'De jaren zestig': hoe The Beatles de wereld veroverden

In ‘De jaren zestig’ doet literatuurprofessor Geert Buelens in een dikke duizend pagina’s het verhaal van het opwindendste decennium van de vorige eeuw. In deze exclusieve voorpublicatie vertelt hij hoe The Beatles in 1964 de populairste band ter wereld werden en toont hij voor het eerst hoe overheden, media en fans van Jeruzalem tot Kaapstad en van Praag tot Jakarta reageerden op The Fab Four.

'Ik denk dat ik ze eens ga uitnodigen om te zien wat voor jongens het eigenlijk zijn'

In 1963 hadden The Beatles met hun energieke liedjes behalve in het Verenigd Koninkrijk ook in Canada, Australië, Zuid-Afrika en een paar landen in West-Europa succes gehad. Wegens hun buitengewone platenverkoop hadden ze, als economisch wonder, zelfs de voorpagina van The Financial Times gehaald. In 1964 werden ze echter een wereldwijd fenomeen. In de wereld van de popcultuur betekende dat dat ze de Verenigde Staten veroverden: eerst met platen (op 18 januari haalden ze voor het eerst de Billboard-hitparade), in februari via ‘The Ed Sullivan Show’ op televisie en optredens in Washington D.C. en New York en, nadat ze begin april zowaar de vijf eerste plaatsen van de Billboard hadden bezet, via een uitgebreide tournee.

De ongekende internationale triomftocht van The Beatles laat onbelicht dat de wereld van de popmuziek in 1964 bepaald nog niet geglobaliseerd was. Veel landen hadden niet eens een hitparade en ook de in het Westen intussen courante single- en elpeeformaten waren nog niet overal de norm. In India, de Filipijnen en Indonesië, bijvoorbeeld, waren 78 toerenplaten nog heel courant omdat er geen elektriciteit voor nodig was. Dat verklaart wellicht ook waarom in de Filipijnen in 1964 het recordaantal van 21 Beatles-singles werd uitgebracht – veel liedjes die in de rest van de wereld alleen op lp te krijgen waren, konden op 78 toerenformaat een veel groter publiek bereiken. Ook in Mexico werden er in 1964 21 Beatles-singles uitgebracht – de lokale fans konden zich veelal geen lp’s veroorloven.

'In de handen van manager Brian Epstein waren ze omgetoverd tot nog altijd energieke en onweerstaanbare, maar ook knuffelbare jongens'


Gefrituurde hits

Hoe lokaal veel markten waren, blijkt ook uit de snelheid waarmee vrijwel overal in de wereld liedjes van The Beatles in de eigen taal werden gecoverd. Misschien is ‘naspelen’ overigens een correctere term: in Mexico (door de feestelijke accordeon) en Spanje (waar sommige liedjes een flamencobehandeling kregen) werden de songs weleens in plaatselijke stijlen uitgevoerd, maar veel vaker werden ze, zo goed en zo kwaad mogelijk, noot voor noot nagespeeld en nagezongen, waarbij alleen de tekst vertaald werd, soms overigens erg vrij. Dat ‘opnieuw frituren’ van Engelse liedjes, zoals de praktijk in Mexico werd genoemd, was uiteraard bedoeld om de lokale markt te beschermen. Internationale gewoonten, verwachtingspatronen en reacties verschilden soms dramatisch, ook bij liveoptredens. Terwijl The Beatles in eigen land vooral op de hormonen van jonge meisjes werkten, zaten er in Parijs bij hun eerste doortocht vooral jongens in de slechts gedeeltelijk gevulde zaal. Ze bleken ook beperkt onder de indruk van de melodieuze liedjes van Lennon en McCartney; pas bij rockers als ‘Twist and Shout’ werden ze enthousiast.

Ook de Amerikaanse doorbraak verliep minder vanzelfsprekend dan het vaak geciteerde en inderdaad verbluffende feit dat meer dan 73 miljoen Amerikanen hun eerste optreden bij Ed Sullivan hadden gezien, doet vermoeden. Capitol Records, nochtans in handen van het Britse EMI, dat al sloten geld aan het verdienen was met The Beatles, had meermaals geweigerd hun singles op de Amerikaanse markt te lanceren. ‘Please Please Me’ en ‘From Me to You’ evenals hun eerste Amerikaanse lp, ‘Introducing...The Beatles’, werden uiteindelijk uitgebracht door Vee-Jay, een zwart label dat pas in 1962 met de al snel immens populaire The Four Seasons voor het eerst een blanke act had getekend. De singles flopten echter, wat de Amerikaanse platenbonzen wellicht bevestigde in hun overtuiging dat Britse populaire muziek niets te zoeken had in de Verenigde Staten. Sinds de Tweede Wereldoorlog hadden weliswaar meer dan driehonderd liedjes met niet-Amerikaanse wortels de Billboard-hitlijst gehaald, maar in de meeste gevallen betrof het Latijns-Amerikaanse dansorkesten (zoals die van de Cubaan Pérez Prado) of wat in de Verenigde Staten werd ervaren als eendagsvliegen – Europese fenomenen zoals de Belgische Soeur Sourire, de Deense broertjes Jann & Kjeld, Cliff Richard met ‘Living Doll’ of Domenico Modugno met de monsterhit ‘Volare’. En zo wilde Ed Sullivan The Beatles aanvankelijk ook presenteren: eind oktober 1963 was hij op Heathrow toevallig getuige geweest van de hysterische wijze waarop Britse fans hun helden hadden onthaald na hun korte Zweedse tournee. Zo’n fenomeen kon de Amerikaanse tv-kijker misschien wel amuseren.

Toen ze op 7 februari 1964 in New York landden, waren The Beatles echter ook in de Nieuwe Wereld een fenomeen geworden. In december had een uit Engeland geïmporteerd exemplaar van ‘I Want to Hold Your Hand’ een radiostation in Washington D.C. bereikt en de luisteraars waren als een blok gevallen voor die exuberante explosie van levensvreugde en verliefdheid. Eindelijk werden ze ook bij Capitol wakker. Al snel konden de fabrieken de vraag naar Beatlesvinyl nauwelijks meer bijhouden. Op Heathrow hadden vierduizend fans The Beatles uitgewuifd en in New York stonden er drieduizend hen op te wachten. De koorts was aan de Amerikaanse Oostkust dus bijna even hoog.


Plagiaat-Beatles

1964 heet het jaar te zijn van de eerste wereldtournee van The Beatles, maar ‘wereld’ was een relatief begrip in die tijd. In wezen reisden ze naar de rijkste Britse (ex-)kolonies – Canada, de Verenigde Staten, Australië, Nieuw-Zeeland en Hongkong – en naar de meest nabije en evenzeer welgestelde oostelijke buurlanden: Zweden, Denemarken en Nederland, plus Frankrijk (waar ze ondanks het aarzelende begin achttien keer in de Olympia in Parijs speelden). In Ierland hadden The Beatles in november 1963 opgetreden, voor het laatst, zou later blijken. Hamburg was van 1960 tot 1962 cruciaal geweest in hun ontwikkeling als liveact, maar in 1964 stond West-Duitsland niet op het programma. Dat was vreemd, want het was een enorme markt en het land zag er ook rijk genoeg uit om de intussen belangrijkste popact ter wereld te kunnen boeken. Dat gold ook voor Japan, een land waar dan al 50 procent van de platenverkoop uit het Westen kwam en The Beatles alle verkooprecords braken.

Ook in Zuid-Afrika was er vast voldoende kapitaal te vinden. In het Afrikaans sprak men volop over de heersende ‘kevergekte’ en die was – gezien het succes van hun platen, merchandising en het met Beatles-nieuws gevulde Engelstalige tienerblad Debonaire – ook aan de Zuidkaap overduidelijk losgebroken. Ook al waren hun platen er gewoon op de markt en al hadden Lennon & McCartney hun liedje ‘One and One is Two’ aan de blanke Zuid-Afrikaanse band The Strangers with Mike Cannon geschonken, optreden voor een gesegregeerd publiek was voor de band geen optie. In december 1964 toerde Dusty Springfield door Zuid-Afrika, op uitdrukkelijke voorwaarde dat in gemengde zalen te mogen doen. Na een handvol concerten waarin dat ook min of meer geslaagd was, werd ze door de autoriteiten het land uitgezet.

De rest van Afrika leek al helemaal buiten beeld te blijven voor blanke artiesten. Zwarte internationale sterren traden er soms op – Junior Wells in Mali (1965), bijvoorbeeld, Chubby Checker en Millie Small in Nigeria (1967) en James Brown in Ivoorkust (1968) – maar voorts bleef de Amerikaanse aanwezigheid op Afrikaanse podia meestal beperkt tot jazzmuzikanten. Voor de verspreiding van westerse platen was het continent nog in hoge mate aangewezen op de lokale bijhuizen van grote internationale platenlabels als EMI en Philips. Vooral ex-kolonies van Groot-Brittannië die nog een grote Engelse gemeenschap hadden, konden er veelal op rekenen dat de grote successen ook op hun markt werden uitgebracht, soms zelfs in speciale edities. Nigeria, bijvoorbeeld, zag in 1964 niet alleen de Britse lp’s van The Beatles verschijnen, maar ook minstens drie singletjes met een songcombinatie die nergens anders voorkwam. Francofone landen als Congo waren aangewezen op import uit Frankrijk of België, al werden vanaf 1965 ook een paar lokale Beatles-edities geperst.

Latijns-Amerika bleek vooralsnog evenmin een vanzelfsprekende bestemming voor topacts als The Beatles, al werden hun platen er wel in groten getale verspreid – ook hier geregeld in edities die nergens anders te vinden waren. Zo maakte Brazilië kennis met de band via de in januari 1964 uitgebrachte lp ‘Beatlemania’. In Argentinië was de groep gelanceerd als Los Grillos (de krekels dus, toch een ander beestje dan de kever), maar ze brak uiteindelijk door als Los Beatles. Die naam werd ook in Chili gebruikt, maar soms heetten ze er gewoon The Beatles, bijvoorbeeld op de hoes van ‘A Hard Day’s Night’, die voorts een foto bevatte van de groepsleden als wassen beelden. Het is verleidelijk dat als een symptoom te zien voor de positie van Latijns-Amerika op de wereldmarkt – een populair wingewest, maar voorts zo perifeer dat de inwoners het met imitaties moesten zien te rooien.

In juli 1964 werd in de Braziliaanse media geadverteerd voor een optreden van ‘de overbekende Amerikaanse Beatles – de succesact van het moment overal ter wereld’.

Voor een land dat net, met enthousiaste steun van de Verenigde Staten, een militaire dictatuur was geworden, moet het cynisme van de pr-stunt bijna tastbaar zijn geweest. De band in kwestie was immers helemaal niet wereldberoemd: het betrof een vijfderangs imitatie, inderdaad uit Amerika, die met de groepsnaam ‘Beetles’ op het drumstel vervaarlijk langs het plagiaat scheerde. Dat effect werd nog versterkt door bij de ingang van het theater in São Paulo waar ze optraden Beatlespruiken te verkopen. Elf weken toerde het kwartet door Zuid-Amerika en in Argentinië haalde de band – allicht bij gebrek aan andere internationale acts – zelfs de televisie. Het publiek klapte enthousiast tijdens hun uitvoering van ‘Mean Woman Blues’ (in de versie van Roy Orbison) en bijwijlen werd er zelfs geschreeuwd. Om deel uit te maken van de grote mondiale Beatles-gemeenschap moest de derde wereld genoegen nemen met een wrange kopie.

'In juli 1964 tourden 'The Beetles', een vijfderangs imitatie, door Zuid-Amerika. In Argentinië haalde de band zelfs de televisie'


De stem van het volk

Sinds de opkomst halverwege de jaren 50 van de rock-’n-roll en films als ‘The Wild One’, ‘Blackboard Jungle’, ‘Die Halbstarken’ en ‘Les tricheurs’ stond jongerencultuur voor de westerse burgerij gelijk aan een Probleem: de jeugd was wild, zo niet misdadig, ze miste elke vorm van respect en ondergroef met zichtbaar genot eeuwen van zorgvuldige artistieke, culturele en sociale verfijning. De eerste reacties toen The Beatles opkwamen, gingen als in een reflex dezelfde richting uit. Ook serieuze media hadden het automatisch over ‘een jeugdbende’ wanneer er in Newcastle onrust ontstond in een rij van duizenden Beatles-fans die aan het aanschuiven waren voor een ticket. Hun fans werden – gezien de spelling van de groepsnaam niet eens zo vergezocht – ‘beatniks’ genoemd. Een West-Duits vrouwenblad begreep de ‘beat’ uit de groepsnaam zelfs als een aansporing tot geweld. Wie The Beatles had meegemaakt – op het podium, tijdens een persconferentie of in één van de ontelbare interviews die ze aanvankelijk gaven – werd echter snel ingepakt door hun charme, speelsheid en gevoel voor humor. In hun Hamburgse jaren was het misschien een ruige band geweest, maar in de handen van manager Brian Epstein waren ze omgetoverd tot nog altijd energieke en onweerstaanbare, maar in toenemende mate ook knuffelbare jongens. En dus gaf ook het establishment hun al gauw de zegen.

Van de Queen Mother (‘Zo jong, zo fris, zo vitaal’) tot veldmaarschalk Montgomery (‘Ik denk dat ik ze eens ga uitnodigen om te zien wat voor jongens het eigenlijk zijn’) waren de reacties geamuseerd en geïntrigeerd. Toen Paul Johnson van het progressieve blad New Statesman begin 1964 wees op het ‘gevaar van het Beatlisme’ en hij aangaf dat de fans van de band niet representatief waren voor de Britse jeugd, leek dat al op een achterhoedegevecht.

In het buitenland werd het verband tussen The Beatles en de verloedering van de jeugd vaker gelegd, waarbij de jongens uit Liverpool systematisch als zondebok werden gekozen in een lokale cultuurstrijd. Israël is een bijzonder voorbeeld. Al in januari 1964 was in de internationale media voor september een Israëlische tournee in het vooruitzicht gesteld. Dat was opmerkelijk, want het land mocht dan al bij velen een uitzonderlijk positieve reputatie hebben, op het voorplan van de popcultuur bevond het zich bepaald niet. Er woonden echter wel familieleden van Beatles-manager Brian Epstein en volgens de overlevering zou zijn moeder Malka er al in 1962 op aangedrongen hebben om zijn ontdekking ook met de geloofsgenoten in het Heilige Land te delen. Dat bleek gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Begin 1964 boog de Interdepartementale Commissie voor het Toelaten van de Import van Buitenlandse Artiesten zich over de aanvraag van de organisator. Vertegenwoordigers van de ministeries van Onderwijs, Buitenlandse Zaken, Financiën en Binnenlandse Zaken en van de publieke omroep vonden de komst van de Britse rockers niet vanzelfsprekend. In september 1963 was Cliff Richard op een lokale luchthaven door tweeduizend fans bestormd en zelfs de politie had die opstoot van hysterie niet kunnen intomen. Gevolg: de Ritme Beatles, zoals ze in het Hebreeuws werden genoemd, waren niet welkom. Of zoals de in Israël berucht geworden Resolutie 691 het stelt: ‘Besluit: de aanvraag niet toe te staan uit angst dat optredens van The Beatles een negatieve invloed op de jeugd zouden hebben.’ De concertpromotor ging uiteraard in beroep, waarna de commissie een diepgaand onderzoek instelde en onder meer de mening vroeg van Israëlische ambassades in landen waar The Beatles al waren geweest.

Ook de lokale media mengden zich in het debat, waarbij een meerderheid expliciet Resolutie 691 steunde. Het verst ging de grote krant Maariv: ‘De gezonde logica van de overheidscommissie [...] zal wellicht de ‘Beatles’ die onze velden dreigen te teisteren uitroeien.’ Nu werd er gezien de woordspeling beetle/beatle wel vaker op kevers en insecten gealludeerd wanneer het over de groep ging, maar dat maakt de uitroeiingsmetaforiek in een Israëlische krant niet minder opmerkelijk. Op 16 maart volgde het oordeel, Resolutie 709. Het onderzoek had uitgewezen dat de band artistiek gesproken niet waardevol was en dat ze bij jongeren tot massahysterie kon leiden. Ze pasten niet bij het nationale zelfbeeld dat de overheid en een belangrijk deel van de massamedia wilden cultiveren. The Beatles zou de toegang tot Israël worden ontzegd.

'Meer dan 73 miljoen Amerikanen zagen het eerste optreden van The Beatles in hun land in de tv-show van Ed Sullivan'


Achter de muur

Ook in Indonesië woedde een strijd over de nationale ziel en cultuur, en anders dan in Israël leek men daar het stadium van de discussie en afweging in commissies intussen voorbij. Het was, zo stelde Soekarno, ‘in het belang van het succes van de Revolutie dat al onze inspanningen, ook op het vlak van literatuur, op het spoor van de Revolutie zitten’ en dus conform zijn aan de in zijn Politiek Manifest ‘en andere indoctrinatiematerialen’ uitgezette koers. Met verstrooiing, troost of het zoeken naar de ziel van de mens had kunst in zijn ogen niets te maken. Wie dat ambieerde, was zo lang door het westerse liberalisme bedwelmd geraakt dat hij de noden van het volk uit het oog had verloren. Literatuur, muziek en kunst hoorden de Indonesiërs te vormen, te stuwen, te sturen, te transformeren. Ze moesten dat etnisch, ideologisch en religieus versnipperde volk één maken en sterken terwijl het zich een weg uit de armoede en de achterlijkheid vocht. Dat die strijd zich ook tegen popmuziek als die van The Beatles richtte, heeft iets ongerijmds: weinig kunst uit de 20ste eeuw werd zó massaal door het volk begrepen en geliefd, ook in Indonesië. Daar kon het echter enkel in het geniep, want zowel de muziek als de kapsels werden er verboden.

Over Soekarno’s cultuurpolitiek werd in westersgezinde media met enige gretigheid bericht, zo ook in het naburige Hongkong. Een krant als de South China Morning Post drukte weliswaar ook brieven af waarin The Beatles en hun fans werden aangevallen (‘Het type idioot dat van dit kattengejank houdt, is vast hetzelfde als diegene die vlaggen steelt, vlaggen neerhaalt, consulaten in brand steekt en overlast bezorgt door internationale incidenten te veroorzaken’), maar zowel in Hongkong als Macau overheerste toch de Beatlemania. Tijdens de twee concerten die de band op 9 juni in Hongkong gaf, bleek dat echter slechts in beperkte mate. De shows raakten niet uitverkocht en schreeuwende meisjes waren niet eens in de meerderheid. De tickets bleken veel te duur – de concertpromotor vroeg een gemiddeld weekloon – en om te voorkomen dat de zaal er al te leeg bij zou liggen, werden soldaten opgevorderd. Het was wellicht de enige keer in de geschiedenis dat The Beatles optraden voor aangevoerd klapvee – uitgerekend in het kapitalistische bolwerk Hongkong.

Terwijl het er alle schijn van heeft dat de Volksrepubliek China – allicht met Noord-Korea – het enige land ter wereld was waar The Beatles in 1964 niet of nauwelijks doordrongen, schreef South China Morning Post toch dat er in Guangzhou verstoord werd gereageerd op jongeren met een Beatleskapsel. De krant zag er een bewijs in van de mentale weerbaarheid en zelfstandigheid van de jonge Chinezen en zelfs een aankondiging van een onvermijdelijke liberalisering. Een moment van westerse propaganda of anderszins wensvol denken? Of een bewijs dat in 1964 zelfs de Volksrepubliek niet veilig was voor The Beatles? Officieel had de groep geen toegang tot het land, maar helemaal afgesloten voor de buitenwereld was China niet. Via buitenlandse studenten of in het buitenland geboren Chinese studenten kwamen westerse ideeën en producten weleens het land in, zeker in doorgangshavens als Guangzhou of Shanghai. Hier en daar bleken onvervaarde en inventieve Chinezen zelfs in staat om via zelfgebouwde radio’s naar de zender Voice of America te luisteren. Met die kennis te koop lopen – door het dragen van een Beatleskapsel, bijvoorbeeld – zou dan inderdaad durf hebben gevergd. De gemiddelde Chinees kwam met dat alles echter niet in aanraking.

In het communistische deel van Europa ontstond in 1964 wel een vorm van Beatlemania die meer leek op die in het Westen. Half februari had een Sovjetkrant nog geopperd dat de band een geheim wapen was van het Britse establishment om Britse jongeren af te leiden van de beroerde politieke toestand in hun land en de manier waarop idealen er waren onteerd, maar mocht dat al het geval zijn geweest, dan bewees het succes van The Beatles achter het IJzeren Gordijn alleen maar dat de jeugd daar niet minder aan afleiding toe was. Niet dat er in de Sovjet-Unie officiële Beatlesplaten konden verschijnen. Net zoals illegale literatuur er ondergronds verscheen als samizdat (letterlijk: zelfpublicatie), zo circuleerden er miljoenen rockplaten als roentgenizdat – muziek die niet op reguliere vinylplaten was vastgelegd, maar op weggegooide röntgenplaten. In grote steden als Moskou, Leningrad en Kiev was er een bloeiende handel in die Sovjetbootlegs, maar ook in meer afgelegen plekken als Vorkoeta of in Siberië.

Tsjechoslowakije kende, verhoudingsgewijs, een bloeiender en opener rockcultuur. De Beatlemania sloeg er al snel toe. Op 19 mei 1964 berichtte een Praagse krant over ‘langharige Beatlesfans’ die in wilde uitbarstingen vernielingen aanrichtten tijdens concerten van lokale bands. Anders dan velen verwachtten, leidde dat niet tot een strenge repressie. De media en onderwijzers begrepen algauw dat ze de rage maar beter naar hun hand konden proberen te zetten. En dus verschenen er welwillende recensies van ‘A Hard Day’s Night’ (door een correspondent in Stockholm gezien, de film kwam in 1965 ook in Tsjechoslowakije in de bioscoop) en circuleerde er zelfs een zesdelig lespakket over de geschiedenis van de moderne rockmuziek, van Elvis tot en met The Beatles, in de hoop de lokale school- en andere orkesten tot grotere hoogten te brengen. Het welslagen van die operatie is moeilijk te achterhalen, maar net zoals in de meeste andere landen ter wereld doken er groepjes op die The Beatles met succes naspeelden. In Praag en omstreken waren het er in de zomer van 1964 al zo’n vijftig. Beatlemerchandising kon in het communistische deel van de wereld uiteraard niet vrij verkocht worden, maar in Praagse kiosken waren wel postkaarten van de band te vinden. In een groot coverstuk zag Der Spiegel er die zomer het begin van een nieuw tijdperk in: ‘Op het ritme van Amerikaanse dansen wordt de tirannie van de Sovjet-Unie ten grave gedragen.’

'Tickets voor de shows in Hongkong bleken veel te duur. Om de zaal te vullen, werden soldaten opgevorderd. Het was wellicht de enige keer dat The Beatles optraden voor klapvee'


Cuba libre

Ook in Oost-Duitsland kon de nieuwe openheid afgelezen worden aan de omgang met The Beatles. In juli mocht in de partijkrant Neues Deutschland een ‘gediplomeerde muziekwetenschapper’ bijna duizend woorden lang het fenomeen duiden. Dat de schaamteloze commerciële exploitatie van Beatlemania op weinig begrip kon rekenen, hoeft niet te verbazen. De criticus probeerde echter een onderscheid te maken tussen de onechte en ongezonde gevolgen die het kapitalisme nu eenmaal altijd met zich mee zou brengen, en de originaliteit van de groep zelf. De ‘aangenaam grappig-naïeve’ teksten en deels op de Engelse folklore gebaseerde muziek van het Liverpoolse kwartet konden misschien de Oost-Duitse artiesten inspireren. De elektrische gitaar kon zoveel lawaai maken dat ze de luisteraar letterlijk kon schaden, maar ze had ook uitdrukkingsmogelijkheden die in eigen land onvoldoende onderzocht waren. De Oost-Duitse dansmuziek kon er wel bij varen en de lokale schlagers evenzeer: o, mochten het sentiment en de valse pathos van de eigen zangers geïnjecteerd worden met de gezonde naïviteit en het jeugdige elan van die jonge Britten.

Conform de huisideologie begreep de criticus het succes van The Beatles als een kritiek op de leugenachtigheid en de schijn van de reclame- en de showindustrie, en een opstand tegen het conservatisme van hun bekrompen omgeving. Maar wat zei het dan over de Arbeiders- en Boerenstaat dat ook de DDR-jongeren massaal voor de groep vielen? Vooralsnog lieten de autoriteiten het niet aan hun hart komen. Met ‘DT64’ kwam er zelfs een speciaal beatprogramma op de officiële radiozender, dat zowel internationale sterren als plaatselijk talent draaide. Er verschenen serieuze beschouwingen over de verhouding tussen arbeid en vrije tijd, opgehangen aan een analyse van de tekst van ‘A Hard Day’s Night’. In december berichtte de Berliner Zeitung zelfs op de eerste bladzijde over het huwelijk van George Harrison met Pattie Boyd en in de eerste helft van 1965 verschenen op het staatslabel Amiga zowaar enkele officiële Beatles-singles. De nabijheid van West-Duitsland – en West-Duitse en andere westerse media – maakte het ook bijzonder moeilijk om het nieuwe geluid helemaal uit te bannen.

Dat gold ook voor Cuba, dat zo dicht bij de Verenigde Staten lag dat de Amerikaanse hitradio’s er altijd wel te beluisteren vielen. Tegelijk was het voor de Cubaanse overheid een reden te meer om nog eens uit te varen tegen het Amerikaanse imperialisme. De yanks stuurden nu weliswaar geen boten vol contrarevolutionairen meer naar het eiland zoals in 1961, maar hun verderfelijke invloed was altijd verraderlijk dichtbij. De kennis van die Amerikaanse populaire cultuur was op Cuba overigens heel groot. In de jaren vóór de revolutie waren de banden tussen beide landen erg nauw. Amerikaanse sterren als Frank Sinatra en Nat King Cole traden er op en lokale muzikanten moesten zo vaak voor Amerikaanse toeristen spelen, dat ze hun repertoire aan de Amerikaanse smaak en modes hadden aangepast. Tegelijk had Cuba natuurlijk een bijzonder rijke eigen muziektraditie. Die had op eigen kracht grote delen van de wereld veroverd en bleef onder meer in Centraal-Afrika onverminderd populair in de jaren 60.

Door de Amerikaanse boycot kwamen er geen Amerikaanse producten het land meer binnen, tenzij via toeristen of Cubanen die hadden kunnen reizen. Zo kwamen ook platen van The Beatles het land in, net op een moment dat Engelstalige rockmuziek verbannen werd van de radio. In de herinnering van sommige Cubanen ontstond er in de jaren 1964-’65 zelfs een hetze tegen The Beatles, maar van een algemeen en officieel verbod op hun muziek was geen sprake. Integendeel: wie ‘mee’ was, hield van The Beatles, wie ‘tegen’ was (wegens lawaai, burgerlijk decadent of onbeschaafd) diskwalificeerde zich in de ogen van de fans als ouderwets. Dat maakte van de Cubaanse jongeren die The Beatles vereerden nog niet automatisch contrarevolutionairen. Fidel en Che hadden toch ook geen kort haar? En paste de jeugdige energie van The Beatles niet perfect bij de jongerencultus die centraal stond in de revolutionaire mythe van het eiland? Het voor elke vorm van imperialisme beduchte establishment was echter niet overtuigd, wat de generatiestrijd die ook elders ter wereld over beatmuziek werd uitgevochten, op Cuba extra politiek geladen maakte. Al snel ontstond er een ware cultus rond The Beatles, waarbij de zeldzame platen als kostbare schatten werden gedeeld, er welhaast religieuze luistersessies werden georganiseerd en fans elkaar waarschuwden wanneer ze wisten dat hun helden ergens op één of ander buitenlands radiostation te horen zouden zijn. The Beatles werden vrijwel overal ter wereld een cultureel referentiepunt en inspiratiebron, maar op Cuba misschien nog het meest van al.

‘De jaren zestig’ van Geert Buelens komt deze week uit bij Ambo/Anthos.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234