De Brusselse Anne Frank: het geheime dagboek van de 16-jarige Mozes Flinker

Sinds de ontdekking van de dagboeken van Anne Frank is het nagelaten werk opgedoken van bijna zestig jongeren die verslag doen van hun Tweede Wereldoorlog. In ‘Geborgen bladzijden’ bloemleest Alexandra Zapruder veertien dagboekschrijvers tussen de 12 en 22 jaar.

'Mijn hart stond stil: ik sprakeloos van pijn en schrik'


24 november 1942

Al enige tijd heb ik de behoefte om op te schrijven wat ik gedurende de dag allemaal heb gedaan. Laat ik om te beginnen uitleggen waarom ik naar Brussel ben gekomen.



Ik ben geboren in Den Haag, en daar heb ik mijn jonge jaren vredig doorgebracht. Ik ben er naar de lagere school gegaan en daarna naar de Handelsdagschool, waar ik slechts twee jaar heb geleerd. In mei 1940, toen de Duitsers Nederland binnenvielen, had ik nog twee jaar te gaan tot aan het examen. Ze vaardigden een maatregel uit waarmee het Joodse leerlingen verboden was naar school te gaan met niet-Joodse (‘arische’) docenten, en daardoor kon ik mijn opleiding niet afmaken. Het uitsluiten van Joden op openbare scholen is maar één van een lange lijst maatregelen: ze moesten hun radio’s inleveren, ze mochten niet naar de film et cetera, et cetera.



In de grotere steden waar veel Joden woonden, werden speciale Joodse scholen geopend met enkel Joodse leraren. In Den Haag werd er ook één geopend. In het jaar dat ik er schoolging [1941-’42], nam het aantal maatregelen tegen ons hand over hand toe. Een paar maanden voor het einde van het schooljaar moesten we onze fietsen inleveren bij de politie. Vanaf die tijd ging ik met de tram naar school, maar een dag of twee voordat de vakantie begon, werd het Joden verboden met de tram te gaan. Daarna moest ik naar school lopen, ongeveer anderhalf uur. Toch bleef ik naar school gaan in die laatste paar dagen, omdat ik mijn rapport wilde krijgen en wilde weten of ik overgegaan was. Ik dacht toen nog dat ik na de vakantie terug naar school zou kunnen gaan, maar dat bleek niet zo te zijn. Desondanks wil ik melden dat ik over was.

Ik ben vergeten te melden dat we in dat jaar [mei 1942] gedwongen werden een ‘teken van vernedering’ op de linkerkant van onze bovenkleding te naaien. En dit ‘teken’ bestond uit een davidster met daarin het woord ‘Jood’. Halverwege het jaar [1942] begonnen de Duitsers de Joden bijeen te drijven in de grote steden, vooral in Amsterdam. Joden mochten nergens naartoe verhuizen, behalve naar Amsterdam. Toen daar genoeg Joden waren, begonnen de Duitsers ze naar andere oorden te sturen die mij tot op de dag van vandaag onbekend zijn.

Een Duitse beambte hield een toespraak voor zijn kameraden. Daarin had hij het erover dat Joden Europa haten en dat zij van plan zijn om Duitsland en de rest van Europa te vernederen. Daarom moest hij ze – uit zelfverdediging – naar Oekraïne sturen. Vervolgens vertelde hij de Nederlanders dat ze geen medelijden hoefden te hebben, want er zou hun daar niets overkomen. Hij stuurde ze alleen maar terug naar de landen waar ze vandaan kwamen. En aangezien ze arm waren geweest toen ze naar West-Europa kwamen, moesten ze ook arm weer terugreizen; daarom mochten ze niets met zich meenemen. Hij voegde eraan toe dat het lot dat de Joden daar in Oekraïne wachtte, niet gemakkelijk zou zijn. We werden wanhopig toen we dit lazen. Toch bleven we hopen dat we door Gods genade gered zouden worden, voordat we gedwongen werden om te vluchten. Maar onze hoop was misplaatst.

Op dat moment heersten de Duitsers bijna over heel Europa. Maar er was nog een plek om naartoe te vluchten – het gedeelte dat vooralsnog niet door de Duitsers was bezet. Wie genoeg geld had en niet naar Oekraïne gestuurd wilde worden, ontvluchtte Nederland naar één van de niet-bezette landen. Mijn vader, die ook geld heeft, wilde niet door de Duitsers weggevoerd worden en daarom ging hij naar Roosendaal, aan de grens, om de mogelijkheden te onderzoeken de grens over te steken. Hij was al in Roosendaal toen mijn moeder de brief ontving waarin wij gesommeerd werden ons om elf uur de volgende dag op het station te melden. Ik vertrok nog dezelfde dag naar Roosendaal. Het was al halftien ’s avonds toen mijn moeder mijn vader over de oproep vertelde (aan de telefoon zei ze tegen hem dat ze ‘uitgenodigd was voor een bruiloft’).

Ons gezin bestaat uit negen personen: mijn vader en moeder, mijn vijf zussen, mijn broertje en ik. Maar met Gods hulp hebben we Roosendaal allemaal veilig bereikt. Daarna begon het zoeken naar mensen die vluchtelingen over de grens gidsen. Die zoektocht leverde niets op tot aan vrijdag, toen een kennis van mijn vader hem vertelde dat hij een route wist die niet door de politie bewaakt werd. Mijn oudste zuster en ik gingen als eersten. We verlieten Roosendaal om drie uur op vrijdagmiddag. De Heer bracht onze tocht tot een goed einde. We bereikten Brussel, de hoofdstad van België, na een tocht per fiets, kar en trein. Die nacht staken ook mijn moeder en broertje de grens over; mijn vader had een vrouw gevonden die bereid was ze voor 1.800 gulden te gidsen. Op zondag staken mijn vader en drie van mijn zussen de grens over, dus op zondag waren we allemaal in Brussel, op mijn jongste zusje na. Zij arriveerde tien dagen later.

'Ze praatte bijna nooit met me, en ik niet met haar; desondanks heb ik nog steeds het gevoel dat ik haar blikken van liefde kan voelen. Wie weet waar dit meisje nu is?'

Hoewel België ook door de Duitsers bezet is, waren we hier niet zo bang als in Nederland, omdat niemand (op een paar Joodse vrienden na) ons kent. Dus gingen we de straat op zonder onze Jodenemblemen en deden nog andere dingen die voor Joden verboden zijn. In deze tijd van oorlog waarin we leven, is het vrijwel onmogelijk om iets te kopen zonder bonnen: er zijn bonnen voor brood, bonnen voor koffie, bonnen voor zeep, enzovoort. Bovendien moet iedereen een identiteitsbewijs hebben, waarop staat wie hij is, waar hij werkt, waar hij woont, et cetera. Wie gesnapt wordt zonder zo’n kaart, wordt meteen naar de politie gebracht, en het is dus bijzonder gevaarlijk om zonder dit document op stap te gaan. Daarom deed mijn vader veel moeite om ons op het stadhuis te laten registreren. Hij kon er natuurlijk niet gewoon binnenlopen en zeggen: ‘Hier zijn we dan.’ Als hij dat had gedaan, dan had de ambtenaar die mensen registreert die verhuisd zijn uit een andere stad of uit een ander land, hem gevraagd hoe wij hiernaartoe gekomen waren en had hij onze visa willen zien. Daarom ging mijn vader naar een man die hem door iemand aangeraden was, en die man regelde een verblijfsvergunning voor ons voor drie maanden. Natuurlijk kostte het mijn vader veel geld, maar dat kan hem niet schelen. Dus nu wonen we in Brussel.


7 december 1942, nacht

Iedere dag worden er meer en meer Joden gedeporteerd, nu eens van hier, dan weer van daar. Er wordt gezegd dat de Duitsers speciaal personeel hebben dat in de stad rondgaat en probeert uit te vinden waar Joden wonen. En dan komen de Duitsers en nemen ze onze broeders mee. Al heel vaak hebben de Duitsers gezegd dat ze met de deportaties doorgaan tot aan een bepaalde datum, en dat ze er daarna mee ophouden. Die data hebben ze al heel vaak genoemd – maar het gaat nog steeds door.

Dezer dagen heb ik weinig zin om wat te doen. Als je op een wonder wacht en er niets gebeurt, kun je geen hoop of wilskracht in jezelf vinden. Ik heb me al zo vaak afgevraagd of de Duitsers deze oorlog zullen gaan winnen. De Joden lijken er zeker van te zijn dat Engeland sterker is dan Duitsland en dat dat zal winnen. Eigenlijk denken ze natuurlijk zo, omdat als de Duitsers winnen, wij niet in leven mogen blijven. Maar zo’n reden is geen bewijs dat de ene of de andere kant zal winnen.


8 december 1942, nacht

Kort nadat we in Brussel waren gearriveerd en een appartement hadden gevonden, begon mijn moeder mijn vader vragen te stellen over mijn toekomst. Ik bracht mijn dagen door met nietsdoen. De eerste keer dat ze haar mening kenbaar maakte, moest ik lachen en zelfs vader sloeg er weinig acht op. Ik vroeg me af hoe ze zich zorgen kon maken over een gelukkige toekomst terwijl wij geconfronteerd worden met problemen op leven en dood. Mijn vader gaf haar iedere keer dat ze het onderwerp te berde bracht een vergelijkbaar antwoord.

Wanneer ik alleen was, begon ik ook over mijn toekomst na te denken. Inderdaad: wat moet er van mij worden? Het is duidelijk dat de huidige situatie niet eeuwig zal duren – misschien nog een jaar of twee – maar wat zal er daarna gebeuren? Op een dag zal ik mijn eigen brood moeten verdienen. Na veel peinzen, heb ik besloten dat ik... staatsman word. Niet zomaar een staatsman, maar een Joods staatsman in het Land van Israël. Ook al is er een mirakel voor nodig om ons nu te bevrijden, de rest van mijn idee – in ons eigen land wonen – is niet zo vergezocht. Dan zou de rest van de wereld, misschien, zijn houding tegenover ons een beetje wijzigen. Maar het zal vele generaties duren voordat we een vrij volk zullen zijn, fysiek en mentaal (dat laatste is het belangrijkste). Daarom hebben we leiders nodig die ons naar ware geestelijke vrijheid kunnen voeren. Daarom zal vanaf vandaag alles wat ik doe daarop gericht zijn. Uiteraard zal ik de Bijbel blijven bestuderen, want alleen in overeenstemming met de geest daarvan kan Israël overleven. Daarnaast zal ik zo veel mogelijk te weten komen over het Jodendom en over mijn volk.

Het lijkt dat er problemen zijn met het verlengen van onze verblijfsvergunningen voor Brussel. Morgen zijn onze drie maanden voorbij, maar mijn vader hoopt dat we onze verlenging krijgen. Het is laat, dus ik ga naar bed. Laat ik afsluiten met dit Bijbelvers: ‘Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, ik zal hen vandaar verzamelen.’


14 december 1942, middernacht

Gisteren ben ik met mijn zus naar de bioscoop geweest. Toen ik nog in Den Haag woonde, voordat het door de Duitsers bezet werd, ging ik niet zo vaak. Toen de Duitsers enige tijd in Nederland waren, verboden ze Joden naar de bioscoop te gaan. Daarna begonnen ze antisemitische films te vertonen. Ik wilde die films graag zien, maar dorst niet te gaan omdat mijn persoonsbewijs voorzien was van de stempel ‘J’ voor Jood en ik op elk moment gevraagd kon worden mijn papieren te laten zien, en voor zo’n overtreding kon ik zes maanden gevangenisstraf krijgen. Maar hier in België sta ik niet als Jood geregistreerd en kan ik naar de film gaan. Ze zijn hier hoe dan ook minder streng. Toen we aankwamen, hadden alleen de antisemitische bioscoopeigenaars posters bij de deur hangen die Joden de entree verboden. Nu staat echter voor ieder theater aangeplakt: ‘Op last van de Militärverwaltung verboden voor Joden.’

'Ik zal het Arabisch meer nodig hebben dan enige andere taal die ik geleerd heb. Het is duidelijk dat we in vrede moeten samenleven met onze broeders'

Desondanks ben ik naar de film ‘Jud Süß’ gegaan. Wat ik daar zag, maakte me razend. Ik was rood aangelopen toen ik de bioscoop verliet. Het was tot me doorgedrongen welke kwaadaardige doelen deze slechte mensen hebben – hoe ze het antisemitische gif in het bloed van de gojs willen injecteren. Terwijl ik naar de film zat te kijken, herinnerde ik me ineens wat die kwaaie Hitler in één van zijn toespraken heeft gezegd: ‘Welke partijen de oorlog ook winnen, antisemitisme zal zich steeds verder verspreiden, tot er geen Joden meer zijn.’ De film laat zien welke middelen hij gebruikt om zijn doel te bereiken. Eén ding weet ik wel: als we nu niet door één of ander hemels wonder gered worden, is ons einde even zeker als ik nu hier zit. Want niet alleen Israëls lichaam wordt aangevallen, maar ook zijn geest. De Joden worden zo hatelijk neergezet, dat niets zijn werk ongedaan kan maken.


15 december 1942

Vandaag hebben we onze verblijfsvergunningen gekregen. Volgens de tolk zijn deze vergunningen geldig tot het eind van de oorlog. Na drie maanden moeten we naar het stadhuis om ze met zes maanden te verlengen, en na die zes maanden nog een keer voor weer zes maanden, enzovoort. Alle buitenlandse ingezetenen hebben zulke vergunningen.


18 december 1942, ochtend

Een week geleden ben ik begonnen Arabisch te leren. Maar omdat ik bang was dat ik het niet vol zou houden om ermee door te gaan, heb ik er niets over geschreven. Nu ik Arabisch kan lezen en de eerste les doorgewerkt heb, maak ik er een notitie over. Het begin was heel erg moeilijk; ik las iets en begreep het, maar wanneer ik het stukje nogmaals probeerde te lezen, leek alles als nieuw. Ik moest het drie, vier keer herhalen voordat ik het kende, begreep en onthield. Maar het is erg bevredigend om het uiteindelijk baas te worden.

Ik leer het niet gewoon omdat ik het leuk vind of zoiets. Ik ben begonnen met de studie van deze taal – en hoop die af te maken – omdat een groot deel van de inwoners van het Land van Israël en de omliggende gebieden het spreken. En gezien mijn plannen zal ik deze taal veel meer nodig hebben dan enige andere taal die ik op school geleerd heb. Het is duidelijk dat we in vrede moeten samenleven met onze broeders, de zoons van Ismaël, die ook nazaten zijn van Abraham. Ik weet zeker dat de verschrikkelijke rellen in het Land van Israël voor de oorlog door Duitsland en Italië aangesticht zijn; dergelijke angstaanjagende uitbarstingen moeten niet nogmaals voorkomen. Ik denk dat als de Joodse leiders Arabisch hadden geleerd, en dus met de Arabische leiders hadden kunnen spreken, de gewelddadigheden niet zouden hebben plaatsgevonden. Daarom doe ik mijn uiterste best de taal te leren.

'Na veel peinzen heb ik besloten dat ik... staatsman word. Een Joods staatsman in het Land van Israël'


22 december 1942, ochtend

Afgelopen vrijdagmiddag, toen ik bijna klaar was met mijn Arabisch, kwam mijn vader binnen en zei dat hij slecht nieuws had. Hij had gehoord dat veel Joden in het Oosten omkwamen en dat er al honderdduizend gedood waren. Toen ik dit hoorde, stond mijn hart stil en was ik sprakeloos van pijn en schrik. Ik ben hier al langere tijd bang voor geweest, maar had tegen beter weten in gehoopt dat ze de Joden echt voor dwangarbeid meegenomen hadden en dat ze ze daarom van genoeg voeding, kleding en huisvesting moesten voorzien om ze in leven te houden. Nu is al mijn hoop vervlogen.

Mijn pijn en smart zijn zo groot dat ik niet weet wat te doen. Ik maak met iedereen ruzie. Vanwege het lijden van mijn broederen wil ik ook sterven, omdat ik het niet kan verdragen over onze verschrikkelijke kwellingen te horen. O, hoe immens zijn onze problemen, hoe immens, hoe immens! Ik heb mijn bijbel gepakt, het enige boek dat ik van thuis heb weten te redden, om enige troost te vinden. Maar ik heb er niets in gevonden. De verschrikkelijke gebeurtenissen dezer dagen maken dat alles nietig lijkt, alsof je er door de verkeerde kant van een microscoop naar kijkt; hoe groter de problemen, hoe nietiger alles lijkt. Ik dacht: wat heeft het hele boek Genesis me te bieden? Alles lijkt nutteloos, waardeloos.


4 januari 1943

Mijn vader vertelt ons tegenwoordig vaak dat we niet weten hoe goed we het getroffen hebben! We hebben genoeg te eten en we kunnen gaan en staan waar ieder ander dat ook kan. Ik heb over mijn vaders woorden nagedacht, maar volgens mij heb ik het helemaal niet goed getroffen. Ook al dank ik de Heer elk moment voor de wonderen die Hij te allen tijde voor ons verricht, toch heb ik vaak een groot verlangen naar mijn broederen in Polen en elders. God mag weten waar ze zijn. Vaak heb ik dat verlangen en de noodzaak gevoeld om bij hen te zijn en deelgenoot te zijn van hun lijden. Ik besef dat het werkelijk mogelijk is om ze te bereiken. De Duitsers willen overal veel arbeiders hebben. Hoe meer ze er hebben, hoe meer ze er nodig hebben. In Nederland, België en Frankrijk hebben ze er al honderdduizenden meegenomen, en nog steeds hebben ze er meer nodig. Ze hebben ook arbeiders nodig in Polen en in de landen in het Oosten, dus als ik naar de Duitsers ga en zeg dat ik voor hen wil werken, zullen ze me ongetwijfeld aannemen. Maar voorlopig ben ik ervan overtuigd dat mijn vader me zoiets niet zou laten doen.

'Mijn hart bonsde en ik had het gevoel dat ik oog in oog stond met de Engel des Doods'


7 januari 1943, ochtend

Gisteravond zaten mijn ouders en ik om de tafel. Het was bijna middernacht. Plotseling hoorden we de deurbel: we huiverden allemaal. We dachten dat het moment daar was om gedeporteerd te worden. Die angst is er voornamelijk omdat het de bewoners van Brussel sinds een paar dagen verboden is om na negen uur ’s avonds buiten te zijn. De reden hiervoor is dat op 31 december drie Duitse soldaten vermoord zijn. Zonder de avondklok had het iemand kunnen zijn die verdwaald was die bij ons aan de deur belde. Mijn moeder had haar schoenen al aangedaan om naar de deur te gaan, maar mijn vader zei dat we moesten wachten tot ze nog een keer belden. Maar er werd niet nogmaals gebeld. Godzijdank is het stilletjes voorbijgegaan. Alleen is de angst gebleven en waren mijn ouders de hele dag uiterst nerveus. Ze kunnen niet het minste geluid hebben, en van de kleinste dingen hebben ze last.


19 januari 1943

Afgelopen week las ik in een Duitse krant een artikel over een Duitser, zijn vrouw en zijn kinderen die allemaal voor het Duitse leger werken. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat werken ze allemaal keihard. De schrijver van het artikel vroeg zijn harde werker of het werk niet te veel voor hem was, te zwaar. De man zei dat hij niet bang was voor een beetje hard werk, omdat hij wist wat het was om geen werk te hebben – hij was zeven jaar lang werkloos geweest. Het is waar dat Hitler het volk voornamelijk werk verschaft heeft in wapenfabrieken, maar dat doet niets af aan zijn verdienste. Het krediet dat hij daarmee heeft opgebouwd, is inderdaad groot; het is waar dat dit krediet tanende is, maar hij heeft er waarschijnlijk heel veel van en dus hoeft hij nog niet voor zijn zonden te boeten. En ook, hoewel zijn krediet rap afneemt, hebben de Engelsen, Amerikanen, Russen en al hun geallieerden weinig eigen krediet opgebouwd.

'Mijn hart stond stil: ik was sprakeloos van pijn en schrik'

Vorig jaar, nog in Den Haag, ging ik naar een Hebreeuwse school. In die school vond ik de twee beeltenissen die voor mij heel Israël symboliseren. De eerste is die van het meisje van wie ik hield en nog steeds hou. Ze praatte bijna nooit met me, en ik ook niet met haar; desondanks heb ik nog steeds het gevoel dat ik haar blikken van liefde op mij kan voelen. Wie weet waar dit meisje nu is? En nu, op mijn vrije ogenblikken, als ik niets doe en mijn gedachten op de loop gaan, komt haar beeltenis me voor ogen; ze verschijnt in al haar schoonheid. Vooral vorige week ging er geen nacht voorbij dat ik haar niet in mijn dromen zag. En wanneer ik me haar voorstel, verschijnt bijna altijd ook de beeltenis van mijn beste vriend in Den Haag. Ik praatte altijd veel met hem en tijdens de middagpauze van twaalf tot twee zaten we altijd samen de Talmoed te bestuderen. Hij was een aimabele, openhartige jongen. Hij was ook verliefd op een meisje van school, maar hij was niet bang, zoals ik, om naar haar toe te stappen en haar te vertellen dat hij veel van haar hield. En wanneer ik aan die beide Joodse zielen terugdenk, die voor mij mijn hele volk symboliseren, kan ik wel huilen om onze situatie. En op vrijdagavond, toen ik in bed lag, heb ik werkelijk gehuild toen ik aan hen dacht. En ik vroeg me af: waar zijn ze?


22 januari 1943

Gisteren zei mijn moeder me naar de sjammes [iemand die in dienst is van een synagoge of gemeente] te gaan om bonnen te kopen voor kleding en brood, als hij die had. Ik was redelijk monter. Toen ik bij zijn huis kwam, belde ik één, twee, drie keer, maar de deur werd niet opengedaan. Tot dan toe had ik de bel gebruikt die hij voor zichzelf had gemaakt, zodat als er bezoekers kwamen, de overige bewoners er geen hinder van zouden hebben. Daarna gebruikte ik de bel van het huis. Nadat ik twee keer had gebeld, kwam er iemand naar de deur. Die ging open en er verscheen een vrouw. Ik zag dat ze van top tot teen beefde en vroeg haar of de mensen bij wie ik aangebeld had thuis waren. Ze antwoordde me in het Frans dat die mensen gisteren in een auto waren afgevoerd. Toen ik dit verschrikkelijke nieuws hoorde, was ik diep geschokt. Mijn hart bonsde en ik had het gevoel dat ik oog in oog stond met de Engel des Doods. Ik dacht: deze man, die zoveel moeite had gedaan om zich voor de Duitsers te verstoppen, en nu is hij, ondanks al zijn inspanningen, weggevoerd – hij, zijn vrouw en zijn twee kinderen. De jongste was een meisje van vier. Terwijl ik naar het station terugliep, was ik danig overstuur; ik wist niet wat ik ervan moest denken. Het scheen me toe dat ik dit keer zelf getuige was geweest van hun deportatie.

Het kleine beetje monterheid dat ik had gevoeld, was verdwenen en vervangen door angst en verdriet. Terwijl ik naar deze man onderweg was, had ik me voorgenomen een wandeling te maken in het bos vlak bij mijn huis, maar toen ik thuiskwam, schoof ik de wandeling en al mijn andere plannen terzijde. Ik wilde nergens van genieten; ik wilde de hele dag thuisblijven en verdrietig zijn. Niet de minste blijheid kwam me toe; ik was slechts op zoek naar manieren om mezelf te pijnigen. Met heel mijn lichaam en ziel wilde ik bij mijn volk zijn en hun bittere lot delen. Als hun ongeluk overkomt, dan zou het mij ook moeten overkomen. Ik wil deel uitmaken van mijn volk. Ik weet niet of het me gaat lukken om kleine vreugdes uit mijn hart te bannen, maar ik zal er manieren op vinden.

'Mozes Flinker: 'De Joden worden zo hatelijk neergezet door Hitler, dat niets zijn werk ongedaan kan maken.'


26 januari 1943

Zaterdagavond ging ik de krant halen. Toen ik hem kocht, zag ik de kop: ‘Tripoli door de Britten ingenomen.’ Toen ik thuiskwam en het aan mijn vader vertelde, was die opgetogen en hij zei een paar keer: ‘Het einde is in zicht’, ‘Dat zal ze een lesje leren’, en meer van dat soort dingen. Maar toen ik ging slapen, kon ik me niet losmaken van de gedachte dat een overwinning van de geallieerden ons geen verlossing brengt. Een overwinning door de geallieerden zal een eind maken aan onze tijdelijke problemen die door Duitsland worden veroorzaakt, maar zal ook het begin markeren van veel grotere problemen dan die van nu, want in plaats van uit één bron, Duitsland, afkomstig te zijn, zullen ze van alle kanten komen in de vorm van onbegrensd, wereldwijd antisemitisme. Want dit gif waarmee die vervloekte Hitler de mensheid heeft geïnjecteerd, is zich aan het verspreiden. En na de oorlog – beëindigd door een dergelijke overwinning van de geallieerden – zou het niet beperkt zijn door het verslagen Duitsland, maar zou het ook de grens oversteken naar de zegevierende naties. De overwinnaars zullen een zondebok nodig hebben die ze de schuld kunnen geven van de talloze crises die na de oorlog zullen komen, en wie zijn er geschikter voor die rol dan de Joden? Nee, onze verlossing zal niet komen van de Engelsen, noch van de Amerikanen, noch van de Russen, maar van God Zelf. En daar bid ik altijd om.


12 februari 1943

Sinds een paar dagen heeft zich in mij een leegte gevormd. Niets kan me motiveren iets te doen of te schrijven, en in mijn hoofd komen geen nieuwe ideeën op; alles lijkt te slapen. Hoewel ik niet weet waar deze leegte vandaan komt, kan ik hem in mijn hele lichaam voelen.

De afgelopen dagen hebben de Duitsers zich continu teruggetrokken, en dat geven ze zelf toe. Ander nieuws is er niet. Ik ga door met de studie Arabisch en concentreer me vooral op de grammatica. Ik hoop binnenkort een boek met teksten en een betere grammatica te krijgen. Ik ben bij de tweeëntwintigste les.

Enige uren geleden hoorde ik een toespraak van de Duitse minister voor Propaganda, Goebbels. Het grootste deel van Goebbels’ toespraak ging over arbeiders. Hij zei dat vrouwen in de fabrieken moesten gaan werken, zodat de mannen beschikbaar zouden zijn voor militaire dienst en dat Duitsland volgend voorjaar klaar zal zijn om Rusland aan te vallen en volledig te veroveren. Ik denk dat hij het bij het rechte eind heeft en dat Duitsland erin zal slagen Rusland te overmeesteren.


7 april 1943

In de laatste dagen ben ik in de greep geraakt van verschrikkelijke gevoelens van eenzaamheid, isolement en neerslachtigheid. Ik denk dat de redenen hiervoor zijn dat ik zo vaak aan mijn volk – waarvan ik zo ver verwijderd ben – denk en dat het tragische beeld van het meisje uit Den Haag zo vaak in mijn gedachten is. Ik lijd ook doordat hier niemand is met wie ik zou kunnen praten, die mij begripvol aanhoort.

Toen ik nog in mijn eerste ballingschap in Den Haag woonde, moest ik altijd lachen als iemand me vertelde, of als ik in een boek las, dat sommige mensen een grote behoefte hebben om hun hart uit te storten bij een vriend. Ik zei altijd bij mezelf: ik heb tenminste geen behoefte aan zulke dingen en het is alleen maar een uiting van een soort weekhartigheid waar ik altijd een hekel aan heb gehad. Destijds zei ik altijd dat ik, in het sporadische geval dat ik het nodig had, mijn hart wel bij mezelf zou uitstorten. Maar tussen toen en nu merk ik dat ik volkomen veranderd ben. Toen wist ik niet hoe het was om ergens te wonen zonder iemand zelfs maar een beetje te kennen, zonder iemand te hebben, even alleen als in de woestijn. O, hoe graag zou ik nu wat oude vrienden zien.


Schemer, tijd van het namiddaggebed [ongedateerd]]

Ik zit met mijn gezicht naar de zon. Ze zal snel ondergaan, ze nadert de kim. Ze is rood als bloed, alsof het een bloedende wond is. Hoe komt ze aan zoveel bloed? Al dagenlang is er een rode zon, maar dat is niet moeilijk te begrijpen. Kwelling staart me van alle kanten aan, en verdere problemen rijzen op voor onze ogen. Hier zijn een man en vrouw, beiden over de zeventig, gedeporteerd. Daar kom je een Jood tegen die ondergedoken zit en geen geld heeft om van te leven; elders kom je een Jood tegen die zijn fortuin verloren heeft omdat hij het had geïnvesteerd in dollars, die om onduidelijke redenen waardeloos zijn geworden. De problemen houden nooit op... En telkens als ik een kind van mijn volk tegenkom, vraag ik me af: Mozes, wat doe jij voor hem? Ik voel me verantwoordelijk voor ieders kwelling. Ik vraag me af of ik nog deelheb aan de problemen van mijn volk, of dat ik me volledig aan hen onttrokken heb. Een maand of drie, vier geleden zou ik die vragen zonder enige moeite hebben kunnen beantwoorden, omdat ik toen nog met hart en ziel met mijn broeders verbonden was, maar nu is alles anders. Vanaf het moment dat ik vanbinnen leeg werd, heb ik het gevoel alsof dit allemaal me niet meer aangaat. Ik heb het gevoel dat ik dood ben.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234