De jukebox van de weg: de teloorgang van de tankstations, deel 2

Sinds begin jaren 70 zijn in België 9.000 benzinestations verdwenen. Van 12.000 ging het naar 3.100. Twee derde van die pompen stond in het Vlaamse landsgedeelte. De klad kwam erin met de selfservice, Bancontact en zwaardere milieu-eisen. Kleinere pompuitbaters konden die nieuwe investeringen vaak niet dragen. Het was running on empty. Pompen en toch verzuipen.

'De tankstations van vijftig jaar geleden hadden nog karakter. Die van nu zien eruit als super markten met een parking'


Lees ook:

De jukebox van de weg: de teloorgang van de tankstations, deel 1

Ik kom bij gewezen tankstations die de meest uiteenlopende bestemmingen hebben gekregen: bandencentrale, carwash, drankendiscount, dierenspeciaalzaak, banketbakkerij. Of zoals in Ardooie een zaak van belegde broodjes, meteen de broodjeszaak met de grootste en hoogste luifel van West-Vlaanderen. Zeer apart is Herselt in de Zuiderkempen waar het jarenzestigstation en de garage zijn omgekat tot kringloopcentrum. Een ijzeren trap leidt naar beneden, onder de vloer, naar de bakken met vinyl en naar foto’s van James Dean, Elvis Presley en Little Joe uit Bonanza. De brillantine van de jaren 50 en 60, nu bewaard in de smeerput van de vroegere garage.

Op de plaats van de werkbanken rusten nu handboeien, gieters, heiligenbeelden, karrenwielen, flipperkasten en blaasbalgen met een bronzen Rubens erop. De uitbater is al even singulier: Roger Putzeys is een outlaw, indianenvriend én PVDA-militant. Met Che Guevara en Geronimo broederlijk boven de primitieve cafétoog. En natuurlijk zegt één van de aanwezige drinkers dat hij eigenlijk ook aan het tánken is!

Niet overal wil men iets over het verleden kwijt. Nabij een rotonde in Hechtel is ook een station stijl jaren 60. De man die zwerfvuil raapt, wil op geen vragen antwoorden. ‘Ge moet naar niks meer vragen, meneer. Het gaat toch allemaal afgebroken worden, er komen appartementen in de plaats.’ Of het tankstation van hem was? ‘Van mijn ouders. En mijn ouders zijn dood.’ Hoofdstuk afgesloten.

Leopoldsburg heeft nog een ouderwets benzinestation onder een hoekhuis. Gele siertegels. Smalle betonpiste met roze coating. En zelfs de pompen zijn nog aanwezig. Op pomp nummer 2 plakt een A4-vel: ‘Heeft Iemand Deze Kater Gezien?’

Ook het Limburgse Heppen was ooit een benzine-epicentrum. Zegt een bewoner: ‘Wie in de jaren 70 in Heppen zonder benzine viel, was een loser, want hier waren zeven pompen op één kilometer. Zelfs Café De Lindeboom had een pomp.’ Het bijzonderste relict tref ik in de Dorpsstraat. Wat nu een carwash is, was ooit een benzinestation en daarvoor een kledingzaak. In de jaren 70 werd de winkel ‘uitgeboord’ tot tankstation. Het plafond werd de luifel, de winkelvloer de oprit. Een benzinestation op poten. Als een stenen tafel waar je onderdoor rijdt.

'Ze spreken van de gouden jaren 60, maar laat dat goud er maar af. Haast niemand kon zich een volle bak permitteren'


Edward Hopper

Het onverdroten zoeken naar die oude tankstations krijgt iets van een lichte bezetenheid. In élke bebouwde kom vermoed ik een ex-station. Het laat me niet meer los. Waarom eigenlijk? Ik heb pas op m’n 32ste leren rijden. M’n ouders hadden nooit een auto. Waar komt die hang vandaan?

Het is allicht een zoeken naar de tanende romantiek van de weg. Zoals in het schilderij ‘Gas’ van Edward Hopper. Dat afgelegen tankstation. De eenzame bediende die zich over de rode zuilen ontfermt. De valavond op de hoek van een bos. Dat hangt al zolang in m’n geheugen.

En er is de zoektocht zelf. De auteur Peter Handke schreef ooit over zijn zoeken naar jukeboxen. Hij vindt niet alleen die glanzende platentrommels, maar ook onverwachte gesprekken, terloopse dansvloeren en ongekende uithoeken van een land. Dat alles en het besef dat zijn doelwit uitsterft, maken dat hij in z’n zoeken volhardt.

Zeker is dat er in België al veel is weggestorven. Dan liever Frankrijk, dat is nog een oud benzineland. Met ochtenden in plaatsen als Villosanges of La Guillermie. Die vroege stilte. Het grint knerpend onder de schoenen. Het silhouet van de kerk, de maan nog roerloos boven de daken. Een autoportier klapt onzichtbaar in het slot, ik richt een camera op die benzinepompen. Met dat schemerblauw op dat ouderwetse chroom. De motor van de onzichtbare bestuurder sterft achter de heuvel.

'Esso, Zulte'


Benzinetheaters

In Het Belang van Limburg (2009) vind ik een zoekertje van een man uit Peer, hij verzamelt foto’s van voormalige benzinestations. Jacques Jacobs zegt dat die advertentie amper reacties opleverde. Wat hij moeilijk kan begrijpen. Zovelen verzamelen memorabilia van auto’s, ‘maar wat zijn die auto’s zonder het benzinestation?!’

Jacques is een oldtimerverzamelaar met voorliefde voor het Britse automerk Jowett. In zijn living hangen prachtige schilderijen van racewagens en renbanen uit de jaren 50. Die heeft hij geschilderd in de vrijgekomen tijd na zijn ontslag als arbeider bij Ford Genk. Hij schildert ook benzinestations op basis van oude foto’s: ‘Die stations van vijftig jaar geleden hadden nog karakter. Nieuwe benzinestations zien eruit als supermarkten met een parking.’

We rijden naar Gruitrode waar Garage Eddy Verheyen twee van Jacques’ schilderijen boven de balie heeft hangen. Zestig jaar geleden had de familie Verheyen een winkel annex café ‘en daar is in 1959 een garagewerkplaats en een tankstation bij gekomen.’ Mathilde Verheyen: ‘Toen we begonnen, waren er mensen die ’s zondags één liter naft kwamen kopen. Vér kondt ge daarmee niet rijden.’

Er is één bekende benzinestationschilder en dat is de Nederlander Araun Gordijn. In 2007 verscheen een boek van zijn werk ‘Triviale illusies: benzinestations en automobielen’.

Garagist Jean-Marie Van Der Hoop geeft het boek in leen. Ik blader door geïdealiseerde landschappen waar glimmende wagens aanschuiven voor benzinetheaters met groot en overvloedig licht. Soms is het een donker platteland waar de avond maar één ster heeft: het kleine tankstation dat niet wil doven.

De Amsterdammer trok al in de jaren 70 door Amerika, en nam ‘duizenden foto’s’ van auto’s en benzinestations. Die typische roadside architecture was toen nog massaal voorhanden. In 1960 telden de VS nog 215.000 filling stations.

'Wij waren open van 7 uur 's morgens tot laat in de nacht. Tot in de jaren 80 hadden wij nooit één dag verlof'


Naftdoppen

Bij het zoeken kom ik vaak in nieuwe tankstations en in die kale interieurs zie ik schilders en bouwvakkers hun blikjesbier drinken na gedane dagtaak. Het banale tankstation is het nieuwe dorpscafé geworden. De drank is er goedkoop, de krukken hebben uitzicht op de pomp en door de schuifdeur passeert meer volk dan in een volkscafé.

In Langdorp heeft het benzinestation nog een oude stempel. De luifel op de antieke ijzeren poot leunt tegen de dakgoot van het woonhuis. Al sinds 1961, zegt ex-uitbater Jef Van Leemputten. We gaan binnenshuis zitten, bij de gloed van de mazout-kachel. Toen het station opende, had Jef nog geen auto, wel een bromfiets. Ik vraag welk merk. Hij zegt: een blauwe. Het voormalige Fina-station draaide goed, de baan van Testelt naar Averbode is altijd een drukke weg geweest. En dat ze nog een kartonnen doos hebben vol vergeten naftdoppen. Klanten konden soms lang lameren, zijn vrouw ook, en dan vergaten ze dat dicht te draaien. In 2001 zijn ze ermee gestopt en nu is het al jaren selfservice. Of hij foto’s heeft van het station. Geen enkele, zegt hij. Zijn interesse gaat uit naar Brabantse trekpaarden. Ik kijk naar tweehonderd foto’s van trekpaarden, boerenpaarden en huifkarren. Zo’n 18.000 dagen een benzinestation gehad, geen minuut eraan gedacht om het te vereeuwigen.

Op 3 kilometer van Langdorp ligt het gehucht Gijmel. Waar de rijweg een bocht maakt tegen de spoorweg, steekt een donkere luifel uit over een oprit van kasseien. Het decor van een film noir als bij valavond die twee sleetse straatlampen branden.

Jan Van Vlasselaer (69) en zijn vader hadden dit station vanaf 1962. De vader was hoefsmid en maakte ijzeren ramen en deuren. In ’62 zag de 14-jarige Jan de opkomst van auto’s en scooters en overtuigde hij z’n vader om met autoreparatie en een benzinepomp te beginnen: ‘De Spar-winkel en twee fietsenmakers hadden ook een naftpomp’.

'Die grote benzinemaatschappijen, dat waren bloedzuigers, dieven, bandieten!'


Strop rond nek

Jan Van Vlasselaer «M’n vader wilde een station van een groot merk, maar ik was daartegen. Het was nochtans aantrekkelijk. Zo’n Essso of Shell kwam de oprit, de pompen en de ondergrondse tanks gratis installeren, je moest zelf geen investeringen doen. Enige voorwaarde: 100.000 liter per jaar verkopen. Met voor jezelf een krappe commissie waarvan je de elektriciteit en het onderhoud moest betalen. Een brandstofverdeler uit de streek hield mijn vader tegen: ‘Als ge dat contract tekent, legt ge een strop rond uw nek.’ Hij heeft later gelijk gekregen.

»Wij werden dus een witte pomp, zonder merk. Maar het was een zware investering. Zo’n pomp kostte 160.000 frank per stuk (4.000 euro, red.) en per liter benzine verdiende je zelfs geen eurocent!

»En nu spreken ze van de gouden jaren 60, maar laat dat goud er maar af. Het waren goede jaren, ja, omdat de mensen wat meer pree verdienden, wat meer betaald verlof hadden en omdat ze met weinig content waren. Mijn vrouw ging werken voor 27 frank per uur. Daarvoor had je 4 liter naft. Reken dat maar om: 4 liter naft, dat is nu gaan werken voor minder dan 6 euro per uur.

»De mensen leefden zuinig en kochten alleen wat ze nodig hadden. Ze kwamen tanken voor 20 of 50 frank (0,5 of 1,25 euro, red.), omgerekend 3 of 7 liter. De vollen bak, dat konden alleen dokters, advocaten en handelsreizigers zich permitteren.

»Wie ’s zondags weg wilde, stond ’s zaterdags voor de keuze: rijden we naar de beenhouwer of naar de benzinepomp? Het was kiezen tussen naft of een biefstuk.

»Wij hebben ooit tombola’s gedaan met lotjes voor klanten die voor 100 frank (2,5 euro, red.) wilden tanken. De hoofdprijs was een volle bak! Om maar te zeggen hoe bijzonder dat was.»

'Vader (links) en grootvader Dhaene bij hun kleine benzinestation in Beervelde. De zanderige oprit, de draad rond de moestuin: dit is tanken bij de dorpspomp'


Hold-up

Jan Van Vlasselaer «Zondag was onze drukste dag. Het was de dag dat mensen op uitstap gingen. Naar de zwemvijvers bij Diest of het Zilvermeer in Mol. Om wat bij te verdienen hadden wij een parasol staan waar we ijskreem verkochten.

»Wij waren open van 7 uur ’s morgens tot laat in de nacht. En dan nog durfden bouwvakkers soms al om zes uur aan te bellen. Tot in de jaren 80 hadden wij nooit één dag verlof. Kerstmis, Nieuwjaar, dat was werkendag. Pas in de jaren 80 durfden we een halve dag verlof te nemen op zondag. Je had de lange gezichten moeten zien! Er waren zelfs klanten die wegbleven! Omdat ze dachten: wie kan sluiten, die is financieel binnen! Zo lelijk kunnen ze zijn tegen een zelfstandige. Ik moest zwijgen, maar ik heb dikwijls een vuist gemaakt in m’n broekzak.»

In die jaren werd er nog volop met cash betaald. Dat geld lag in huis, met alle gevolgen van dien.

Jan Van Vlasselaer «Eén keer ben ik overvallen. In de jaren 80, in volle Bende van Nijvel-periode. Er wordt ’s avonds laat gebeld, ik doe open, drie onbekenden voor de deur, de middelste heeft een pistool, ze roepen l’argent, l’argent! Ik ben zonder nadenken op dat trio gesprongen, en patat-patat, binnen de halve minuut had ik ze tegen de grond en mijn vrouw kon hun gevallen pistool de gang in stampen. Eén is gaan lopen, de andere had ik vast, en de derde had ik zo zwaar op de vensterbank gemikt dat ik dacht dat hij dood was. Als ze mijn geld én mijn leven bedreigen, dan weten ze niet waar ze aan beginnen. De politie is ze komen halen en ik moest ook één nacht den bak in omdat ik het recht in eigen hand had genomen.»

Z’n stem stokt. Nog bitterder wordt hij als hij aan de onbetaalde rekeningen van twintig jaar geleden denkt. Het zit hem nog hoog: ‘Ik heb nog meerdere honderdduizenden franken tegoed. Van zakenklanten die ik maandelijks factureerde, die het vertikten om te betalen en dan failliet gingen. Zij kwamen er weer bovenop, hangen nu de grote jan uit, terwijl ik weet: gij moet mij nog 60.000 frank.’

'Esso, Zwijnaarde'


Bandieten

Na de oliecrisis van 1973 (de Arabische olieproducerende landen verhoogden de prijs en verminderden de productie, red.) kwam de klad erin.

Jan Van Vlasselaer «Ik heb velen failliet weten gaan. Sommigen hebben zich letterlijk opgehangen vanwege hun wurgcontract en de schulden die ze hadden. Immers, als je in een jaar 90.000 liter verkocht in plaats van de verplichte 100.000, dan rekenden ze 40 centiemen boete per onverkochte liter. Dan verloor je in een jaar bijna twee maandlonen aan boete. Die grote maatschappijen, dat waren bloedzuigers, dieven, bandieten!»

Hij zegt dat pompuitbaters van nu het nog altijd heel zwaar hebben. Sommigen staat het water aan de lippen omdat ze van de grote merken ‘zo weinig commissie krijgen’.

Jan en Gerarda zijn in 1998 gestopt toen Bancontact ingeburgerd raakte: ‘Die investering konden wij niet aan. Dat kostte 1 miljoen frank (25.000 euro, red.) om die terminal te installeren en die pompen aan te passen. Ik heb m’n pompen gesloten en heb ander werk gezocht.’

We gaan naar het werkhuis. Gerarda trekt zeilen en dekens van de pompen die hier nog staan. Robuuste bakbeesten met in dikke letters SUPER en NORMAL. Jan wijst de plek waar vroeger de oliekachel stond: ‘Wij stookten afgedraaide olie van de auto’s. In de winter kwamen buren in die warmte zitten kaarten en kletsen over de duiven en het voetbal. In de zomer zaten ze buiten, bij de naftpompen. ’t Was zoveel gemoedelijker toen.’

Ik rijd de donkere weg naar huis. Denk aan de overvallers en hoe ik zelf ooit ‘overvallen’ ben. In Los Angeles, in het laatste tankstation waar je de huurauto kon volgooien voor de luchthaven. Er waren twintig pompeilanden maar op dat vroege uur was er niemand. Ik stak de kredietkaart in een gleuf en uit het niets stond hij in mijn rug. Een ingehouden stem: ‘Ik ben geen overvaller. Geen verkrachter. Geen moordenaar. Ik ben iemand die dringend geld nodig heeft.’ In de shop zag ik de bediende ijlings wegdraaien. Daar sta je. De auto vol bagage, de portefeuille in de hand en de kop al thuis. Ik gaf hem een deftig dollarbiljet. Bang van iemand die zo nadrukkelijk zegt dat hij geen moordenaar is.


Manuele bediening

Het Gentse museum Huis van Alijn stuurt vijf prachtige foto’s van de jaren 60, waaronder een Esso-station in Zulte en één in Zwijnaarde. De schitterende huisstijl van dat merk. De glanzende kiosk, het lichtend melkglas boven de pompen, de opschriften Quick Station en Lubrication Service. Je tankte niet in Oost-Vlaanderen, maar aan een oprit van Amerika.

De vader en grootvader van Sylvie Dhaene (de vroegere directeur van het Huis van Alijn) hadden een klein benzinestation in Beervelde. Ze stuurt foto’s van beide; met het pistool kijken ze pal in de lens. Ik zie de zanderige oprit. De kasseien. De geribbelde draad rond de moestuin. Het pannendak. Dit is tanken bij de dorpspomp.

Ooit zal iemand een fotoboek maken van die familiale tankstations in België, en dan is er één goed voorbeeld. Het Duitse fotoboek ‘Hallo Tankwart’ van Alexander Storz. 175 bladzijden met Tankstellen van 1927 tot 1973. Een prachtig fotoboek, een album gevuld met Zapfkultur, vrij te vertalen als ‘brandstoffelijk erfgoed’. Pompuitbaters aan wie ik het boek liet zien, zagen hun verleden terug en herinnerden zich bijvoorbeeld de onwennigheid toen tankstations overschakelden op selfservice (‘Eén vrouw kwam reclameren: ze vroeg waarom de pomp al na enkele liters was afgesprongen. Nogal wat tankdoppen zaten toen nog onder de motorkap. Zij had de verkeerde dop gekozen en in haar oliereservoir getankt!’)


Kerkhof

Op die Duitse foto’s zie je hoofdzakelijk manuele bediening en tot mijn verwondering is die nog steeds niet uitgestorven. De Poederleeseweg in Herentals heeft een Total waar de uitbaatster – steunend op een stok! – de pomp komt bedienen. Het station is er al zestig jaar en haar persoonlijke service verantwoordt ze met luide stem: ‘Ik zien gère joenges! Ja, ook nog op mijn vierentachtigste.’

Een bijzonder station ligt aan een drukke wegsplitsing op de grens van Herselt en Averbode. Dat is Station Oase, met ook: Café Oase. Ooit lag dit tussen bos en hei, een drinkplek in een klein beetje Kempense woestijn. Nu nog is het er landelijk; bij de weilanden ruikt het naar schaap.

Het mooiste is de authentieke kiosk van begin jaren 60. Er branden tl-buizen en er is weinig te koop. Olie, antivries, één fietsenrek en goedkope wenskaarten in een molen. Met de kerstdagen staat er een boompje met lampjes en met de paasdagen staan er paashazen en gipsen hanen op het schap. ‘Dat knutselt mijn schoondochter Peggy,’ zegt Madeleine. Zij doen de bediening om beurten. Van 7 uur tot 18 uur, dinsdag is rustdag. Madeleine houdt van d’r klanten en dat is wederzijds. Een tijd geleden heeft ze ‘een nief heup en een paar nief knieën laten steken’, ze was enkele maanden weg, en bij terugkomst waren de klanten heel blij haar te zien.

Benzine is hier bijpraten.

In het 40 jaar oude AVIA-station in Wachtebeke is ook nog bediening. Een service waarmee het jongere cliënteel steeds minder vertrouwd is: ‘Die kijken raar op als mijn vrouw ineens aan hun raampje staat.’ En verder kan de uitbater alleen maar sarcastisch zijn wat zijn toekomst betreft. Zelfstandige pompuitbaters zijn ‘een uitstervend ras’. Veel van de vaste klanten ‘liggen op het kerkhof’. En sinds 1995 worden de normen strenger en de investeringen zwaarder. IJking en milieucontroles kosten honderden euro’s, ‘en dan zijn er nog de kosten van onderhoud, stroom en sociale lasten’. Tegelijk is er de harde concurrentie van de grote merken die betere marges bedingen en hun brandstof goedkoper kunnen aanbieden. ‘Elke klant verlangt goedkope naft. Dat ik dan niks overhoud en daarvan niet kan leven, dat kan hem niet schelen. Als hij maar goedkoop af is. Dat telt.’


Het zingende station

Waarmee we bij het afkalven van het aantal stations zijn beland. Dat is geleidelijk gegaan, zeggen directeur Lieven Van den Bossche en consultant Walt Theys van het bodemsaneringfonds BOFAS. De oliecrisis van 1973 was een eerste rem, nadien kwam het bodemdecreet van 1995 en vervolgens werden steeds hogere milieu-technische eisen gesteld. De tanks moeten dubbelwandig zijn, de piste mag geen vloeistof doorlaten, vrijgekomen gas moet gerecupereerd worden, enzovoort. De grote ketens kunnen die kosten spreiden, de kleine zelfstandige behoudt alsmaar minder winstmarge en rentabiliteit, ‘zeker als het station niet over een shop beschikt’.

Ik vertel hoe iedereen die oude tankstations associeerde met ‘wegsaneren’. Moesten ze werkelijk worden uitgeroeid? Waren de normen vijftig jaar geleden dan zo slecht? ‘Niet echt. Al in de jaren 50 bestonden er maatregelen om de bodem te beschermen, maar toch lekte er brandstof weg omdat tanks en leidingen van mindere kwaliteit waren. Vaak was de eigenaar zich daar niet van bewust.’

Het fonds van de vzw BOFAS is in het leven geroepen door de petroleumsector. Een vorm van wiedergutmachung, ‘vooral bedoeld om de kleinere eigenaars financieel te helpen bij de verplichte sanering.’ Sinds 2004 heeft BOFAS meer dan 4.000 tankstations gesaneerd. Gemiddelde kost: 125.000 euro. Dat geld komt van de petroleumsector én van de consument. Op de prijs van een liter benzine gaat 0,32 eurocent naar BOFAS, voor diesel is dat 0,2 eurocent.

Bij hun saneringswerk kwamen de aannemers van BOFAS soms voor verrassingen te staan. In Sint-Gillis-Waas troffen ze een wietplantage in de lege garage aan. En in een gesloten tankstation in Damprémy (Charleroi) werd er getippeld onder de beschutting van de luifel.

Om een sanering te verkrijgen moesten de eigenaars bewijzen dat er op hun eigendom effectief benzinepompen waren geweest. Walt Theys laat die bewijsfoto’s zien. Bijna nooit is het tankstation op zich gefotografeerd. Altijd in combinatie met een plechtige communicant, een nieuwe brommer, of zelfs het bezoek van tante nonneke. Pas dán ging men tussen die pompen poseren. Het tankstation was ook bij de uitbaters geen erfgoed. Hooguit een figurant in het familiealbum.

★★★

Ik moet het nog over één ongewoon station hebben. Het zingende tankstation. Dat zag ik tijdens een zomerse filmvertoning voor het hele gezin in het Openluchttheater van Deurne. In 1965 draaiden ze daar ‘Les parapluies de Cherbourg’. Als 12-jarige vind je zo’n musical belachelijk, zeker die scène waarbij die benzinepompbediende zingend en met een hoog stemmetje aan een vrouw vraagt of het super of normal moet zijn. Op internet is de hele film te zien en wanneer ik er nu naar kijk, zie ik onuitgesproken verdriet. Wat ooit liefde was tussen een man en een vrouw is nu een stil afscheid in dat besneeuwde tankstation. En wat ooit belachelijk was, is nu melancholie. Want op die pellicule zijn niet alleen Catherine Deneuve en een prachtig Esso-station te zien, maar ook het leven zelf. Super ou Normal?

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234