null Beeld

De Gouden Boekenuil: Jeroen Brouwers

‘Ik vind die poppenkast met nominaties verschrikkelijk,’ zei Jeroen Brouwers bij zijn vorige nominatie voor de Gouden Boekenuil. Want: ‘Je kunt je medegenomineerden wel collegiaal bejegenen, maar intussen denk je diep in je hart: ‘Sodemieter op, die prijs komt mij toe!’

Mark Schaevers

We zitten aan de tafel waarop de franciscaner broeder Mansuetus met zijn strijkstok op jongenslijfjes sloeg, want dit is de tafel waarop Brouwers (74) zijn roman ‘Het hout’ schreef.

Jeroen Brouwers «Nu ik de trap zo moeilijk op raak, heb ik voor het eerst een boek geschreven aan deze tafel in de woonkamer. In de zomer met de deuren open – de zon kwam binnen, het beviel me.»

We kijken naar de bomen van een Zutendaals bos vanuit een illegale bungalow die op bevel van de rechter dient gesloopt. Als ik over die zaak begin, zegt hij: ‘Hou op!’

Brouwers «Het bericht dat dit huis weg moet, viel hier binnen toen ik midden in mijn roman zat. ‘Godverdomme!’ denk je dan, terwijl je toch een vroom boek aan het schrijven bent...»

De trigger voor dat ‘vrome boek’, over seksueel misbruik in een katholieke kostschool, ligt voor de hand: de vloedgolf van berichten over seksueel misbruik door geestelijken anno 2011-2012.

null Beeld

Brouwers «Dat was toen echt een ontploffing, hè? In Vlaanderen ging bisschop Vangheluwe over de tongen, in Nederland spitte de commissie-Deetman een duizelingwekkend aantal gevallen van seksueel misbruik boven. Ook de vroegere bisschop van Roermond, Gijsen, was in opspraak: een monument dat zijn enkels brak. Die misbruiken speelden zich vooral in pensionaten af. Hé, dacht ik, dat pensionaatsleven, dat kén ik. Het zat allemaal in mijn kop: dit boek kostte me niet veel moeite, het viel uit mijn handen.»

Bij wijze van spreken dan, het vallen der woorden duurde toch twee jaar, in trossen van zo’n halve pagina per dag.

Brouwers «Mijn hand is voor een deel verlamd. Vroeger kriebelde ik een pagina vol met kleine lettertjes, nu heb ik grote letters nodig en werk ik het liefst met grote vellen. Negenenzeventig vellen heb ik volgeschreven, ze lagen hier op tafel en op de grond. Ik kon als een veldheer overzicht houden over de troepen.»

Zijn lange kostschooljaren in de jaren 50 hebben Brouwers voor het leven getekend, zoals blijkt uit menig boek van hem. Wat is zijn eerste gevoel wanneer hij die periode weer oproept?

Brouwers «Angst! Die chambretjes waarin je lag te beven! Op je rechterkant moest je liggen, handen gekruist voor de borst, zo luidden de wetten van toen. Soms trokken ze de dekens van je af om te zien hoe je erbij lag.»

‘Het hout’ speelt zich af in 1953 in Bleijerheide, zijn laatste kostschool. Denkt hij eraan terug, dan doemt meteen broeder Mansuetus op, het hoofdzwijn van het boek – ‘een nattig opgezwollen Übermensch’.

Brouwers «Een boom van een vent was dat, wreed en genoegen scheppend in vernedering. ‘Jij bent niks! Verbeeld je vooral niks!’ Dat je je nederig moet opstellen, dat is me de helft van mijn leven bijgebleven: ‘Ik kan niks; die boeken van mij zijn niet goed.’

»Vijftig jaar na dato ben ik terug in die school geweest, zelfs het patroon van de tegels herkende ik nog. Ik heb toen aan het graf van Mansuetus gestaan. Broeder Servatius ligt naast hem: hij was de zoon van een slager, hij had zijn vinger afgehakt en liep met een stompje rond. Ook hij was zo’n viezerik, blijkt nu uit de rapporten.»

Van wel veertien broeders van Bleijerheide heeft de stichting Mea Culpa intussen een bezwarend dossier. Maar de jonge Brouwers, zelf géén slachtoffer van seksueel misbruik, had het destijds niet in de gaten.

Brouwers «Als jongetje van 13 ben je naïef. Je hoorde de jongetjes onderling wel allerlei dingen vertellen, maar dat geloofde je niet, dat was interessantdoenerij.»

Vaak ontstaan Brouwers’ romans vanuit een eenvoudig oerbeeld. Wat was het dit keer?

Brouwers «Een vent trekt zijn pij uit: een kloosterling die het klooster uit loopt. En dat gebeurt inderdaad aan het eind. Er is dan een jongetje dat de hand van die kloosterling neemt. ‘De lont zit in de opstand,’ schrijf ik, en daarmee verwijs ik naar wat vijftien jaar later gebeurde, in de tijd van de provo’s en de opstandige jeugd, toen alle kloosterlingen het klooster verlieten.»

Bonaventura heeft hij de rebelse kloosterling, Mansuetus’ tegenspeler, gedoopt. Hij was leraar Duits in de school, heeft zich in het klooster laten lokken.

Brouwers «Van in het begin wist ik: die broeder Bonaventura moet het verhaal vertellen, en niet een ‘ik’ die ik dan zou zijn, dan gaat het te autobiografisch lijken. Ik had een twijfelaar nodig, iemand die wel tot het klooster behoort, maar zich daar niet thuis voelt. Iemand die ook de muziek, de literatuur van die jaren over zich heen gekregen heeft, en dus weet wat er buiten de kloostermuren gebeurt.»

undefined

'De viezigheden, die lees je niet in die rapporten over seksueel misbruik'

Wat zich in de loop van de Goede Week binnen de kloostermuren afspeelt, is de kern van het verhaal. Twee kostschoolgangers, Mark Freelink en Wil van Lanschot, hebben ontsnappingsplannen, maar daar steekt broeder Mansuetus zijn stokje voor.

Twee jongelingen sieren trouwens de cover, daar mag je Freelink en Van Lanschot in herkennen.

Brouwers «Het is mijn cover, een fragment van een werk van Giovanni Bellini, ‘De opdracht in de tempel’, dat ik toevallig ergens zag. ‘Eén van die jongens moet blond zijn,’ zei ik de ontwerper. ‘Dat kan ik toch zomaar niet veranderen!’ zei die. ‘Ik heb persoonlijk met meneer Bellini gebeld, die vindt het goed,’ heb ik hem gezegd. Die is dus gefotoshopt.»


Burcht van masturbatie

De eerste zin: ‘De pij irriteert mijn huid.’ Het is meteen ook de eerste zin die Brouwers schreef. Die pij der broeders, ‘in faecaal bruin’, komt nog vaak terug, niet toevallig.

Brouwers «Wat kan beter de onderwerping uitdrukken dan dat ze geen eigen kleren hebben?»

Nog een stuk textiel dat door het hele boek blijft zwerven: de zakdoek van de broeders, waarmee ze ook hun handmade kwakje opvangen. Masturbatie behoort in Brouwers’ klooster tot de dagelijkse handelingen.

Brouwers «Dat móét daar een burcht van masturbatie geweest zijn. Dát is toch het enige moment waarop ze enige vrijheid genoten. Wat moesten die kerels zonder een vrouw of zonder iets?»

Dat Bonaventura ook de liefde van een vrouw en het bijbehorende spel zou kennen, stond van meet af aan ingeschreven in Brouwers’ plannen, kwestie van het boek enige lichtheid mee te geven. Patricia Delahaye heet ze, een jonge weduwe uit het dorp.

Brouwers «Een intelligente, beetje opstandige vrouw moest dat zijn, die belangstelling voor hem heeft en hem gelooft, want zo gauw Bonaventura bij haar aan tafel zit, kotst hij het hele tafelblad onder met zijn verdriet en verontwaardiging.»

Patricia is ook een vrouw die van aanpakken weet, ze loopt broeder Bonaventura gewoon voor richting bed.

Brouwers «Die wereldvreemde man heeft zijn hele leven gemasturbeerd, en opeens gebeurt dat! ‘Gaat dat zó? Dient dat dáárvoor?’ Het laatste deel is één en al seks. Terwijl ik voordien nooit seksscènes geschreven heb. Ik had er nooit zin in, zeker niet als het met dat soort woorden als kut en lul moet.»

Dus doet hij het met woorden als muschi, poes, pruim, gleuf, doos, flamoes – een aardig alternatief voor het even genereuze gegoochel met religieuze termen voordien: ciborie, monstrans, pateen en palla. Zoals de uitgebreide vrijscène ook een leuk alternatief is voor de sadistische scène met het zwijn Mansuetus en het jongetje Freelink in het hart van het boek.

Brouwers «Zo’n scène moest erin, want dat miste ik toch in die officiële rapporten: de misdaden, de viezigheden, die lees je daar niet. Dat ik Mansuetus ether laat gebruiken, is niet toevallig: dat heb ik uit de dossiers van Mea Culpa.»

Is hij weleens vastgelopen tijdens het schrijven?

Brouwers «Ja. Ik wou Bonaventura absoluut kennis laten maken met die vrouw. Maar zo’n klooster was een gesloten gemeenschap, daar kon je niet uit weg. Dus zat ik klem: hoe kreeg ik hem in godsnaam buiten? Stel het je niet te erg voor, ik heb hier geen eeuwen zitten jammeren: ‘Mijn roman is mislukt!’ Een namiddagje staren en toen had ik de oplossing: ik bezorgde hem een gigantische kiespijn, en dus moest hij wel naar de tandarts in het dorp.»

De titel, ten slotte, die liep het boek ver vooruit.

Brouwers «Ik zat bij de voorstelling van mijn vorige boek naast mijn uitgever, Emile Brugman. ‘Ben je van plan nog iets te doen?’ vraagt hij. ‘Ja, er komt nog een roman,’ zeg ik, ‘en die zal ‘Het hout’ heten.’ Ik had nog geen woord geschreven. ‘Geen goeie titel,’ zegt hij, waarop ik: ‘Hij heet ‘Het hout’. Punt.’ Ik vind die dubbelzinnigheid leuk: het gaat niet alleen over de strijkstok waarmee Mansuetus meppen uitdeelt, ook over het hout waaraan Onze Zaligmaker heeft gehangen.»

Op pagina 269 staat het voorstel om bommen te gooien op het hele instituut roomse kerk.

Brouwers « Zo denk ik er zelf niet over, eigenlijk. Ieder geloof is domheid, is mijn hovaardige idee. Maar miljoenen mensen vinden een houvast in het geloof in één of andere god, en dus gun ik ze hun domme idee. Want ik zei het je al, nederig blijven, dat is er op de kostschool flink ingestampt.»

Tot 30 april dan maar, bij de uitreiking?

Brouwers «Ik kom niet, dat heb ik al laten weten. Eén: omdat ik de pest heb aan dit soort commerciële prijzen. Twee: omdat ik het fysiek niet meer aankan. En drie: ik ben die dag jarig en dus onvindbaar.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234