De Gouden Boekenuil 2012: de genomineerden spreken

Zaterdag wordt bekendgemaakt wie de winnaar wordt van de Gouden Boekenuil 2012. Wij spraken met de vijf auteurs die de shortlist haalden: Herman Koch, Dimitri Verhulst, David Pefko, Jeroen Brouwers en Stephan Enter.




Interview Jeroen Brouwers
Interview Dimitri Verhulst


Interview David Pefko
Interview Herman Koch


Interview Stephan Enter




Jeroen Brouwers: Bittere Bloemen

Hoe reageert een schrijver als zijn recentste roman het unieke lot ondergaat genomineerd te worden voor de shortlist van alle drie de grote juryprijzen der Lage Landen: AKO, Libris én Gouden Boekenuil?

Als die schrijver Jeroen Brouwers is, gaat dat zo: 'Ach, het geeft een zekere voldoening. Het boek is in ieder geval gezíén. Maar eigenlijk raakt het me niet.'

'Noli me tangere', raak me niet aan: de meeste journalisten die dat bordje aan de voordeur van zijn boshuis in Zutendaal passeren, citeren het. Ik krijg koffie, taart en een vraag: 'Wanneer wordt die Gouden Boekenuil uitgereikt? Op 5 mei, zeg je? Ik weet dat soort dingen niet, omdat ik er toch niet heen ga. Ik wil me niet meer in het openbaar laten zien, ik sta daar toch maar te stumperen, ik heb geen adem meer, krijg niks gezegd.'

Geschreven krijgt Brouwers nog altijd alles wat hij wil. Zijn roman 'Bittere bloemen' is een piek in zijn alpiene oeuvre. Ik vraag hem of hij me het oergesteente wil laten zien waaruit 'Bittere bloemen' is voortgekomen.

Jeroen Brouwers «Ik kan een roman pas schrijven als ik het eindshot ken, de scène waarin het boek vleugels moet krijgen, om op te stijgen. In dit geval kwam plots een visioen in me op terwijl ik hier ergens door het bos liep: het moet over een oude vent gaan die verdrinkt. Meer niet, dat was de oeridee. En vervolgens ga je aan de slag zoals ze op de kermis een suikerspin maken: het stokje gaat in een ton, er komen allerlei dingen omheen zitten, de hele structuur wordt ingevuld.

»Oké, die man verdrinkt, maar hoe dan? Dat is de eerste vraag. Valt hij van een brug? Gebeurt het in een zwembad, in zee? Zo kwam ik op het idee van een cruiseschip. Met een schip kan altijd wat gebeuren. Er kan een storm opsteken, het kan kantelen – denk maar aan de Costa Concordia, recent nog, bij de Italiaanse kust.

»En wat voor een leven heeft die oude vent gehad? Maken we er een kunstschilder van, een boomkweker? Nou, het werd een intellectueel, geen doorsneeman; hij heeft boeken geschreven, is rechter geweest, minister. Hij wás iets, maar het is zo lang geleden dat hij het zelf ook al vergeten is. Is hij getrouwd? Heeft hij kinderen?»

Julius Hammer was getrouwd, zo besliste zijn schepper, met Helga, een vrouw met een luchtje en een schreeuwtoon – ze stierf zonder dat het hem speet op haar veertigste. Er bleef een dochter over, Eva, kunsthistorica en bazig type: als Hammer op z’n 81ste herstellende is van een ziekte stuurt ze hem ter revalidatie naar het cruiseschip Carta Mundi.

Brouwers «Ik wou het een beetje dichtbij houden, met een cruise door de Middellandse Zee. Maar zoals ik nog nooit een cruiseschip van dichtbij heb gezien, weet ik ook niks van die Middellandse Zee. Mijn uitgever, Emile Brugman, doet niks anders dan reizen, en die heeft op een papiertje geschreven – het zit nog bij het manuscript – hoe dat schip varen moest: vanuit Barcelona naar Genua, Ajaccio, Napels en zo verder naar Istanboel.

»Uiteindelijk werd het verblijf op Corsica het belangrijkst. 'L’île de beauté' heet het te zijn, maar je weet er weinig van, zodat het wel iets avontuurlijks heeft je personages in dát landschap neer te zetten. En het was meegenomen dat Napoleon er geboren is, dan kon ik over die massamoordenaar ook nog wat kwijt.»

Hammer is ver heen als hij aan de reis begint, de lucht van een vermolmd mens hangt over dit boek: in vele variaties staat beschreven hoe hij opgaat in de mist van de hoge ouderdom. Was dat het moeilijkst bij het schrijven van 'Bittere bloemen', vraag ik, die evocatie van de troebele staat van 'buitenbewustzijns bewustzijn'?

Brouwers «Nee. Je spreekt met een schrijver die al vijftig jaar schrijft! Zoiets lukt me wel, al gaat het traag. Een halve bladzijde per dag, dat is mijn oogst, heel secuur, heel precies. Zo’n vent die verdwijnt in de mist, ik kan me dat voorstellen, ook al sterft er bij mij nog niks – het boek is níét autobiografisch. Ik loop zoals Hammer de hele dag met een stok te hijgen, dat is waar, en ik kan niet meer staan zonder om te vallen, maar dat is alleen wat lichamelijk ongemak: je gebruikt het in een roman, en voor de rest zwijg je erover. Je moet niet zeuren.

»Eén ding nog uit mijn eigen leven heb ik gebruikt: als Hammer door de sneeuw in de tuin loopt en opeens – tak! – iets in zijn kop voelt en omvervalt, dan kun je je daar deze tuin hier bij voorstellen. Dat is mij letterlijk overkomen. Ik kreeg twee hersenklappen, en ik kon niet meer schrijven. Mijn hand was verlamd, de pen rolde weg.

»Iedereen wist meteen hoe het voort moest. 'Je kunt toch met een computer schrijven?' Néé, dat kan ik dus níét, ik kan alleen met de hand schrijven. 'Je kan toch met je linkerhand schrijven?' Néé. Probeer het maar eens op je zeventigste, met je linkerhand beginnen te schrijven! 'Je kunt toch dicteren?' Néé, ik ben geen dictator, ik ben een schrijver!

»Het heeft een half jaar geduurd vooraleer een therapeut mij weer heeft leren schrijven. Echt als een kind: 'Schrijf nou maar een hele regel met de letter a. Goed zo! Nu de letter b.' Het moeilijkste vond ik de letters i en j: daar moet je met die lamme hand van je ook nog een puntje op zetten, nou! Nu ik niet meer kan knoeien met mijn woorden, schrijf ik nóg trager, ik moet het meteen goed op schrift krijgen.

»In het manuscript kan je nog zien waar het ineens ophield, en waar ik later met een gewijzigd handschrift weer verder ga. Ik geloof dat ik zo’n drie kwart van de roman achter de rug had: Hammer was al een tijdje met Pearlene op die filmset op Corsica.»


Kidman

Pearlene: haar kennen we nog niet. Hammer kent haar al zo’n twintig jaar, heeft haar in de schrijfklas leren kennen: 'Heur gedichten waren bagger, maar hij hield van haar.' Maar hoe strontverliefd hij ook is, ze verdwijnt uit z’n leven, tot hij haar op de Carta Mundi letterlijk weer tegen het lijf botst – een leuk lijf, 45 jaar jonger dan zijn eigen restant.

Hoe heeft deze Pearlene zich op Brouwers oeridee weten te enten?

Brouwers «Dat ben ik vergeten. Al kan ik me wel voorstellen hoe ik op haar kwam. Als Hammer een jaar of zestig is trekt hij zich terug uit alle openbare functies, en hij gaat dan maar schrijfcollege geven. Zodat het best kan dat er onder die cursisten ééntje is, een meisje van een jaar of zeventien, van wie hij zegt: 'Godverdomme, dat is ze, mijn eeuwige liefde! Waarom ben ik háár niet tegengekomen toen ik twintig was?'

»En wat voor een meisje dat dan verder is? Een trutje. Ze maakt gedichtjes, 't is een hobby. Mensen die uit hobby schrijven, die zijn er bij duizenden. En verder is ze bezig met esoterie, tarot, dat soort dingen. Het zal wel een leuk kind zijn, hoor, met een hartelijk karaktertje, dat denk ik wel.»

Het vrolijke meisje met de nachtogen brengt ten tweede male iets teweeg in de 'krassende krijtpijp' Hammer wat beschreven staat als een hoogromantische liefdesvertedering, 'iets goetheaans', al kijkt hij haar mogelijk toch wat intenser in het kruis dan Goethe bij zijn geliefde gedaan zou hebben.

Brouwers «Per ongeluk, hè, het gebeurt niet expres! Had Goethe de kans gekregen, dan had hij zijn ogen ook wel de kost gegeven, denk ik. Pearlene doet Hammer sterk aan zijn vroeg overleden moeder denken: haar gezicht doet hem denken aan een portretje van zijn jonge moeder.»

Dat gezichtje van Pearlene wordt overigens meermaals beschreven als was het een schilderij van Lucas Cranach de Oude.

Brouwers «Dat heb ik zelf aan den lijve meegemaakt in het museumpje dat ik noem, in het slot van Gotha. Ze hebben daar laatmiddeleeuwse schilderwerken, Cranach, Dürer, dat soort dingen. En daar zag ik een portretje van Cranach, niet groter dan een hand, waar ik mijn ogen niet vanaf kon houden. Maar anders dan in het boek, heb ik het niet gestolen, al had ik dat makkelijk kunnen doen.

»Op de Boekenbeurs kwam er een meisje naar me toe, met een portret van Cranach. 'Bedoelt u dit portret?' – 'Ja, dat is het.' – 'Maar dan klopt het toch niet wat u schrijft over haar bleekroze bloem als een trosje opengespreide kelkjes?' En ik heb dat meisje dus uitgelegd dat ik inderdaad mijn bloem in dat schilderij gezet heb, omdat ik ze vond passen bij Hammer, die zelf orchideeën kweekt en dus verstand heeft van bloemen. Ik ben er speciaal voor naar een boekhandel in Genk gegaan: 'Hebt u een boek over orchideeën?'»

Waarom moest Hammer per se een orchideeënkweker zijn, zou een meisje op de Boekenbeurs kunnen vragen.

Brouwers «Dat had weer met een ander visioen te maken. Op een dag wist ik opeens: het ding moet 'Bittere Bloemen' heten! En dus heb ik van Hammer een bloemenkweker gemaakt. En ergens moet zo’n titel dan ook terugkomen in de tekst, vind ik, dus dat heb ik er ook nog in verwerkt, dat het leven maar naar bittere bloemen smaakt, zoiets.»

Hammer en Pearlene verzeilen op een filmset, en daar had de schrijver zin in, want het is een bezoek van vele heuglijke pagina’s lang, en met een special guest appearance van Nicole Kidman.

Brouwers «Een stille persoonlijke verliefdheid op Nicole Kidman is er verantwoordelijk voor dat ik op die filmset terechtgekomen ben. Tijdens het schrijven van dit boek hing er een foto van haar boven mijn werktafel. Een romantische foto, zo uit een tijdschrift gescheurd, een advertentie voor een parfummetje, geloof ik. Ze had pijpenkrullen, ik vond het prachtig. We hebben elkaar jarenlang aangekeken. De laatste tijd is haar schoonheid wel aan het verleppen en is zij zelf aan het vertutten.»

Er is ook een oudere acteur van de partij, ene Maximilian Sedofsk. Allicht is die naam een uitnodiging om er Max von Sydow in te herkennen.

Brouwers «Dat was de bedoeling, ja. Ik zag 'Het zevende zegel' toen ik een jaar of zestien was, in zwart-wit, met die hele sombere filosofie van Ingmar Bergman... ik was erdoor verpletterd.»

Wie mag 'Bittere bloemen' verfilmen?

Brouwers «Maak me niet ontzettend bedroefd: men schrijft altijd weer dat ik zo filmisch schrijf, maar er is nog nooit wat van me verfilmd.»

Deze keer moet het dan maar lukken, nu een deel van de cast al vastligt: de oude Von Sydow leeft nog, en misschien wil Nicole Kidman wel.

Brouwers «Dan zal ik zelf de oude Hammer spelen.»


Poppenkast

Brouwers «Wat ik van de andere genomineerden vind? Ik weet wie David Pefko is, maar heb niks van hem gelezen. Ik lees alle kranten, knip dingen uit, ik ben op de hoogte van wat er gebeurt in de literatuur, maar dat is wat anders dan er nog altijd hevig in geïnteresseerd zijn. 'Grip' van Stephan Enter heb ik wel gelezen, met appreciatie. Maar als dat boek niet in mijn leven was geweest, zou ik het niet gemist hebben, en dat bedoel ik niet onaardig.

»Herman Koch heb ik ook gelezen, dat badhuisboek. Weer wil ik niks onaardigs zeggen, maar zo’n boek, dat lees je alleen voor je plezier. Doorgaans doe ik heel lang over lezen, ik stel me allerlei vragen. Waarom gebruikt de schrijver dit woord? Heeft deze passage verderop nog een echo? Bij Koch lees ik anders, ik lees gewoon dóór: wat zal er hier nóg allemaal gebeuren? De 'Monoloog' van Dimitri Verhulst heb ik niet in huis, dat was toch zo’n boekje van De Bijenkorf? Maar voor de rest staat de hele Verhulst hier wel. Zijn jongste roman, 'De intrede van Christus in Brussel', vond ik schit-te-rend.»

Ik vraag, tot slot, of hij goed zal slapen die vierde mei, terwijl een zak geld boven zijn hoofd zwiert.

Brouwers «Schei toch uit! Natuurlijk slaap ik goed. Maar ik wil wel opmerken dat het me kwalijk genomen wordt dat ik niet ga. Ik heb in 2000 gezegd: 'Ik doe aan die dingen niet meer mee.' En ik wens me daar consequent aan te houden. Want ik vind die poppenkast met nominaties verschrikkelijk. Dat ze je gewoon een prijs geven als ze vinden dat je er een verdient.

»Je kunt je medegenomineerden wel collegiaal bejegenen, maar intussen denk je diep in je hart: 'Sodemieter op, die prijs komt mij toe!' Je krijgt rivaliteiten, en dat wil ik helemaal niet. Literatuur is daar te chique voor.

»Dus zeg ik: 'Ik ga niet!' Klaar. Maar ik zeg ook, laat dat even duidelijk zijn, dat ik het geld niet versmaad. Laat maar komen!»

Dimitri Verhulst: Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten

Ik ben dooreengerammeld in mijn zelfkennis,’ zegt Dimitri Verhulst me in zijn Waalse biotoop. ‘Dat mag een keer, dat is zelfs plezant.’ Vanwaar deze bekentenis, met een rimpel op het voorhoofd, van de enige Vlaamse genomineerde voor de Gouden Boekenuil 2012?

Verhulst is niet genomineerd met het boek waar hij vorig jaar al zijn literaire krachten op had ingezet, de roman ‘De intrede van Christus in Brussel’, maar wel met een kleinood dat hij zelf liever uit de handel had gehouden: ‘Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten’.

Dimitri Verhulst «Mijn redacteur Sander Blom heeft het uit mijn handen moeten trekken, ja. Ik vond dat ik moeilijk twee boeken tegelijk kon uitgeven, de mensen worden je al gauw strontbeu. ‘Monoloog’ was in Nederland verschenen als officieus Boekenweekgeschenk van De Bijenkorf, en daar mocht het bij blijven.

»Het was trouwens een tekst die in mijn kast lag, en die ik er voor De Bijenkorf heb uitgehaald. Ik had hem bedoeld als monoloog voor actrice Marijke Pinoy. Maar uiteindelijk heb ik ‘m haar niet aangeboden, ik vond ‘m niet genoeg naar haar mond geschreven. Nu heeft dat boekje dus het laken naar zich toe gehaald, en niet ‘De intrede’, een roman die ik zelf urgenter vond en waarmee ik me méér in mijn tijd vond staan.

»Zo zie je maar dat een schrijver niet altijd het best geplaatst is om zijn eigen werk in te schatten. Ik heb ‘Monoloog’ inmiddels drie, vier keer herlezen – tot mijn eigen verbazing, want normaal herlees ik nóóit een boek van mezelf – en ik moet zeggen: het valt wel mee. Waardoor ik nu zit te denken: wat zijn al die andere dingen die nog in mijn kast liggen niet waard?»

Bij de verschijning van ‘Monoloog’ in de zomer van 2011 hielp Verhulst verbergen dat hij een meesterwerk geschreven had: ‘Eén goede stoelgang en het is uitgelezen,’ zei hij in de krant. Sommige recensenten borduurden daarop voort en hadden het over een borrelnootje in afwachting van de grote roman die tegen de Boekenbeurs verschijnen zou.

Verhulst «Achteraf was ik kwaad op mezelf omdat ik dat had gezegd. Ik wou daarmee verantwoorden dat ik zo’n dun boekje geschreven had - ik ben een brave mens, hè - maar eigenlijk hoeft dat niet. Ik wéét toch ook dat ‘Het dwaallicht’ van Elsschot maar 45 bladzijden telt? En ‘De contrabas’ van Patrick Süskind is dan wel flinterdun, het is een beter boek dan ‘Het parfum’. En mensen die hele dikke boeken schrijven, die hoor je zich toch nooit een keer verantwoorden?»


Hoerenpech

Op 12 oktober 2009 zette renner Frank Vandenbroucke het soort punt achter zijn leven dat bij een media darling paste: na een nacht met een zwart hoertje stierf hij in La Maison Bleue in Saly, Senegal, aan een longembolie, wat in dit geval een andere benaming voor zelfmoord zou kunnen zijn.

In ‘Monoloog’ aanschouwt Verhulst dat levenseinde van Vandenbroucke, in dit geval vertolkt door het personage Jens De Gendt. Geen gek onderwerp voor Verhulst: hij is wielerfanaat. In zijn tuin spot ik (behalve het varken Betty dat er sinds een week woont) een lichte koersfiets waarmee hij net nog, wind tegen, de 220 kilometer tot Middelkerke heeft afgelegd.

Hoe zou hij, is mijn vraag, dat levenseinde van Vandenbroucke samenvatten? Een mooie dood in het verlengde van zijn leven, zoals Jan Wauters het me eens zei, niet lang voor hij zelf al dan niet mooi stierf?

Verhulst «Néé! Pathetisch vond ik die dood, in het verlengde van eerdere zelfmoordpogingen van Vandenbroucke. Er was die keer dat hij er een einde aan wou maken in de tricolore trui van wereldkampioen, wat helemaal schrijnend is als je bedenkt dat hij nooit wereldkampioen is geweest. En als je eerst het leven van anderen hebt geruïneerd, vind ik uit het leven stappen ook maar een gemakkelijkheidsoplossing. Het mooie van zijn dood zie ik dus niet, ik vind het allemaal van een kitscherige theatraliteit die ik eerder link aan vrouwen die mijn ex hadden kunnen zijn.»

‘Een middelpuntvliedend mens’ noemt hij Vandenbroucke in zijn boek, ik vraag toch maar eens wat dat is.

Verhulst «Alles draait rond hém. Hij komt binnen, iedereen kijkt naar hem. Hij pakt de sfeer over, begint de boel te organiseren. Dat soort mensen bestáát, en ze zijn er zelf niet altijd gelukkig mee.»

Vandenbroucke moet een schrijver wel aantrekken met dat leven van hem ‘dat had gestroomd van de goden naar de goot’ – al vindt Verhulst die uitdrukking intussen al te lineair. ‘Er is geen klare lijn naar beneden. Op de toppunten van geluk had Vandenbroucke ook het besef dat het maar om een fase ging die volgde op en voorafging aan iets treurigs. En in de goot zat hij soms nog te blinken.’ Maar de tragiek van Vandenbroucke volstond niet om Verhulst aan het schrijven te krijgen, daar was iets anders voor nodig: het inzicht dat hij het hoertje aan het woord moest laten.

Verhulst «Sommige zangers hebben eerst de tekst, daarna de melodie, anderen hebben eerst de melodie, dan de tekst. In het beste geval ontstaan melodie en tekst sámen, en zo werkte het hier: het onderwerp kwam samen met het besef dat ik alles door de ogen van Seynabou moest bekijken, dat het háár monoloog moest worden.»

Januari 2010 zijn we dan, het speculeren over de onduidelijke omstandigheden van Vandenbrouckes overlijden is al lang achter de rug.

Verhulst «Het was me helemaal niet om een reconstructie van zijn dood te doen. Inmiddels was duidelijk dat er in dat verband niet één journalistieke waarheid was, er zijn gewoon te veel versies. Voor een schrijver is dat een voordeel, dan heb je een zekere vrijheid. De sensatie was er ondertussen ook af - al is het nog maar de vraag in hoeverre die affaire ooit sensationeel was. Want laten we eerlijk zijn: dat soort dood van Frank Vandenbroucke, daar zaten we toch op te wachten? En de ochtend dat we het vernamen, zegden we: ‘Aha, ’t is nú dat het gebeurt!’ Net zoals bij Whitney Houston.

»Wat mij interesseerde, was niet zozeer de loser Frank Vandenbroucke, de man die zijn talent niet aankon. Ik heb dan ook aan de verleiding weerstaan om te gaan graaien in dat Paris Match-achtige verleden van hem - ik duid dat maar met een paar voetnoten aan. Waar het me om gaat, is de confrontatie met de echte loser: het meisje dat op de verkeerde plek geboren is en dat gedoemd is om in alle miezerigheid te leven en te sterven, maar dat die korte nacht heel even een opflakkering van hoop beleeft. Ze denkt dat deze charmeur echt van haar houdt, ze ziet een glimp van een beter leven.

»Ook Vandenbroucke, denk ik dan, hoopt op een nieuw begin, hij zou wat graag al die psychologische problemen en die verslavingsbazaar achter zich kunnen laten. Die nacht kan hij zich tonen, niet zoals hij is, maar zoals hij wíl zijn. Een paar uur valt dat vol te houden...

»Je hebt daar een clash tussen heel verschillende karakters, een clash tussen verschillende continenten ook – dat heeft een boek nodig, heeft Salman Rushdie eens gezegd. Bovendien is het een interessante tijd om Senegal op te voeren. Het stinkt daar, ’t is er woelig, dat land duikt meer en meer op in het nieuws. Dat allemaal meegeven in zo’n petieterig werkje, in alle valse onschuld, dat vind ik mijn taak, als ik dat woord gebruiken mag. Ik heb op een allesbehalve ostentatieve manier een stuk van de wereld in een hotelkamer gekregen.

»De treurigheid van zo’n dood in een hotelkamer was voor mij ook makkelijk na te voelen. Mijn moeder was kuisvrouw in een hotel, dus ik heb veel vakanties in hotels rondgehangen. En al die mensen die komen sterven in een hotelkamer: dat is me vertrouwd. Toen ik in hotel Punta Reina op Majorca als animator werkte – ik was daar vreselijk slecht in - zag ik ze daar aankomen; soms hing er wel eens één aan een koord. Ik herinner me een piloot die jarenlang op Palma had gevlogen en er finaal een einde aan zijn leven kwam maken. Hij vertelde me dat tijdens een lange nacht, waarin ik whisky leerde drinken. Ik vond niet dat ik hem moest tegenhouden, zijn leven was afgerond voor hem.»

Ik zit nog met drie vragen over z’n ‘Monoloog’. Eén: heeft hij reacties gehad uit de omgeving van Vandenbroucke?

Verhulst «Eentje: van Dirk Nachtergaele, de meest poëtische soigneur ooit uit het peloton. ‘Prachtig boek over Bimbo-Boy,’ liet hij me weten. Volkomen ongeschikt voor de achterflap, maar ik neem het wel ter harte.»

Twee: waarom die lange titel, die ik maar niet kan onthouden?

Verhulst «Ik had een theatermonoloog op het oog en hoe meer ik daarover nadacht, hoe belachelijker ik dat genre vond. Waarom zou iemand tegen zichzelf praten als hij niet zot is? Door die titel bevrijdde ik mezelf van het onnozele gevoel dat ik een vrouw onafgebroken anderhalf uur tegen haar kleerkast liet kletsen. En in die titel staat de suggestie van een nieuw verkregen eenzaamheid me wel aan: die past wonderwel bij haar personage.

»Mijn titels zijn altijd te lang, en mensen korten ze dan af: ‘De helaasheid’, ‘De godverdomse’. Ik beloof beterschap: ik schrijf nu aan een roman die simpelweg ‘De laatkomer’ zal heten.»

Drie: hoe kan het dat deze monoloog, na zoveel succes van het boek, nog niet op de planken is opgevoerd?

Verhulst «Wie wil, mag dat doen: ik ben niet duur (lacht). Het is natuurlijk een hele lap tekst. Toneel is vandaag vooral veel huppelen, zingen en vingers in elkanders gat steken. Niks mis mee, zolang er geen braampjes aan de vingernagels zitten. Acteurs hebben vandaag een mallotige omgang met zinnen. Bij de film is het niet anders: als je eens wist hoe er tijdens repetities in teksten wordt geschrapt, gewoon omdat zo'n jonge acteur met een btw-nummer, een agent en een boekhouder niet weet hoe hij een volzin met een hulpwerkwoord erin uit zijn strot moet krijgen.»


Janken met Dimitri

Verhulst «Al acht ik mijn kans op de Gouden Boekenuil uitermate klein, ik ben verschrikkelijk zenuwachtig. Welke sadist heeft eigenlijk dat systeem van nominaties uitgevonden? Zelfs met nominaties kan het trouwens anders. Ik was eens genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs: dan weet je als schrijver lang op voorhand wie hem krijgt, zonder dat publiek en pers dat weten. Hoe zalig is dat: alle schrijvers komen aan, de stress is eraf, je eet gezellig samen en je wenst de winnaar oprecht proficiat. Dat is wat anders dan bij zo’n Uilfinale, waar de één voor televisie zit te nagelbijten en de ander aan het zuipen gaat. Treurig, toch?

»Ik moet die dag 175 km fietsen in Doornik - ik zal dat snel proberen te doen, want ik wil niet in rennerspak in Gent arriveren. Hopelijk lukt dat, al zou ik meer genieten van de enorme eer die het is om samen met mijn idool Jeroen Brouwers op de shortlist te staan, als ik dat hele gedoe met hem alleen zou kunnen volgen, ergens voor de televisie. En dan, met een goeie fles erbij, maar zitten foeteren op dat programma, zoals Statler en Waldorf, en ten slotte schijten op wie hem wint!»

Op wie zou hij dan het liefste schijten?

Verhulst «Er is een jury die daarvoor wordt betaald: ik hoor het graag van hen. Ik heb die andere boeken niet gelezen, op Brouwers na. Ik had graag nog voor de vijfde mei ‘Grip’ van Stephan Enter gelezen, omdat de jury daar zo enthousiasmerend over heeft gesproken. Ik had al mijn lotgenoten trouwens nog graag gelezen vóór het aanbreken van de dag des oordeels. Maar ik heb te lang gewacht tot die boeken in mijn brievenbus zouden ploffen – blijkbaar krijg je de werken van je medegenomineerden niet meer toegestuurd.

»Van Herman Koch heb ik zijn vorige boek ‘Het diner’ wél gelezen. Een fantastische schrijver. Ik vond het gek de jury te horen uitleggen dat ook een goed verkopend boek als ’Zomerhuis met zwembad’ in aanmerking mag komen. Natúúrlijk is dat zo: de Gouden Boekenuil is toch geen troostprijs voor slecht verkopende boeken?»

Als Verhulst níét wint, zit de troostprijs van een verfilming van zijn monoloog er dan nog in?

Verhulst «Koen Mortier heeft de rechten gekocht, al kort na de publicatie. Nu hoop ik voor hem maar dat Vlaanderen klaar is voor de historie van Frank Vandenbroucke, want ik wacht ook nog altijd op de verfilming van mijn boek ‘Problemski Hotel’. Manu Riche zou er graag aan beginnen, maar hij krijgt geen geld van het Vlaams Audiovisueel Fonds. Motivatie: ‘Vlaanderen is er niet klaar voor.’ Dan ontplof je toch? Intussen stikt dit landje wel van de culturele zelfgenoegzaamheid. Waar dient cultuur anders voor dan om iets te maken waar niemand klaar voor is? Als ik zoiets hoor, dan jank ik echt. Godverdomme!»

David Pefko: Het Voorseizoen

‘Briljant debuut van een ex-voddenhandelaar’ was het soort kop dat David Pefko (28) een paar jaar geleden oogstte met zijn debuut ‘Levi Andreas’. ‘Dat was een grapje van mijn eerste uitgever, Van Oorschot,’ zegt hij me in een café in Amsterdam-West. ‘Ik had in de kunsthandel gezeten, en op de uitgeverij vonden ze het leuk om een ex-handelaar in vodden en lappen van me te maken. Ik wil graag dat het verdwijnt. Ik ben geen voddenhandelaar. Ik ben een schrijver van boeken, nu.’

Pefko betekent pijnboom in het Grieks: zijn vader is Griek, zijn moeder Nederlandse, Joods zijn ze allebei. David Pefko’s tweede boek heet ‘Het voorseizoen’, genomineerd voor de Gouden Boekenuil. Het is spannend en dik, en houdt de belofte in dat hij voorgoed schrijver is. Ook hoofdfiguur Steve Mellors, politierechercheur in Leicester, is dik: ‘Ik ben dit jaar negenenveertig geworden, mijn buik heeft een omvang van honderdvierentwintig centimeter als ik hem inhoud, en ik ben zo kaal als een biljartbal.’

Ik vraag, omdat ik op zoek ben naar de voorgeschiedenis van ‘Het voorseizoen’, waar die Steve Mellors vandaan komt.

David Pefko «Die is op een dag het café binnengestapt waar ik zat. Maar dan moet ik je eerst een wat langer verhaal vertellen.

»Enkele jaren geleden had ik het gehad in Amsterdam; ik was de kunsthandel beu, ik wou weg uit Nederland om er nooit meer terug te keren. Mijn vader heeft enkele huizen in Athene, en hij bood me aan daar iets heel anders te beginnen. Ik heb toen al mijn spullen verscheept. In Athene kon ik geen werk vinden, ik had niks omhanden en ben toen maar weer gaan doen wat ik vroeger heel graag had gedaan: schrijven. Zo tussen mijn tiende en mijn dertiende had ik veel geschreven: romans, toneelstukken, gedichten, korte verhalen. Ik stuurde een kort verhaal naar Van Oorschot, ze vroegen me of ik nog wat had. 'O, jawel,' kon ik mailen, want ik had net ook een roman geschreven, in vier maanden tijd. Ik mailde ‘m door en kreeg geen week later telefoon: ‘Kun je naar Nederland komen? We willen je een contract aanbieden.’

»Nu mijn roman goed bevonden was, wou ik meteen een nieuwe schrijven. Ik zat toen op het eiland Kos - ik had er gewerkt als ober en gastheer in een all-inclusive resort, maar ik was ontslagen. Het was in het voorseizoen, en er was geen werk meer te vinden – alles was er deprimerend, grauw en vervelend. Ik zat geregeld cocktails te drinken in een bar om de hoek van mijn huis, intussen bedenkend wat ik met mijn leven zou kunnen doen en over welk onderwerp ik zou kunnen schrijven. Het was zo’n typisch Engelse pub - grote pullen bier, pooltafels en voetbal op televisie - met als klanten Engelsen en Duitsers die op het eiland wonen.

»Daar stapte op een avond mijn Steve Mellors binnen: een grote, dikke Engelsman, kaal, in een bermuda, met oranje schoeisel aan, een beetje rood verbrand, en met vreemde vlekken op z’n benen en in z’n gezicht. Die man was onzeker, dat zag ik meteen, en erg eenzaam. Hij probeerde met iedereen een praatje te maken, maar men meed hem. Die man intrigeerde me. Wat later reed ik toevallig een wijk in met allemaal identieke moderne huisjes. En wie staat daar in zijn tuin te schoffelen? Die Steve! Daarom geef ik hem ook een tuinobsessie in mijn boek.

»Ik maakte een politieman van hem omdat ik had gehoord dat de Engelsen op Kos vaak belastingvluchtelingen waren, of ex-politieagenten die iets hadden misdaan. Verder had ik gezien dat hij een katje had, maar al de rest is verzonnen.

»Ik heb die man soms wel horen praten, maar ik ben nooit dicht bij hem geweest: ik wou niet dat hij het personage zou storen dat in mijn hoofd aan het groeien was. Zo werk ik altijd: ik denk wéken na, en dan stoot ik het er allemaal uit op de computer.»

Hoe komt die Steve Mellors op het eiland Kos terecht? Daar een verhaallijn voor bedenken werd de opdracht voor Pefko’s verbeelding. Die deed keurig werk door van Steve een politierechercheur te maken die treurt om zijn ex-vrouw Susan, die ervandoor is met een siergootspecialist. Mellors wordt hevig verliefd op de Roemeense prostituee Anca, en hij is er getuige van hoe collega’s haar verkrachten in een cellencomplex. Voor het gerecht getuigt Mellors tegen zijn werkmakkers; zijn positie wordt onhoudbaar, en hij moet vluchten.

Pefko «Ik had een vrij gewone man voor ogen. Niet zo’n hoogopgeleide man, want ik erger me altijd aan die halve professoren waar het in romans van wemelt. Kerels die opeens allerlei diepzinnigheden rondstrooien: interessantdoenerij van de schrijver vind ik dat. Ik wou een man die gewoon op zoek is naar genot, eten en drinken, op zoek ook naar een manier om zijn verdriet te dempen: pillen.

»Hij is een man op weg naar zijn ondergang: ook dat was me van het begin af duidelijk, toen ik hem daar aan de bar zag staan. ‘Ik zal hem uiteindelijk wel doodmaken,’ dacht ik. Je kon zo zien dat hem een hartinfarct wachtte. Dat krijgt hij dan ook (lachje).

»Dat hij voortdurend naar porno kijkt, was ook een ingeving van het eerste moment - waarschijnlijk is het z’n enige passie.»

Mellors heeft nóg een obsessie: hij zit voortdurend met de film ‘Taxi Driver’ in zijn hoofd. Het motto komt ook uit die film: ‘Loneliness has followed me my whole life. Everywhere. In bars, cars, sidewalks, stores. Everywhere. There’s no escape. I’m God’s lonely man.’

Pefko «Ik vond het grappig om mijn hoofdpersonage zo nu en dan in een film te laten praten. Veel meer dan we beseffen beïnvloedt film vandaag wat we denken, wat we goed en fout vinden. En ‘Taxi Driver’ is één van mijn lievelingsfilms.

»Ik vind ‘m perfect bij Steve passen - hij zou zo graag een held als Travis Bickle willen zijn. In de hoop het te worden, doet hij helaas altijd de verkeerde dingen. Travis Bickle heeft Iris als meisje om te redden, ik geef Steve Anca. Ze is een hoertje - een cliché, ik weet het, zeker omdat het een hoertje is met wie hij alleen maar praat, maar ik vond het hier wel werken. In feite bestaat zijn relatie met Anca nauwelijks, ze speelt zich vooral in zijn hoofd af.»

De locatie is ook belangrijk in ‘Het voorseizoen’, en voor het eerste driekwart van de roman is dat een intens grijs Leicester. Waarom een Britse stad? Om de verkoop van de vertaalrechten wat te bespoedigen?

Pefko «Dat is wel gesuggereerd, maar dat heeft er niks mee te maken. Ik wilde een Engelse stad omdat Steve Mellors nu eenmaal een Engelsman is. ‘Waarom kon het niet in Rotterdam?’ las ik ergens. Omdat ik daar geen reet aan vind, een boek over Rotterdam. Interesseert me niet, vind ik ook te klein. Ik zal je vertellen waarom ik precies voor Leicester gekozen heb. Op café kwam ik eens drie Pakistanen tegen die in Engeland woonden, en ik vroeg ze: ‘Wat is daar de allerdepressiefste stad?’ En ze zeiden unaniem: ‘Leicester!’ Dus heb ik een ticket naar Leicester geboekt, ik heb er vier weken rondgekeken, en het is inderdaad de meest depressieve stad die ik ooit bezocht heb. Het waren vier heel nare weken - op den duur kwam ik mijn hotelkamer niet meer uit.

»Ik had er wel genoeg te doen. Ik moest de hele buurt doorzoeken waar Steve Mellors werkt, en ook de wijk waar hij met z’n ex-vrouw had gewoond, en ik wilde het politiebureau verkennen. Ik raakte daar met een smoes binnen: ik wilde de politiechef interviewen voor een Nederlandse krant. Ik heb vijf minuten met hem gesproken. ‘Daar wil ik niet aan mee doen,’ zei hij. Maar intussen hadden ze me er anderhalf uur doen wachten en had ik alles kunnen observeren: ik had wat ik wou.

»Leicester is een stad waar veel gebeurt wat je niet ziet: veel studenten gebruiken er drugs, en ik kwam erachter dat veel bordelen in de oude vleesfabriek zaten: zoiets laat je niet liggen.»

Veel van de charme van ‘Het voorseizoen’ zit ‘m in de manier waarop Pefko Steve Mellors zijn eigen ondergang stap na stap laat bewerkstelligen, geholpen ook door een broeder in de dwaasheid, zijn advocaat Terry Collins.

Pefko «Moeilijk vond ik het niet. Ik heb het geschreven zonder een moment te pauzeren; ook die hele rechtszaak ging heel natuurlijk. Het zat zo goed in mijn hoofd hoe die man ging mislukken, en hoe het nog altijd iets gekker en treuriger kon.»

Het had iets minder wijdlopig gekund, is een weerkerende kritiek in de kranten.

Pefko «Wie het niet leuk vindt, moet het niet lezen. Ik kan het niet op een andere manier, ik heb een brede spanwijdte nodig om een verhaal te vertellen. Ik heb mijn Twitter-account opgezegd omdat ik niks kan zeggen in 140 tekens - ik hou van lange mails en lange sms’en. Het proces in de rechtszaal had achteraf gezien misschien iets wel korter gemogen, maar er zijn ook mensen die het boek fantastisch vinden - zij vinden het niet te lang.»

Nog een criticus, nu we toch bezig zijn: ‘Eén fraai geformuleerde zin zul je overigens tevergeefs zoeken in deze roman.’

Pefko «Dat soort zinnen stond wel in mijn debuut, maar ik vond het hier niet nodig. Je moet van stijl kunnen wisselen, en hier moest de stijl het verhaal dienen.»

Gaat hij akkoord met wat bevriend schrijver Ilja Pfeijffer recent stelde: ‘Kritiek is na geldgebrek de grootste bron van ergernis voor schrijvers’?

Pefko «Ik herinner me mijn grote pijn toen mijn debuut een slechte recensie kreeg, maar daarna kwamen er ook goeie. De dag dat ‘Het voorseizoen’ uitkwam, werd het door Pieter Steinz mooi afgekraakt over bijna een hele pagina in NRC Handelsblad. Het leek volgens velen alsof hij persoonlijk iets tegen mij had. Twee dagen lang vond ik het heel vervelend, daarna deed het me niks meer. Nu denk ik: ze doen maar. Geldgebrek is véél erger, dat is bijna het naarste dat ik ken.»


Saaie winnaar

Zal hij dan wel goed slapen in de nacht van 4 mei, als de dag erna een zak met 25.000 euro boven zijn hoofd zal zwieren?

Pefko «O, jawel. Vroeger leed ik weleens aan paniekaanvallen - ik heb er nog dezelfde soort pillen voor geslikt als Steve Mellors. Maar dat is voorbij. Het komt eropaan me een beetje arrogant te tonen - terwijl ik dat niet ben - en dan kom ik er wel doorheen.

»Die Boekenuil moet natuurlijk naar mij gaan, maar hij zal voor Stephan Enter zijn. Hij is op een bepaald niveau een betere schrijver dan ik - hij heeft veel Hermans gelezen. Ik heb nog andere boeken van hem gelezen, soms betere. ‘Grip’ is een intelligent boek, maar ook saai en langdradig, veel te veel metaforen. Ik hoor van veel mensen dat ze er niet door geraken. De personages komen niet uit de verf en de dialogen zijn onrealistisch: zo praten mensen niet. Ik vóélde het niet, en dat heb ik met veel boeken.»

Ik vraag naar boeken die hem wél wat doen. Hij geeft buitenlandse voorbeelden: ‘Coetzee, Philip Roth, Houellebecq. Géén Murakami, géén Paul Auster.’ Bij ons noemt hij W.F. Hermans, Gerard Reve, Maurice Gilliams, Marnix Gijsen als voorbeelden. Zijn medegenomineerden zijn dat minder.

Pefko «Verhulst vind ik een goeie schrijver, maar ik heb wat zitten bladeren in het boekje dat nu genomineerd is, en het is geen prijs waard. In ‘Zomerhuis met zwembad’ van Herman Koch ben ik pas begonnen - het is wel spannend en grappig, maar het is ook cliché, zoals ‘Het diner’. En Jeroen Brouwers - sorry, maar die heb ik altijd een oude zeikerd gevonden.»

Brouwers heeft al aangegeven dat hij niet naar de uitreiking in Gent zal gaan. Hoe zit dat met Pefko?

Pefko «Natuurlijk ga ik, samen met enkele vrienden. Ik vind het een mooie prijs. Als ik ‘m niet win, ga ik me bedrinken en daarna ga ik weer naar huis, zo zie ik dat.»

Herman Koch: Zomerhuis met zwembad

'Ik ben huisarts.' Zo eenvoudig kan een boek beginnen. Een beroemd boek in dit geval, want van 'Zomerhuis met zwembad' van Herman Koch zijn er een jaar na publicatie enkele honderdduizenden exemplaren verkocht, in het zog van zijn doorbraakboek 'Het diner' uit 2009, dat voorbij het half miljoen zit.

'Het rode boek' noemt Koch het soms, als we in een café in Amsterdam Oost over zijn nominatie voor de Gouden Boekenuil praten, want 'Zomerhuis met zwembad' heeft een knalrode cover. 'Het diner' is dan het blauwe boek. Zijn volgende wordt, vermoedt hij, het witte boek en zal 'Geachte heer M.' heten.

Herman Koch «Ik vind titels belangrijk, het liefst heb ik dat-ie er meteen is als ik begin te schrijven. 'Zomerhuis met zwembad' klinkt als een thriller of een film, het is een titel die de lezer stuurt: het hele boek duwt je naar dat zomerhuis toe. 'Daar zal het wel gebeuren,' denk je.»

Het oeridee was even simpel als die eerste zin: het zou een boek over een huisarts worden.

Koch «Ik was bezig aan een boek met een huisarts als één van de personages, maar ik liep vast. Een verhaal over die dokter alléén vond ik eigenlijk interessanter, en ik begon opnieuw, met die eerste zin: 'Ik ben huisarts.' Ik dacht aan een korte, krachtige novelle van zo’n honderdvijftig pagina’s. Maar dat is niet gelukt.»

Hij lacht, want 'Zomerhuis met zwembad' is een kloek boek geworden van haast vierhonderd pagina’s, al lijken ze met minder te zijn, zo gejaagd lees je.

Koch «Lange tijd had ik 'Huisarts' als titel. En als ik eerlijk ben, moet ik zeggen: ik heb een beetje spijt dat ik 'm laten schieten heb. 'Huisarts' is toch wel een hele leuke titel.

»Ik had een dokter voor ogen die in een artistiek milieu werkt. Zeker in die kringen is huisarts niet langer een beroep met aanzien: zo’n arts moet je zeggen dat een fles wijn per dag gezond is, of je gaat naar een andere dokter. En omdat zo'n man door schrijvers en acteurs al gauw als mindere wordt aangezien had ik bedacht dat hij in een vakantiehuis een of andere vernedering te slikken zou krijgen, waardoor hij zich ging revancheren: 'Dan gaan jullie er allemaal aan!' Zoiets, meer had ik niet.»

't Zou een vernedering van formaat blijken. De dokter, Marc Schlosser, heeft twee dochters, en de oudste, Julia, wordt op vakantie verkracht. De dader is, denkt Schlosser, Ralph Meier, een bevriend acteur, die het gezin Schlosser in z'n zomerhuis is gaan opzoeken. Wat doet een vader dan met die man? Dat is het dilemma waar het allemaal om draait: ga je voor je kind zover dat je iemand doodt?

Maar dan zitten we al ver in het boek, eerst moet die huisarts, het idee dat dit boek vooruitliep, nog vlees en bloed krijgen. Ik vraag Koch hoe hij dat doet, zo’n personage leven inblazen.

Koch «Voor mij komt Marc Schlosser tot leven door zijn manier van praten. Ik beschrijf zelden heel nauwkeurig hoe mensen eruitzien, ik laat ze converseren. En zeker van deze man had ik zo gauw ik hem aan het woord liet het idee: 'Ik heb 'm te pakken!' En hij blijft het hele boek lang aan het woord, in de ik-persoon.

»Schlosser heeft over alles rechtlijnige meningen. Ook dat was me snel duidelijk: hij bekijkt alles zwart-wit, in biologische termen. Zo weet hij dat het mannen áltijd om macht en uiterlijk te doen is, al de rest is flauwekul.»

Schlosser krijgt, behalve twee dochters, een vrouw, Caroline. Ook zijn opponent Ralph Meier heeft een vrouw, Judith, en twee kinderen, en in het zomerhuis logeren ook nog eens een filmregisseur, Stanley Forbes, en zijn geliefde. Ik vraag Koch hoe hij die casting heeft aangepakt.

Koch «Een goeie tegenstander voor de huisarts vinden was belangrijk. Ralph Meier is een beroemd acteur, hij vindt zichzelf heel wat. Maar hij ís ook een goed acteur, want ik haat het dat beroemde acteurs in romans altijd weer slechte acteurs moeten zijn, zoals politici altijd slechte mensen zijn. Meier staat voor alles wat de huisarts haat, maar Schlosser heeft niet door – de lezer misschien wel – dat hij in de acteur net die eigenschappen verfoeit die hij zélf ook heeft. Hij vindt Meier een foute womanizer, een viezerd eigenlijk, vervolgens blijkt dat hij zelf achter diens vrouw aanzit.

»Dat ik ook een filmregisseur bij dat zwembad laat rondlopen heeft te maken met een andere trigger voor het boek: de affaire-Polanski. Ik schreef het boek toen Roman Polanski nog vastzat in Zwitserland vanwege z'n affaire met een dertienjarige, en het gonsde van de meningen over die zaak. Er circuleerde een petitie die stelde dat je een artistiek genie wel móést vrijlaten; was hij een loodgieter geweest, dan had hij kennelijk wél dertig jaar verdiend. Je hoorde ook dat zo'n meisje van dertien dat met een glas champagne bij een regisseur in bad gaat zitten natúúrlijk beroemd wil worden – en dan vráágt ze er toch om? Of nog een machistische variant: had die man wel door dat het om misbruik ging, want dat kind had het vast hartstikke leuk gevonden!

»Elk van die meningen bevatte een aspect van de waarheid. Een vriend van me zei destijds: 'Ik ben nog nooit zo vaak van mening veranderd in een week tijd.' Wat me eraan herinnerde dat het dát is wat een roman moet doen: veel meningen aanbieden in plaats van één. En met Julia heb ik geprobeerd een meisje neer te zetten dat lang niet zo onschuldig is als haar vader denkt.

»Die Stanley Forbes is voor mij een beetje Polanski. Bij wijze van knipoog heb ik zijn veel jongere vrouw Emmanuelle genoemd. Want zo heet Polanski’s huidige vrouw; ze is dertig jaar jonger en is ooit ook met hem in een bad begonnen en daarna filmster geworden.»

Stilistisch knettert het behoorlijk in de tirades van de huisarts en de vinnige dialogen, maar voor liefhebbers van de zwaar gemaquilleerde zin geeft Koch niet thuis.

Koch «In mijn boeken mogen geen zinnen staan die de aandacht op zichzelf vestigen, en al zeker niet op de schrijver. In de Nederlandse literatuur vind je te veel van dat soort aanstellerige knutselzinnen: een soort hoger bloemschikken dat men ons elders niet nadoet. Niets verlept trouwens zo snel als taal die verliefd is op zichzelf. Gebruik een taal die níét veroudert, dat is het geheim van de meerderheid van schrijvers die overblijven, of het nu Stendhal is, Tsjechov of Hemingway

Koch geldt als plotschrijver. Maar vindt hij dat ook het leukst?

Koch «Nee. Plot is belangrijk – de motor die sneller doet lezen – maar ik geniet helemaal niet van het schrijven van hoofdstukken die alleen met de plotafwikkeling te doen hebben, ik probeer die te omzeilen. Ik zorg ervoor dat ik al schrijvend zelf nog verrast kan worden. Zoals Stephen King een keer schreef: 'De schrijver mag niet weten wie de dader is, want dan weet de lezer het ook meteen.' Als er in het boek op het strand iets gebeurt met de dochter van de arts, dan weet ik op dat moment zélf ook nog niet wie daar verantwoordelijk voor is. Ik kijk dan ook maar rond: wie is er zoal in de buurt? Hebben de zonen van de acteur er iets mee te maken? Zijn vriend?

»Verkennen hoe ver je in bepaalde dingen kan gaan: dat vind ik veel interessanter. Neem nu die biologische meningen van Schlosser: hoe incorrect kan je 'm laten zijn? Via zo’n personage geef ik af op de zelfgenoegzame elite. Dat vind ik uitdagend, omdat ik er zelf deel van uitmaak. Ik kóm in restaurants waar ze interessant zitten te doen over een stukje biologisch vlees, en denk dan: hoe is het mogelijk dat ze zich geld uit de zakken laten kloppen door zo’n onzinindustrie?»

Wil hij me na het schrijven van twee bestsellers op rij het recept geven?

Koch «Het succes van 'Het diner', moet ik eerlijk zeggen, is me ook maar overvallen. Ik dacht een goed boek geschreven te hebben, maar niet zo veel beter dan de voorgaande boeken. En ook van 'Zomerhuis met zwembad' verbaast het me het dat het zoveel lezers vindt, met al die controversiële opmerkingen erin. Ik hoor trouwens veel mensen zeggen: 'Ik kan het niet wegleggen, maar eigenlijk vind ik het een náár boek, ik word er wat koud van.'

»Ik weet niet eens of het een boek is dat ik zelf graag zou lezen. Het heeft succes omdat het toegankelijk is, en plot driven, maar ook die wat dwarse meningen hebben ermee te maken, denk ik. Het boek ventileert gedachten die de lezers ook wel een keer hebben, maar waarvan ze denken: 'Oei, dat hoort niet!'»

'Zomerhuis met zwembad' is een beter boek dan 'Het diner'. Dat zei Koch zelf herhaaldelijk bij de lancering ervan.

Koch «Dat gevoel had ik tijdens het schrijven. Voor mij was het plezieriger werken, ik twijfelde veel minder. Maar misschien was het niet zo verstandig om dat te zeggen. Na 'Het diner' las ik dikwijls: 'We hebben het altijd al gezegd! Nu heeft Koch eindelijk z’n verdiende succesboek.' Maar als ik dan zelf sta te roepen dat het volgende boek nog beter is, hebben ze zoiets van: 'Nou, dat valt nog te bezien!' En dan gaan ze zich bijvoorbeeld afvragen: past hij geen formule toe? Ik moet nu weer een beetje terug in mijn hok.»

Hoe zit het nu precies met die formule? Het centrale dilemma in het rode boek lijkt inderdaad heel erg op dat in het blauwe: kan je zover gaan een misdaad van je kind toe te dekken, zélf medeplichtig te worden?

Koch «Daar was ik me heel erg bewust van. 'Kan dat zomaar?' heb ik me afgevraagd. En het antwoord was: 'Ja, want dít is het boek dat er nu uit moet.'»

Hij zal wel goed slapen, zeg ik, die nacht voor de Uil-uitreiking, want wat stelt 25.000 euro voor een grootverdiener als hij tenslotte voor?

Koch «Tuurlijk ga ik goed slapen, van zo’n bedrag ga ik een keer uit eten! (lacht)

»Nee, je zal me nooit horen zeggen: laat maar zitten die prijs! Ik vind het wel degelijk bijzonder. Ben ook blij met die belangstelling vanuit Vlaanderen. Lezers en critici kijken er anders naar mijn boeken, is mijn indruk. In Nederland ben ik veel bekender van 'Jiskefet' en daar wordt dikwijls toch eerder Koch dan het boek gerecenseerd.»

Ik schud een beetje aan hem, maar er valt helemaal niks uit Koch over zijn concurrenten; commentaar vindt hij 'niet sjiek'.

Koch «Op zich zou ik het wel beleefd vinden om die andere genomineerden te lezen, maar ik heb al zo veel stapels boeken liggen. Ik ben wel benieuwd om de schrijvers in kwestie te ontmoeten.

»Alleen 'Grip' van Stephan Enter heb ik al gelezen, omdat verhalen over wat er decennia later van een vriendenclub overblijft me boeien – ik ben nu zelf met zo'n boek bezig. Daarom heb ik ook de laatste Julian Barnes gelezen, 'Alsof het voorbij is'. Dat boek is een baken voor mij: het is heel gelaagd en toch is er niet één zin die je over hoeft te lezen. Jeffrey Eugenides schrijft ook zo.»

De film 'Zomerhuis met zwembad' komt er vast nog wel. Maar wie zou hij het liefst in de regisseursstoel zien zitten?

Koch «Polanski. Maar die komt dan wel heel erg zichzelf tegen (lacht). Of een doorgewinterde Hollywood-regisseur als Scorsese. Clint Eastwood vind ik ook heel bijzonder: zo’n man die op z’n 82ste weer aan een film begint, daar hou ik van. Doorgaan tot je onuitstaanbaar bent voor je omgeving, en ze je in een ambulance moeten tillen, zó moet het. Zo wil ik het zelf ook doen: als tachtiger mijn beste werk schrijven. Een heel dun boekje, waarvan geen mens durft te beweren: 'Dat haalt het toch niet bij 'Zomerhuis met zwembad'.'»

Stephan Enter: Grip

Stephan Enter woont in Utrecht, dat weet ik zeker. Hij heeft me gegoogeld, stapt daarom resoluut op me af in Polman’s, een lokaal horeca-instituut. Zijn leeftijd moet ik schatten. ‘Ik geef nooit biografische details,’ zegt hij. Net geen veertig, schat ik. Over de plek waar hij opgroeide, heb ik verschillende versies gelezen. Een lachje van zijn kant: ‘Voor mij zijn al die plekken goed.’

Ik heb het begrepen: Enter is van de inmiddels wat ouwelijk aandoende maar eerbiedwaardige school der schrijvers die vinden dat het uitsluitend over het boek moet gaan. Da’s geen probleem, want het boek is goed: ‘Grip’, genomineerd voor de Gouden Boekenuil 2012, is zijn derde roman, het boek waarmee hij doorbreekt.

Ik vraag hem waar de wieg van ‘Grip’ stond en zo komen we in een Amerikaans tijdschrift terecht, jaargang 2005.

Stephan Enter «Ik las een artikel over een hoogleraar die aankondigde dat onsterfelijkheid binnen handbereik ligt: nog een jaar of twintig en wetenschappers kunnen ons het eeuwige leven garanderen. Dat is natuurlijk heel interessant materiaal voor een schrijver. Wetenschappers kijken naar wat mogelijk is, maar schrijvers proberen ook de psychologische consequenties te overzien.

»Stel dat er een onsterfelijkheidspil bestaat, wil je die dan nemen? Het hangt er maar van af, denk ik, wat voor leven je leidt. Zelf zou ik zo’n pil wel nemen, denk ik, maar niet zonder te beseffen dat ik er enorm veel spijt van zou kunnen krijgen. Want aan onsterfelijkheid zitten allerlei problemen vast.

»Op zeker moment, ik noem maar iets, zul je alleen nog maar mensen ontmoeten die je aan iemand van vroeger doen denken. Leven wordt heel ráár: misschien ga je alles voortdurend uitstellen. Kijk naar de componisten uit de achttiende of negentiende eeuw: die mensen werden veertig of zo, maar in hun korte leven deden die fa-bu-leus veel dingen. Met onze langere levensduur zie je nu al dat schrijvers later debuteren, dat jongeren het volwassen leven langer uitstellen. Als we onsterfelijk worden, worden we misschien allemaal totaal lethargisch. Of durven we geen risico meer te nemen, want een ongeval wordt dan een veel dramatischer gegeven.»

Stephan Enter werd, het zal duidelijk zijn, verleid door het idee een ideeënroman te schrijven. Iets wat ook spoorde met een verlangen dat hij sinds zijn debuut in 1999 in haast elk interview etaleert. Kijk, hij doet het weer.

Enter «Ik wil elke keer een totaal nieuw boek schrijven. Iets nieuws, waarvan ik op voorhand niet weet of het ook zal lukken.»


Geen muggen

De ideeënroman lukte niet. Het is geen levensvatbaar genre, luidt Enters conclusie.

Enter «Ik verzandde al vlug in een Mulisch-achtig boek. En ik verafschuw Mulisch. Voor je ’t weet ben je aan het etaleren - ‘Zie mij slim zijn!’ – en dat staat me verschrikkelijk tegen. Een schrijver moet koste wat kost voorkomen dat zijn ijdelheid tussen de zinnen doorschemert. Ik voel me in zo’n geval beledigd, ik denk: ‘Jongen, vertel me je verhaal. Ik ben niet geïnteresseerd in hoe knap je alles hebt bedacht, ik wil geráákt worden!’

»Van die ideeënroman ben ik dus afgestapt. Het onsterfelijkheidsthema heb ik wel in het boek geschoven, maar ik ben vooral vanuit personages gaan werken en met plekken waar het boek zich zou kunnen afspelen.»

Het verhaal komt voort uit de personages, is de regel waar Enter zich aan houdt. Shakespeare deed dat ook al, merkt hij op. In dit geval hebben we het over een viertal mensen van rond de veertig; als studenten vonden ze elkaar in een alpinistenclubje, inmiddels leven ze verspreid over de aardkloot. Paul heeft een familiekapitaal geërfd en is in Nederland gebleven, Vincent is in Japan als meteoroloog aan de slag gegaan, Martin en Lotte zijn een stel geworden en wonen in Swansea - hij is hoogleraar, zij kunstenares.

Ik vraag Enter hoe hij zijn personages geschapen heeft.

Enter «Er doemen geleidelijk gestalten voor je op. In dit geval herken ik ze eigenlijk allemaal als afsplitsingen van mezelf. Hoewel ik ook een vriend in Japan heb, en nog een vriend die in het buitenland hoogleraar in de deeltjesfysica is geworden. Zo gaat het altijd: je raapt personages bij elkaar door dingen op te pikken die je van jezelf kent of van anderen.

»Dat ik er alpinisten van gemaakt heb, past natuurlijk geweldig bij dat thema van onsterfelijkheid. De ongelooflijke traagheid waarmee bergen zich ontwikkelen en eroderen staat in enorm contrast met onze eigen vlinderachtige aanwezigheid op aarde. Het helpt dat ik zelf ook graag in de bergen ben. Ik heb wel eens geklommen, niet op de K2 hoor, maar ik vind het heerlijk om erover te schrijven.»

Met een grotere groep reizen de protagonisten als ze een jaar of twintig zijn naar de Lofoten, da’s boven de poolcirkel. Het is een grote geluksperiode, waarin er dingen gebeuren die de rest van hun leven bepalen. Vincent wijst er Lotte af, ze zal zich daarom in de armen van de eerste de beste gooien, zegt ze. Lotte komt ten val, Paul redt haar leven; Martin brengt de gekwetste naar huis, hij wordt die eerste de beste.

Enter «Ik had eerst aan Zwitserland gedacht als bestemming, maar het zijn de Lofoten geworden, nadat ik er met een goeie vriend was in 2008. Wat de doorslag gegeven heeft, is dat je daar die middernachtszon hebt, die in het boek een heel grote rol speelt: een licht waaraan niet te ontsnappen valt. ‘Tegen het licht’ is een tijdje een mogelijke titel geweest. Toen we daar aan het klimmen waren, is die vriend naar beneden gelazerd en in een struik blijven hangen, anders was hij veertig meter lager in een gletsjermeer terechtgekomen: ook dat brengt een mens op ideeën, zul je hebben gemerkt.»

Noorwegen is niet zo’n gebruikelijke bestemming in de Nederlandse literatuur. Véél schrijvers van bij ons zijn er niet meer gesignaleerd sinds ‘Nooit meer slapen’ van W.F. Hermans, een boek met zoveel muggen per pagina dat het je thuishield; Enters roman daarentegen dúwt je richting Lofoten, hij schrijft zelfs dat er géén muggen zijn.

Enter «Dat klopt, omdat het een eilandengroep is, heb je er minder last van de muggen.

»Het is één van de mooiste gebieden van Europa, en ik heb ongelooflijk geluk gehad: het was er een paar weken schitterend weer. Een redacteur die ik door mijn boek enthousiast had gemaakt om er ook naartoe te gaan, heeft er een week lang in tien centimeter regen gestaan.»

De Lofoten zijn de locatie voor de flashbacks, twintig jaar later houdt de roman zich vooral in de trein op: Vincent en Paul reizen naar Swansea voor een reünie met Lotte en Martin. Ook die reis heeft Enter gemaakt, want ter plekke gaan, details noteren, behoort volgens hem tot het gereedschap waarmee een schrijver dingen tot leven kan wekken.

Enter «Als je iets heel goed kent, kun je allerlei details opvoeren die je niet zou kunnen verzinnen. Dat het overal op de Lofoten naar stokvis ruikt, bijvoorbeeld. De lezer denkt: ‘Die man weet waarover hij het heeft!’ Ik streef altijd precisie na: als je heel precies kijkt naar om het even wat, dient er zich vroeg of laat iets origineels aan, iets dat niemand ooit heeft gezien.

»De reis van Brussel-Zuid naar Swansea, met de Eurostar en de Great Western, heb ik wel vijf keer gemaakt, omdat ik er een vriend heb. Afgelopen zomer heb ik hem één keer extra gemaakt om alle details nog eens op scherp te zetten. De kust bij Swansea ligt er net zo bij als ik ‘m beschrijf, met van die strandjes die door de opkomende vloed van elkaar afgesloten geraken. Ik ben er net als Vincent tegen de klif opgeklommen, ik heb er net dezelfde klimmersfout gemaakt: vergeten te kijken hoe ik terug zou kunnen. Maar ik heb het wél overleefd (lacht)


Zen

‘Grip’ is het product van een ambitieus schrijverschap. Als ik probeer te achterhalen waar Enter de mosterd haalt, komen we uit bij schrijvers als Virginia Woolf en Vladimir Nabokov.

Enter «Nabokov heeft een hele goeie stijl. Pagina na pagina denk je: ‘Waw, wat een beeld!’ Tegelijk steekt hij z’n plots ontzettend goed in elkaar. Die combinatie wil ik ook.

»Ik moet op voorhand een globaal idee hebben van de afloop van het verhaal, maar de kunst is dan die plot weer los te laten als er zich betere mogelijkheden voordoen. Bij schrijvers die al te zeer vasthouden aan hun planning zie je het geraamte van de plot uit het boek te voorschijn steken.

»Ik wil ook dat het boek een schatkist is van metaforen, maar tegelijk moet je streng zijn. ‘Kill your darlings!’ Ook al is een beeld prima, als het niet functioneert in de tekst, moet het eruit.»

Hoeveel metaforisch geschitter een tekst verdraagt verschilt naargelang van de lezer. De criticus van De Morgen prees Enter als coming man van de Nederlandse letteren maar schreef ook: ‘Enters statige schriftuur neigt bij momenten naar schoonschrijverij.’

Enter «Diezelfde man zou dat óók van Nabokov zeggen. Ik heb over iedere zin zó lang nagedacht: ‘Laat ik ‘m staan? Laat ik ‘m niet staan?’ Geloof me, er is ontzettend veel weggesneden, soms weer teruggeplaatst. Uiteindelijk is dít de balans waarvoor ik heb gekozen.

»‘Grip’ is het beste dat ik op dit moment kan. Dat moet je overtuiging zijn bij elk nieuw boek, anders laat je het toch ongepubliceerd?»

Als ik naar het waarom van die titel, ‘Grip’, vraag, krijg ik de structuur van het boek geserveerd.

Enter «Ik heb de plot over drie delen gespreid, met een wisselend perspectief: je kijkt eerst mee met Paul, dan Martin, dan Vincent. Veel lezers verwachten dan een vierde deel vanuit het perspectief van Lotte. Maar dat heb ik slechts kort overwogen, dat zou ik heel erg cliché vinden. Het boek wordt dikwijls een reünieroman genoemd, maar dat zul je uit mijn mond niet horen, voor mij gaat het over geluk. Voor de drie mannen is Lotte de verpersoonlijking van het geluk. Alle drie hebben ze het gevoel dat ze niet echt grip op Lotte krijgen. En ik wou de lezer datzelfde gevoel geven: ook zij mogen geen grip krijgen op Lotte.

»Ik rond af met een korte epiloog, weer vanuit het perspectief van Paul, en probeer aan het eind zoveel mogelijk dingen in de lucht te laten hangen. Zo lijk ik een cirkel te sluiten; het was mijn geheime wens dat het boek zou gaan werken als een perpetuum mobile. Dat de lezer aan het eind denkt: ‘Wat is dit toch voor een raar boek? Er zijn allerlei dingen waarmee ik blijf zitten.’ En dat hij weer van voren af aan begint te lezen. En, verdomd, wat heb ik nu gemerkt op het lezersforum van de Gouden Boekenuil? Dat een aantal lezers daadwerkelijk zegt: ‘Ik ben opnieuw beginnen te lezen.’»

Het boek kreeg een motto mee van de zeventiende-eeuwse haikudichter Basho: ‘Niets in het zingen der krekels / Verraadt hoe vlug ze sterven’. En Enter is zichtbaar blij dat op hetzelfde lezersforum iemand opmerkt dat de fijne adem van Basho door het hele boek waart want, zo zegt hij: ‘Voor mij is dit ook een boek over Zen.’

Enter «Dat motto heeft me gestuurd bij het schrijven. Het loopt ook vooruit op wat voor mij de sleutelscène van het boek is, pagina 163, en waarin ik een haiku van dezelfde Basho parafraseer. Vincent is erachter gekomen dat zijn beeld van Lotte alleen nog in zíjn hoofd bestaat, zij heeft gelééfd, zij is inmiddels haast onherkenbaar verouderd. In een reactie smijt hij stenen naar de weerspiegelde zon in het water. Maar als de rimpelingen uitgedeind zijn, staat die zon nog altijd in het water: een beeld dat de essentie van Zen benadert.

»Ik ben geen zenboeddhist, maar die metaforische kant vind ik heel interessant, ook de kijk op het leven. Ik beweeg me die kant op. Zoals Paul in het boek denk ik dat aan het eind niet je carrière telt, of nine eleven of al die dingen, maar de geur in een huis waar je welkom was, de lach van een geliefde. Je moet de ruis uit het leven snijden, de schoonheid in ieder moment zien.

»Ik zal daaraan denken op het moment van de Uil-uitreiking (lacht) en ervan genieten - of ik ‘m nu win of niet. Ik verheug me er echt op. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik niets weet van de andere genomineerden, alleen de naam van Jeroen Brouwers ken ik uit de essays van Rudy Kousbroek. Maar ik ga hun boeken nog kopen én lezen. Vier boeken, dat kan toch in een week?»

Ik wijs hem erop dat ik hier met een gedoodverfd winnaar zit te praten: ‘Gewoon bekronen, die jongen’ was het advies van De Standaard der letteren na het overschouwen van de shortlist, en ook enkele van zijn collega-genomineerden verwachten hém met Uil op het podium.

Enter «Daar word ik alleen maar terughoudender van. Vergeet niet dat ik al twee keer op de shortlist van de Librisprijs heb gestaan. Mijn roman ‘Spel’ zou zeker winnen, wist de NRC destijds. Ik zou naïef zijn als ik er nu weer zou intrappen. Een paar mensen hebben me al de Joop Zoetemelk van de Nederlandse literatuur genoemd, de eeuwige tweede. Dat is niet erg: Zoetemelk is toch een grote held?»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234