De jukebox van de weg: de teloorgang van de tankstations

In België zijn er momenteel 3.100 tankstations. Rond 1970 waren dat er nog 12.000, bijna vier keer zoveel. Zo’n 8.000 daarvan bevonden zich in het dichtbevolkte Vlaamse landsgedeelte. Wat is er met die duizenden benzinestations gebeurd? Waar en wanneer zijn ze van de aardbodem verdwenen? Een zoektocht naar de laatste restanten van een oude oliebeschaving.

'In de jaren 60 gingen niet alleen garagisten, maar ook fietsenmakers, kruideniers en cafébazen een benzinepomp houden. Soms had je negen pompen in een straal van één kilometer'

Ik heb iets met treinen en stations, maar ook met tankstations. Die pitstop langs de weg die zoveel in beweging zet. Schoolbussen, vrachtverkeer, ambulances, lijkwagens, verhuiswagens en vakantiegangers.

Het eerste benzinestation in België opende in 1927, precies negentig jaar geleden. Maar dé doorbraak kwam er eind jaren 50, begin jaren 60, toen zowat iedereen een auto ging kopen en die petroleumplatformen overal opdoken. Het land ging vooruit, de Belgen gingen de weg op, en de benzinepomp was hun plaats van vertrek. Het leek soms op een écht station, met een deftig naambord en met bedienden die een uniform en een kepie droegen.

Ik wil benzinestations zoeken die nog iets van dat oude karakter bewaard hebben. Ze zullen uitgeleefd, vervallen en allicht gesloten zijn. Toch wil ik dat ‘fossiele erfgoed’ vinden, en de verhalen die erbij horen.

Het wordt geen makkelijke zoektocht. Op het internet vind ik foto’s van oude en vervallen benzinestations, maar vooral in Frankrijk en Amerika. In Kortrijk zou het AVIA-station aan de Stasegemstraat nog ‘helemaal Expo 58’ zijn. Ik zie gestroomlijnde vormen en een luifel met prachtige ijzeren bogen, maar het is intussen gesloopt voor een nieuw tankstation, saaier en cleaner dan de parking van een ziekenhuis. Adegem (Maldegem) had een Caltex-station uit 1950 dat vanwege zijn typische bouwstijl zelfs op de inventaris van bouwkundig erfgoed stond, maar ook dát is afgebroken.

Ik blader in fotoboeken van heemkunde en erfgoed. Veel aandacht voor kastelen, kerken, vierkantshoeven en eerbiedwaardige potstallen, maar tankstations, dat wringt blijkbaar. Te veel van deze tijd, te vaak de bodem vervuild, en dus smerig erfgoed.

Het Gulfstation in Scherpenheuvel
Slangen en pistolen

Om die oude karakterstations te vinden, bel ik beroepsmensen die veel onderweg zijn: bakkers met een broodronde, melkboeren die dagelijks 300 kilometer in West-Vlaanderen rondrijden, en ook pakjeskoeriers. Ze hebben nauwelijks tips. Het dorp Doel blijkt nog een gedateerd station te hebben, wel compleet onder de graffiti. Ik ontvang prachtige foto’s van een tankstation in Oostduinkerke, Garage Catteau anno 1930. Mannen met stofjassen kruisen de armen. De pompen zijn monumentale zuilen, geheel in smeedijzer en dubbel zo hoog als hun bedieners, maar meer uitleg is er niet.

Ook cijfers uit de jaren 1960-1970 vinden is lastig. Geen enkele instantie (ook niet de Belgische Petroleum Federatie) heeft die cijfers. Slechts via de volkstellingen en het bodemsaneringsfonds BOFAS kom ik op een schatting van 12.000 stations in 1970. Een geweldig getal: in die gloriejaren gingen niet alleen garagisten, maar ook fietsenmakers, kruideniers en cafébazen een pomp houden.

Ik ga zelf op weg richting Diest. In Tessenderlo meent een oudere wielertoerist dat er ‘rond Averbode’ nog wat te vinden is en hij steekt een verhaal af over autoreizen naar Lourdes in de jaren 60. Zijn vader moest meermaals vol tanken, en dan kreeg het gezin strandballen, zwembanden, wijnglazen en zelfs luchtmatrassen bij die Franse pompen. Tanken was altijd prijs.

Ik steek m’n kop binnen in tankstations van alle merken, in garages en autoshowrooms, in cafés en bakkerijen; iedereen pijnigt zijn hoofd, maar dan volgt de opmerking die ik nog vaak zal moeten horen: ‘Wat gij zoekt, is niet meer te vinden. Alles is al weggesaneerd.’

Uiteindelijk toch een tip in Diest. Weliswaar jaren 80, maar daar, in het hinterland van een shoppingcentrum, ligt een gestorven tankstation. Het glazen kantoortje – de kiosk – is er nog, met een verbleekte kerstman en verschraalde kamerplanten. En er zijn de pompen: één half ontmanteld, het raderwerk naakt en bloot. Ook de slangen zijn er nog, maar ze liggen dood en in een grillige omstrengeling op de grond. De pistolen los tussen opgeschoten onkruid.

'Busjes met werk­volk, zaken­mensen in Mercedessen, mannen in sport­wagens: je zag heel de maatschappij passeren' Willy Frederickx, Scherpenheuvel


BP-servies

Slangen en pistolen. Het is olie en Texas, en ook drama. Als een filmacteur een verlaten benzinestation betreedt, betrekt de lucht met onheil. In ‘No Country for Old Men’ stapt de highway killer Javier Bardem een afgelegen tankstation binnen. Een zwarte raaf die met het leven van de arme bediende speelt. Filmisch gezien hoort de dood zelfs bij het tankstation. Er is áltijd die bijklank van het pistool dat uit zijn metalen holster komt.

Ook ‘Het gouden ei’ van Tim Krabbé is een drama dat aanzet in een tankstation. Op reis in Zuid-Frankrijk gaat een vrouw wat drank halen, en ze keert nooit meer naar de auto terug. De man vertrekt in een nachtmerrie. Alles kan omslaan in een tankstation. Je dag, je hele verdere leven.

In een Audi-garage in Diest spreek ik Jerry. Zijn ouders hadden vroeger een garage en BP-station in Schaffen. Zoals de meesten begonnen ze met één pomp ‘Super’; er waren haast geen personenauto’s die op diesel reden. In 1970 telde het kleine dorp al zés benzinestations. En toch waren de meeste klanten van het dorp, ‘er stopte zelden een vreemde.’ Zijn vrouw spreekt over de promogeschenken die toen bij het BP-tanken werden weggegeven, ‘zoals die telloren, tassen en ondertassen in gefumeerd en bijna onbreekbaar glas.’ Dat BP-gerief was hun eerste servies toen ze trouwden. Jerry betreurt dat het tanken zo anoniem is geworden. Waar is die ‘ting!’ gebleven telkens als er een liter in de tank ging? En waar is dat meisje in haar Mini Cooper? Ze stopte en zei ‘Vol!’ En hij vroeg: ‘Gij? Of uw auto?’ Hij lacht verlegen, hij was een balorige puber met veel praats.

Dan het Maria-oord Scherpenheuvel, dat is bepaald wonderbaarlijk met de verschijning van drie jaren 60-stations op anderhalve kilometer. Het eerste is nu een Pakistaanse carwash, voluit geschreven: Ballé Ballé Hand Car Wash Sons of Punjab. Onderschrift: With the love of our hands + free wifi. Het tweede – ook op de Basilieklaan – heeft alleen nog de lege pompensokkel en een grote garage. Het derde springt eruit door z’n Amerikaanse design: een strak wit gebouw met een vierkant torentje en vierkante ruitjes erin. Ik klop op een raam met sanseveria’s, Willy Frederickx (73) trekt de deur open. Vaak zeggen mensen bij aankomst van de reporter dat hij niet op de rommel moet letten. Maar hier is het onmogelijk om de rommel níét te zien. Wat ooit het kantoortje was, is nu een schrijn en vergaarbak van alles wat Gulf-benzine of Alfa Romeo was. Stickers, miniatuurauto’s, banden en velgen, radioboxen en jerrycans, plus één volwassen stuurwiel waarvan alleen Willy kan zeggen welke wagen eraan hing.

'Esso, Zwijnaarde'


Protserig

Willy rijdt auto sinds z’n 12de, was rallypiloot en kan uitleggen hoe het was om een tankstation te beginnen in de jaren 60.

Willy Frederickx «Dat torengebouwtje is in 1962 door Gulf gebouwd, het was gemodelleerd naar de Amerikaanse Gulf-stations. De grote merken waren toen Esso, BP, Shell en Aral; Gulf was een opkomend merk en zij wilden een heel opvallende architectuur. Vandaar die toren met al dat glas erin. Overdag blonk de zon in die raampjes, ’s avonds was die toren vanbinnen schoon verlicht met tl-buizen. Er stonden ook twee spots op die toren en boven de pompen hing een geweldige lichtbak. Dat moest een schitterend lichtbaken zijn, iets dat automobilisten van ver konden zien liggen in de woestijn. Dat hier geen woestijn was, dat wisten die Amerikanen niet (lacht). Er was ook een groot uithangbord van Gulf, een grote Gulf-vlag en boven heel het station zo’n flidder van blauw-oranje Gulf-vlaggetjes.»

Dat een station zo dwingend moest opvallen, kwam uit Amerika overwaaien. Ook daar stonden de eerste benzinepompen op de stoep en langs de weg. Maar toen ze groter werden, met een garage voor reparatie en onderhoud, kwamen de benzinestations iets verder van de weg te liggen. Om toch op te vallen moesten bouwstijl, reclame en typografie opzichtig en herkenbaar zijn. Daardoor kregen de stations iets protserigs. Zoals de jukeboxen in de duistere cafés eruit sprongen met hun blinkende chroom en pompeuze design, zo moest ook het tankstation heftig opvallen naast de weg. De hoge luifel was afgekeken van de toenmalige entree van de bioscopen. De kiosk, voor de verkoop van smeerolie en accessoires, was met zijn glas en wit licht een afspiegeling van de autoshowroom.

'Caltex, Arquennes'


Gat in de pijp

In 1967 nam Willy de pompen en de garage over. ‘Commercieel was ik daar gerust in, want de auto was toen de toekomst. Iedereen dacht zo, want iedereen reed met de auto. En wie toch nog met trein of brommer reed, hoopte gauw met een auto te kunnen rijden.’

Dat de auto zo’n weergaloze toekomst had, kwam volgens Willy door de Expo in 1958.

Willy «Expo 58 heeft alles in gang gezet. Nadien kwamen er nieuwe wegen, nieuwe huizen, en ook nieuwe jobs die beter betaalden. In dit deel van het Hageland had je kleine boeren die in het bietenseizoen naar Wallonië trokken om wat bij te verdienen. Toen de huizen- en wegenbouw na 1958 zo fel vooruitging, trokken aannemers langs de Hagelandse boerderijen om arbeiders te werven: ze gingen boerenzonen overtuigen om metselaar of ijzervlechter te worden. En velen maakten die overstap. Gedaan met het povere boerenbestaan: ineens hadden ze vaste werkuren en verdienden ze goud, bij wijze van spreken. En zo kwam er welstand. En zo gingen die boerenzonen brommers, motors en daarna tweedehandsauto’s kopen.

»Met die autoverkoop steeg ook het aantal benzinestations. Het was ongelofelijk wie er allemaal een pomp ging houden. In een straal van 1 kilometer waren er negen pompen. Soms op de stoep langs de steenweg, zoals bij de steenkolenboer. Om te tanken stopten ze daar pal op de rijweg!»

Mensen hadden de wildste ideeën met petroleum. In Het Nieuwsblad van 7 januari 1960 lees ik het verhaal van een ‘dopper met een auto’ die aan selfservice ging doen. De man uit Eigenbilzen wist dat er een pijpleiding met petroleum onder een afgelegen weide door liep. Hij ging graven, maakte een gat in de buis en wilde zo olie aftappen voor eigen gebruik. Zoals in een stripverhaal spoot de petroleum steil omhoog, hij moest de boel gauw weer dicht schoppen. De penetrante lucht alarmeerde de buren echter. De rijkswacht vond 25.000 liter petroleum, weggelopen in de bodem. Het was geen gewone pijpleiding, het was een militaire pijp voor de bevoorrading van troepen in Duitsland.

'Uit het BP­-handboek (1961) voor de pompuitbater: 'Het onthaal van de klant is uiterst belangrijk: treed hem vlug tegemoet en groet hem beleefd en glimlachend.' (Foto: Rillaar – Aarschot.)'


Pardon! Service!

In Scherpenheuvel vereenzelvigde men Willy zozeer met zijn station dat hij ‘de Gulf’ werd genoemd. Willy legt uit waarom zoveel kleine dorpen toch meerdere stations hadden.

Willy «Wie nu van Antwerpen naar Hasselt rijdt, gebruikt de Boudewijnsnelweg E313. Maar in die tijd waren er amper snelwegen. Vroeger moest je door Lier, Aarschot en Diest naar Hasselt rijden, en dus ook via al die dorpen zoals Scherpenheuvel. Voor veel camionneurs was Scherpenheuvel een tussenstop, met frieten en tanken.»

Hij zegt dat hij het altijd heel graag gedaan heeft: ‘Naft geven was een plezier door de passage van al die verschillende mensen: busjes met werkvolk, zakenmensen in Mercedessen, mannen in sportwagens, je zag heel de maatschappij passeren.’

Willy «M’n vrouw en ik hebben ook úren en úren aan de pomp gebabbeld. Je praatte tot je de volgende auto zag aankomen. ‘Nu moet ik voortdoen,’ zei je, en bij die volgende klant begon het babbelen opnieuw. Mijn vrouw wist op die manier álles van het dorp. Nu is het tankstation een anonieme plek, maar toen was het er even gemoedelijk als bij een bakker of een coiffeur.»

Superbenzine kostte in 1967 ongeveer acht frank (20 eurocent) per liter. Op een liter benzine verdiende Willy 30 centiemen, zijnde 3,75 procent. Om de drie dagen was er een prijsstijging of -daling die ‘per briefpost werd meegedeeld en dan moesten wij in die pomp een spil losmaken en met de tandwieltjes draaien tot de nieuwe prijs erop stond.’ De hoogste prijs was 9,99 frank, hoger gingen die tandwielen niet. ‘Toen de naft boven tien frank steeg, zijn de prijzen nog een hele tijd in halve liters uitgedrukt.’

Elke pomp werd nog manueel bediend. Selfservice is maar twintig jaar later gekomen. ‘Zo’n tankstation heette toen servicestation en dat was letterlijk te nemen. Ik ben drie keer in Antwerpen op cursus geweest om die service te leren.’ Willy leerde hoe hij de klant tegemoet moest gaan en welke gratis service hij moest bieden: ruiten schoonmaken, bandenspanning controleren en oliepeil nakijken. ‘De meeste mensen die hier stopten, hadden echter nooit vuile ruiten. Omdat ze nooit vér reden en elke zaterdag hun auto wasten.’

'Nu is het tankstation een anonieme plek, maar vroeger was het er even gemoedelijk als bij een bakker of een coiffeur'


Smerige damp

In de Antwerpse Erfgoedbib vind ik een BP-handboek voor pompuitbaters uit 1961. Op de 31 pagina’s wordt uitgelegd hoe ‘U de aantrekkelijkheid van Uw station én Uw winsten kan verhogen’. Het station moet eerst en vooral ‘zuiver onderhouden’ zijn. De piste dagelijks geveegd, de pompen afgestoft en de plooidarmen netjes bijeengerold. Ook het kantoortje moet blinkend proper zijn (‘geen rondslingerende brieven, geen jassen op de bureaustoel’). De ‘eigen verschijning’ dient eveneens ‘onberispelijk’ te zijn, ‘dus geschoren en behoorlijk gekamd’. Het onthaal van de klant is uiterst belangrijk: ‘Treed hem vlug tegemoet en groet hem beleefd en glimlachend.’ Dan volgt de service van banden, olie en voorruit, ‘en indien mogelijk worden ook koplampen en nummerplaat schoongemaakt’. Bij vertrek moet de klant begeleid worden tot aan de afrit: ‘U vergewist zich of de baan vrij is en dan groet U de klant opnieuw met de glimlach en U wenst hem tot wederziens.’

Willy zegt dat de maatschappij Gulf ‘tamelijk streng was op het uniform’. Hij moest een Gulf-overall en Gulf-vest dragen, maar ‘dat bootje’ (de bootvormige muts) heeft hij nooit op zijn kop willen zetten.

Van 1967 tot 2001 hebben Willy en z’n vrouw het station bediend. Toen kwamen er opnieuw strengere normen, ze wilden de investering niet meer doen, en tegelijk overleed z’n vrouw aan kanker. ‘Zij heeft altijd gedacht dat het van de benzinedampen kwam; vooral de loodvrije benzine had smerige damp.’

Willy sakkert op het anti-autobeleid dat nu in zwang is: ‘De auto is de vijand geworden. Overal willen ze hem weghebben. Met bloembakken, drempels, wegversmallingen en snelheidsbeperkingen.’ De auto is dé boeman geworden, want altijd op één lijn met verkeersongevallen, fijn stof en files (de grootste van Europa!). Hij spreekt met liefde over de jaren 50 en 60, toen de auto nog een onbekommerde vrijheid was.

Die onbekommerdheid was relatief, dat heb ik vijftien jaar geleden voor een reportage onderzocht. Er waren toen ook al files bij lange weekends en zomervakanties, en érger: er vielen veel meer verkeersdoden. In 1960 waren er amper 1 miljoen auto’s (zeven keer minder dan nu!), en tegelijk waren er zeven keer zoveel ongevallen, en vielen er 1.100 doden op de plaats van het ongeval (tegenover 540 nu). Dat enorme kerkhof was toen nauwelijks een politiek of maatschappelijk thema, het was een te verwaarlozen tol van de jarenzestigvooruitgang.

'Mensen wisselden veel sneller van auto. Zoals die schoolmeester: als zijn asbak overvol was, kocht hij een andere occasie'




Gouden Kruispunt

In Bekkevoort tippen ze het oude Esso-station van Tielt-Winge. Ik ben opnieuw in de streek van Diest en Tienen, om één of andere reden zijn hier meer oude stations bewaard dan elders. Het oude Esso-station van Tielt-Winge heeft geen pompen meer, maar wel nog een royale oprit en een servicekiosk waarvan de roze verf onder het roet zit. Binnen staat één deur open naar de smeerput. De poster met de blote vrouw op een badhanddoek. Al dertig jaar lust in de ogen. In de kiosk is nog verkoop van sigaretten en drank. Tegen het raam leunen blokfoto’s en ingelijste schilderijen. De Antwerpse kathedraal. Bloeiende magnolia’s. Beide te koop. Maar ook die verkoop zal wel een stilleven zijn. Ik geef een tikje op de bel. Eigenaar Berre houdt een deur halfopen, ziet me voor een vertegenwoordiger (‘ik ben niet geïnteresseerd’) en geeft dan enkel mee dat zijn vader dit station al in 1953 begonnen is. En zo sta ik terug buiten, in dat geraas van remmen en rijden. Want dit station ligt niet zomaar aan een wegkruising. Geheel verweesd ligt het vlak bij het Gouden Kruispunt, een recent ontplofte boomtown, een clusterbom van baanwinkels. Bij Berre hangen nog een WK 2014-vlag van de Rode Duivels en kerstlichtjes onder het dakspant. Dé combinatie die wil zeggen dat hier lange tijd niets zal veranderen.

8 kilometer van Tielt-Winge ligt Binkom. Met aan de buitenrand weilanden én een garage uit de jaren 50. De trapvormige contouren zijn onmiskenbaar, maar de plek is erg in verval. Op de benedenverdieping zijn de ramen kapot, met tape bijeengehouden of door spaanplaat vervangen. Aan de overkant staat een keurig huis met krokussen en narcissen. Omdat het koud is en schemeruur, zeggen man en vrouw: ‘Kom toch binnen.’

Georges Timmermans kent die plek aan de overkant maar al te goed. Het gebouw is al lange tijd verkocht, maar ooit was het de garage en het Gulf-station van zijn broer, daar ging hij werken vanaf 1956. Autoverkeer was er toen weinig, zegt z’n vrouw Romaine: ‘Er reden in een hele maand minder auto’s dan nu in een halve dag.’

Vlakbij ligt Vissenaken. Dat dorp had in 1956 vijf auto’s en die benzineklanten kenden zij persoonlijk. De Ford Fairlane van de kruidenier-koster. De Citroën 11pk van de twee ongetrouwde zusters van ‘het kasteeltje’.


Renault ‘Bolleke’

Van een benzinepomp alleen kon je evenwel niet leven. Vandaar die combinaties: bromfietsenzaak met pomp, ijzersmid met pomp, café met pomp. Het station had geen bord met prijzen, er was alleen het venstertje van de pomp om de benzineprijs af te lezen. Tanken was een behoedzame kunst. Als je één tel te lang tankte, spoot de brandstof uit het gat; het pistool sprong niet automatisch af.

In de winter verstijfde de paraffine in de diesel zo vaak ‘dat er amper brandstof uit de slang kwam.’ Soms had zich in de poreuze ondergrondse leidingen ook water onder de brandstof gemengd: die bevroor en dan men moest de buizen ontdooien met een ‘warmeluchtblazer’.

Garage en tankstation waren ook een ontmoetingsplaats.

Georges Timmermans «Werkmannen uit de buurt kwamen ’s avonds op de reparaties staan kijken. Voor die bezoekers hadden we een grote zitbank staan. Heel gemoedelijk allemaal, maar daardoor legden de mensen wel beslag op ons. Als ze om zes uur ’s avonds de auto binnenbrachten voor een nieuwe koppeling, dan kon je zorgen dat die wagen ’s morgens klaar was. Vaak gingen we die auto ’s nachts nog aan de deur van de klant afzetten.»

Ook Willy uit Scherpenheuvel leverde die service.

Willy «Bracht de klant de wagen, dan brachten wij hem nadien naar huis. Was zijn auto klaar, dan werd-ie ’s nachts voor de deur bezorgd. De sleutel in de brievenbus. Of achter de zonneklep, of gewoon in het contact, dat kon toen allemaal.»

Ook Georges zag de welstand in de jaren 60 toenemen dankzij de nabije suikerfabriek van Tienen, waar toen vierduizend man werkte.

Georges «Begin jaren 50 reden al die werkmannen nog met de fiets. Vanaf 1955 kwamen de brommers, waarvan wij er honderden verkocht hebben. In de jaren 60 ging de pree omhoog en de werkman kon zijn eerste occasieauto betalen. Door nog iets langer te sparen kon hij zich zelfs een nieuwe auto permitteren.

»Mijn broer ging die auto’s halen bij grote garagisten in Leuven en Brussel. Hij verkocht Renault, Peugeot, Citroën, Wartburg en zelfs Trabant! Hier was natuurlijk geen showroom. Mijn broer ging met folders en brochures bij de mensen thuis en zo kregen ze hún auto voorgesteld.

»Autorijden was nog een avontuur. De eerste keer dat wij met iemand naar Brussel reden, was met een Bolleke, de Renault 4CV die toen heel populair was. Het was winter, die auto had geen verwarming, maar aan de spiegel hing zo’n gasbrandertje zoals nu op de verwarmde caféterrassen. Toch levensgevaarlijk als je daarover nadenkt!»


Asbakmodel

Aan het benzinestation hebben ze wel meer gevaarlijke dingen gezien. Dronken bestuurders (‘die zag je al van ver komen, die hadden de hele steenweg nodig’) en al te geruste bestuurders: ‘Eén dame had zo haar eigen gewoonte. Ze tankte, ging aan de steenweg kijken of er een auto aankwam, ging naar haar auto, stapte in en reed dan de steenweg op zonder nog om te kijken. Er wás weinig verkeer, maar in 1966 was dat toch al gevaarlijk rijgedrag.’

Georges heeft zelf de automobiliteit in de streek opgevijzeld, want hij heeft ‘honderden mensen leren rijden’. Niet dat hij een brevet had, maar van een garagist werd aangenomen dat hij de perfecte instructeur was, ‘omdat hij toch alle dagen in een auto zat’ (rijexamens bestonden nog niet, die kwamen er pas in 1968; het praktijkexamen in 1977, red.).

Hij zegt ook dat men veel vlugger van auto wisselde omdat er in de jaren 60 zoveel occasies op de markt kwamen: ‘Sommige klanten kochten elk jaar een andere occasie. Zoals die schoolmeester. Als zijn asbak overvol was, als de peuken op de vloer en onder zijn schoenen lagen, dan kocht hij een andere auto. Liever dan de asbak leeg te maken.’

Ik vraag Georges of hij een foto heeft van pomp en garage. Hij is beduusd. Vijftig jaar is dat station er geweest en nooit is er één foto van gemaakt. Het was maar werk. Alsof werk niet al te belangrijk was. Zo is dat met de geschiedenis van de arbeid. Ze gaat in kisten en wordt naar kerkhoven gedragen.


★★★

Het is avond in Rillaar en er steekt een storm op. Langs de weg naar Aarschot is er een garage met een antiek benzinestation. De man met de hond zegt dat het al zeker vijfentwintig jaar dicht is. In de flank van de garage staat nog een rode rustieke pomp van het type Beckmeter. Gebarsten glas. Prix par litre: 5,68 fr. Een pomp uit de jaren 50. Een tweede sokkel heeft nog drie andere benzinepompen, gehuld in kappen van zwart plastic. De wind klapperend als een ratel. Hier staan drie oude spoken. Ooit schildwachten van de weg.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234