De Belgische Greyhound: in het spoor van de langste buslijn

België is niet groot. De langste afstand in ons land is een goeie 300 kilometer. Maar toch is er op dat kleine grondgebied één buslijn die zich uitstrekt over 144 kilometer. Het is lijn 1011, ze is de langste lijn in België en de bus verbindt Luik met de Franse grens (Athus). Get on board van de langste lijn, en maak kennis met de vaste reizigers die elke morgen een kus krijgen van hun chauffeur!

Dit verhaal begint in een jaar dat er nog echte winterdagen waren. Op 7 december 2012 koop ik in het station van Luik m’n busticket. Voor 7 euro, de prijs van een dagticket, kan ik met de TEC, het Waalse equivalent van De Lijn, heen en terug naar Bastogne. Dat is niet de hele rit naar Athus (3 uur en 30 minuten), maar wel het twee uur durende traject over de Baraque Fraiture (651 meter). Op die Ardense hoogte is vanmorgen tot 15 centimeter sneeuw gevallen. Dat belooft. Maar de bus zelf is een teleurstelling. In plaats van naar de verwachte long distance coach neigt het voertuig eerder naar een fors uitgevallen stadsbus.

'Ik vind dit nu al een voldoende reden om België bij elkaar te houden, deze bus, deze weg en deze Ardennen'

Ik neem voorin plaats, achter mij is de ruimte voor twee derde gevuld met gelach en geroezemoes van kotstudenten die op deze vrijdag huiswaarts keren. De meesten hebben een trolleykoffer. Zo kom je tegenwoordig van je kot, als van een citytrip. Naast me zitten twee gasten over hun laptop en ‘Saving Private Ryan’ gebogen, een meisje leest ‘Hard Times’ van Charles Dickens, en tegenover me heeft de jonge student z’n ogen gesloten en het hoofd tegen het raam gestut. Binnen de tien minuten zal hij slapen. Het is inkapselen als voor een lange vlucht.

Op de eerste zitplaats vlak naast de opstapdeur zit een zwarte man. Hij heeft het royale uitzicht door de voorruit, en kijkt links en rechts naar de sneeuwbulten op de trottoirs.

Eén van de eerste haltes is Harzé. Een kasteel, een Café des Sports, en een dorp waar de inwoners de dikke sneeuw van het voetpad schoffelen. In een hellende tuin rollen kinderen een witte cilinder voor hun sneeuwman.

Buiten strekken zich de witte velden uit, en de bossen met hun donker silhouet. De zwarte man richt zich tot de chauffeur: als er zoveel sneeuw ligt, waar blijven de dieren dan? ‘Ils sont où, les animaux? Ils sont où, les oiseaux?’ De chauffeur haalt een halve schouder op, ’t is hem geen zorg, en dan klinkt het: ‘Aha, les oiseaux! Ils sont certainement partis pour l’Afrique.’ Daar moeten ze nu allebei om lachen, dat die vogels naar dat warme continent vertrokken zijn en dat hijzelf naar het koude België is gekomen. En hij zegt het nog eens ten overvloede: ‘Dans mon pays c’est chaud, c’est soleil-soleil! L’Europe, c’est fou, c’est froid-froid-froid.’

Werbomont. Een meisje stapt af, met de lage sportschoenen in de hoge sneeuw. Daarna gaat de N3 door een uitgestrekt bos, er zijn geen tegenliggers en de trage tractor wordt ingehaald zonder snelheid te verliezen. Manhay is niet meer dan een open plek in het bos, met een tankstation en een houtzagerij, het decor van een mismoedige film in een dunbevolkt noorden van Amerika. Zo verlaten kan de provincie Luxemburg zijn.

Nabij de Baraque Fraiture wordt de weg een smaller pad in de sneeuw. De sneeuwruimer komt ons tegen, met oranje vlaggen op de spatborden. Het maakt de chauffeur weinig uit, hij blijft ontspannen rijden, één hand los op het stuur, alsof de wielen geen hinder ondervinden van de sneeuw en het gesteven zout. Op de rotonde van de Baraque Fraiture drukt de zwarte man opnieuw zijn verwondering uit. Hoe alles (Maisons! Voitures! Pelouses!) onder een manteau blanc zit. Aandoenlijk, hoe hij dat woord ‘mantel’ zo ongekunsteld gebruikt.


Broederschap

In Dinez vertraagt de chauffeur en hij zwaait naar een meisje. Ze lacht en gebaart dat het koud is in Dinez. Een bus uit de andere richting, ook een 1011, flitst met de koplichten. De chauffeurs steken de hand op, de broederschap van stuur en spiegel. Ik vind dit nu al een voldoende reden om België bij elkaar te houden, deze bus, deze weg en deze Ardennen.

In Noville stapt een meisje af. Hoe zou het zijn om te leven in Noville, dat 152 inwoners telt en dat na zes seconden al uit het gezicht verdwenen is? De student aan het raam slaapt nu al de hele rit in zijn dichtgeregen winterjas, z’n hoofd steunend tegen het witte landschap daarbuiten.

Uitstappen in Bastogne. De scholieren aan de bushalte mikken sneeuwballen naar een verkeersbord. Tijdeloos tijdverdrijf, ik deed weinig anders op een winterdag in 1967, na de lesuren zocht je een mikpunt om die duffe warme school uiteen te laten spatten.

Ik heb twee uur in Bastogne. In het Musée Piconrue is er tot m’n vreugde een expo over de fotograaf Edmond Dauchot (1905-1978). Als er één iemand de Ardennen en de winter heeft gefotografeerd, dan is het Dauchot. Hij woonde het grootste deel van z’n leven in het afgelegen Ollomont. Dat was z’n epicentrum, al zijn foto’s zijn genomen in een omtrek van twintig kilometer. Dauchot was een wandelaar, een eenzame promeneur in de traditie van David Thoreau.

Naast landschappen portretteerde hij boeren en houthakkers, en kinderen met hun zelfgemaakte sleeën in de dorpsstraat, het ijzeren beslag onder het kistjeshout. Dauchot zag beelden die nu nergens meer te ontwaren zijn. Een uil hangt met gespreide vleugels en twee spijkers op een schuurdeur. Vanwege zijn onheilspellende roep zag men in hem de voorbode van De Dood. En daarom moest de schemervogel zelf worden gedood en zichtbaar worden opgehangen. Een bijna prehistorisch gebruik. Dode vleugels die moeten waken over het lijfsbehoud. Ik had Dauchot in leven willen ontmoeten.


Ruggengraat

André Calgaro belt. Hoe m’n eerste reis op de 1011 me bevallen is. André woont in Manhay, is ambtenaar, pendelt elke dag met de bus naar Luik – één uur rijden – en is zowat de beschermheilige van alles wat deze buslijn betreft. Tijdens m’n research las ik een blog van hem. Hij lauwert de buschauffeurs als moderne helden: ‘De witte hel gijzelt vandaag alle weggebruikers. Wij zijn de opvarenden die gestrand zijn op de Ardense hoogten. Wie zal ons uit de nood helpen?! Oneindig is dan onze vreugde als we in die blizzard de bevriende koplampen zien verschijnen. Ginder is het licht van de 1011!’

Als we mekaar ontmoeten, het is midden in de zomer, ontsteekt hij opnieuw in lyrische bewoordingen. André heeft een bijzondere band met de buslijn. ‘Ik ben 56 en ik rij al 57 jaar met die bus. In de buik van m’n moeder was dat. We hadden het thuis niet breed en zij moest gaan bijverdienen in een bakkerij in Luik. Elke maandagmorgen nam ze de bus om daar vijf dagen te gaan werken.’

André noemt de buslijn de ruggengraat van de provincie Luxemburg, ‘en dat al sinds 1945’. Ik moet dat niet als een boutade beschouwen, maar als realiteit: ‘Die lijn is al decennia onze enige aansluiting met de stad en met de wereld. Zonder die bus kunnen we geen station of luchthaven bereiken. In deze verste en meest geïsoleerde uithoek van België is die hoofdweg naar Luik onze Route 66, en die buslijn onze Greyhound!’

Natuurlijk, autobezitters hebben die bus niet nodig, maar ook nu nog zijn er ‘duizenden in al die dorpen en gehuchten’ die niet over een auto beschikken. De bus is hun enige uitkomst. En er zijn ook de pendelaars zoals Calgaro, die de buik vol hebben van de files rond Luik. Ook voor hen is de bus een uitweg.

En dit moet ik zéker opschrijven: van alle buslijnen in België is dit allicht de lijn met de meest hechte band tussen reizigers en chauffeurs. Jong of oud, bij alle leeftijden zijn de bestuurders geliefd.

André Calgaro «Waar kom je dat tegen, dat de chauffeur een mop vertelt en dat die mop wordt doorverteld tot helemaal achter in de bus?! Die bus is geen voertuig met zwijgende gezichten achter de ramen. Nee, dat is een plek waar iedereen iedereen kent. En waar de habitués zelfs vaste plaatsen hebben. Ik zit altijd op de eerste rij links. Zo heb ik een direct contact met de chauffeur én met de opstappende reizigers. En als een onwetende op die plek gaat zitten, zal de chauffeur zeggen: ‘Dat is de plaats van André.’ Noch ’s morgens, noch ’s avonds hoef ik me dus druk te maken om een zitplaats, ze is altijd voorbehouden.

»Vanop mijn plek heb ik de chauffeur al eens kunnen beschermen. Er stapte een kerel op, zo zat als een kanon. De chauffeur verbood hem de toegang, en daarop greep-ie in z’n zak, ik zag een musketon die hij als boksbeugel ging gebruiken. Ik heb geen seconde getwijfeld, ik ben boven op die vent gesprongen, we zijn allebei uit de bus getuimeld, en ik heb hem op de grond gespijkerd. Groot applaus in de bus, politie erbij, verklaringen afleggen en iedereen heeft geduldig een uur gewacht tot we weer met onze chauffeur konden vertrekken. Samen uit, samen thuis!»


Indianen zonder pluimen

Calgaro «Natuurlijk zijn we al door alle weer gereden. Stormen en hevige rukwinden waarbij je bidt dat de bomen niet op de weg zullen vallen. Pas de souci, zij rijden erdoor. Ik heb 30 centimeter sneeuw weten liggen, onze chauffeur ging erdoorheen. Het was in de winter van 2010. Wij stonden bij het bushokje in Manhay met z’n vijven in te sneeuwen, er vielen vlokken van een duim groot, de wind huilde om dat hok. Na een halfuur was er nog niet één auto gepasseerd, en was er ook nog niks geruimd omdat het zo vroeg was. En ineens zien we in die sneeuwjacht de koplichten van de bus opdoemen, onze chauffeur is er! En dan de ambiance in die bus! Dat had iets van: wij alleen op de weg, wij alleen tegen de natuurelementen. Je zit in die warme bus, de chauffeur laveert als enige door die sneeuwstorm, dat was een gevoel alsof wij álles aankonden.

»Nog in 2010. We staan in Luik, het is 17 uur, het sneeuwt geweldig en ineens krijgt onze chauffeur een sms van de baas: ‘Je mag niet vertrekken, het is veel te gevaarlijk op de Ardense hoogten.’ En wat zegt onze chauffeur: ‘Ecoute, chef, ik sta hier met tachtig passagiers, die kan ik onmogelijk in de steek laten.’ En hij vertrekt! Hij negeert het bevel van zijn baas! Ik zie ons nog rijden, vrachtwagens in schaar over de weg, hij slalomt er voorbij. Een bange, trage chauffeur op het rechtervak? Hup, hij zwenkt naar het linkervak waar niet geruimd is. Liever door die diepe sneeuw ploegen dan te moeten remmen achter die bangerik, met het risico dat de bus gaat schuiven. En zo zijn we thuisgekomen. Zonder ongelukken.

»Het zijn dus helden. Niet omdat ze zoveel durven, maar omdat ze doordrongen zijn van hun functie. Dat zij voor het openbaar vervoer werken en Aan Het Publiek Een Dienst Verlenen. Met hoofdletters, alstublieft! Hun houding is des te straffer als je weet dat de lijn in handen is van een privéfirma, het is een pachter die voor de TEC rijdt.»

Calgaro komt er nog eens op terug hoe geïsoleerd die provincie Luxemburg wel is.

Calgaro «U moet dat goed beseffen. Wij zijn inboorlingen. Wij zijn indianen zonder pluimen die midden in de bossen wonen. En dwars door dat niemandsland loopt een buslijn, en die heeft deze regio ontsloten zoals de spoorweg dat in de Far West heeft gedaan.»


[FOTOSPECIAL_30949]

La vraie route

Bastogne is niet de Far West, maar toch al behoorlijk leeg om 6 uur ’s avonds. Op de terugweg naar Luik zijn er slechts zeven reizigers. De chauffeur heeft de radio afgestemd op RTL en die zender waarschuwt voor ijsplekken en sneeuwval later in de nacht. Vanaf Wicourt is er geen wegverlichting meer. Wat daarstraks nog landschap was, is nu donkerte. Met alleen de schijnwerpers die de kleine reflectoren belichten in de bochten, en met ijle driftsneeuw die naar de koplampen wordt gezogen.

Voorin zittend zie ik het gemak waarmee de chauffeur over de gladde wegen rijdt. Met 75 per uur en nog altijd met één hand nonchalant aan het stuur. Zo boort de bus zich door de duisternis, de ramen geven hun licht aan de sneeuw langs de weg, boven het hoofd van de chauffeur leidt een non-stoppraatprogramma z’n eigen leven. De Franse radiostem heeft het over geweld in het voetbal nadat in Nederland een grensrechter is doodgeslagen. Actualiteit van deze planeet, maar nu heel veraf, dit is een andere baan om de aarde.

Uit de verte komt een andere bus. Op de display boven die voorruit verspringt de ‘1011’ in twee woorden: ‘Joyeux Noël’. De onze groet terug door alle lichten in z’n stuurpost te ontsteken. Als bijpassende feestverlichting. Het lijkt te wijzen op een gemoedelijk bestaan, maar toch is het niet iedereen gegeven om chauffeur te zijn op deze Langste Lijn. Dat maak ik op als ik Bruno (*) interview. Hij is een ancien met vijftien jaar dienst. Het type dat van kleins af achter een groot stuur wilde zitten. Hij is niet te vinden voor busrondjes in een stad, geef hem maar la vraie route, en bij nieuwelingen heeft hij meteen gezien of ze ‘het’ hebben.

Bruno «Er zijn te weinig jonge gasten die nog graag rijden. Ik merk dat. Ik groet altijd een collega in een bus van de andere richting. En als hij niet terug groet, dan weet ik genoeg: dat is geen goeie chauffeur. Want wie graag op de weg is, die steekt zijn hand op naar de collega’s. Net zoals de motards dat doen, en die zijn ook graag op de baan.»


Waar ben ik?

En dat het natuurlijk een lang en identiek traject is dat je dag na dag en week na week moet afmalen. Maar hem deert het niet. ‘Voor mij is elke rit verschillend. De ene keer zie je een auto in de gracht, de andere keer heeft een reiziger een paar goeie moppen. Ik zie geen monotonie, want er is er geen.’

Maar dat je wel uit wintertype D of E gesneden moet zijn, en dus niet bang van de pakken sneeuw die hier soms vallen (‘Ik heb het voordeel van een Ardennais te zijn. Ik ben geboren en getogen in de sneeuw’). En als er een werkwoord is dat de ware chauffeur typeert, dan is het se débrouiller.

Bruno «Als het stormt, dan weet ik dat het kan spoken nabij de Baraque Fraiture. Zoals die ene keer. Staat er ineens een tiep stoptekens te doen langs de weg. ‘Niet verder rijden,’ roept hij, ‘want in het bos van Chenalpierre, daar waaien de bomen om, daar liggen er nu al over de weg.’ En toen heb ik de passagiers gevraagd wat hun bestemming was en ter plekke een ander parcours bedacht, uitgaande van de wegen waar weinig bomen waren. Een omweg van vele kilometers, maar ik heb iedereen op zijn bestemming gekregen.»

Daarvoor moet je de streek grondig kennen, natuurlijk. Maar als het sneeuwt, wordt het soms lastig.

Bruno «Als je dán van je route moet afwijken, is de regel: overleg éérst met de centrale. Maar een jonge chauffeur moest eens uitwijken voor een zwaar ongeval op een winteravond. De politie stond daar in de stuivende sneeuw: ‘Opzij, opzij! Iedereen rechts afslaan!’ Hij belt de centrale, maar het was al na zessen, niemand meer aanwezig. Krijg ik die avond plots telefoon thuis: ‘Kan jij me zeggen hoe ik moet rijden? Ik weet niet meer waar ik ben.’ Dus ik zeg: ‘Beschrijf me wat je ziet.’ ‘Ik zie niks,’ zegt hij, ‘alleen maar sneeuw, en dat het donker is.’ Hij was op een boerenweg verzeild, maar hij zag zelfs geen boerderij staan. Zijn passagiers wisten evenmin waar ze waren, die konden zich ook niet oriënteren dans ce trou perdu. Hij is er op de duur toch uit geraakt, maar voor zo’n jonge chauffeur is dat stresserend. Niet weten waar je bent, mensen aan boord, dat dure voertuig in je handen en elke minuut in de gracht kunnen schuiven.»


Noordpoolstijl

Het is niet alleen de winter, ook de passagiers kunnen de bestuurder van de wijs brengen. En dat jonge gasten de chauffeur willen opnaaien, dat gebeurt niet alleen in de stad, maar ook hier op de buiten. En dan zeker op dat lange traject, genoeg voor enige verveling en wat koeioneren van de chauffeur.

Bruno «Van mij mag er luid gelachen en zelfs gezongen worden op de bus, maar toch kennen de jonge gasten mij als iemand met wie níét te sollen valt. Dat ontzag is er niet zomaar gekomen. Je moet het afdwingen, zeker bij de beginnende scholieren, die je nog niet kennen. Je kent dat: ding-ding-ding-ding-ding, wat onnozel op de bel beginnen te duwen. Zo testen ze uit hoever je hen laat doen. Ik geef dan één waarschuwing en houdt het niet op, dan ben ik de man om langs de weg te stoppen en rustig te verkondigen dat ik de bel van dan af ga uitschakelen. Niet één dag, maar een hele maand, en wie wil afstappen, moet naar voren komen en mij persoonlijk vragen om te stoppen. ‘Ja,’ zeg ik dan, ‘zoals jullie in de klas je vinger moeten opsteken.’ Woeha, gehuil en hoongelach op die achterste banken, maar al na een week zijn ze zo braaf als schoothondjes.

»Ik heb er ook al eentje onderweg doen uitstappen, ‘noordpoolstijl’, er lag één meter sneeuw in de velden. Ik stop, hij wilde d’r niet uit. Ik grabbelde z’n boekentas en smeet die alvast de wei in, ‘en daar ga jij ook heen als je niet luistert’. Dat doe ik voor een volle bus, zonder complexen. En hij is uitgestapt.»

Hij is dus allerminst bang uitgevallen, maar wat hij eng vindt, ‘is één passagier in de laatavondbus, zo’n vent die daar maar zit en zwijgt, daar heb ik het niet mee. Dan kijk ik vaker in de achteruitkijkspiegel.’

Bruno «Eén keer heb ik één man geweigerd. Het was een winterochtend, alles nog donker en doodstil, en aan een afgelegen halte staat één man, met een donkere hoed en een lange donkere jas, zijn gezicht amper te zien. Die mec heb ik laten staan. Iets zei me dat hij daar en op dat uur niet thuishoorde en instinctief ben ik die halte voorbijgereden.»

Man in the long black coat, en dan was er ook de jonge vrouw met het rode haar.

Bruno «Ze stapte op in Bastogne, op een stille namiddag, niemand anders in de bus, en ze ging gelijk helemaal achterin zitten. Ik keek toen ook vaak in de achteruitkijkspiegel, niet dat ze d’r gevaarlijk uitzag, maar ze zat daar wel de hele tijd te wriemelen. In Athus stapte ze uit, ik ging toch eens kijken naar die achterbank, en wat zag ik? Schuimvlokken op de grond. En donker haar! Schaamhaar nog wel! Ze had dus haar minou zitten scheren in de bus. Beetje fatsoeneren, quoi, voor het afspraakje met d’r vriend! (lacht)»


Wc op wielen

Ja, het is een speciale lijn, mét speciale passagiers. Maar dat hij toch liever twintig of dertig jaar geleden chauffeur was geweest. Hij benijdt die oudere generatie.

Bruno «Onze bussen zijn krachtiger, we kunnen alle hellingen en weertypes aan. Maar zij waren onafhankelijker en aan minder regels gebonden. Als de route versperd was door sneeuwophopingen, dan volgden ze zonder toelating een ander traject, en als ze dan toch vast raakten, dan stapten ze uit, ze haalden schoppen uit de koffer en de passagiers hielpen mee de bus uitgraven. Nu zou dat niet meer mogen, je zou niet gedekt zijn door de verzekering. Toen was er dat avontuur van iedereen die naar huis wilde en niemand die eraan dacht de chauffeur in de steek te laten. Laat staan dat iemand dácht aan de verzekering!»

Ik heb die oudgedienden gesproken, met vele dienstjaren op de teller. Jean Zune reed van 1975 tot 1999 en Albain Voz van 1964 tot 1988. Ook Danny Calgaro is er. De vader van André heeft in de jaren 80 drie jaar op la ligne gereden, hij heeft me bij deze anciens geïntroduceerd.

Danny legt eerst uit dat het hier in Manhay een regengat is, dat er dubbel zoveel neerslag valt als in Ukkel, en omdat veel chauffeurs uit de buurt van Manhay komen, zijn ze dus opgegroeid met die neerslag, met mist en ijzel, met regen en sneeuw. Het gaat al meteen over barre winters, urenlange vertragingen door sneeuwstormen en je reisweg à l’improviste voortzetten door allerlei gehuchten omdat de hoofdas geblokkeerd is door sneeuwduinen of geknakte bomen. Zo moet de Baraque Fraiture ooit zo dik besneeuwd zijn geweest dat twee chauffeurs in een hotel hebben moeten overnachten. Laconieke commentaar: ‘Er waren in die jaren geen goed uitgeruste sneeuwruimers en zoutstrooiers zoals nu.’

En dat het klopt dat zij toen onafhankelijker waren dan de chauffeurs van nu, maar tegelijk reden die bussen toen veel trager dan nu omdat ze minder power hadden. ‘Wij kropen soms met 40 per uur de hellingen op, en als de bus vol zat, haalden we zelfs geen 40.’ En reken maar dat de bussen toen vol zaten, omdat minder mensen een auto hadden. Jean herinnert zich een Allerzielen met meer dan honderd passagiers terwijl er maar vijftig plaatsen waren, de reizigers zaten bijna op z’n schoot!

Toen had de bus nog het uitzicht van een Pullman-autocar met achterin zelfs een toilet, ‘wat nuttig was op zo’n lang traject’. De sleutel ging je vragen bij de chauffeur. In de jaren 70 werd die wc-cabine weggehaald en dat hebben zij gewéten! Braaksel tussen de zetels, moeten stoppen omdat een passagier dringend in de struiken moest, allemaal tijdverlies!

Maar de job had ook zijn voordelen in natura. In het grensdorp Martelange was er een halte langs de Belgische kant van de weg, daar kon je gauw-gauw oversteken en in de Luxemburgse supermarkt goedkope sigaretten kopen, met fardes tegelijk. December had dan weer zijn kerstbomen in de kant, van de kwekers die ze klaarlegden om ze de volgende dag op de tractor te laden. Nooit is ontdekt dat Jean daar stopte om een spar of vijf in de koffer te stouwen, één voor elke collega.


Kus van de chauffeur

En nu spreken ze over les arrêts de complaisance. Een mooi woord om te zeggen dat een vaste klant soms een eind voor of na een halte mocht uitstappen, gewoon omdat het hem beter uitkwam. Wat natuurlijk ten strengste verboden was. Zij weten niet of dat nu nog mogelijk is, zo’n halte à la carte. André Calgaro zal daar later geen geheim van maken. ‘Natuurlijk bestaat dat nog.’ Soms belt hij zelfs de naderende chauffeur dat hij niet tijdig op z’n halte kan geraken, en die pikt hem dan op langs de hoofdweg. Ik mag één ding immers niet vergeten: ‘Chauffeurs en habitués, wij zijn bondgenoten. De chauffeur is voor ons niet de man die de bus bestuurt. De chauffeur is de sympathieke tiep die je naar je school of je werk brengt. En op die bus heerst une ambiance familiale. Je zou dat moeten zien ’s morgens. Mannen, vrouwen, jong en oud, allemaal kussen ze de chauffeur bij het opstappen. ‘Bonjour, comment vas-tu?’ Et on fait la bise. Natuurlijk doen niet álle chauffeurs dat en ook niet alle reizigers, maar wel zij die al ’ns vaker babbelen met mekaar.’

Ik weet van dat vlotte kussen op de Waalse werkvloeren, maar dit is straf, je buschauffeur kussen?! André lacht: ‘Et oui! Wij tonen ons abonnement niet meer, wij geven alleen nog een kus.’

Chauffeur Bruno is verbaasd als ik naar dat kusgedrag informeer, voor hem is het heel gewoon: ‘Ik geef inderdaad een bise aan m’n vaste klanten. En evengoed aan de 12-jarige scholier als aan de 50-jarige bediende, evengoed aan iemand die een uur of maar een paar haltes op m’n bus zit. En ’s avonds zie ik ze terug: eh bien, dan kussen wij opnieuw!’

(*) De naam van de chauffeur is gewijzigd om de anonimiteit te bewaren.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234