null Beeld

De blazers van de Last Post: Ieper, de Ground Zero van '14-'18

Dat ik over leper schrijf, komt ook doordat die oorlog van '14-'18 een spoor heeft getrokken in m'n familie. Twee broers van m'n grootvader hebben als jonge twintigers in de loopgraven bij de IJzer gezeten. De ene is levend teruggekeerd, de andere (nonkel Gustaf zaliger!) is drie weken voor de wapenstilstand van 11 november gesneuveld.

(Verschenen in Humo 3714 van 8 november 2011)


Lees ook: 'Humo sprak met de blazers van de Last Post over de stilte na de Grote Oorlog »

undefined

'Zoals Antwerpen de haven is, zo is Ieper de oorlog en de dood'

En zo word ik door leper aangetrokken, 'daar waar een verpletterende en vier jaren durende moordlawine plaatsvond'. Het woord 'moordlawine' kwam ik nooit eerder tegen, maar ik vind die treffende bewoording in De Ypersche Bode van 1928. En een man die vaak in oud lepers drukwerk zit te lezen is heemkundige Staf Verheye. Het vroegere gemeenteraadslid van de Belgische Socialistische Partij heeft al diverse publicaties op z'n naam staan, en als je hem druk in zijn paperassen ziet zoeken, geef je hem goed zeventig, maar hij is eenennegentig! Aan hem kan ik dus vragen hoe het was om op te groeien in een stad met zo'n rauwe oorlogsherinnering aan het uiteinde van de straat. En ook, Staf heeft de Last Post al in de jaren dertig horen blazen.

Staf Verheye «Ik ben een goed jaar na de wapenstilstand geboren, en als kind heb ik nog heel wat ruïnes en kapotgesmeten straten gezien. Bij ons in de wijk moest de helft van de huizen nog heropgebouwd worden. Wij woonden in een barakkenwijk, en daar hadden we een soort van voorlopige woning. Ge kwaamt binnen door een dubbele deur zoals een stalpoort en dan waart ge in de woonkamer en al wat er was, was een trap naar boven waar de bedden stonden.

»Ik heb al heel vroeg Engelse oorlogstoeristen zien komen, en die hadden centen, want de gewone Engelsman ging toen nog niet op reis naar België. Als kinderen hielden wij die bussen in het oog, en als ze stopten op de markt, dan liepen wij ernaartoe, we riepen 'plenty money' en dan gooiden ze geldstukken naar ons. Thuis mochten ze dat niet weten, want dat was schooien natuurlijk. En sigaretten gooiden ze ook, want we riepen 'cigarettes for papa'. En die rookten we niet zelf, die gaven we echt aan vader. »Wij speelden ook tussen de kapotte huizen. En soms ook in de Lakenhal: een paar vleugels zijn heel lang in puin blijven liggen, en wij vonden dat geestig om daar te spelen. Maar dat was verboden, want dat was heilige grond voor de Britten die hier kwamen. Als de politie u zag, pakten ze u mee naar het bureau. Dan lieten ze u met uw blote knieën in het gat van uw klompen zitten, en met uw armen gestrekt moest ge in elke hand een gewicht omhoog houden, wat gedorie geen deugd deed!»

De ruïne van de Lakenhal is lang holyground gebleven, omdat dáár de officiële herdenkingen werden gehouden tot de Menenpoort klaar was, in 1927. Er is lang overwogen om de ruïne te behouden als war memorial. In 1919 was er zelfs een voorstel van Winston Churchill -toen Brits minister van Oorlog en voorzitter van de Imperial War Graves Commission - om heel leper met álle ruïnes als monument te bewaren. In en rond de stad zou zelfs geen industrie of landbouw worden toegelaten, alleen infrastructuur voor bezoekers die de kerkhoven en grafmonumenten wilden bezichtigen.

Ook Last Postblazer Tone Verschoot (zie aflevering 1) speelde als kind nog in de Lakenhal: «Toen ik zeven was, reden wij op onze simpele ijzeren rolschaatsen door de ruïnes van de Lakenhal. En wij slingerden dan tussen de kramen van de markt, en wij zagen niet dat het daar kapotgesmeten was, wij keken er niet naar dat er daar oorlog was geweest, het enige wat telde, was dat we niet up onze muule butsten! We speelden ook in de loopgraven en de kazematten buiten de stad.»


KINDEREN EN GRANATEN

Staf Verheye «Buiten de stad spelen was ideaal, want daar kon geen mens u zien. Jongens en meisjes, allemaal speelden ze tussen die loopgraven. En als we handgranaten vonden, dan smeten we daarmee. Zonder die pin eruit te trekken, maar toch. We mikten tegen een telefoonpaal of tegen een muur, dat ontplofte niet, maar we gingen wel elke keer op de grond liggen, ge wist maar nooit. We zochten ook naar bommen, kogels en koppen van obussen. Daar zat koper aan en dat verkochten we aan opkopers, en met dat geld kochten we snoep. En tussendoor vonden we al eens knoken en beenderen, maar daar waren we niet bang van, dat hoorde erbij.

»(Mijmerend) Welwel, wat een tijd! Een schone jeugd was dat! Ik zou niet willen wisselen met de jeugd van nu, want die komt niet meer buiten en wij waren altijd buiten.

»Wij hebben d'r nog op staan kijken dat een vent uit de wijk een volledig kanon opgroef. En bij ons thuis stonden ook koperen obussen op de vensterbank, eigenlijk stonden er overal van die oorlogssouvenirs. M'n vader had zelfs een mitrailleuse gevonden, die stond in de gang! En op zolder had hij nog helmen en bajonetten en krissen liggen, dat waren kromzwaarden van de Sikhs (die in het Britse leger vochten, red.). Ja, wij zijn groot geworden met de oorlog, wij zagen niet anders.»

Stafs verhaal over kinderen en granaten doet me denken aan een ander granatenverhaal uit de frontstreek. Het begint bij de ratten die de soldaten elke dag zagen, beesten die in het niemandsland groot en vet waren geworden door het eten van achtergelaten soldatenvoedsel, wegrottende lijken en paardenkadavers. 'Op een dag was er een rat die altijd heen en weer sprong langs de schietgaten. De Duitsers schoten d'rop en ze viel dood in onze tranchee. Bij ons was er iemand van Oostkamp, dat was een superieur in het vér smijten van handgranaten, en hij gooide die rat in de tranchee van de Duitsers. Kort erna lag ze terug bij ons. Zo vloog ze wel tien keer heen en weer. Plots zei die van Oostkamp: 'We gaan ze eens een andere rat geven!' En hij gooide een granaat. En dan is het begonnen van granaten werden het bommen, en op het einde van het spel hadden we negen doden...' (Oudstrijder Jules Leroy in 'Van den Grooten Oorlog', 1978, een boek met tientallen lokale getuigenissen.)


SUKKELAARS!

Verheye «En nu nog zijn er bommen en granaten die door de landbouw uit de grond komen. Maar die 55.000 namen op de Menenpoort, dat zijn mensen, dat zijn lichamen die ze nooit teruggevonden hebben. Lichamen die twintig keer zijn kapotgeschoten. Want ge sterft een eerste keer in dat slijk, ge blijft daar steken, maar bij elke bom die valt, vliegt ge weer aan stukken. Tot er niks meer van u te vinden is.»

Niet dat de Menenpoort met zijn 55.000 namen het enige monument is voor de 'onvindbaren'. De enorme poort was te klein om alle namen van vermisten te kunnen bevatten: op de Tyne Cotbegraafplaats nabij Passendale worden nog eens 34.000 Britse vermisten herdacht.

undefined

'In de jaren zestig en zeventig bliezen we soms voor niemand. Op een avond liep er eens een hond voorbij. En wij lachen, dat we toch één toeschouwer hadden!'

Verheye «Ik ben tegen oorlog, en elke keer als ik aan zo'n militair kerkhof voorbijkom, denk ik maar één ding: hier liggen de sukkelaars! Want het zijn bijna allemaal gewone mensen. En waarvoor zijn ze gestorven? Voor macht en voor geld en voor niks anders! Als ik daaraan denk, hoe ze die jongens drank opgoten om ze daarna in het vuur te gooien, dat is misdadig. Sommige van die generaals waren massamoordenaars, die joegen duizenden en duizenden de dood in. Als die jongens zouden kunnen opstaan en spreken, ge zoudt wat horen!

»En zeker heb ik dikwijls staan luisteren naar de Last Post. Als kind, als jonge gast, en ook nu nog. En zelfs nu nog ben ik daar soms van aangedaan. Omdat ik dan aan die sukkelaars denk.

»En dan moet ik u nog iets zeggen. U komt van Antwerpen, een stad die bekend is door zijn haven. Ik kom van leper, een stad die bekend is door zijn begraafplaatsen, alles rond leper, dat zijn doden en kerkhoven. Daar moet ge respect voor hebben, en het is spijtig dat de jeugd van nu dat minder heeft. Boven op de Menenpoort is een parkje, en een paar jaar geleden zag ik daar kinderen van een schoolreis voetballen. Dat was roepen en tieren, en de juffrouw stond erbij. Ik zeg: bent u niet beschaamd, mevrouw? Dat is een grafmonument. U zou toch ook niet graag hebben dat ze dat doen op het graf van uw ouders? Doe ze maar stoppen, zeg ik. Toon maar een keer uw gezag, zodat ze respect krijgen voor al die gevallen soldaten. Als het van mij afhing, ik liet zelfs geen verkeer rijden onder de Menenpoort.»


MUSTANG

Van Albert 'Bertje' Verkouter (69) weet ik niet of hij voorstander is van een autoloze Menenpoort, maar wél dat hij daar ooit bijna is overreden. Albert begon als klaroenblazer in de zomer van 1963, en hij is pas vorig jaar gestopt. Een loopbaan van zevenenveertig jaar Last Post.

Albert Verkouter «Ik was klaroener geweest bij het leger, en toch was ik zenuwachtig de eerste keer dat ik de Last Post moest blazen. Want die galm onder de Menenpoort, dat is niet simpel. Je blaast een noot, en tegen dat je de tweede noot blaast, komt die eerste noot in een echo terug. En je moet geconcentreerd zijn. Dus niet naar het publiek kijken, want dan raak je afgeleid, maar je blik fixeren op één punt. Ik fixeerde mij altijd op de toren van de Lakenhal.

»Ik ben begonnen in de jaren zestig. En dan kon het daar donker zijn onder die poort, zeker in de herfst en in de winter. Er hingen maar drie lampen onder dat hoge gewelf, dat was precies een peertje van vijftig watt! En in die schemer moesten wij dan op de rijweg gaan staan. Ik stond eens met Daniël Demey te blazen, van de markt zag ik een rooie Ford Mustang aan komen rijden, en zonder snelheid te minderen passeerde die op dertig centimeter van m'n compagnon. Pal rechtendoor. Die chauffeur had niet eens de agenten zien staan die droegen nog geen fluo in die tijd, die hadden een zwart uniform van kop tot teen. Bij dichte mist hadden ze zelfs geen licht om de auto's te waarschuwen.

»Soms had het gesneeuwd, gevroren of geijzeld, en dan trokken we sokken over onze schoenen om op de been te blijven. In de winter van '85 heeft het op een nacht min 23 gevroren. Om acht uur 's avonds was het al min 16. Thuis heb ik m'n klaroen op de plaat van het gasvuur gezet, en toen ze warm was, heb ik ze in een handdoek gedraaid en onder m'n jas gestoken, en dan lopenlopen naar de Menenpoort. Jongens toch, daar zijn winters geweest vroeger! Je maakte je lippen nat om te beginnen, je blies die sonnerie, je stopte en... plèk, het vel van je bovenlip! Dan was het gedaan met blazen voor de rest van de week. En het duurt lang eer die huid weer aangegroeid is!»


BUTCHER

Verkouter «In de jaren zestig en zeventig bliezen we soms voor niemand, zeker in de winter. Op zo'n avond liep er eens een hond voorbij. En wij lachen, dat we toch één toeschouwer hadden! »Het was ook zo'n routine. Je ging in het midden van de weg staan, je zette je klaroen aan je lippen en twee minuten later was je klaar. En met je fiets bolde je nog gauw naar de cinema, dan was je nog op tijd voor de film van acht uur, want 't was eerst toch maar reclame en nieuws van Belgavox.

»Als je in 1980 aan een leperling gevraagd zou hebben of hij wist van die dagelijkse Last Post, dan zouden er zeker veel gezegd hebben: de Last Post, wat is dat?! In de jaren zestig, zeventig en zelfs tachtig was er op 11 november bijna geen levende luis. De mensen van leper zelf brachten die verlofdag elders door, bij de Menenpoort stonden een paar groepen Engelsen met hooguit twintig vlaggen, en dat was het. En nu staat heel de Meensestraat en heel de Grote Markt vol volk. Op 11 november vorig jaar waren hier vijf bussen met Britse brandweerlui, meer dan tweehonderdvijftig man. En hoeveel muziekgroepen, pipebands en drumbands dat je hier ziet! En 's avonds à volonté Leffe en Duvel drinken natuurlijk! »In die eerste jaren dacht ik ook meer aan die gesneuvelde jongens dan in de laatste jaren. Dat is normaal. In die beginjaren kwamen die oudstrijders nog zelf, je zag ze nog in levenden lijve. En na de sonnerie kwamen ze bij je staan: ik ben mijn beste vriend verloren op tweehonderd meter van hier, of, onze generaal was een butcher, hij heeft duizenden van m'n kameraden laten afslachten, of, ik ben de enige van mijn regiment die het overleefd heeft. En velen konden niks meer zeggen. Die pakten je hand, die wilden iets zeggen, maar d'r kwamen alleen nog tranen uit hun ogen.

»Eén keer heb ik geweten dat een Engels en een Duits regiment van oudstrijders hier verbroederd hebben. Dat moet in '75 of zo zijn geweest. En die Engelsen legden bloemen op het Duitse kerkhof van Langemark, en de Duitsers legden bloemen hier aan de Menenpoort. En zij zegden: wij waren geen vijanden, meneer. Wij kwamen ook maar van een huis en van een gezin.

»En graven heb ik genoeg gezien, ik heb drieëndertig jaar onderhoud gedaan voor de War Graves Commission. Op een dag was ik op een begraafplaats in Zillebeke en er komen twee oudere dames naar mij toe, een Britse en een Amerikaanse: ze konden hun broer niet vinden. Ze waren met de ferry van Engeland gekomen, en met de taxi helemaal van Oostende naar Zillebeke, en daar stonden ze nu. En dan heb ik de camion genomen en zijn we op zoek gegaan tot we het graf van die jongen vonden. Vier maanden later krijg ik een pakske uit Amerika. Een karaf en twee whiskyglazen van geslepen glas. Cadeau van die dames! En nog dertig jaar lang heb ik elk jaar een kerstkaartje gekregen. En nu hoor ik al twee jaar niks meer, nu zijn ze gestorven, denk ik.»


ZILVEREN KRUIS

Verkouter «Eén keer ben ik te laat gekomen, in al die jaren. Dat was bij een speciale Last Post voor Poolse oudstrijders van '40-’45: leper is in '44 bevrijd door een Poolse divisie, en dat was precies veertig jaar geleden. Maar ze hadden mij het verkeerde tijdstip doorgegeven, en daarom was ik dus te laat. Omdat ik me zo geneerde ben ik me gaan verontschuldigen bij die Polen, en die generaal accepteerde mijn excuses op één voorwaarde: u rijdt heel de week met onze vijf autobussen mee en op alle Poolse begraafplaatsen waar wij komen, in België, Nederland en Duitsland, blaast C, de Last Post! Ik heb dat gedaan... Jongens toch, dat was elke avond drinken en nog eens drinken met die Polen. Enfin, na die week ging die generaal in z'n vestzak, en ik kreeg een decoratie! Het zilveren Kruis van Verdienste. Ik denk niet dat er veel Belgen zijn die dat Poolse Kruis in hun bezit hebben. Dus ja, die ene keer te laat komen is toch nog stif goed gekommen.

»In de jaren zestig waren we maar met vier klaroeners, twee die bliezen en twee als reserve. Nu zijn ze met acht, vier blazers en vier reserven, maar als er één van de vasten niet kan, heeft die veel moeite om een reserve te vinden. Er is te weinig discipline, het bestuur zou de blazers meer op hun plichten moeten wijzen. Wij misten bijna nooit een Last Post. In '91 is mijn pa overleden: 's middags stierf hij onverwacht, 's avonds stond ik te blazen aan de poort.»

Met te spreken over z'n vader komen er foto's op tafel, onder andere een portret van zijn jonge vrouw, en dan vertelt hij ineens dat ze mekaar hebben leren kennen onder de Menenpoort. 'Dat zat zo. Haar vader en mijn vader kenden elkaar, en zo hebben wij mekaar voor het eerst gezien bij een herdenking en de Last Post. Er was veel volk die avond, en waarschijnlijk hebben we een beetje te dicht bij mekaar gestaan, want de dag nadien was het aan. En zo werd de Menenpoort onze plaats van afspraak: om te gaan wandelen en om een beetje te staan vrijen op de vesten, 't was de beste plek voor een jong koppel. In '65 zijn we getrouwd.' En dan moet er toch iets van zijn lever. Dat het vroeger doodstil was tijdens het blazen van de Last Post, maar dat het nu rumoeriger is geworden. 'Zeker als er Belgische scholen komen met jonge leerlingen. En het ligt niet alleen aan die leerlingen. Het ligt ook aan de ceremonie, die te lang is geworden. Elke avond is er nu een 'speciale' Last Post, soms worden er wel tien kransen neergelegd. Op een gewone dag hè, en allemaal even traag en plechtig. Dan is het te verstaan dat die jonge gastjes ongeduldig worden, zeker als ze achter volwassenen staan en amper iets kunnen zien. Ik heb al tegen het bestuur gezegd dat het allemaal te lang duurt, en dat er daarom zoveel leven wordt gemaakt.'

Verkouter «Het is allemaal begonnen na het bezoek van de paus in '85. Toen zijn leper en de Last Post een attractie geworden. Alles en iedereen kwam erop af, de scholen, de nonnekes, de vrouwen en de mannenbond, alleman moest het gezien hebben. Dat wordt hier soms ook gezegd: wij zijn de laatste attractie van Bellewaerde. De mensen zijn na een dagje kust of pretpark onderweg naar huis, en hier in leper pikken ze nog eventjes de Last Post mee.»


SLAGVELDTOERISME

Dat ingetogen herdenkers en lichtjes uitgelaten toeristen dezelfde plaatsen bezoeken is niet nieuw. In het naslagwerk 'De stilte van de Salient' van Johan Meire lezen we dat de frontstreek al oorlogstoerisme kent van kort na de oorlog, en ook toen werd de grens tussen herdenking en attractie soms slecht bewaakt. Zo kondigde de Belgische Touring Club al in juli 1919 (!) een 'driedaagse reusachtige excursie naar de IJzer' aan waarbij minstens tweehonderdvijftig deelnemers 'kennis konden maken met de slagvelden' (die toen nog zogoed als intact waren). De deelnemers konden in scholen en kazernes overnachten en kregen daar 'legerslaapzakken en een kattenwasje om aldus van het soldatenleven te kunnen proeven'. Meire noemt het 'een trivialisering van de oorlog', hoe die onmenselijke slachtpartij op een geruststellende manier werd aangeboden: 'De burger mocht op twee oren slapen dat alles onder controle was en dat het gewone leven zijn gang had hervat.'

Dat commerce en commemoratie al vroeg dicht bijeen lagen, blijkt ook uit de woorden van de leperse burgemeester Sobry. Die kreeg in 1927 te maken met protest van socialisten en Vlaamsnationalisten, die vonden dat de Britten met de nieuwe Menenpoort 'de oorlog te veel verheerlijken'. Sobry's antwoord was lichtjes visionair. Hij zei dat de leperlingen dankbaar moesten zijn voor een monument 'waartoe alle volkeren der wereld zullen komen zien, en dat meer bezocht zal worden dan den leeuw van Waterloo, hetgeen ten eeuwige dage een grote bron van inkomsten en nering zal zijn' (uit 'Menenpoort en Last Post' van Dominiek Dendooven).

Oorlogsherinnering en toerisme zitten in hetzelfde spoor. Nog elke dag worden vanuit leper Battlefield Tours georganiseerd met minibusjes die voor en na de middag door de streek toeren. En in september kon je in de Krant van West-Vlaanderen lezen dat de leperse Sandwichbar van overnemer én van etalage was veranderd. Er staat nu een ouwe soldatenfoto in de vitrine, 'als eerbetoon aan de soldaten die langs deze straat naar het front zijn getrokken', en de belegdebroodjeszaak heet voortaan Het Beleg Van leper. Het is de dualiteit die heel Ieper typeert, dat het hier altijd oorlog is, maar vaak ook etenstijd.

undefined

'De Eerste Wereldoorlog is de Grote Oorlog van de kleine man, en met die kleine man in de immense oorlogsmachine kunnen we ons vereenzelvigen. Bij de Tweede Wereldoorlog is dat veel moeilijker'


POPULAIRE OORLOG

Met de toeloop en het toerisme is ook de Last Postceremonie onder druk komen te staan. Als er elke dag vijfhonderd toeschouwers op de stoep en de rijweg staan te reikhalzen, kan het dan nog een herdenking blijven, of wordt het dan een toeristische attractie waarvan het grote aantal toeschouwers op zich al genoeg is om nog méér nieuwsgierigen aan te trekken?

Her en der kreeg ik ook te horen dat 'de Last Post zijn oorspronkelijke karakter aan het verliezen is'. We zijn een eind verwijderd van die stillere jaren dat de klaroenblazers in een bijna niemandsland hun sonnerie moesten blazen. Anno 2011 zijn er geen eenvoudige Last Posts meer: elke avond is er wel een speciaal eerbetoon van weer een ander regiment, legioen, muziekband of academy. Van het bestuur van de organiserende Last Post Association wordt gezegd dat ze enige pomp and circumstance wel genegen zijn. En dat niet iedereen daarmee opgezet is, want zo gaat de stille herdenking van een grauwe oorlog toch weer aanleunen bij die vage militaire nostalgie van geheven hoofden en afgemeten voetstappen.

Maar wat is nu de reden dat het aantal Ieperbezoekers sinds de jaren negentig zo spectaculair gestegen is? Het bezoek van de paus (mei 1985) en vooral de opening van het In Flanders Fields Museum (april 1998) worden als triggers gezien: er was toen veel media-aandacht, en dat zou de toeloop op gang hebben gebracht. Intussen hebben al 2,85 miljoen mensen het museum bezocht, en vaak blijven die tot 's avonds om de Last Post te kunnen bijwonen.

Nog een succesfactor is dat de Eerste Wereldoorlog intussen tot het verplichte leerplan van de Britse middelbare scholen behoort, wat tot een grote toename van studie en schoolreizen heeft geleid. In leper zien ze nu 'de generatie van de (achter)kleinkinderen' arriveren: ze hebben hun grootvader vaak niet eens gekend, ze zijn alleen met hem vertrouwd via de verhalen in de familie, en toch willen ze de plek bezoeken 'waar hij is'. Tegelijk zijn er de goedkopere vliegtuigmaatschappijen, en is er de Kanaaltunnel, en het internet waarmee je slagvelden virtueel kan bezichtigen en de genealogie van je voorouders opzoeken.

Blijft de vraag waarom Wereldoorlog I zo ongemeen populair is, en Wereldoorlog II veel minder. Omdat, zegt antropoloog Johan Meire, '14-’18 een 'neutrale' oorlog is. Het is de Grote Oorlog van de kleine man, met alle oral histoty van soldaten die zoveel dood, lijden en chaos hebben gezien. En met die kleine man in de immense oorlogsmachine kunnen we ons vereenzelvigen. Wereldoorlog II heeft een beladen karakter en draagt in zijn nasleep niet alleen de Holocaust, maar ook stalinisme, neonazisme, de Koude Oorlog en de verdeling van Europa tussen Oost en West in zich. 'Die oorlog is veel minder neutraal, en dus moeilijker om mee te identificeren.'


TOEWIJDING

In leper is '14-’18 ook nergens ver weg. Je kan de ringweg volgen, een zijweg inslaan en na tweehonderd meter parkeer je naast de oorlog. In dit geval het New lrish Farm Cemetery met zijn treurwilg en 4.200 graven. Het is een zonnige morgen in de nazomer van 2011, er ligt nog dauw op het gras, en ik sta te kijken van de uitbundige flora bij de witte grafstenen. Er zijn rozen, buxus, riet en pampagras met lichte pluimen, en op een blauwe struik zit een dagpauwoog, zo'n vlinder die traag als een hartslag zijn vleugels open en toe vouwt. Het leven van een insect is kort en nu rust het hier, in het bijzijn van A Soldier of the Great War. En dan zijn er ook bijen, ze vergaren stuifmeel op deze dodenakker, en alle grafstenen koesteren zich schaamteloos in de zon en ginder gaat het leven zijn gewone gang met draaiende windturbines en onvermoeibaar verkeer. Een kilometer verder heb ik afgesproken met Luc en Marie-Rose, hun vader Daniël Demey - de bijna omvergereden collega van Albert Verkouter - is een Last Postblazer met vijftig jaar dienst (van 1944 tot 1994). En ook in dit gesprek klinkt de echo van toewijding, plichtsbesef en trouw aan die tachtig jaar oude traditie.

Luc «Als het zijn week was, gingen we mee om te kijken. Van heel jong al. We waren toen nog met zes kinderen thuis, heel die hoop ging soms mee, en moeder natuurlijk ook. En dan waren we preus (trots, red.) dat we zijn koffertje mochten dragen waarin die zilveren klaroen zat. Elk op zijn beurt mocht dat ding dragen. En als er geblazen werd, moesten we zo'n beetje in de houding gaan staan, met onze armen naast onze jas. Wij waren fier op vader, wyder boft'n daarmee op school dat onze pa klaroenblazer was.

»En was het nu oudejaar of kerstavond, gingen we nu ergens op bezoek of naar een feest, maar vaders brommer ging mee. Zodat hij kon gaan blazen. En als het weer te slecht was voor de brommer, dan nam hij de bus. En als wij ergens moesten zijn waar geen bus reed, dan ging hij niet mee. Dan bleef hij thuis voor 'zijn' Last Post.»

Marle-Rose «Wij zijn ook nooit langer dan vijf dagen op vakantie geweest. Op reis gaan kon alleen in de week dat hij niet moest blazen. Die Last Post, dat was z'n leven.»

Luc «De Menenpoort, dat was zijn tweede thuis. Nooit hebben we hem horen klagen dat het hem te veel was, integendeel! Er moest maar iemand ziek zijn en hij stond al klaar om in zijn plaats te kunnen gaan.»

MarIe-Rose «En eerst bliezen ze in hun gewone kleren, maar in de jaren tachtig zijn ze in hun brandweeruniform begonnen. Mijn moeder mocht niet aan dat kostuum komen. Vader streek die hemden zelf, en ook het witten en stijven van die handschoenen en manchetten deed hij zelf. Hij had zelfs een systeem bedacht om de koperen knopen van zijn vest te poetsen. Dan schoof hij een zelfgemaakte lat met gaten over die knopen, zodat ze goed vastzaten en hij ze danig kon opwrijven. Die moesten blinken tot en met.

»En hoe proper hij op zijn handen was! Vader was technieker in de fabriek van Picanol (weefgetouwen, red.), en later werkte hij in een garage. Hij heeft dus altijd vuil werk gedaan, elke avond kwam hij met zwarte vette handen thuis, en elke avond schrobde hij ze met bleekwater en straffe zeep tot ze helemaal proper waren. Dat was allemaal uit respect, hij zou nooit met vuile handen hebben willen blazen.»

Luc «Weet ge nog toen hij dat vals gebit kreeg!»

Marle-Rose « ja, hoelang heeft hij die beslissing uitgesteld! Hij had schrik dat hij met die nieuwe tanden niet meer de juiste embouchure zou hebben, en dus niet meer zou kunnen blazen. Enfin, dat gebit moest er uiteindelijk toch komen. En daarna ging hij in de kelder zitten oefenen met zijn nieuwe gebit, en het heeft weken geduurd tot hij weer content was. Om maar te zeggen dat hij er alles voor overhad.

»En wat ik nu vertel, heeft moeder ons verteld. Kort na de oorlog was vader geopereerd aan de sinussen, hij moest een week in de kliniek blijven, maar al de eerste avond is hij uit dat bed gekomen, en steunend op ons moeder is hij toch naar de Menenpoort gegaan. Hij kon daar geen dag wegblijven.»

Luc «Pa was wel iemand die na de Last Post graag op café ging. Wij gingen dan mee - zo heb ik als jonge gast leren biljarten. En was het voor ons bedtijd, dan werden wij naar huis gestuurd: hij ging dan 'direct nakomen'. Maar dat werd dan toch rap later, en soms maakte moeder ons dan wakker en gingen we met haar op zoek langs de cafés, om hem thuis te brengen. Een aantal jaren heeft zijn klaroen zelfs onder de toog van zijn stamcafé gestaan. Dan kon hij ze nooit vergeten thuis, dan was ze altijd in de buurt van de Menenpoort.

»Op 11 november 1994 heeft hij de laatste keer geblazen, en vier maanden later was hij dood. Dat was werkelijk tot de laatste snik, want eigenlijk was hij in november al ziek, maar hij wilde bij die klaroeners blijven.»

Marie-Rose «Op de avond voor zijn begrafenis is er voor hem een speciale Last Post gehouden. Toen stond er bijna duizend man onder de Menenpoort, en heel veel leperlingen, want hij was een gekend figuur. En zoveel brieven en bedankkaartjes dat we uit Engeland hebben gehad, een heel pak was dat!

»Hij zei wel altijd dat die stille jaren voor hem de schoonste waren. In de jaren negentig vond vader dat het te commercieel, te toeristisch was geworden. Hij zag de herdenking verloren gaan, zei hij.»

En dat hun vader 'nog iedere week op tv komt'. Hij zit met zijn klaroen in de begintitels van 'Vlaanderen Vakantieland', en de man van MarieRose heeft al eens geschreven naar de VRT om een kopie van dat stukje film. "t Zijn hoop en al twee seconden, maar de VRT vroeg er te veel geld voor. En dat is toch raar, dat zij geld vragen. Want zij gebruiken onze pa, en al zeker twee jaar!' En dat ze dat beeld dan maar als foto op de display van hun gsm hebben gezet. Al zijn kinderen hebben dat gedaan.

* * *

Er is nog één memorie waarvan ik geen getuigen heb. Dicht bij de Menenpoort was het St.-Vincentiuscollege en in die stille jaren was de Last Post daar elke avond te horen in het toenmalige jongensinternaat. En wat is er droefgeestiger dan zo'n college-internaat in de vroege jaren zestig? De lankmoedigheid van dat avondlijke uur, het rondhangen bij de versleten toppenbiljart, het lege colaflesje op de vensterbank, de kou tegen de donkere ramen en dan in de verte het weemoedige blazen van de Last Post. En nog verder weg: een thuis, een lief, en een oorlog.


EINDE

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234