De eeuwelingen van Vlaanderen (2): 'Een mens is geneigd om stomme dingen te doen. Dat blijft zo, ook op je 100ste'

De ene 100-jarige is de andere niet. Terwijl zuster Aleidis nog moeiteloos kostbare anekdotes van decennia geleden kan opdiepen, begint het geheugen van Ida Beirnaert al wat op gatenkaas te lijken. Maar bij allebei zijn we even welkom en worden we getrakteerd op koekjes en stokoude gedichten. ‘Iedereen die hier op het kerkhof ligt, heb ik nog gekend. Dat heb je, als je zo oud wordt.’

> Lees ook deel 1

Als we haar kamertje in het woonzorgcentrum betreden, zit Ida Beirnaert te dommelen in haar zetel. Het is haar favoriete bezigheid, behalve wanneer er wat te vieren valt.

Marina (schoondochter) «Als ze me de week na haar 100ste verjaardag hadden gebeld om te zeggen dat ze was overleden, ik had het direct geloofd. Ze was uitgeput van al het feesten. Drie keer hebben we haar verjaardag gevierd: de eerste keer op de dag zelf, hier in het rusthuis. Daarna met een misviering in haar dorp Oppuurs, gevolgd door een receptie van de gemeente. Op zondag was dan het grote familiefeest. Ze heeft er zo van genoten.»

Ida Beirnaert «Ja, dat was goed. Maar het kan plots gedaan zijn, hè. Mijn schoonzus was er ook. Ze was nog heel goed, maar drie weken later was ze dood. Gewoon, ’s nachts in haar slaap overleden. Mooie dood, dat wel. Ik zou willen dat ik ook zo kan gaan. Maar ik heb geen schrik om te sterven. Dat gaat allemaal goed gaan.»

Heel veel herinnert Ida zich niet van de voorbije eeuw, beweert ze. Maar met de hulp van Marina wil ze wel in de ton van haar geheugen grabbelen.

Beirnaert «Ik ben geboren te Zele, op 11 maart 1919. Ik was de vierde jongste in een gezin van twaalf kinderen. Er waren vijf jongens en zeven meisjes. Eén manneke is gestorven, maar ik heb hem nooit gekend.

»Mijn ouders waren boerenmensen. Het hele gezin had z’n werk thuis – op een ander moesten we niet gaan. We hadden veel land, 18 hectare. Mijn vader was klein begonnen en had zo, stillekesaan, land bijgekocht. We hadden wel twintig koeien. Nu is dat niks meer, maar toen was dat nog veel. Ik melkte de koeien. Dat kun jij ook, hè, Marina.»

Marina «Nee, moe. Mijn grootouders waren boeren, maar mijn ouders niet meer.»

Beirnaert «Ik werkte graag op het land. In die tijd werd er nog vlas gezet. Daar mochten geen vuilekes (onkruid, red.) tussen staan. Op onze knietjes trokken wij dat eruit. Daarna trokken ze het vlas uit en zetten ze het in bundeltjes. En dan werd het te veldroten gelegd. Dan hielden ze het tegen een zwingelaar en wat overbleef, was het vlas. Klodden noemden ze dat. Maar die hele vlasindustrie is tenietgegaan. Alleen in Kortrijk doen ze dat nog, geloof ik.»

HUMO Was het niet koud om ’s winters als kind op het land te werken?

Beirnaert «Ja, maar dat ging wel. Als we het koud hadden, dan sloegen we met onze armen om ons lijf. Ik weet nog goed: onze kelder lag vol patatten. Daar moesten wij dan de scheuten aftrekken. Op een boerderij is er altijd werk.

»Naar school ging ik ook, tot mijn 14de. Ik ging graag naar school. Het was pertank een heel eind stappen. En ’s middags gingen we naar huis om te eten. Ik heb neig gestapt als kind, maar het was altijd plezant onderweg, met onze kameraden.

»Het leren ging me goed af. Ik was zeker niet de beste, maar ik deed toch mijn ding. We moesten wel goed luisteren, anders kregen we een tik van de regel. Daar hadden we schrik van. Da’s nog altijd zo, zeker? Kinderen blijven kinderen, hè.»

Marina «Vertel eens van uw gedicht, moe.»

Beirnaert «Ik kan nog altijd een gedicht opzeggen dat ik op school heb geleerd. Ik geloof dat het in 1923 was. Het ging over de drie koningen: Leopold I, Leopold II en Albert. Je weet wel, Albert die met Elisabeth was getrouwd. Hij is van een berg gevallen in Marche-les-Dames. Zal ik het eens opzeggen?»

En dan steekt ze plechtig van wal: ‘Honderd jaar. Daar gingen honderd jaar voorbij, in lust en vree. En brachten grond en schoonheid mee. En het vaderland in fierheid onafhankelijk...’ Minutenlang gaat ze door, zonder ook maar één keer te haperen. Ze eindigt met een parmante: ‘O, vorstelijke boom, gegroet.’

Beirnaert «Da’s een lang gedicht, hè. Dat zit in mijn geheugen.»

HUMO Bent u fan van ons koningshuis?

beirnaert «Ja. Koningen en koninginnen zullen er altijd zijn. Ze moeten ons land besturen. Ik heb zelfs een kader gekregen van onze koning en koningin voor mijn 100ste verjaardag. Daar ben ik heel fier op.»

HUMO Was er in uw kindertijd nog tijd om te spelen?

Beirnaert «Spelen? O, nee. En op straat spelen mochten we sowieso niet: we moesten van moeder en vader op ’t hof blijven. Ze waren streng. Maar ik kwam goed overeen met mijn broers en zussen. Ruziemaken, dat kenden wij niet.

»Lang heb ik niet thuis gewerkt: op mijn 21ste ben ik getrouwd en naar Oppuurs verhuisd. Daar heb ik zelf zes kinderen gekregen. Ik had maar één meisje, al de rest waren jongens. Twee zijn dood. Dat is erg, kind. Tegen dat ik daarover was! Het is al geleden van in de jaren 80, maar ik denk nog elke dag aan hen: hoe is het toch mogelijk? En ik bid nog veel voor hen. Maar ja, je moet erdoor. Er is niks aan te doen. Ik ben mijn kinderen kwijt.»

HUMO Weet u nog op wat voor boerderij u bent opgegroeid?

Beirnaert «Het was een grote boerderij, met veel kamers. Water hadden we ook, maar dat moest je pompen. Ik heb er altijd ellentriek geweten – van een petroleumlamp weet ik weinig. Een auto hadden we niet: mijn vader heeft nooit leren rijden. Ik heb het ook nooit gedurfd. Een fiets hadden we wel: voor alle kinderen was er één fiets, om te delen.

»Pas toen ik een jaar of zes getrouwd was, hebben mijn man en ik een auto gekocht. We hadden direct een camion moeten kopen om onze beesten in te laden. Dat was veel beter geweest, in plaats van al ons geld aan een luxeauto uit te geven. Spijtig.»

HUMO Hadden jullie op de boerderij altijd goed te eten?

Beirnaert «Wij kwamen niks tekort. We hadden een huizeke op ’t hof staan en daarin werd gekookt. In een huishouden met twaalf kinderen moet je wel zoiets hebben. Mijn moeder maakte alles klaar, samen met mijn oudste zus. Hesp, biefstuk, dat was allemaal goed voor mij. Ik heb dat nog steeds: het liefst van al eet ik vlees. (Tegen Marina) Vanochtend ben ik beneden gaan eten: boterhammen met vlees. Véél vlees. Dat eet ik liever dan confituur.»

HUMO Vond u het als kind niet erg dat uw eigen koeien op uw bord terechtkwamen?

Beirnaert «Zeker niet! Ik ben zelfs getrouwd met een veehandelaar. We hadden elkaar leren kennen bij ons op ’t hof, toen hij beesten kwam kopen. Hij was wel zeven jaar ouder dan ik, maar het was een goed mens. Hij zag zijn kinderen zo graag. Hij is 83 jaar mogen worden. Dat is een schone ouderdom. 100 jaar zoals ik, dat valt niet veel voor. Ik verschiet er soms zelf van dat ik zo oud ben geworden. En zonder ziek te worden! Ik heb wel een nieuwe knie en een nieuwe heup, maar een ziekte waarvan je doodgaat, nee, dat niet. Onze-Lieve-Heer heeft mij ervan gespaard.

»Toen ik trouwde, ging ik op de boerderij van mijn man wonen. Ik heb altijd meegeholpen. We hebben hard gewerkt. We hadden een heel goed ras van koeien.»

Marina «Ze hebben veel prijzen gewonnen met hun dieren.»

Beirnaert «We waren altijd eerlijk. En als je eerlijk bent, dan marcheert je zaak. Ik heb het altijd graag gedaan. En het was gezond werk: je zat altijd buiten.»

HUMO Wat herinner je je nog van de Tweede Wereldoorlog?

BEIRNAERT «Weinig. Een neef van mij is in Lokeren gedood door de vliegende bommen. Toen is mijn oudste broer met zijn weduwe getrouwd. Een paar van mijn broers zijn wel soldaat geweest. Mijn man niet: hij was de oudste, en als er zes kinderen waren, dan moest de oudste niet gaan. Duitsers heb ik niet echt gezien. De broer van mijn man wel: hij is moeten gaan lopen voor de Duitsers. Hij was beenhouwer en slachtte zelf dieren, maar dat mocht niet. Ze hebben hem nog achtervolgd, maar hij kon hard lopen.»

HUMO Wat deed u in uw vrije tijd?

Beirnaert «Kousen stoppen. En kaarten. Op die foto zie je me kaarten met mijn man. Potten heette dat. Wiezen en pandoeren deden we ook. Na mijn pensioen ging ik met de gepensioneerden kaarten.

»Over de cinema kan ik niet klappen. Daar mocht ik van mijn vader niet naartoe. Televisie hadden we wel, maar veel tijd om te kijken had ik niet: iemand moest die zes kinderen grootbrengen.»

HUMO Op reis gingen jullie dus ook niet?

Beirnaert «Jawel. Ik ben drie keer in Lourdes geweest: in ’80, in ’85 en in ’92. Voor de rest ben ik nooit weggeweest. Dat was met de trein. Ik deed het graag: dan waren we toch acht dagen weg.

»Het Atomium heb ik ook nog gezien, toen ik met de gepensioneerden naar Brussel ging, maar over de Expo kan ik niks vertellen: dat ben ik vergeten. Ach ja, ’t is allemaal voorbij. Als het straks beter weer wordt, dan ga ik met mijn rollator wandelen.»

Marina «Als ze haar hier niet vinden, dan weten ze waar ze moeten zoeken: tussen de velden, achteraan in de straat.»

Beirnaert «Dan ga ik daar op een bankje zitten. Ik zit graag in het veld. Vlas staat er niet meer, maar tarwe en maïs... Daar kunnen ze ook van alles mee maken.»

En met een ‘Ja, kind, het is zo’ leunt ze achterover in haar zetel. Ze is aan het eind van haar bobijntje, tijd om weer wat te dommelen. En dan vertelt ze nog een laatste keer dat ze vanochtend boterhammen mocht gaan eten beneden. Met vlees, véél vlees. Want confituur heeft ze niet zo graag.

Marina «Vertel eens wat je nog niet zo lang geleden hebt leren eten, moe. Dat had je nog nooit geproefd.»

Beirnaert «Oesterkes! Dat is lekker. Mijn zoon Gaston kan dat goed prepareren, met wat peper en citroen. Als dat er niet op was, zou het zo goed niet smaken.»


Afgelikte pieren

Het kloosterleven doet wonderen voor een mens. Zuster Aleidis is daar een stralend voorbeeld van: in oktober wordt ze 101, maar wanneer ze de deur van het Franciscanessenklooster opent, schatten we haar amper 99. Haar rollator schuift ze al snel aan de kant. ‘Het is normaal dat de carrosserie wat versleten is, na 100 jaar dienst, maar mijn babbel is nog goed.’ En meteen steekt ze van wal.

'Mijn ouders waren streng. Op straat spelen mochten we niet. Maar ik kwam goed overeen met mijn broers en zussen. Ruziemaken, dat kenden wij niet.'

Zuster Aleidis «Hebt u al van de Spaanse griep gehoord? Dat was ’t één en ’t ander, in 1918. Ik ben te vroeg geboren, omdat mijn moeder doodziek was. Ze hadden haar zelfs al berecht. Vader heeft toen tot Onze-Lieve-Heer gebeden: ‘Alstublieft, als U mijn vrouw en kind laat leven, dan leg ik mijn pijp zeven jaar weg.’ Moeder is genezen en ik ben ook blijven leven. Na zeven jaar heeft hij z’n pijp teruggenomen, maar toen wisten de mensen nog niet dat roken niet goed was.

»Ik was de vijfde van veertien kinderen, acht jongens en zes meisjes. Als kind heb ik nooit geweten dat moeder zwanger was. Met haar lange kleed en schort zagen wij dat niet. Het enige wat ons opviel, was dat tante Anna altijd toevallig kwam logeren. Als zij kwam, dan zeiden we tegen elkaar: ‘Zou er nog een broertje of zusje bij komen?’»

HUMO Hoeveel van uw broers en zussen zijn nog in leven?

Zuster Aleidis «Alleen mijn jongste zus en ik. De rest is al thuisgekomen bij Onze-Lieve-Heer. Ik weet dat mijn hele familie hierboven op mij zit te wachten. Dat maakt het leven voor mij zinvol: er is een toekomst.

»Thuis moesten we al vroeg helpen. Ik hoor moeder nog zeggen: ‘Er is niemand die beter kousen kan mazen dan ons Rosa.’ Toen heette ik zo. Weet je wat mazen is? Dat is de breisteken na- en aanmaken. Ik was zo fier toen ze dat zei. Voor de rest was ik een grote kwajongen. Niemand kon zijn schoenen rapper verslijten dan ik. Ik moest altijd de eerste zijn, als ik koers liep met de jongens.»

HUMO Wat voor speelgoed hadden jullie?

Zuster Aleidis «Van alles. Een koffieservies om kokeneten te spelen, poppen, een diabolo, ballen, knikkers... Als vader thuis was, vertelde hij sprookjes. Dan smeekten we hem: ‘Va, vertel nog eens iets waarvan we kunnen gribbelen.’ Onze vader kon nogal vertellen. Tegenwoordig zitten kinderen vooral binnen. Wij speelden liever buiten. Hoe vaak hebben we bij de beek kikkerdril zitten zoeken! Thuis spitte vader graag in zijn hof. De pieren die hij naar boven spitte, voederden wij aan de kippen. ‘Niet doen,’ zei vader, ‘dat is vuil.’ Dan antwoordde ik: ‘Nee va, ik heb hem eerst afgelikt.’ (lacht) Ik was nogal een kapoen.

'Wij luisterden altijd als kinderen. 'Nee' of 'ik heb geen goesting', dat zei je niet tegen je ouders.'

»Waren mijn broers vandaag geboren, dan waren verschillenden van hen naar de universiteit gegaan. Maar de tijden waren anders: alleen de zonen van de dokter, de burgemeester of de notaris gingen studeren. Vader was een eenvoudige man, maar wel een slimmerik. Hij was opgeklommen van onderwijzer tot inspecteur van het onderwijs. Daarom moesten we vaak verhuizen: naar Bosvoorde, Lier, Haaltert, Mechelen.

»In Lier woonden we in het begijnhof. In een klein straatje dat het Hemdsmouwken heette, bakten de begijntjes de hosties. Met de overschotjes, die ze daar verkochten, speelden wij kokeneten.»

HUMO Nu liggen de winkels vol met fruit en groenten van over de hele wereld, van gojibessen tot chiazaad – daarmee hoopt de moderne mens 100 te worden. At u als kind al exotisch fruit?

Zuster Aleidis «Appelsienen, maar die aten we alleen met Sinterklaas. In die tijd kwam de sint niet op school, alleen thuis. Dan lagen we in ons bedje: ‘Ik ruik precies appelsienen.’ En dan wisten we dat hij was gekomen. Als we verjaarden, dan mochten we een kilo karamellen of bollen gaan kopen. Chocolade aten we ook, bij onze boterham. (Glimlacht bij de gedachte) Ik heb een plezante jeugd gehad.

'Mijn vader wees naar een vrouwtje dat de toiletten aan het kuisen was, naast een chique meneer: 'Kijk, mannekes, die twee zijn evenveel waard' ''

»We woonden altijd in grote huizen, met hoge plafonds. Elektriciteit was er in het begin nog niet. In Lier ging er ’s avonds zelfs nog iemand de stad rond, om de straatlantaarns aan te steken. Gingen we slapen, dan was het met een kaarsje of de petroleumlamp. Verwarming boven bestond nog niet, een badkamer evenmin. We hadden een groot zinken bad, waar we met z’n vieren of vijven tegelijk ingingen. Mijn vader heeft nog tijdens vergaderingen gezegd: ‘Ik moet naar huis, want ik moet mijn vrouwke helpen met het bad voor de kinderen.’ In bad gaan was een familiegebeuren.

»Moeder was een heel knappe. Ze wilde graag normaalschool volgen om onderwijzeres te worden, maar uit onderzoeken was gebleken dat ze niet goed hoorde. Toen heeft de directrice haar afgeraden om klasjuffrouw te worden – hoorapparaten bestonden nog niet. Ze is dan maar huismoeder gebleven en heeft altijd voor de kindjes gezorgd. Nu hebben vrouwen een wedde nodig, alleen maar om de kinderen te kunnen uitbesteden. Dat was vroeger niet. Wij waren altijd thuis en aten samen aan een lange tafel. Echt een huiselijke sfeer. Dan zei vader: ‘De kleintjes moeten zwijgen.’ Meepraten aan tafel mocht je pas als je wat ouder werd.

»Mijn zuster Maria hielp mijn moeder in het huis, terwijl ik gewoonlijk met de kleintjes moest spelen en met hen gaan wandelen. Irma mocht voor de allerkleinste zorgen. Ik mocht dat niet vaak. Als het kindje niet schreide, dan vond ik er niet zoveel aan. Dan pakte ik het eens vast, zodat het begon te schreien. Ik zei het al: ik was een kapoen.»

HUMO Waren uw ouders streng?

Zuster Aleidis «Wij luisterden altijd. ‘Nee’ of ‘ik heb geen goesting’, dat zei je niet tegen je ouders.

»Met onze plechtige communie gingen we op uitstap naar het Gravensteen in Gent. In die tijd maakten de mensen nog niet zulke grote reizen. Terwijl we op de trein stonden te wachten, wees mijn vader naar een vrouwtje dat de toiletten aan het kuisen was, naast een chique meneer: ‘Kijk, mannekes. Die twee zijn evenveel waard en we hebben ze even hard nodig.’ Vader leerde ons al heel jong geen onderscheid te maken tussen de mensen. Tegenwoordig moet iedereen naar de universiteit. Waarom? Sommigen zijn knoeiers op de universiteit, terwijl ze als technieker heel bekwaam zouden zijn. Iedereen is anders.

»Maar vraagt u nu nog maar iets, want ik babbel maar door. Straks zegt u nog: ‘Wat een babbelkous is me dat.’»

HUMO Vertelt u eens over deze plek: u hebt de school naast het klooster uit de grond helpen stampen. Vandaag is het nog altijd een school van het buitengewoon onderwijs, maar in uw tijd heette dat niet zo.

Zuster Aleidis «Mijn ouders hebben me op mijn 14de naar een strenge normaalschool in Herentals gestuurd. Misschien wilden ze zo de speelvogel uit mij krijgen. Toen ik ben afgestudeerd, hadden ze in Strijtem pas een instituut geopend voor abnormalen – toen noemden ze dat nog zo, nu moet je ‘mensen met een beperking’ zeggen. Aan de directrice in Herentals had het instituut gevraagd of ze geen twee flinke, knappe meisjes had die hier konden komen werken. Zo ben ik hier beland. Ik was 19.

»Mijn ouders begrepen niet goed waarom ik hier wilde beginnen. ‘Weet je wel waar dat ligt, Strijtem (in het Vlaams-Brabantse Roosdaal, red.)?’ vroeg mijn moeder. Ik ben dan maar een kijkje komen nemen. Die sukkeltjes hebben me zo hard gepakt. Op weg naar huis zat ik zo erg met die kinderen in mijn hoofd dat ik zelfs de verkeerde trein heb genomen. Mijn ouders hebben me mijn goesting laten doen.»

HUMO Wanneer kwamen kinderen hier op kostschool?

Zuster Aleidis «Als ze op een gewone school niet konden volgen en al drie keer in dezelfde klas hadden gezeten, bijvoorbeeld. Of als ze thuis niet werden verzorgd. Daar konden die kinderen niet aan doen. Sommigen werden hier door justitie geplaatst. Er zaten hier ook mongooltjes, maar nu heet dat het syndroom van Down. Vroeger werden die kinderen niet ouder dan 15 of 16. Bijna allemaal overleden ze door een hartanomalie of een anomalie van de longen. Pas toen de penicilline is gekomen na de oorlog, is hun levensverwachting beginnen te stijgen.

»Vóór er instituten zoals dit bestonden, bleven veel sukkelaartjes thuis. Waren ze flink, dan mochten ze soms in een gewoon schooltje blijven. Waren ze stout, dan leerden ze niks. Soms gingen ze naar een verbeteringsschool – dat bestond toen wel – maar daar zaten ze niet op hun plaats. Sommigen waren gewoon wat overbeweeglijk, maar dat was ik ook. Ik liet ze op tijd en stond lopen en springen, dan konden ze er weer tegenaan in de klas.

»De leerlingen die handig waren, gaf ik taakjes: ze mochten aalbessen helpen plukken of aardappelen schillen. Op zaterdag schilden we tien emmers. Intussen zongen we liedjes. Die kinderen konden goed zingen. We hadden zelfs een zangkoor. Ooit heeft dat koor op de Grote Markt in Brussel opgetreden. Maar de man die hen moest aankondigen, was zo stom om te zeggen: ‘En nu het koor van de gehandicapten.’ Ik hoor Elsje nog kwaad zeggen: ‘Niks aan de handen gekapt!’»


Vrouwenkousen

Zuster Aleidis «Toen ik hier begon, waren we met drie leken. We deden alles: we gaven les, speelden met de kinderen, gaven ze te eten, wasten ze en deden ’s nachts de slaapzaal. We gingen maar één keer per maand naar huis, maar dat vonden we niet erg: we hadden deugd van ons werk. Toen ik thuis ging zeggen dat ik hier wilde blijven en intreden, zei mijn vader: ‘Maar je hebt nog niet eens een jongen gezien.’ ‘Maar va,’ zei ik, ‘ik heb acht broers.’ Hij vond me nog te jong. Zodra ik 21 werd, ben ik toch ingetreden.»

HUMO Bent u heel gelovig opgevoed?

Zuster Aleidis «Ze waren thuis wel vroom, maar niet overdreven. ’s Avonds een tientje bidden was genoeg. We kregen wel elke avond een kruisje van vader en moeder, en op zaterdagavond luisterden we samen naar het halfuurtje godsdienst op de radio. Op zondag gingen we samen naar de kerk.

»Mijn eerste communie had wel grote indruk op me gemaakt. Ik zie me daar nog zitten, met mijn knieën op de communiebank en mijn handen onder het communiekleed. Je mocht de hostie niet aanraken: de priester gaf ze nog op je tong. Die eerste hostie: dat was Jezus.»

'Ik weet dat mijn familie hierboven op mij zit te wachten. Dat maakt het leven zinvol: er is een toekomst'

HUMO Herinnert u zich nog het moment dat u bent ingetreden?

Zuster Aleidis «Ja. Vader heeft me toen een prachtig gedichtje opgestuurd. Als je de eerste letters van elke regel achter elkaar zette, dan spelde het Zuster Aleidis. Toen ik intrad, mocht ik kiezen tussen Lutgart en Aleidis. Ik koos voor Lutgart, maar het werd Aleidis. Zo ging dat toen: dat hoorde bij de strengheid, de opvoeding van die tijd.

»Intreden betekende destijds dat je niet meer naar huis mocht, zelfs niet bij een sterfgeval. Je weet dat op voorhand, maar je schuift die zorg voor je uit. Toen ik vier jaar in het klooster was, is moeder gestorven. Ik dacht: dit overleef ik niet. Maar ik heb me er toch doorgeslagen. Zo was het toen, je moet dat allemaal in z’n tijd zien.

»Drie keer per jaar mochten we bezoek ontvangen. Dan was ik zo zenuwachtig dat ik de nacht ervoor niet sliep. Ik schreef ook regelmatig naar huis – een telefoon hadden we nog niet in het klooster.»

HUMO Miste u uw grote gezin?

Zuster Aleidis «Toen waren we hier nog met 24 zusters. Dat leek ook op een groot gezin. Nu zijn we nog met zes, maar alle zusters die op het kerkhof liggen, heb ik nog gekend. Dat heb je, als je zo oud wordt.»

HUMO Toen u intrad in het klooster, brak de oorlog net uit.

zuster aleidis «Sommige kinderen werden door hun ouders opgehaald, maar een deel is hier gebleven. Ik ben nog met ze gaan vluchten. Eerst tot in Gooik, maar daar zei de pastoor: ‘Ga terug. Verder raken jullie toch niet.’ Toen heb ik hier een nacht met de kinderen in de kelder geslapen. De volgende ochtend riepen ze weer op om te vluchten. De mensen hadden schrik: ze hadden de Groote Oorlog meegemaakt en wisten hoe de Duitsers de vrouwen en kinderen hadden mishandeld.

»Duitse soldaten hebben hier een tijdje de slaapzaal opgeëist. Ze zijn niet lang gebleven: ze wilden liever geen gehandicapten zien. Het was schandalig hoe ze die slaapzaal hadden achtergelaten: overal lag stro en vlees en zelfs vrouwenkousen. We waren blij dat ze weg waren.

»In ’54 hebben we hier ook een grote brand gehad. Ze hadden op zolder gewerkt en opeens stond het hier in lichterlaaie. Gelukkig hebben we alle kleintjes op tijd kunnen evacueren. Toen we buiten stonden, riep een zuster opeens: ‘Dolfke ligt er nog!’ Dat jongetje hoorde niet en hij was rustig in zijn bedje blijven liggen. We waren gelukkig nog op tijd. In het gebouw dat is afgebrand, lagen ook alle kleren van de kinderen. Achteraf zijn veel mensen uit de buurt nog kleren komen brengen voor die sukkeltjes.

»Ons hele leven speelde zich af bij die gastjes. Dag en nacht waren we voor hen in de weer. Als je de slaapzaal had, dan moest je om de tweeënhalf uur opstaan, voor de bedplasserkes. Als je na een tijdje tegen die moeder kon zeggen dat haar kindje droog was, dan was je zo fier. Maar dan kwamen er anderen en kon je weer opnieuw beginnen.»

'Nadat ik intrad, mocht ik niet meer naar huis, zelfs niet bij een sterfgeval. Na vier jaar in het klooster is moeder gestorven. Ik dacht: dit overleef ik niet. Maar ik heb me erdoor geslagen.'

HUMO Hebt u zelf nooit kinderen gewild?

Zuster Aleidis «Ik heb er weleens aan gedacht, maar ik zag die sukkeltjes zo graag. Als ik een kindje had gewassen en het pakte mij vast en lachte me gelukkig toe, dan voelde ik in die omhelzing Onze-Lieve-Heer. Pas als je met mensen met een beperking werkt, besef je wat wij gratis hebben gekregen. Waarom wij wel en zij niet? We moeten delen wat we hebben gekregen. Daarmee maak je een ander gelukkig, en jezelf erbij. En daarbij: ik ben 57 keer tante nonneke. Dat maakt me ook gelukkig.

»Vanaf de jaren 60 werden de regels anders en mochten we af en toe naar huis. In het begin één dag. Voor degenen die dichtbij woonden, was dat plezant. Maar voor wie van Mechelen of Turnhout moest komen, was de dag snel om. Later is het drie dagen geworden. Ik ben dikwijls naar huis geweest. Als tante nonneke thuis was, dan was het altijd feest.

»Tijdens het trimester bleven onze kinderen op school. In de vakanties mochten ze naar huis, maar er was altijd een vijftigtal dat bij ons bleef. Dan huurden we een villa aan zee en om beurten trokken we met een troep van vijftien kinderen voor een weekje naar daar. Dat was plezant. Omdat sommige kinderen geplaatst waren door justitie, kwam de inspectie ook langs in die villa. Eén keer vroeg één van die inspecteurs: ‘En waar is nu de speelruimte?’ Ik heb hem meegenomen naar de duinen, op zijn chique schoenen: ‘Voilà.’ (lacht) Op dat vlak zijn we misschien wat achteruitgegaan: alle klein mannen zitten nu op dat digitale. Wij wisten daar niks van! Ik heb ook een computer gekregen, maar het is een hele oude, zonder printer. Als ik iets wil printen, dan moet ik het eerst op een diskette zetten. Maar waar vind je nog een computer met diskettes?»

HUMO U lijkt me best avontuurlijk. Had een leven als missiezuster u niet gelegen?

Zuster Aleidis «Ik had hier meer dan genoeg werk. Ik heb wel gereisd: naar Fátima en Lourdes. Ik kan genieten van de natuur, maar of dat nu hier is of in het buitenland, dat maakt me niks uit.»

HUMO Vindt u het jammer dat de kerken vandaag niet meer zo gevuld zijn als een eeuw geleden?

Zuster Aleidis «Ja. We moeten ons geloof vasthouden. Ik geloof wel dat God nu op een andere manier leeft. Als ik zie wat er vandaag allemaal wordt gedaan voor de zwakken, met de Special Olympics en zo, dan zie ik daar ook de hand van God in. Het is anders. Niet beter, niet slechter, maar anders.

»Aan de andere kant hebben ze de zwakken ook veel dingen ontfutseld. Vroeger vonden onze leerlingen makkelijk werk. Ze gingen in Brussel schoenen inpakken of karamellen triëren. Mijn eerste oud-leerlingen verdienden hun boterham door steken op te halen in nylonkousen. Die waren tijdens de oorlog uit Amerika overgekomen. Ze waren heel duur, dus lieten mensen ze nog herstellen. Anderen konden aan de slag als huishoudster bij een doktersgezin. Ze konden beter koken, strijken en wassen dan om het even wie. Nu is dat allemaal niet meer waar. Vandaag zijn de beschutte werkplaatsen zo geëvolueerd, dat de zwakken het werk niet meer aankunnen.

»Maar nu zitten we al zo lang te praten en hebt u nog altijd geen koffie gedronken. Schenk u gerust een tasje uit en neem een koekje. Dat ronde koekje mag u aan mij geven: dat is glutenvrij.»

HUMO Is dat misschien het geheim om 100 te worden? Glutenvrij eten?

Zuster Aleidis (lacht) «Ik heb altijd last gehad van mijn maag en darmen, maar sinds ze dat van die gluten hebben ontdekt, gaat het beter. Met eten zal het wel niks te maken hebben: thuis hebben we altijd gesukkeld met eten. Als kind waren wij allemaal graatmager, en toch ben ik 100 geworden. Ik denk vooral dat het komt, omdat ik dankbaar ben, elke dag. Ik sta ’s ochtends op en sla een kruiske: ‘Dank u, Vader. Ik zal vandaag mijn best doen.’ Want een mens is geneigd om stomme dingen te doen. Dat blijft zo, ook op je 100ste. (Plechtig) Tot zover mijn preek.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234