HIROSHIMA75 jaar

‘De eerste fase doodde 95 procent van de mensen binnen de 800 meter van het centrum’

75 jaar geleden, op 6 augustus 1945, dropte de Amerikaanse bommenwerper Enola Gay om kwart over 8 in de ochtend een atoombom op de Japanse stad Hiroshima. Straten werden onbegaanbaar door de hitte, aardappels kwamen gaar uit de grond, 100.000 mannen, vrouwen en kinderen lieten het leven. In de lente van 1946 trok de Amerikaan John Hersey naar Japan om zes overlevenden te interviewen. Zijn 'Hiroshima', een klassiek geworden reportage voor The New Yorker, wordt nu heruitgegeven en etaleert immer met verpletterende kracht de wrede envergure van de verschrikking. Dit is het verhaal van dokter Sasaki.

In de trein die hem vanaf het platteland, waar hij met zijn moeder woonde, naar Hiroshima bracht, overdacht dokter Terufumi Sasaki, een chirurg uit het Rode-Kruisziekenhuis, een akelige droom die hij de afgelopen nacht had gehad. Het huis van zijn moeder stond in Mukaihara, 50 kilometer van de stad, en hij deed er met trein en tram twee uur over om in het ziekenhuis te komen. Hij had die nacht onrustig geslapen en was een uur eerder dan normaal wakker geworden; hij voelde zich futloos en een beetje koortsig en had even overwogen helemaal niet naar het ziekenhuis te gaan, maar zijn plichtsgevoel dwong hem ertoe en hij had een trein eerder genomen dan hij doorgaans nam.

Hij was vooral zo geschrokken van de droom omdat die, in elk geval oppervlakkig gezien, zo nauw samenhing met een verontrustende actualiteit. Hij was pas 25 jaar en had onlangs zijn opleiding aan de Geneeskundige Universiteit van het Oosten in het Chinese Tsingtao voltooid. Hij was nogal een idealist en was geschrokken van de tekortkomingen van de medische instellingen in het provinciestadje waar zijn moeder woonde. Sinds kort bezocht hij daar op eigen initiatief en zonder vergunning een paar zieke mensen, 's avonds, na zijn achturige werkdag in het ziekenhuis en de vier uur reistijd. Hij had onlangs gehoord dat het zonder vergunning optreden als arts streng werd bestraft - een collega die hij ernaar had gevraagd, had hem er flink de les over gelezen. Niettemin was hij doorgegaan met zijn werk. In zijn droom had hij aan het bed van een zieke boer gestaan toen de politie en de arts die hij om raad had gevraagd, kwamen binnenstormen en hem grepen, naar buiten sleepten en in elkaar sloegen.

Op het eindstation nam hij meteen een tram. (Later berekende hij dat als hij die ochtend zijn normale trein had genomen en een paar minuten op de tram had moeten wachten, wat vaak het geval was, hij op het moment van de explosie dicht bij het centrum zou zijn geweest en beslist zou zijn omgekomen.) Hij kwam om kwart voor zeven bij het ziekenhuis aan en meldde zich bij de hoofdchirurg. Een paar minuten later ging hij naar een kamer op de begane grond en nam hij voor een syfilistest bloed af bij een man. Het laboratorium waar de kweekjes werden gemaakt, was op de tweede verdieping.

Ietwat afwezig, zoals hij zich al de hele ochtend voelde, misschien vanwege de droom, liep hij met het bloedmonster in de hand de gang in, op weg naar de trap. Hij was net een stap voorbij een open raam toen het licht van de bom als een gigantische fotografische flits in de gang werd gereflecteerd. Hij dook ineen op één knie en zei tegen zichzelf, zoals alleen een Japanner dat kan doen: 'Sasaki, gambare!' 'Sasaki, wees moedig!' Juist op dat moment - het gebouw lag 1.650 meter van het centrum - joeg de drukgolf door het ziekenhuis. De bril die hij op had, vloog van zijn neus; het flesje met bloed sloeg stuk tegen een muur; zijn Japanse slippers schoten onder zijn voeten vandaan - maar verder bleef hij, dankzij de plaats waar hij stond, ongedeerd.

Dokter Sasaki schreeuwde de naam van de hoofdchirurg en rende naar het kantoor van de man en trof hem zwaar verwond door glas aan. Het ziekenhuis was een verschrikkelijke chaos: tussenmuren en plafonds waren op patiënten gevallen, bedden waren omgekieperd, de ramen waren naar binnen geblazen en hadden mensen verwond, de wanden en vloeren waren met bloed bespat, overal lagen instrumenten, veel patiënten renden schreeuwend rond, nog veel meer lagen er dood. Een collega die in het laboratorium werkte waarnaar dokter Sasaki op weg was, was dood; dokter Sasaki's patiënt, die hij zojuist had verlaten en die een paar tellen eerder nog hevig voor syfilis had gevreesd, was ook dood. Dokter Sasaki bleek de enige dokter in het ziekenhuis te zijn die niet gewond was.

Dokter Sasaki, die dacht dat de vijand alleen het gebouw waarin hij zich bevond had getroffen, haalde verband en begon de wonden van de mensen in het ziekenhuis te verbinden; terwijl buiten in heel Hiroshima verminkte en stervende burgers wankelend richting Rode-Kruisziekenhuis begonnen te lopen en daarmee een invasie in gang zetten die ervoor zorgde dat dokter Sasaki zijn eigen nachtmerrie voor heel, heel lang zou vergeten.

De enige ongedeerde arts in het grotendeels verwoeste Rode-Kruisziekenhuis (foto) was dokter Sasaki.

RAUW VLEES

Van de 150 artsen in de stad waren er 65 al dood en van de rest waren de meesten gewond. Van de 1.780 verpleegsters waren er 1.654 dood of te zwaar gewond om te werken. In het grootste ziekenhuis, dat van het Rode Kruis, waren slechts zes van de dertig artsen in staat te werken en slechts tien van de ruim honderd verpleegsters. De enige ongedeerde dokter van het Rode-Kruispersoneel was dokter Sasaki. Na de explosie holde hij naar de voorraadkamer om verband te halen.

Zoals alles wat hij had gezien toen hij door het ziekenhuis rende, was ook deze kamer een chaos: flesjes medicijnen die van de planken kapot waren gevallen, tegen de muur gespatte zalven, de grond bezaaid met instrumenten. Hij pakte wat verband en een nog gaaf flesje mercurochroom, haastte zich terug naar de hoofdchirurg en verbond zijn wonden. Daarna liep hij de gang in en begon de gewonde patiënten, artsen en verpleegsters daar op te lappen. Zonder zijn bril deed hij dat zo onhandig dat hij de bril van de neus van een gewonde verpleegster nam en hoewel die zijn oogafwijking slechts bij benadering compenseerde, was het beter dan niets.

Dokter Sasaki werkte zonder systeem, hij behandelde de mensen die het dichtst bij hem waren het eerst en hij zag al snel dat de gang steeds voller en voller werd. Tussen de schaaf- en snijwonden die de meeste mensen in het ziekenhuis hadden opgelopen, kwamen hem steeds meer afschuwelijke brandwonden onder ogen. Hij besefte dat er slachtoffers van buiten kwamen binnenstromen. Het waren er zoveel dat hij de lichtgewonden begon over te slaan. Het beste wat hij kon doen, was zorgen dat mensen niet doodbloedden, besloot hij.

Weldra lagen en hurkten er patiënten op de vloeren van de zalen en de laboratoria en alle andere ruimten, en in de gangen, en op de trappen, en in de entreehal, en onder de toegangspoort, en op de stenen bordestrap, en op de oprit en het plein, en in een onafzienbare rij op de straat buiten, naar beide kanten. Gewonde mensen ondersteunden verminkte mensen; misvormde families leunden tegen elkaar. Veel mensen braakten. Enorme aantallen schoolmeisjes kropen het ziekenhuis binnen. In een stad van 245.000 inwoners waren bijna honderdduizend mensen op slag dood of ten dode opgeschreven; nog eens honderdduizend waren gewond. Minstens tienduizend van de gewonden trokken naar het beste ziekenhuis van de stad, dat zo'n enorme toeloop helemaal niet aankon - het had maar zeshonderd bedden, en die waren allemaal bezet geweest.

De mensen in de verstikkende menigte in het ziekenhuis huilden en riepen 'Sensei! Dokter!' in de hoop dat dokter Sasaki hen zou horen, en de minder ernstig gewonden trokken hem aan zijn mouw en smeekten hem de ernstiger gewonden te komen helpen. Dokter Sasaki, die op kousenvoeten van hot naar her werd getrokken, was verbijsterd door de aantallen en onthutst door zoveel rauw vlees. Hij had inmiddels alle gevoel van professionaliteit verloren en werkte niet langer als een bekwaam chirurg en een meelevend mens; hij werd een robot, wie het vegen, smeren, verbinden, vegen, smeren, verbinden mechanisch afging.

Tegen het vallen van de avond hadden tienduizend slachtoffers van de explosie het Rode-Kruisziekenhuis overspoeld en dokter Sasaki, die uitgeput was, liep met dotten verband en flesjes mercurochroom doelloos en afgestompt door de stinkende gangen heen en weer, nog altijd met de bril van de gewonde verpleegster op zijn neus, en hij verbond de ergste snijwonden waar hij tegenaan liep. Andere dokters brachten op de ergste brandwonden kompressen met zoutoplossing aan. Meer konden ze niet doen. Toen het donker was geworden, werkten ze door bij het licht van de brandende stad en van kaarsen die de tien overgebleven verpleegsters voor hen ophielden.

Dokter Sasaki was de hele dag niet uit het ziekenhuis geweest; de taferelen binnen waren zo vreselijk en zo dwingend dat het niet in hem was opgekomen iets te vragen over wat er zich buiten de deuren en ramen had afgespeeld. Plafonds en tussenmuren waren ingestort; overal lag pleister, stof, bloed en braaksel. Patiënten stierven met honderden tegelijk, maar er was niemand om de lijken weg te dragen. Een paar medewerkers van het ziekenhuis deelden biscuitjes en bolletjes rijst uit, maar de lijkenhuisgeur was zo sterk dat maar weinigen honger hadden.

De volgende ochtend om drie uur, na negentien uur aan een stuk zijn gruwelijke werk te hebben gedaan, was dokter Sasaki niet meer bij machte nog één wond te verbinden. Hij en een paar andere overlevenden van het ziekenhuispersoneel pakten een stel stromatten en gingen naar buiten - op de binnenplaats en op de oprit lagen duizenden patiënten en honderden doden - en maakten zich snel uit de voeten om verborgen achter het ziekenhuis wat slaap te pakken. Maar binnen een uur hadden gewonde mensen hen gevonden. Rondom hen vormde zich een klagende kring: 'Dokters! Help ons! Hoe kunnen jullie nu slapen?' Dokter Sasaki stond op en ging weer aan het werk. Vroeg in de ochtend dacht hij voor het eerst aan zijn moeder, aan hun huis op het platteland in Mukaihara, 50 kilometer van de stad. Hij ging doorgaans elke avond naar huis. Hij was bang dat ze zou denken dat hij dood was.

Dokter Sasaki werkte drie dagen aan een stuk, met slechts één uur slaap. Op de tweede dag begon hij de ergste snijwonden te hechten en hij stond de hele daaropvolgende nacht en dag te hechten. Veel wonden waren gaan zweren. Gelukkig had iemand een ongeschonden voorraadje narucopon gevonden, een Japanse pijnstiller, en hij gaf die aan de vele mensen die pijn leden.

Onder het personeel gonsden de geruchten dat er iets vreemds aan de hand moest zijn geweest met de grote bom, want op de tweede dag ging de onderdirecteur van het ziekenhuis in de kelder naar de kluis waar de röntgenplaten werden bewaard, en hij zag dat de hele voorraad ter plekke belicht was. Die dag kwamen er uit de stad Yamaguchi een nieuwe dokter en tien verpleegsters met extra verband en ontsmettingsmiddelen en op de derde dag kwamen er uit Matsue nog een arts en twaalf verpleegsters - maar toch waren er nog steeds maar acht dokters voor tienduizend patiënten.

Op de middag van de derde dag raakte dokter Sasaki, uitgeput door zijn smerige lapwerk, in de ban van het idee dat zijn moeder dacht dat hij dood was. Hij kreeg toestemming om naar Mukaihara te gaan en liep door de eerste buitenwijken, waar de elektrische trein nog steeds werkte, en bereikte laat in de avond zijn huis. Zijn moeder zei dat ze steeds had geweten dat het goed met hem ging. Er was een gewonde verpleegster langsgekomen om haar dat te vertellen. Hij ging naar bed en sliep zeventien uur.

STRALINGSZIEKTE

Pas op 12 augustus begon er zich in het Rode-Kruisziekenhuis eindelijk een relatieve orde af te tekenen. Dokter Sasaki, die terug was van zijn pauze, begon zijn patiënten - die nog altijd her en der verspreid lagen, zelfs op de trap - in te delen. Het personeel veegde geleidelijk aan het puin weg. En het beste was nog dat de verpleegsters en broeders de lijken begonnen weg te dragen.

Het opruimen van de doden door middel van een fatsoenlijke crematie of begrafenis is voor de Japanners een grotere morele verplichting dan een adequate zorg voor de levenden. De meeste doden van de eerste dag werden in en rond het ziekenhuis geïdentificeerd door verwanten. Vanaf de tweede dag werden er bij patiënten die stervende leken papiertjes met hun naam op hun kleding gespeld. De lijkenploeg droeg de lichamen naar een open plek in de buitenlucht, legde hen op brandstapels van hout van de verwoeste huizen, verbrandde hen, stopte wat van de as in de enveloppen die voor belichte röntgenplaten waren bedoeld, schreef de namen van de overledenen op de enveloppen, en maakte er keurig en respectvol stapels van in het hoofdkantoor. Binnen een paar dagen vulden de enveloppen een hele zijde van het geïmproviseerde heiligdom.

Een maand na de explosie was er weer zoiets als orde in het ziekenhuis tot stand gebracht. De patiënten die nog altijd in de gangen lagen, hadden op zijn minst matjes om op te slapen en de voorraad medicijnen, die al in de eerste dagen was opgeraakt, was aangevuld met bijdragen uit andere steden, zij het ontoereikend. Dokter Sasaki, die tien kilo van zijn toch al kleine lichaam was kwijtgeraakt en nog altijd de geleende bril droeg, en zijn collega's in het Rode-Kruisziekenhuis keken toe hoe een nieuwe ziekte zich ontwikkelde, de stralingsziekte. Ze kwamen tot de conclusie dat ze drie fasen had.

De eerste fase was al voorbij voor de artsen zelfs maar in de gaten hadden dat ze met een nieuwe ziekte te maken hadden: het was de directe reactie van het lichaam op het bombardement met neutronen, bètadeeltjes en gammastralen, direct na de explosie van de bom. De schijnbaar ongedeerde mensen die in de eerste uren of dagen zo mysterieus waren gestorven, waren bezweken in deze eerste fase. Ze doodde 95 procent van de mensen binnen de 800 meter van het centrum, en vele duizenden die zich verder weg bevonden. De artsen beseften achteraf dat de meesten van deze doden, ook al hadden ze ook brandwonden en letsels van de drukgolf, zoveel straling hadden geabsorbeerd dat ze eraan stierven. De stralen verwoestten simpelweg lichaamscellen - hun kernen gingen erdoor woekeren en hun wanden braken erdoor af. Veel mensen die niet meteen stierven, kregen last van misselijkheid, hoofdpijn, diarree, malaise en koorts, wat een paar dagen aanhield. De artsen wisten niet zeker of deze symptomen het gevolg waren van de straling of van de shock.

De eerste fase van de stralingsziekte doodde 95 procent van de mensen binnen de 800 meter van het centrum.

De tweede fase begon tien tot vijftien dagen na het bombardement. Het eerste symptoom was haaruitval. Daarna kwamen diarree en koorts, die kon oplopen tot 41 graden. Vijfentwintig tot dertig dagen na de explosie verschenen de bloedafwijkingen: bloedend tandvlees, een scherpe daling van het aantal witte bloedlichaampjes, en petechieën - kleine, puntvormige bloedingen - op de huid en de slijmvliezen. De daling van het aantal witte bloedcellen verminderde de afweer van de patiënt tegen infecties, dus genazen open wonden meestal heel traag en veel zieken kregen last van ontstoken monden en kelen.

De derde fase was de reactie die optrad als het lichaam zijn best deed zijn kwalen te boven te komen - als bijvoorbeeld het aantal witte bloedcellen niet alleen weer normaal werd, maar zelfs ver boven het normale niveau uitsteeg. In deze fase stierven veel patiënten aan complicaties, zoals infecties in de borstholte. De meeste brandwonden genazen met dikke lagen roze, rubberachtig littekenweefsel, keloïden genoemd. De duur van de ziekte varieerde afhankelijk van de conditie van de patiënt en de hoeveelheid straling die hij had opgelopen. Sommige slachtoffers herstelden in een week; bij anderen sleepte de ziekte maanden aan.

De ziekte had een paar onthutsende eigenaardigheden. Niet alle patiënten vertoonden alle hoofdsymptomen. Mensen met brandwonden waren in een aanzienlijke mate beschermd tegen stralingsziekte. Mensen die uren of zelfs dagen na het bombardement rustig hadden gelegen, hadden veel minder kans om ziek te worden dan mensen die actief waren geweest. Grijs haar viel zelden uit. En alsof de natuur de mensheid tegen haar eigen vernuft in bescherming nam, bleek het voortplantingsproces voor lange tijd aangetast: mannen werden onvruchtbaar, vrouwen kregen miskramen, de menstruatie hield op.

Het kostte het Rode-Kruisziekenhuis een half jaar, en dokter Sasaki zelfs nog langer, voor alles weer normaal was. Zolang de stad het stroomnet nog niet had hersteld, moest het ziekenhuis zich redden met een generator van het Japanse leger in de achtertuin. Operatietafels, röntgenapparaten, tandartsstoelen, alles wat ingewikkeld en essentieel was, kwam langzaam als liefdadigheid binnengedruppeld uit andere steden.

In Japan is aanzien zelfs voor instituties belangrijk, en lang voordat het Rode-Kruisziekenhuis weer de meest basale medische apparatuur in huis had, hadden de directeuren een nieuwe buitengevel van gele baksteen laten neerzetten, waardoor het ziekenhuis het mooiste gebouw van heel Hiroshima werd - vanaf de straat gezien. Dokter Sasaki was de eerste vier maanden de enige chirurg onder het personeel en hij kwam het gebouw nauwelijks uit. Daarna begon hij geleidelijk aan weer aandacht voor zijn eigen leven te krijgen. Hij trouwde in maart. Hij kwam weer wat aan, maar zijn eetlust bleef matig. Voor het bombardement at hij altijd vier rijstballetjes bij elke maaltijd, maar een jaar later kreeg hij er niet meer dan twee weg. Hij voelde zich voortdurend moe. 'Maar ik moet me realiseren dat de hele gemeenschap moe is,' zei hij. Maar een jaar nadat de bom gevallen was, kon hij nog altijd minder werk aan.

In Japan is aanzien belangrijk, en lang vóór het ziekenhuis weer medische apparatuur had, had het al een nieuwe gevel.

DE NASLEEP

Dokter Terufumi Sasaki werd nog steeds gekweld door herinneringen aan die verschrikkelijke dagen en nachten direct na het bombardement - herinneringen waar hij zijn hele leven van af zou proberen te komen. Naast zijn werk als chirurg in het Rode-Kruisziekenhuis ging hij nu ook elke donderdag dwars door de stad naar de Universiteit van Hiroshima om aan zijn proefschrift over blindedarmtuberculose te werken. Zoals gebruikelijk in Japan had hij meteen na zijn afstuderen zijn eigen praktijk mogen beginnen. Het kostte de meeste jonge assistenten nog eens vijf jaar studie om te promoveren - in dokter Sasaki's geval zou het om verscheidene redenen tien jaar gaan duren.

Dokter Sasaki's werk als chirurg in het Rode-Kruisziekenhuis in de vijf jaar erna bestond vaak uit het verwijderen van keloïden: afzichtelijk lelijke, dikke, jeukende, rubberachtige, koperrode, krabachtige uitwassen die zich vaak hadden gevormd op ernstige brandwonden van hibakusha's (de overlevenden van de bombardementen op Hiroshima en Nagasaki, red.), vooral bij slachtoffers die binnen twee kilometer van het hypocentrum aan de enorme hitte van de bom blootgesteld waren geweest. Voor de aanpak van die keloïden was geen betrouwbare literatuur om op terug te vallen. Sasaki en zijn collega's ontdekten dat de uitstulpende littekens na verwijdering vaak terugkwamen. Sommige raakten ontstoken als ze niet werden verzorgd, andere veroorzaakten verstijving van de onderliggende spieren. Zijn collega's en hij kwamen uiteindelijk schoorvoetend tot de conclusie dat ze de meeste keloïden niet hadden moeten opereren. De littekens bleken na verloop van tijd vaak spontaan te krimpen en konden dan makkelijker worden weggesneden, als dat al nodig was.

In 1951 besloot dokter Sasaki te stoppen met zijn werk in het ziekenhuis, met zijn vreselijke herinneringen, om net als zijn vader in Mukaihara een privékliniek te beginnen. Hij was ambitieus. Hij had een oudere broer die, zoals gebruikelijk was in Japanse artsenfamilies, de praktijk van zijn vader had moeten overnemen. Maar zijn broer was gesneuveld, dus de weg lag open voor hem - niet alleen om een praktijk te beginnen in zijn vaders dorp, maar ook om zich terug te trekken uit Hiroshima en in wezen niet langer een hibakusha te zijn. De volgende vier decennia zou hij nooit met iemand over de uren en dagen na het bombardement praten.

In 1954 bouwde hij binnen de omheining van het wooncomplex van zijn schoonfamilie een fatsoenlijke kliniek. Het gebouw had een verdieping, telde negentien bedden en had al met al een vloeroppervlak van tweehonderdtachtig matten. Hij financierde de bouw met een lening bij de bank van 300.000 yen en door hout van het land dat hij van zijn grootvader had geërfd te verkopen. In de nieuwe kliniek, waar hij vijf verpleegsters en drie stagiaires had en waar hij onafgebroken zes dagen per week van half negen 's ochtends tot zes uur 's avonds werkte, bleef het hem voor de wind gaan.

Al lang hiervoor hadden artsen in Hiroshima ontdekt dat de blootstelling aan de bom veel ernstigere gevolgen had dan de spectaculaire traumatische wonden en keloïden in het begin. De hevige symptomen van stralingsziekte namen bij de meeste patiënten na verloop van tijd af, maar al snel bleek dat de hibakusha's te lijden hadden onder ernstigere en veel gevaarlijkere gevolgen van de enorme hoeveelheid straling die de bom hun had uitgedeeld. Bovendien was het tegen 1950 duidelijk dat onder hibakusha's veel meer gevallen van leukemie voorkwamen: onder de mensen die binnen een kilometer van het hypocentrum blootgesteld waren geweest, lag het aantal gevallen tussen de tien en vijftig keer hoger dan normaal.

In de loop der jaren werden de 'paarse vlekjes', piepkleine bloedinkjes die symptomatisch zijn voor leukemie, een gevreesde verschijning onder hibakusha's. Later deden zich naast leukemie ook andere vormen van kanker voor, met een langere latentietijd, in hogere mate dan normaal: carcinoom van de schildklier, de longen, de borst, de speekselklieren, de maag, de lever, de urinewegen en de mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen. Sommige overlevenden - zelfs kinderen - ontwikkelden wat een atoombomcataract werd genoemd. Blootgestelde kinderen vertoonden groeistoornissen en één van de schokkendste ontdekkingen was dat sommige kinderen die ten tijde van het bombardement in de buik van hun moeder hadden gezeten, geboren werden met een abnormaal klein hoofd.

BIJNA DOOD

Omdat bekend was dat straling de genen van laboratoriumdieren aantastte, verspreidde zich onder hibakusha's de angst dat toekomstige nakomelingen van overlevenden onder mutaties te lijden zouden hebben. (Pas eind jaren 60 bleek bij analyses inderdaad dat overlevenden van Hiroshima en Nagasaki een paar chromosoomafwijkingen vertoonden, en het zou natuurlijk nog veel langer duren voor men kon zeggen of dit gevolgen had, en zo ja welke, voor hun nageslacht.) Er was een aantal ziekten, minder levensbedreigend dan kanker, waarvan veel dokters - en de meeste mensen die eraan leden - dachten dat ze het gevolg waren van blootstelling aan de bom: verschillende soorten bloedarmoede, leverfalen, seksuele problemen, endocriene stoornissen, versnelde veroudering, en de niet-echt-zieke, maar wel onmiskenbare vermoeidheid waar veel hibakusha's over klaagden.

Dokter Sasaki, die zelf nergens last van had behalve van het laatste, besteedde weinig aandacht aan de onthullingen. Hij volgde ze niet nauwgezet in de geneeskundige tijdschriften. In zijn dorp in de heuvels behandelde hij weinig hibakusha's. Hij leefde omsloten door de tegenwoordige tijd.

In 1963 wilde dokter Sasaki zich laten bijscholen in de laatste ontwikkelingen op het gebied van de anesthesie en hij ging naar het Rode-Kruisziekenhuis in Yokohama om les te krijgen van de directeur-generaal, dokter Tatsutaro Hattori. Dokter Hattori was als hoofdchirurg dokter Sasaki's baas geweest in het ziekenhuis in Hiroshima; na het bombardement had hij stralingsziekte gekregen en was hij naar Yokohama verhuisd. Dokter Hattori stelde voor dat dokter Sasaki, nu hij er toch was, zich net zo goed eens grondig kon laten onderzoeken met de meest geavanceerde apparatuur. Op een tomografische scan van zijn borst was een schaduw op de linkerlong te zien. Dokter Sasaki rookte. Zonder in te gaan op wat hij had gelezen over het voorkomen van longkanker onder hibakusha's, wellicht in de veronderstelling dat dokter Sasaki daar alles van zou weten, raadde dokter Hattori aan een biopsie te laten doen. Dat gebeurde, en toen dokter Sasaki bijkwam uit de narcose, ontdekte hij dat zijn hele linkerlong was verwijderd.

Een paar uur na de operatie brak er een ligatuur in een van de bloedvaten naar de borstholte en dokter Sasaki had bijna een week lang ernstige bloedingen. Tegen het eind van die week, toen hij maar bloed bleef ophoesten en onrustbarend zwak werd, verzamelde zich op een dag rond zijn bed een groepje dat hij als een dodenwake interpreteerde: zijn vrouw, dokter Hattori, de hoofdzuster en een paar verpleegsters. Hij bedankte hen, nam afscheid van zijn vrouw en stierf.

Tenminste, dat dacht hij. Een tijd later kwam hij weer bij en bleek hij aan de beterende hand te zijn.

Later zou dokter Sasaki die ervaring als de belangrijkste van zijn leven gaan beschouwen - belangrijker dan het bombardement. Toen hij dacht dat hij stierf, had hij een afschuwelijke eenzaamheid gevoeld en hij deed nu zijn best nader tot zijn vrouw en kinderen te komen, twee zonen en twee dochters. Een tante deed hem op een dag perplex staan door te zeggen: 'Je boft, Terufumi. Immers, i wa jinjutsu - geneeskunde is de kunst van het medeleven.' Hij had nooit stilgestaan bij de betekenis van dat gezegde, dat alle jonge Japanse dokters tijdens hun opleiding ingeprent krijgen. Hij nam zich voor om voortaan kalm en beheerst te zijn, en alles voor een patiënt te doen wat in zijn vermogen lag. Hij zou proberen aardig te zijn voor mensen aan wie hij een hekel had. Hij zou de jacht en mahjong, een Chinees gezelschapsspel, opgeven. Zijn vrouw zei: 'Je bent als veertiger volwassen geworden. Ik werd volwassen toen ik een twintiger was.'

Hij bleef roken.

In 1972 stierf dokter Sasaki's vrouw aan borstkanker, de derde crisis in zijn leven. Hij kende nu een ander soort eenzaamheid die verbonden was met de dood, één die blijvend en intens was. Hij stortte zich onvermoeibaarder dan ooit op zijn werk. Door de dood van zijn vrouw en zijn eigen bijna-dood, en door het besef dat hij niet jong meer was, begon hij na te denken over oude mensen en hij besloot een veel grotere nieuwe kliniek voor geriatrie te bouwen. Deze tak van de medelevende geneeskunst trok een paar van de bekwaamste Japanse artsen en bleek ook nog eens reuzelucratief te zijn. Tegen vrienden die hem uitlachten omdat hij volgens hen zijn hand had overspeeld, zei hij dat iedereen van boven de 60 kwalen en pijntjes had, dat iedereen die zo oud was massage, warmtetherapie, acupunctuur en de troost van een vriendelijke arts nodig had - ze zouden bij bosjes komen.

Op een stuk land aan de rand van de stad zette hij met dit geld een imposant, drie verdiepingen tellend betonnen gebouw neer, met negentien bedden voor intern verpleegde patiënten en uitgebreide revalidatiefaciliteiten, en ook een schitterend appartement voor hemzelf. Als personeel nam hij drie acupuncturisten, drie therapeuten, acht verpleegsters en vijftien broeders en onderhoudsmannen aan.

Hij had gelijk wat de bosjes betrof. Ook nu weer werkte hij van half negen tot zes, zes dagen per week, en hij zag gemiddeld 250 patiënten per dag. Sommigen kwamen van ver, uit steden als Kure, Ondo en Akitsu, aan de kust, anderen uit dorpjes uit de hele prefectuur. Hij maakte gebruik van de gigantische belastingaftrek waar Japanse artsen recht op hadden en spaarde enorme bedragen. Zijn leven was voor 100 miljoen yen verzekerd; hij was voor 300 miljoen yen verzekerd voor medische fouten. Hij reed in een witte BMW. In zijn woonkamer stonden zeldzame vazen op de kasten.

Als er herinneringen aan vroeger in hem opkwamen, dan kon dokter Sasaki nu leven met het enige waar hij echt spijt van had: dat het in die eerste dagen na het bombardement niet helemaal was gelukt om in de chaos van het Rode-Kruisziekenhuis de identiteit bij te houden van de lijken die naar de massacrematies werden gesleept, met als gevolg dat die naamloze zielen daar misschien al die jaren later nog steeds ronddoolden, verwaarloosd en boos.

John Hersey, 'Hiroshima', Meulenhoff

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234