monbazillac met stokbrood en foie gras. De glazen gaan rond en ik snij en beleg het brood. Dit jaar kreeg ik de chauffeur tegen, hij was nieuw en zei vlakaf: ‘Ik verbied dat er in mijn bus gegeten wordt.’ En ik heb geantwoord: ‘’t Is Nieuwjaar, je m’en fous.’ Boos dat hij was. Het was de eerste keer dat me zoiets overkwam. Zo’n chauffeur is een uitzondering.»

De chauffeurs noemen André op hun beurt een uitzondering: ‘Er is maar één passagier die zo royaal trakteert.’ Maar bescheiden feestelijkheden zien ze geregeld. Een geslaagde student die pralines uitdeelt, of een meisje dat een verjaardag viert en met snoepjes rondgaat. En dan is er ook nog de erkentelijkheid van de habitués met Nieuwjaar: zowel Bruno als Bernard krijgen dan meerdere pralinedozen en wijnflessen aangereikt. Een dankbaarheid die Calgaro niet verrast: ‘Elke dag vertrouw je je leven aan die chauffeur toe. Als hij daar veilig over waakt, dan mag daar iets tegenover staan.’

Chauffeur Bruno is ook al een keer uitgenodigd voor een fuif. ‘Ik kon niet, maar omdat ze zo vriendelijk waren om me uit te nodigen, heb ik die jonge gasten 10 euro gegeven, dat moesten ze dan maar opdrinken op mijn gezondheid. Later stond op Facebook dat ik hun favoriete chauffeur was.’

Calgaro «En wordt iemand vader, dan trakteert hij de bus met doopsuiker of andere confiserie. Zeker als de chauffeur zélf papa wordt! Wat voor ons nooit een verrassing is, want de bus heeft de zwangerschap van zijn vrouw uiteraard op de voet gevolgd. Ik denk overigens niet dat er al geboortes hebben plaatsgevonden op de bus, en bij mijn weten ook geen sterfgevallen, maar seks: yes sir! Op de achterste rij van de bus (lacht medeplichtig). Maar dan wel in de jaren 70.»

undefined

null Beeld


Greyhound, Nebraska

Tussen Houffalize en Bastogne worden de huizen schaarser en de vergezichten wijdser. En ik weet wel dat dit geen Greyhound is, 144 kilometer is geen 4.700 kilometer, maar het reizen op die Amerikaanse bussen is een inspiratie geweest. Dat ik bussen en lange afstanden met de winter associeer, is daar ook begonnen: op een decemberdag in 1990, toen ik op een Greyhound wachtte in Omaha, Nebraska. Op alle wegen woedden sneeuwstormen en toch kwamen de chauffeurs opdagen. Ze sloegen met hun vuist het ijs van de grill en de koplampen, namen de microfoon, riepen ‘I’ll drive this baby right thru them blizzards’ en gingen onder gejuich van de passagiers opnieuw de weg op naar Denver, Cheyenne en Kalispell. In Hibbing, de hometown van Bob Dylan, heb ik later ook het Greyhoundmuseum-in-opbouw bezocht. In de stelplaats stond zo’n ouder model dat coast-to-coast had gereden, met die lange stroomlijnen van zilveren chroom. De ingesleten zetels kenden nog altijd het verhaal van de Vietnam-vets, de Woodstock-hippies en de boerenjongens die naar de stad trokken. De matte ramen hadden nog altijd die weerspiegeling waarin tienduizenden op hun leven hadden zitten terugkijken. Bussen zijn maar bussen, maar als ze lange tijd grote stukken land en lange stukken van mensenlevens doorkruisen, dan worden ze geheugen en geschiedenis.


Je vais pisser

Zo is het ook bij André Calgaro. Elke mijlpaal in zijn leven is gelieerd aan die bus. Ze was zijn fil rouge, zijn rite de passage.

Calgaro «Dat ik van de kleuterschool naar de lagere school overstapte, was voor mijn grootmoeder zo’n belangrijk evenement dat ze mij met de bus naar Luik meenam om daar schoolbenodigdheden te kopen. Het was in augustus 1963, één week voor de eerste schooldag, en ik zie ons nog vertrekken. Ik in een kostuumpje en zij met handtas, mantel met hermelijnkraag, hoed en voilette voor de ogen! Dik en deftig stapten wij door die zomerse warmte. Van het dorpje Vaux-Chavanes naar de bushalte in Manhay, dat was één uur gaan. En dan de bus op naar Luik, ik zeg u, dat was niet naar Luik, dat was naar de maan! Zo’n reis had ik nog nooit gemaakt! En ik had ook nog nooit een stad gezien. Thuis hadden we een boerderij en een stal met zeven koeien – dat was mijn wereld toen – dus die stad, dat was een andere planeet.

»In Luik stapten we een winkel van bureauwaren binnen, en daar mocht ik een boekentas, twee schriften, twee potloden, twee bics en een houten meetlat kiezen. En dan de hele reis terug. Ik duizelde van de indrukken van die dag. De chauffeur met zijn kepie! De ontvanger die een ticketje draaide uit die magische machine op zijn buik. Allemaal nooit gezien en onvergetelijk voor mij.

»En zo is heel mijn leven verweven met die bus. Ik heb er ook leren roken. Want elke scholier rookte op de bus. Wat zeg ik? Elke man, elke vrouw rookte op de bus! Dat was de lifestyle in de jaren 70. Zo’n bus vol rokers, één blauwe damp, krankzinnig als je daar nu over nadenkt.

»En op m’n 17de werd ik verliefd! Op het mooiste meisje van Manhay! Ik zag haar voor het eerst op de bus, en weet je wat haar vader deed? Hij was de chauffeur! Haar heb ik niet kunnen krijgen, maar met hem heb ik uren staan babbelen.

»In die jaren was er ook nog volop dienstplicht, met op de bus dat tafereel van de zondagavond: jonge miliciens die hevig staan na een weekend met of zonder lief, en weer terug moeten naar hun kazerne. Ze zingen en roepen en stompen mekaar, en ze gooien met hun kitzak. Die bus zat eivol, zelfs alle klapstoeltjes in het gangpad waren bezet. En dan de aankomst in Luik-Guillemins! Al die kaki apen kruipen en vallen over de plooistoeltjes, er wordt wéér met die kitzakken gegooid, een pandemonium, een balorig theater dat we elke zondagavond opvoerden, wetende dat er ons weer een week doffe legerdiscipline te wachten stond.

»En wat er allemaal kon in die jaren 70! Zoals de chauffeur die hier in Manhay uitstapte met de woorden je vais pisser, het café binnenging, en eenmaal terug van het toilet twee pilsen achteroversloeg – faire le plein. Er was niet één passagier die daar een opmerking over maakte, het hoorde erbij. Ik heb ook nog chauffeurs geweten die een huis binnengingen – niet om te drinken, maar voor een vluggertje, écht. In die jaren kon álles!»


Café zonder toog

Wat toen ook nog kon: kinderen die alléén reisden.

Zune «Het gebeurde geregeld dat ouders aan de halte een kind meegaven. Dat was toen niet zo ongewoon. Tegen ons zegden ze dan waar die jongen of dat meisje moest afstappen. Meestal stond daar dan iemand te wachten. Eén keer kreeg ik een jongetje mee van Luik naar Aarlen, dat was drie uur bus voor dat ventje. We komen in Aarlen, daar stond een vrouw te wachten – zijn moeder, denk ik – maar die wou hem niet hebben! Ik moest ’m maar mee terugnemen naar Luik! Ik heb die vrouw moeten overreden hè. Wat een drama voor dat kind: eerst zo lang alleen op de bus en dan nog afgewezen worden door je moeder.»

De verhalen blijven komen, en altijd komt het erop neer dat ook nu nog heel veel mensen geen auto hebben, en dus nog altijd op die bus zijn aangewezen.

Calgaro «Neem de administratie. In al die kleine dorpen van de provincie Luxemburg kun je niet terecht voor belangrijke administratieve verrichtingen. Je moet dus de bus nemen naar steden als Luik, Bastogne of Aarlen. Nog eens: die bus was en ís de ruggengraat van onze provincie. Zo noemen de ouderen haar ook: La Dorsale.

»En omdat zowel jongeren als ouderen die bus nemen, is het ook een microkosmos. En wij zijn gelukkig dat we die microkosmos hebben. Dat we die familie hebben. Als er ’s morgens bij het opstappen iemand ontbreekt, dan maken we ons ongerust. Tiens, wat zou er met X. zijn? Een week later zien we X. dan terug. Zijn vader gestorven. Grote compassie en medeleven. Grote stilte in de bus.»


Wij zijn geen customers!

Maar de stilste passagier van de laatste jaren is de dreigende reorganisatie van de bus.

Calgaro «Sinds 1949 was de busmaatschappij in handen van de familie Collard, maar vanaf 2012 is een groot deel van de aandelen opgekocht door de Franse multinational Keolis (een vervoersbedrijf dat in enkele Europese landen actief is, red.). En als de publieke sector in handen van de privé komt, dan rukt het op: die gruwelijke managerstijl die spreekt van performance en rentability, van customers en customer relations. Wij zijn geen customers, wij zijn reizigers. Wij denken niet in termen van rendement, maar in termen van vriendschap en respect.»

Waar André Calgaro nog het meest voor vreest, is dat die landelijke lijn – ondanks de vele reizigers – ooit in haar bestaan bedreigd zal worden. ‘Want wat is er tussen Luik en Athus? Niks! Die bus is onze hoofdslagader. Die bus is onze lifeline.’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234